Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Albionstraat ongenummerd Leunen
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0984.TAM24001-on01

Regels

 
Preambule
 
Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld om de herontwikkeling van de locatie Albionstraat 46, Leunen mogelijk te maken en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) van het omgevingsplan van de gemeente Venray.
Dit hoofdstuk wordt op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld middels de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De weergegeven hoofdstukken in dit, op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven, deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Venray. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d' gelezen worden.
 
1 Inleidende bepalingen
 
Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
 
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
2.1 TAM-omgevingsplan
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Albionstraat ongenummerd Leunen.
 
2.2 Omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Venray.
 
2.3 Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
2.4 Achtererf
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw.
 
2.5 Agrarisch
het (bedrijfsmatig) telen van gewassen en/of het houden van dieren.
 
2.6 Agrarisch grondgebruik
gebruik van grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, al dan n iet met het gebruik van tijdelijk afdekmateriaal, en/ of door middel van het houden van dieren.
 
2.7 Antenne-installatie
Installatie bestaande uit een antenne, een antenne-drager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
 
2.8 Archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.
 
2.9 Bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
2.10 Bebouwingspercentage
een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd.
 
2.11 Bed & breakfast
het bieden van de mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben door de eigenaar of hoofdbewoner van de desbetreffende woning.
 
2.12 Bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, beroepen aan huis daaronder niet begrepen.
 
2.13 Bedrijf aan huis
het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot het beroep aan huis, gericht op consumentenverzorging geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteiten zodanig is dat als deze in een woning en bijgebouwen wordt uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.
 
2.14 Begane grond
de natuurlijke oppervlakte van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging, alsmede dat gedeelte van een gebouw dat met die oppervlakte gelijk is. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aangrenzend maaiveld.
 
2.15 Beroep aan huis
de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van prostitutie.
 
2.16 Bestaand
ten tijde van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk van het omgevingsplan aanwezig.
 
2.17 Bijgebouw
een aangebouwd of vrijstaand gebouw of ander bouwwerk met een dak die door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw, die in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn en functioneel dienstbaar aan dit hoofdgebouw.
 
2.18 Bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
2.19 Bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
 
2.20 Bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond.
 
2.21 Bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
2.22 Bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel.
 
2.23 Bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
2.24 Bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
2.25 Caravan
een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot dag- of nachtverblijf van een of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze wagen of dit voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt hij voor de toepassing van dit plan aangemerkt als caravan.
 
2.26 Carport
een overkapping van lichte constructie, bestemd om te dienen als overdekte stalling voor een motorrijtuig, welke geen tot de constructie behorende wanden heeft.
 
2.27 Chalet
een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, waar gedurende een gedeelte van het jaar wordt gerecreëerd door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben.
 
2.28 Containerteelt
de teelt van gewassen waarbij de grond wordt afgedekt met plastic en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen en andere voorzieningen zoals voor beregening, afwatering en bereikbaarheid, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op deze afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten.
 
2.29 Dagrecreatief medegebruik 1
extensieve vormen van dagrecreatie die in de open lucht plaatsvinden in gebieden waar de hoofdfunctie een andere is; hieronder worden in ieder geval verstaan: wandelen, fietsen, paardrijden of kanoën.
 
2.30 Dagrecreatief medegebruik 2
tijdelijk medegebruik van grasland akkerbouwgrond of onbebouwde agrarische grond voor kleinschalige, waaronder kleinschalige recreatieve luchtvaart ten behoeve van luchtballonvaren en ultralights.
 
2.31 Detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
2.32 Eigen terrein
het terrein dat is uitgegeven in erfpacht, is verhuurd of in gebruik gegeven aan, dan wel in eigendom is van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, welke de betreffende gronden gebruikt ten behoeve van een middels de regels van dit plan ter plaatse toegestane functie.
 
2.33 Erf
een gedeelte van het perceel, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij geldt:
  • Achtererf: Erf achter de met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied evenwijdig gelegen lijn, die het hoofdgebouw raakt:
    • aan een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op 1 meter achter het snijpunt met de voorgevel, en,
    • aan een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op het snijpunt met de achtergevel.
  • Voorerf: Erf dat geen onderdeel is van het achtererf.
  • Zijerf: Het gedeelte van het erf dat zich bevindt aan de zijkant van het hoofdgebouw, startend bij de voorkant en eindigend bij de achterkant van het hoofdgebouw. Het zijerf maakt onderdeel uit van het voorerf wanneer het grenst aan openbaar gebied, als dit niet zo is dan maakt het onderdeel uit van het achtererf vanaf 1 m achter de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde.
     
2.34 Evenement
een voor publiek openbaar toegankelijke verrichting van vermaak in de open lucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van publiek voor sociale, informerende, educatieve, culturele, levensbeschouwelijke doeleinden en/of doeleinden voor vermaak. Onder toegestane evenementen wordt verstaan: kermissen, herdenkingsplechtigheden, feesten, muziekvoorstellingen, wedstrijden op of aan de weg, braderieën of markten, optochten en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen evenementen.
 
2.35 Extensief recreatief medegebruik
die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.
 
2.36 Functiegrens
de grens van een functievlak.
 
2.37 Functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
 
2.38 Gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
2.39 Gebruiken
het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken.
 
2.40 Gevel
Buitenmuur van een gebouw, waarbij geldt:
  • Voorgevel: de gevel aan de voorzijde van een hoofdgebouw.
  • Zijgevel: de gevels van een hoofdgebouw die haaks staan op de voorgevel.
  • Achtergevel: de gevel van een hoofdgebouw die zich aan de tegenovergestelde kant van de
    voorgevel bevindt.
     
2.41 Gewasbeschermingsmiddelen
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309).
 
2.42 Groepsaccommodatie
een accommodatie waarbij door een groep of groepen van personen gezamenlijk van voorzieningen gebruik wordt gemaakt en waar logiesgelegenheden aanwezig zijn voor groepen personen.
 
2.43 Grondgebonden woning
een gebouw, dat een vrijstaande woning of meerdere halfvrijstaande, geschakelde of aaneengebouwde, uitsluitend naast elkaar en niet boven elkaar gelegen, woningen omvat, en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd.
 
2.44 Hoeksituatie
een situatie waarin een perceel met minimaal twee aaneengesloten zijden grenst aan een weg of twee kruisende wegen.
 
2.45 Hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming in functioneel en architectonisch opzicht het belangrijkste is.
 
2.46 Huishouden
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.
 
2.47 Kampeermiddel
tenten, tentwagens, kampeerauto's, caravans of stacaravans dan wel ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuigen of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
 
2.48 Kleinschalige verblijfsrecreatie
recreatie met een oppervlakte van maximaal 100 m2 waarbij overnachting plaatsvindt, in de vorm van een recreatiewoning, groepsaccommodatie, logiesvoorziening of bed and breakfast.
 
2.49 Kunstwerk
object van artistieke kunstuiting.
 
2.50 Landschappelijke waarde
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde bepaald wordt door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.
 
2.51 Levensloopbestendig
een zelfstandige woning, die geschikt is voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners, doordat de entree zonder traptreden is te bereiken en de primaire vertrekken (hoofdslaapkamer, woonkamer, keuken, toilet en badkamer) zonder traplopen zijn te bereiken, waarbij reeds bij aflevering deze primaire vertrekken gerealiseerd zijn, danwel leidingwerk(aan/afvoer) is aangebracht tot in deze ruimte(s) om dit met eenvoudige aanpassing alsnog te kunnen realiseren.
 
2.52 Logies
gelegenheid om te overnachten voor personen die elders hun hoofdverblijf hebben.
 
2.53 Luifel
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand.
 
2.54 Maaiveld
bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft.
 
2.55 Milieuhygiënische uitvoerbaarheid
overkoepelend begrip voor relevante milieuaspecten zoals bodem, geluid, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, etc. aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, zodat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse is geborgd.
 
2.56 Normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden
het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren.
 
2.57 Ondergeschikte bouwdelen
onderdelen van een hoofdgebouw die in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw en bijgebouwen, zoals erkers, ingangpartijen, luifels, schoorstenen en antennes.
 
2.58 Ondergronds
beneden het peil.
 
2.59 Onderkomens
voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.
 
2.60 Openbaar toegankelijk gebied
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
 
2.61 Overige bouwwerken
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct duurzaam met de aarde is verbonden.
 
2.62 Overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand.
 
2.63 Peil
Voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
 
2.64 Permanente bewoning
bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan als hoofdverblijf.
 
2.65 Prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. Raamprostitutie is hieronder mede begrepen.
 
2.66 Recreatie
activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding.
 
2.67 Recreatiewoning
een gebouw, geen woonkeet en geen (sta)caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben, gedurende een gedeelte van het jaar voor recreatief verblijf te worden gebruikt.
 
2.68 Schuilgelegenheid
een overdekte ruimte die aan maximaal drie zijden is omsloten door wanden, waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter uit oogpunt van dierenwelzijn.
 
2.69 Seksinrichting
een voor het publiek toegankelijk gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin handelingen, vertoningen en/of voorstellingen van erotische en/of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt mede begrepen een sekswinkel, zijnde een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat is bestemd en/of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig te koop en/of te huur aanbieden, waaronder mede begrepen uitstalling, verhuren en/of leveren van seksartikelen. Een prostitutiebedrijf en bordeel zijn hieronder mede begrepen. Seks- en/of pornobedrijf is een aparte functie en valt op geen enkele wijze onder enig andere functie c.q. doeleinden c.q. bestemming zoals bedoeld dan wel omschreven in dit TAM-Omgevingsplan. Hieronder wordt mede verstaan prostitutie en raamprostitutie.
 
2.70 Stacaravan
een onderkomen, onder welke benaming ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot dag- of nachtverblijf van een of meer personen, die elders hun hoofdwoonverblijf hebben, en dat eventueel door de aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen wel over korte afstand naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien dit onderkomen wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt het voor de toepassing van dit plan aangemerkt als stacaravan.
 
2.71 Standplaats
het vanaf een vaste plaats op een openbaar toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of etenswaren, het anderszins aanbieden van goederen en bedrijfsmatige of niet-bedrijfsmatige diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
 
2.72 Tent
een in hoofdzaak uit textiel of daarmee vergelijkbare materialen vervaardigd onderkomen voor dag- en/of nachtverblijf.
 
2.73 Tijdelijk afdekmateriaal
materiaal dat teeltgebonden is en dient ter ondersteuning van de vollegrond-, fruit-, bloemen- en boomteelt en uitsluitend tijdens de teeltperiode voor het afdekken van het gewas mag worden gebruikt.
 
2.74 Tijdelijke werknemers
tijdelijke werknemers die legaal (op grond van een EU paspoort of een tewerkstellingsvergunning) niet permanent in de gemeente verblijven en hun hoofdverblijf ergens anders hebben.
 
2.75 Twee-aaneengebouwde woning
een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee woningen die met het hoofdgebouw aan elkaar zijn gebouwd.
 
2.76 Verbeelding
de verbeelding van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Albionstraat ongenummerd Leunen.
 
2.77 Verblijfsrecreatie
recreatie waarbij één of meerdere overnachtingen plaatsvinden. Hierbij wordt onder recreatieverblijf verstaan een bouwwerk dat bedoeld is om uitsluitend recreatief door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt, zoals een recreatiewoning, chalet, stacaravan of hiermee gelijk te stellen onderkomen; onder recreatief verblijf wordt niet verstaan het verblijf noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden of arbeid.
 
2.78 Verbouw
het verrichten van bouwwerkzaamheden waarbij wezenlijke delen van de bestaande bouw aanwezig moeten blijven.
 
2.79 Voorgevelrooilijn
De denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw loopt tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen, of, bij het ontbreken van bebouwing, de naar de openbare weg gekeerde grenzen van de aanduiding ‘bouwvlak’, doorlopend tot de zijdelingse grenzen van het betreffende bouwperceel.
Een hoekwoning heeft twee voorgevelrooilijnen.
 
2.80 Voorzieningen van openbaar nut
een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse afvalvoorzieningen, bovengrondse afvalvoorzieningen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten, plus voorzieningen voor warmte- en koudeopslag of voorzieningen van soortgelijke aard met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
2.81 Vrijstaande woning
een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere woning.
 
2.82 Voorkant van het hoofdgebouw
de gevel waarlangs de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde loopt.
 
2.83 Waterhuishoudkundige voorzieningen
boven- en ondergrondse voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, infiltratie en waterkwaliteit.
 
2.84 Weg
een voor het openbaar verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeervoorzieningen.
 
2.85 Woning / wooneenheid
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
 
2.86 Woningsplitsing
het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer wooneenheden ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
  1. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Albionstraat ongenummerd Leunen waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0984.TAM24001-on01.
 
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op respectievelijk in afwijking van artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
 
4.1 De afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
De kortste afstand tussen enig punt van het op het bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw en de zijdelingse grenzen van dat bouwperceel.
 
4.2 Het bebouwingspercentage
Het percentage van een bouwperceel dat met bebouwing mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.
 
4.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
4.4 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
4.5 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
4.6 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
4.7 De lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
De buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
 
4.8 De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
4.9 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
4.10 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.
 
Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoel in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
 
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
 
2 Functies en activiteiten
Artikel 7 Agrarisch met waarden
 
7.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties, bestaande uit gronden met al dan niet daarop aanwezige opstallen, die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch met waarden.
 
7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Agrarisch met waarden heeft de volgende functies:
  1. bedrijfs- en/ of hobbymatig agrarisch grondgebruik;
  2. behoud, ontwikkeling en versterking van:
    1. de aanwezige landschappelijke waarden, in het bijzonder van het esdorpenlandschap en de beekdalen;
    2. bestaande natuurwaarden al dan niet in combinatie met agrarisch gebruik;
  3. dagrecreatief medegebruik 1;
  4. dagrecreatief medegebruik 2;
  5. erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages;
  6. voorzieningen van openbaar nut.
Een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen, in- en uitritten, tuinen, met dien verstande dat:
  1. deze bijbehorende voorzieningen ten dienste staan van de bestemming;
  2. infiltratie van hemelwater voldoet aan het bepaalde in artikel 12 lid 2;
  3. parkeervoorzieningen voldoen aan het bepaalde in artikel 12 lid 3.
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken ( in aanvulling op artikel 22.29)
 
7.3.1 Algemeen
Op locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden’ mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd.
 
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 3 meter, met uitzondering van:
    1. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde maximaal 1 meter mag bedragen en achter de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde 2 meter mag bedragen;
    2. masten ten behoeve van de (openbare) verlichting, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen;
    3. antenne-installaties, waarvan de bouwhoogte maximaal 12 meter mag bedragen.
7.4 Vergunningplicht voor afwijken
 
7.4.1 Schuilgelegenheden
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 ten behoeve van het oprichten van een schuilgelegenheid voor dieren, onder de voorwaarden dat:
  1. de hoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  2. de bebouwingsoppervlakte is afgestemd op het beoogde gebruik en de locatie, met een maximum van 30 m2;
  3. de afstand tot de functie Verkeerten minste 30 meter bedraagt;
  4. maximaal één schuilgelegenheid is toegestaan per hectare.
7.5 Specifieke functieregels
 
7.5.1 Verboden gebruik
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  2. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans ten behoeve van de huisvesting door tijdelijke werknemers;
  3. elke vorm van detailhandel;
  4. het gebruik van gronden voor containerteelt.
Artikel 8 Wonen
 
8.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties, bestaande uit gronden met al dan niet daarop aanwezige opstallen, die op de verbeelding zijn aangewezen als Wonen.
 
8.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Wonen heeft de volgende functies:
  1. wonen;
  2. beroepen aan huis met een maximum vloeroppervlak van 40 m2 per woning;
  3. voorzieningen van openbaar nut;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder waterhuishoudkundige en parkeervoorzieningen, paden en verhardingen, in- en uitritten en tuinen en erven, met dien verstande dat:
  1. infiltratie van hemelwater voldoet aan het bepaalde in artikel 12 lid 2;
  2. parkeervoorzieningen voldoen aan het bepaalde in artikel 12 lid 3.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken ( in aanvulling op artikel 22.29)

Op locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'  mogen enkel bouwwerken ten dienste van de functie worden gebouwd, waarbij de volgende eisen gelden: 
  1. burgerwoningen:
Inhoud woning inclusief aan/bijgebouwen  
Max. 875 m3  
goothoogte  
Max. 4,5 m  
nokhoogte
Max. 9 m
dakhelling  
Min. 12 º en max. 45 º  
afstand tot agrarische bedrijfsgebouwen  
Min. 25 m.  
afstand tot de niet aan de weg gekeerde bouwperceelgrens  
Min. 5 m., tenzij sprake is van de scheidingsgevel tussen twee-onder-één kap woningen, waarvoor geen afstand geldt
afstand tot de bestemming 'Verkeer – Wegverkeer'  
Min. 10 m., danwel minimaal de afstand tot de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak  
  1. aanbouwen en bijgebouwen bij de woning:
goothoogte  
Max. 3 m  
dakvorm en -helling  
afgestemd op dakvorm en -helling woning  
afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens  
Min. 2 m  
afstand tot de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer'  
Min. 10 m., danwel minimaal 1 m. achter de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw  
  1. bouwwerken, geen gebouw zijnde
 
bouwhoogte  
erf- en terreinafscheidingen, achter voorgevelrooilijn  
Max. 2 m  
erf- en terreinafscheidingen, voor voorgevelrooilijn  
Max. 1 m  
overige bouwwerken, geen gebouw zijnde  
Max. 3 m  
Oppervlakte ten behoeve van woning, exclusief onoverdekt zwembad  
Max. 30 m2  
Onoverdekt zwembad  
Max. 50 m2  
  1. ter plaatse van het bouwvlak is één woning toegestaan, met de daarbij behorende aan- en bijgebouwen met dien verstande dat de uitbreiding van de woning buiten het bouwvlak is toegestaan;
  2. in afwijking van artikel 8 lid 3 sub d zijn ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’ twee twee-aaneengebouwde woningen met een gezamenlijk volume van 875 m3 inclusief bijgebouwen toegestaan, met dien verstande dat de uitbreiding van de woningen buiten de aanduiding ‘twee-aaneen’ is toegestaan;
  3. in aanvulling op artikel 8.3 onder d dienen aan- en bijgebouwen bij met de dichtstbijzijnde gevel binnen een omtrek van 15 m van de achter- en zijgevels van de woning te worden gebouwd
  4. ondergeschikte bouwdelen zijn wat betreft hoogte, verschijningsvorm en dakvorm uitgezonderd van het gestelde onder artikel 8 lid 3 onder a, b en c;
  5. binnen de fundering van de woning en/of het bijgebouw bij de woning is het ondergronds bouwen van menstoegankelijke ruimten ter vergroting van het woongenot toegestaan, mits deze ruimte(n) uitsluitend van binnenuit toegankelijk zijn en geen ruimtelijke uitstraling hebben.
8.4 Specifieke bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gezamenlijk geluid (dB-59)’ is het gezamenlijke geluid zoals bedoeld in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving vastgesteld op de aangegeven waarde.
 
8.5 Vergunningplicht voor afwijken van de bouwregels
 
8.5.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van een grotere inhoudsmaat
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking  van het bepaalde in artikel 8 lid 3 onder a en e van de planregels en een grotere inhoudsmaat toestaan voor woning inclusief bijgebouwen indien bestaande (bij)gebouwen worden gesloopt, onder de volgende voorwaarden:
  1. gesloopt wordt binnen een of meer van de voor het buitengebied geldende bestemmingsplannen van de gemeente Venray;
  2. er naar beoordeling van een stedenbouwkundig expert van het bevoegd gezag met de uitbreiding kan worden ingestemd;
  3. alleen de te slopen gebouwen die op die locatie niet vallen binnen het daar, op grond van de bouwregels, toegestane maximale bebouwingsvolume, worden in de berekening meegenomen;
  4. de te slopen gebouwen dienen legaal aanwezig te zijn op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mogen niet onder een andere regeling of verzoek vallen;
  5. aan de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt de voorwaarde verbonden dat pas met de bouw gestart mag worden als sloop heeft plaatsgevonden;
  6. alle te slopen gebouwen en de daarbij behorende bouwwerken en bouwdelen, zoals aanbouwen, overkappingen, bijbehorende ondergrondse (kelder-)ruimten, fysieke erfafscheidingen, voederplaten en andere erfverhardingen dienen gesloopt te worden;
  7. alleen bovengrondse gebouwen worden meegerekend bij het te bepalen sloopvolume;
  8. het percentage van het te bouwen volume dat moet worden gesloopt is bepaald in de onderstaande tabel:
Aantal m3 dat wordt gebouwd (bebouwingsvolume)
Minimaal te slopen % sloopvolume)
Tot en met 250 m3
100%
Het meerdere boven de 250 m3
150%
  1. bij de berekening wordt begonnen met het vullen van het getal in de eerste rij van bovenstaande tabel, waarna op dezelfde manier de volgende rijen gevolgd wordt.
8.6 Specifieke functieregels
 
8.6.1 Verboden gebruik
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
  2. de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan het beroep aan huis als bedoeld in artikel 8 lid 2 sub b;
  3. zelfstandige bewoning voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft;
  4. woningsplitsing;
  5. gebruik van gronden voor de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit;
  6. bedrijf aan huis;
  7. recreatief (mede)gebruik;
  8. seksinrichting.
8.6.2 Beroep aan huis
Een beroep aan huis is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
  1. een beroep aan huis mag worden uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen;
  2. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet aangetast;
  3. maximaal 40 m² van het vloeroppervlak van de woning inclusief de daarbij behorende bijgebouwen mag als zodanig worden gebruikt;
  4. degene die de activiteiten uitvoert, is tevens de bewoner van de woning;
  5. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  6. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 lid 3;
  7. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan en in direct verband met het beroep aan huis.
8.7 Vergunningplicht voor afwijken van de functieregels
 
8.7.1 Afwijken van de functieregels ten behoeve van een bedrijf aan huis
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 8.6.1 sub f ten behoeve van een bedrijf aan huis, met dien verstande dat de voorwaarden zoals genoemd in subsubparagraaf 8.6.2 onder a tot en met g in acht worden genomen.
 
8.7.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een bed & breakfast
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 8.6.1 sub g van de planregels en kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een bed & breakfast toestaan onder de voorwaarden dat:
  1. de primaire woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate wordt gehandhaafd;
  2. de voorzieningen in hun totaliteit niet groter zijn dan 100 m²;
  3. het woonmilieu niet onevenredig wordt aangetast;
  4. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  5. de parkeerbalans en verkeersafwikkeling niet onevenredig nadelig wordt beïnvloed, een en ander voor wat betreft de parkeerbalans overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 lid 3;
  6. detailhandel slechts plaatsvindt voor zover deze beperkt blijft tot verkoop in direct verband met de verblijfsrecreatieve voorziening.
Artikel 9 Waarde – Archeologie 2
 
9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties, bestaande uit gronden met al dan niet daarop aanwezige opstallen, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – Archeologie 2.
 
9.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Waarde – Archeologie 2 heeft, behalve de daar voorkomende (basis)functie, primair als functie de bescherming van de archeologische waarden in het gebied.
 
9.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken ( in aanvulling op artikel 22.29)
  1. Op of in locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 2’ mag op basis van de onderliggende functiesworden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m2 (gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  2. Indien de verstoring meer dan 500 m2 bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm, dient de aanvrager een rapport (voortoets, bijvoorbeeld bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, proefsleuvenonderzoek, opgraving, sleufgraaf, archeologische begeleiding) van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige te overleggen waaruit blijkt dat de in archeologische waarden zoals omschreven in artikel 9 lid 2 niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
9.4 Vergunningplicht voor afwijken
 
9.4.1 Algemeen
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, 5 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met artikel 9 lid 3 toch worden verleend als door archeologisch onderzoek is gebleken dat geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
  3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.4.2 Afwegingskader
Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 9.4.1 vraagt het bevoegd gezag een archeologisch deskundige om schriftelijk advies of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
9.5 Specifieke functieregels

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor:
  1. grondbewerkingen uit te voeren, voor zover de werkzaamheden dieper gaan dan 50 cm ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 500 m2;
  2. het indrijven van voorwerpen in de grond, dieper dan 50 cm;
9.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
9.6.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  2. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  3. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  4. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  5. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  6. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  7. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  8. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  9. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  10. het beplanten van gronden met opgaand houtgewas in verband met boom- en sierteelt waarbij de oogst dieper dan 50 cm zal plaatsvinden.
9.6.2 Uitzonderingen
Het in subsubparagraaf 9.6.1 van de regels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m2;
  3. blijkens een rapport van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige (voortoets) de in artikel 9 lid 2 omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  4. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie verkeer.
9.6.3 Afwegingskader
Een in subsubparagraaf 9.6.1 van de regels genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de functieomschrijving van onderhavige functie, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
Artikel 10 Waarde – Archeologie 3
 
10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties, bestaande uit gronden met al dan niet daarop aanwezige opstallen, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – Archeologie 3.
 
10.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Waarde – Archeologie 3 heeft, behalve de daar voorkomende (basis)functie, primair als functie de bescherming van de archeologische waarden in het gebied.
 
10.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken ( in aanvulling op artikel 22.29)
  1. Op of in locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 3’ mag op basis van de onderliggende functies worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 100 m2 (gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  2. Indien de verstoring meer dan 100 m2 bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm, dient de aanvrager een rapport (voortoets, bijvoorbeeld bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, proefsleuvenonderzoek, opgraving, sleufgraaf, archeologische begeleiding) van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige te overleggen waaruit blijkt dat de in archeologische waarden zoals omschreven in artikel 10 lid 2 niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
10.4 Vergunningplicht voor afwijken
 
10.4.1 Algemeen
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, 5 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met artikel 10 lid 3 toch worden verleend als door archeologisch onderzoek is gebleken dat geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
  3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.4.2 Afwegingskader
Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 10.4.1 vraagt het bevoegd gezag een archeologisch deskundige om schriftelijk advies of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
10.5 Specifieke functieregels

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor:
  1. grondbewerkingen uit te voeren, voor zover de werkzaamheden dieper gaan dan 50 cm ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 100 m2;
  2. het indrijven van voorwerpen in de grond, dieper dan 50 cm;
10.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
10.6.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  2. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  3. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  4. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  5. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  6. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  7. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  8. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  9. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  10. het beplanten van gronden met opgaand houtgewas in verband met boom- en sierteelt waarbij de oogst dieper dan 50 cm zal plaatsvinden.
10.6.2 Uitzonderingen
Het in subsubparagraaf 10.6.1 van de regels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m2;
  3. blijkens een rapport van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige (voortoets) de in artikel 10 lid 2 omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  4. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie verkeer.
10.6.3 Afwegingskader
Een in subsubparagraaf 10.6.1 van de regels genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de functieomschrijving van onderhavige functie, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
3 Algemene regels
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
 
Gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 12 Algemene regels voor bouwactiviteiten
 
12.1 Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen beperkingen, de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan bij hoofd- en bijgebouwen, met dien verstande dat ondergrondse bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan binnen de gevelgrenzen van hoofd- en bijgebouwen;
  2. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil;
  3. in aanvulling op het bepaalde in sub a en b is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    1. het zwembad dient te worden gebouwd in het achtererf en op een afstand van ten minste 3,00 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
    2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde als bedoeld artikel 9 lid 3 in acht wordt genomen;
    3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
  4. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil;
  5. de ondergrondse ruimte(n) mogen uitsluitend van binnenuit bereikbaar zijn en geen ruimtelijke uitstraling hebben.
12.2 Infiltratie
 
12.2.1 Infiltratieplicht
Een vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van al het hemelwater.
 
12.2.2 Afwijking
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 12.2.1 voor zover op andere wijze in de nodige infiltratievoorziening wordt voorzien.
 
12.3 Parkeergelegenheid
 
12.3.1 Parkeernorm
Een vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in “Bijlage 2 Parkeernormen Venray” die als bijlage bij de “Beleidsnota parkeernormen, Gemeente Venray” hoort. Indien deze nota niet toereikend is wordt getoetst aan de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient rekening te worden gehouden met de wijziging.
 
12.3.2 Afwijking
Het bevoegd gezag kan een omgevingsverlening verlenen voor afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 12.3.1 indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
 
Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
 
13.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:
  1. de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en percentages tot maximaal 10% en maximaal 1 meter van die maten en percentages;
  2. het op de verbeelding opgenomen bouwvlak en dit binnen de bestemming maximaal 10% uitbreiden;
  3. de bouwgrenzen, tot een maximale overschrijding van 3 meter, indien een meetverschil of onnauwkeurigheid op de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft;
  4. het in afwijking van de regels bouwen en/ of gebruiken van kleine, niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, pinautomaten, afval- en glascontainers, kapellen, wegkruisen en dergelijke, met een maximale inhoud van 50 m³ en maximale hoogte van 3,00 meter.
13.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13 lid 1 kan slechts worden verleend, mits:
  1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  2. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;
  3. specifiek voor de afwijking als beschreven onder b de afstand van bebouwing tot de zijdelingse en achterste bouwperceelsgrens minimaal 5 meter bedraagt;
  4. specifiek voor de afwijking als beschreven onder b er uit oogpunt van brandveiligheid geen belemmeringen zijn.
Artikel 14 Algemene aanduidingsregels
 
14.1 milieuzone – bodemsanering

Voorwaardelijke verplichting
Het gebruiken en/of het laten gebruiken van de als ‘milieuzone – bodemsanering’ aangewezen gronden, inclusief het uitvoeren van graafwerkzaamheden ten behoeve van het beoogde gebruik, is slechts toegestaan nadat de noodzakelijke bodemsanering is uitgevoerd en goedgekeurd.
 
14.2 milieuzone – spuitvrije zone
 
14.2.1 Verbod
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet toegestaan. Onder voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven.
 
14.2.2 Afwijken
Door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in subsubparagraaf 14.2.1 voor het toestaan van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen, onder de voorwaarde dat het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast.
 
14.2.3 Van toepassingverklaring
De regels zoals opgenomen in subsubparagraaf 14.2.1 en subsubparagraaf 14.2.2 gelden in aanvulling op de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010' met identificatienummer 'NL.IMRO.0984.BP09001-va02' en het bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010, herziening regels' met identificatienummer 'NL.IMRO.0984.PHBP15001-va02' en laat de overige regels in de betreffende bestemmingsplannen ongewijzigd.
 
14.3 overige zone – voorwaardelijke verplichting beplanting
 
14.3.1 Voorwaardelijke verplichting
Het gebruiken en/of het laten gebruiken van de gronden overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 lid 2 is slechts toegestaan indien het als bijlage 1 opgenomen beplantingsplan binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van voorliggende TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en blijvend in stand gehouden wordt.
 
14.3.2 Afwijken van de voorwaardelijke verplichting
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 14.3.1 ten behoeve van realisatie van een gewijzigd beplantingsplan, indien de inrichting van het gebied, klimaat of andere oorzaken daartoe aanleiding geven. Het gewijzigd beplantingsplan wordt beoordeeld op de kwaliteit voor de fysieke leefomgeving, die tenminste gelijkwaardig dient te zijn aan het oorspronkelijk plan.
 
14.4 overige zone – voorwaardelijke verplichting sloop
 
14.4.1 Voorwaardelijke verplichting
Het gebruiken en/of het laten gebruiken van de gronden overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 lid 2 is slechts toegestaan indien de sloop conform de in bijlage 2 opgenomen tekening binnen 1 jaar na onherroepelijk worden van voorliggende TAM-omgevingsplan is uitgevoerd.
 
Artikel 15 Overgangsrecht
 
15.1 Bouwwerken
 
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan;
  3. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2 Gebruik
15.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
15.2.2 Verandering gebruik
Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in subsubparagraaf 15.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
15.2.3 Voorwaarde
Indien het gebruik, bedoeld in subsubparagraaf 15.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
15.2.4 Uitzondering
subsubparagraaf 15.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.