Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Ysselsteynseweg-Ringweg Houbensteyn
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0984.TAM25005-ON01

Regels

 
Preambule
 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie ‘Ysselsteynseweg-Ringweg Houbensteyn’ en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22g) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Venray. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit elektronisch publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Venray. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikel nummer ‘[22g]’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct na voor het nummer van de bijlage ‘[22g]’ gelezen worden.
 
1 Algemene bepalingen
  
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan , bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;
 
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
 
2.1 Plan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g ‘Ysselsteynseweg-Ringweg Houbensteyn’, met identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM25005.on01 van de gemeente Venray.
 
2.2 Omgevingsplan
Omgevingsplan van de gemeente Venray.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
3.1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
 
3.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2 omgevingsplan, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
 
3.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Ysselsteynseweg-Ringweg Houbensteyn’, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0984.TAM25005.on01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op a bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan , en de volgende meet- en rekeningbepalingen en zijn overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.10.
 
4.1 De afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
Tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
 
4.2 Het bebouwingspercentage
Het percentage van een bouwperceel dat met bebouwing mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.
 
4.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
4.4 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
4.5 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
4.6 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
4.7 De lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
De buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
 
4.8 De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
4.9 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
4.10 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.
 
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten, mits hiervoor elders in het omgevingsplan andere regels voor gelden.
Artikel 6 Agrarisch
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch’.
 
6.2 Functieomschrijving
Een als ‘Agrarisch’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. Agrarisch grondgebruik;
  2. Hobbymatig houden van dieren;
  3. Zonnepanelen op de grond, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zonnepanelen’;
  4. erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages.
 
6.3 Bouwactiviteiten
Op de voor 'Agrarisch’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de functie, waarbij de volgende eisen gelden, tenzij anders op de verbeelding weergegeven.
 
6.3.1 Zonnepanelen
  1. Zonnepanelen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zonnepanelen’;
  2. De gezamenlijke oppervlakte aan zonnepanelen mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak’.
 
6.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 omgevingsplan en 22.36 omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
 
Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen  
Max. 2 m  
Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde  
Max. 12 m  
Afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens  
Min. 5 m.  
Afstand tot de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer'  
Min. 10 m  
  
6.4 Specifieke functieregels
 
6.4.1 Verboden gebruik
Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor:
  1. Het gebruik van gronden voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’.
  2. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens:
    1. tijdelijk opslag van geoogste producten met een maximum van drie maanden aansluitend aan de oogst;
  3. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans ten behoeve van de huisvesting door tijdelijke werknemers;
  4. het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel;
  5. het gebruik van gronden en opstallen voor niet-agrarische activiteiten op een agrarisch bedrijf;
  6. het gebruik van gronden en opstallen voor het bewerken van agrarische producten;
  7. het gebruik van de agrarische bedrijfswoning en de bestaande bedrijfsgebouwen voor de huisvesting van tijdelijke werknemers;
  8. het gebruik van de agrarische bedrijfswoning en (agrarische) bedrijfsgebouwen voor de huisvesting van stagiaires en grooms voor het africhten van paarden;
  9. het gebruik van (agrarische) bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van bewoning;
  10. het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente huisvesting;
  11. elke vorm van detailhandel;
  12. het gebruik ten behoeve van horecadoeleinden, behoudens verband houdend met het binnen de functie op de grond gerichte gebruik van gronden en opstallen;
  13. aan-huis-gebonden-bedrijf;
  14. het gebruik voor mantelzorg;
  15. het gebruik van gronden en opstallen ten behoeve van mestverwerkingsactiviteiten behoudens activiteiten welke ondergeschikt zijn aan het agrarisch bedrijf waarbij de mest afkomstig is van hetzelfde bedrijf;
  16. het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een glastuinbouwbedrijf of een intensieve veehouderij;
  17. het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar niet- grondgebonden agrarische bedrijvigheid;
  18. het uitoefenen van nevenactiviteiten, uitgezonderd verkoop van streekeigen producten binnen het bouwvlak tot een verkoopvloeroppervlak van maximaal 100 m2;
  19. het gebruik van hagelnetten;
  20. het gebruik van opstallen ten behoeve van kleinschalige verblijfsrecreatie;
  21. bevi-inrichtingen;
  22. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan anders dan bestaande situaties, die een 10-6 risicocontour hebben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt.
  23. het gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.
 
6.4.2 Zonnepanelen
Het gebruik van de gronden er plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zonnepanelen’ voor zonnepanelen is toegestaan voor de duur van 25 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de omgevingsvergunning.
 
6.4.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken conform de agrarische functie is uitsluitend toegestaan als binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van het omgevingsplan de gronden zijn ingericht, conform het bepaalde in het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 en 2), en tevens als zodanig in stand worden gehouden.
 
Artikel 7 Bedrijf
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Bedrijf’.
 
7.2 Functieomschrijving
Een als ‘Bedrijf’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. Bedrijfsmatige opslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - opslag’;
  2. Kleinschalige bedrijven van categorie 1 en 2;
  3. detailhandelsactiviteiten, mits direct gerelateerd aan de bedrijfsfunctie tot een maximum vloeroppervlakte van 100 m2;
  4. buitenopslag, tot een hoogte van 2,5 meter, mits deze middels een landschappelijk inpassingsplan wordt ingepast en uitsluitend binnen bouwvlak.
 
Een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder groen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, tuinen, met dien verstande dat:
  1. ten behoeve van de ter plaatse aanwezige functie moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
 
7.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
7.3.1 Algemeen
Op de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen enkel bouwwerken ten dienste van de functie worden gebouwd, met dien verstande dat:
  1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, welke binnen het gehele bestemmingsvlak zijn toegestaan;
  2. voor zover op de verbeelding een maximale bebouwingsoppervlakte is opgenomen mogen deze niet worden overschreden.
 
7.3.2 Bedrijf
  1. Bedrijfsgebouwen
Voor de bedrijfsgebouwen behorend tot het niet-agrarisch bedrijf gelden de volgende eisen:
  
Goothoogte
Max. 5,5 m, tenzij anders op de verbeelding weergegeven.
 
Bouwhoogte  
Max. 10 m, tenzij anders op de verbeelding weergegeven.  
Dakhelling  
Min. 12 º, tenzij anders op de verbeelding weergegeven.  
afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens  
Min. 5 m  
afstand tussen twee bedrijfsgebouwen  
Max. 20 m  
afstand tot de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer'  
Min. 10m  
   
  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 omgevingsplan en 22.36 omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  
 
Bouwhoogte
erf- en terreinafscheidingen, achter de voorgevelrooilijn  
Max. 2 m  
erf- en terreinafscheidingen, voor de voorgevelrooilijn  
Max. 1 m  
hoogte masten voor mobiele telefonie  
Max. 37,5 m  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde  
Max. 3 m  
afstand tot de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer'  
Min. 10 m  
   
7.4 Specifieke functieregels
 
7.4.1 Verboden gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
  1. het gebruik van opstallen voor permanente of tijdelijke huisvesting, uitgezonderd huisvesting binnen bedrijfswoningen;
  2. het gebruik ten behoeve van horecadoeleinden, behoudens verband houdend met het binnen de bestemming op de grond gerichte gebruik van gronden en opstallen;
  3. het gebruik voor mantelzorg;
  4. het gebruik van de woning voor huisvesting van tijdelijke werknemers;
  5. aan-huis-gebonden-bedrijf;
  6. inrichtingen vallend onder de categorieën genoemd in artikel 2.1, derde lid van het Besluit omgevingsrecht;
  7. bevi-inrichtingen.
 
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken conform de bedrijfsfunctie is uitsluitend toegestaan als binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van het omgevingsplan de gronden zijn ingericht, conform het bepaalde in het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 en 2), en tevens als zodanig in stand worden gehouden.
 
7.4.3 Voorwaardelijke verplichting sloop agrarische bebouwing
Het is niet toegestaan de gronden op de locatie Ysselsteynseweg 78 te gebruiken conform de bedrijfsbestemming zonder dat sanering heeft plaatsgevonden. Met dien verstande dat de sanering uiterlijk binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van het onderhavige omgevingsplan heeft plaatsgevonden.
 
Artikel 8 Maatschappelijk
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Maatschappelijk’.
 
8.2 Functieomschrijving
Een als ‘Maatschappelijk’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. Maatschappelijke doeleinden in de vorm van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs, opvoeding, cultuur, lichamelijke en geestelijke volksgezondheid;
  2. Ondergeschikte horecadoeleinden;
  3. Bedrijfsmatige en particuliere opslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - opslag’;
  4. Museum met ondergeschikte horeca, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - museum’;
 
Een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder groen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, tuinen, met dien verstande dat:
  1. ten behoeve van de ter plaatse aanwezige functie moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
 
8.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
8.3.1 Algemeen
Op de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden mogen enkel gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de functie gebouwd worden, met dien verstande dat:
  1. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, welke binnen het gehele bestemmingsvlak zijn toegestaan;
  2. voor zover op de verbeelding een maximale bebouwingsoppervlakte is opgenomen mogen deze niet worden overschreden, waarbij op de locatie Ysselsteynseweg 67a het volgende geldt:
    1. de functie museum met een maximaal oppervlakte van 2400 m²;
    2. de functie opslag met een maximaal oppervlakte van 1800 m².
 
8.3.2 Maatschappelijk
  1. Bedrijfsgebouwen
 
afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens  
Min. 5 m  
afstand tot de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer'  
Min. 10 m 
 
 
  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op artikel 22.27 omgevingsplan en 22.36 omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
 
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde  
Max. 3 m  
bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen, achter de voorgevelrooilijn  
Max. 2 m  
bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen, voor de voorgevelrooilijn  
Max. 1m  
Afstand tot de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer'  
Min. 10 m  
 
8.4 Specifieke functieregels
 
8.4.1 Verboden gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
  1. het gebruik van opstallen voor permanente of tijdelijke huisvesting, uitgezonderd bewoning van als zodanig aangeduide bedrijfswoningen;
  2. elke vorm van detailhandel, met uitzondering van de verkoop van streekeigen producten;
  3. het gebruik van opstallen ten behoeve van horecadoeleinden, behoudens ondergeschikte horecadoeleinden zoals genoemd in artikel 8.2 onder b;
  4. het gebruik voor mantelzorg;
  5. aan-huis-gebonden-bedrijf;
  6. bevi-inrichtingen.
 
8.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken conform de maatschappelijke functie is uitsluitend toegestaan als binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van het omgevingsplan de gronden zijn ingericht, conform het bepaalde in het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 en 2), en tevens als zodanig in stand worden gehouden.
 
8.4.3 Voorwaardelijke verplichting sloop agrarische bebouwing
Het is niet toegestaan de gronden op de locatie Ysselsteynseweg 67a te gebruiken conform de maatschappelijke functie zonder dat sanering heeft plaatsgevonden. Met dien verstande dat de sanering uiterlijk binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van het onderhavige omgevingsplan heeft plaatsgevonden.
 
Artikel 9 Wonen
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.
 
9.2 Functieomschrijving
Een als ‘Wonen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. Wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-gebonden-beroep tot een maximum van 40 m2;
 
Een en ander met daarbij behorende voorzieningen zoals verhardingen en ontsluitingen, tuinen, groen en parkeren.
 
9.3 Bouwactiviteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
9.3.1 Algemeen
Op en in de voor 'Wonen’ aangewezen gronden mogen enkel bouwwerken ten dienste van de functie worden gebouwd.
 
9.3.2 Wonen
 
  1. Woning
 
Inhoud woning inclusief aan/bijgebouwen  
Max. 875 m3  
goothoogte  
Max. 4,5 m  
dakhelling  
Min. 12 º en max. 45 º  
afstand tot agrarische bedrijfsgebouwen  
Min. 25 m.  
 
  1. Aanbouwen en bijgebouwen bij de woning
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.27 omgevingsplan en 22.36 omgevingsplan gelden de volgende regels voor aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken:
 
goothoogte  
Max. 3 m  
dakvorm en -helling  
afgestemd op dakvorm en -helling woning  
afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens  
Min. 5 m  
afstand tot de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer'  
Min. 10 m  
  
  1. Bouwwerken, geen gebouw zijde
In aanvulling op artikel 22.27 omgevingsplan en 22.36 omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
 
 
Bouwhoogte
erf- en terreinafscheidingen, achter voorgevelrooilijn  
Max. 2 m  
erf- en terreinafscheidingen, voor voorgevelrooilijn  
Max. 1 m  
overige bouwwerken, geen gebouw zijnde  
Max. 3 m  
Oppervlakte ten behoeve van woning, exclusief onoverdekt zwembad  
Max. 30 m2  
Onoverdekt zwembad  
Max. 50 m2  
 
  1. ter plaatse van het bouwvlak is één woning toegestaan, met de daarbij behorende aan- en bijgebouwen met dien verstande dat de uitbreiding van de woning buiten het bouwvlak is toegestaan;
  2. in aanvulling op artikel 9.3.2 onder d dienen aan- en bijgebouwen bij met de dichtstbijzijnde gevel binnen een omtrek van 15 m van de achter- en zijgevels van de woning te worden gebouwd;
  3. ondergeschikte bouwdelen zijn wat betreft hoogte, verschijningsvorm en dakvorm uitgezonderd van het gestelde onder artikel 9.3.2 onder a, b en c;
  4. binnen de fundering van de woning en/of het bijgebouw bij de woning is het ondergronds bouwen van menstoegankelijke ruimten ter vergroting van het woongenot toegestaan, mits deze ruimte(n) uitsluitend van binnenuit toegankelijk zijn en geen ruimtelijke uitstraling hebben;
 
9.4 Specifieke functieregels
 
9.4.1 Verboden gebruik
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor:
  1. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  2. elke vorm van detailhandel;
  3. het gebruik ten behoeve van horecadoeleinden;
  4. het gebruik of het laten gebruiken van gronden en/of gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een sexinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.
  5. aan-huis-gebonden-bedrijf;
  6. het splitsen van woningen;
  7. het gebruik van de woning voor huisvesting van tijdelijke werknemers.
  8. Het gebruik van gebouwen ten behoeve van bedrijfsmatige statische opslag;
  9. Langdurig verblijf door mensen op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’.
 
9.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken conform de woonfunctie is uitsluitend toegestaan als binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van het omgevingsplan de gronden zijn ingericht, conform het bepaalde in het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 en 2), en tevens als zodanig in stand worden gehouden.
 
9.4.3 Voorwaardelijke verplichting sloop agrarische bebouwing
Het is niet toegestaan de gronden op de locaties Ringweg 1, II en III te gebruiken conform de woonfunctie zonder dat sanering heeft plaatsgevonden. Met dien verstande dat de sanering uiterlijk binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van het onderhavige omgevingsplan heeft plaatsgevonden.
 
Artikel 10 Leiding - Riool
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Leiding - Riool’.
 
10.2 Functieomschrijving
De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Leiding - Riool' zijn, behalve voor de daar voorkomende (basis)functie, mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse rioolleidingen voor het transport van afvalstoffen en daarmee vergelijkbare doeleinden, waarbij :
  1. de figuuraanduiding 'hartlijn leiding - riool' de hartlijn van de rioolleiding aangeeft;
 
10.3 Bouwactiviteiten
Op de gronden met de functie 'Leiding - Riool' mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de leidingen.
  2. overige bebouwing is uitgesloten, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde - indien onderliggende functie bebouwing toelaat - en die zijn overeengekomen met de leidingbeheerder.
 
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
10.4.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning binnen de gebieden met de dubbelfunctie 'Leiding - Riool' de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  2. het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag (ophogen);
  3. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  4. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  5. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (feitelijk een combinatie van ophogen en afgraven);
  6. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  7. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  8. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  9. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  10. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  11. het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen);
  12. het planten van bomen en/of struiken;
  13. het verwijderen van gras en aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt);
  14. het aanbrengen van verhardingen van meer dan 200 m2.
 
10.4.2 Uitzonderingen
Het in artikel 10.41 van de planregels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.
  2. beplanting betreft, die voorkomt op de beplantingslijst van de leidingbeheerder;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  4. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  5. die worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en);
  6. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie verkeer betreft, voor zover deze niet aansluit op de functie natuur.
 
10.4.3 Afwegingskader
Een in artikel 10.4.1 van de planregels genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de functie van de gronden, zoals omschreven in de functieomschrijving van onderhavige functie, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. De beheerder van de leiding dient te zijn gehoord.
 
Artikel 11 Waarde - Archeologie 2
 
11.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
11.2 Functieomschrijving
De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 2' zijn, behalve voor de daar voorkomende (basis)functie en, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied.
 
11.3 Bouwactiviteiten
Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 2' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende functie worden gebouwd, mits de verstoring van de bodem maximaal 500 m2 bedraagt en niet dieper dan 50 cm, danwel nadat de aanvrager een rapport (voortoets, bijvoorbeeld bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, proefsleuvenonderzoek, opgraving, sleufgraaf, archeologische begeleiding) van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige heeft overgelegd waaruit blijkt dat de in de functie omschrijving van onderhavige functie omschrijving omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
11.4 Specifieke functieregels
Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor:
  1. grondbewerkingen uit te voeren, voor zover de werkzaamheden dieper gaan dan 50 cm ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld;
  2. het indrijven van voorwerpen in de grond, dieper dan 50 cm;
 
11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
11.5.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  2. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  3. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  4. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  5. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  6. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  7. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  8. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  9. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  10. het dempen van sloten of greppels;
  11. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt);
 
11.5.2 Uitzonderingen
Het in artikel 11.5.1 van de planregels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m2;
  3. blijkens een rapport van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige (voortoets) de in de functie omschrijving van onderhavige functie plan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  4. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie verkeer, voor zover deze niet aansluit op de functie natuur.
 
11.5.3 Afwegingskader
Een in artikel 11.5.1 van de planregels genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de functie omschrijving van onderhavige functie , niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
Artikel 12 Waarde - Archeologie 4
 
12.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 4’.
 
12.2 Functieomschrijving
De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - archeologie - 4' zijn, behalve voor de daar voorkomende (basis)functie en, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied.
 
12.3 Bouwactiviteiten
Voor het bouwen op of in de als 'Waarde - Archeologie 4' aangeduide gronden gelden de volgende regels:
  1. Op of in de als 'Waarde - Archeologie 4' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende functie worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m² per bouwperceel gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  2. Indien de verstoring meer dan 500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm dient de aanvrager een rapport (bureauonderzoek, inventariserend (verkennend, karterend of waarderend) veldonderzoek d.m.v. proefsleuven of boringen, opgraving, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  3. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
12.4.1 Verboden werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren die de archeologische waarden verstoren, indien bij het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de verstoring van gronden meer dan 500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm:
  1. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  2. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  3. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  4. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  5. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  6. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
  7. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  8. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  9. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  10. het aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt).
 
12.4.2 Uitzonderingen
Het in artikel 12.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (voortoets) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  3. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie verkeer betreffen, voor zover deze niet aansluit op de functie natuur.
 
12.4.3 Afwegingskader
Een in artikel 12.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de functieomschrijving van onderhavige functie, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
Artikel 13 Waarde - Houtopstanden en houtwallen
 
13.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Houtopstanden en houtwallen’.
 
13.2 Functieomschrijving
De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor ‘Waarde – Houtopstanden en houtwallen’ zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de landschappelijke waarde in het gebied waar de houtopstand typerend is voor de lokale omstandigheden.
 
13.3 Bouwactiviteiten
Op of in de als ‘Waarde – Houtopstanden en houtwallen’ aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende functie worden gebouwd mits de in artikel 14.2 genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast.
 
13.4 Specifieke functieregels
Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor:
  1. voor agrarische doeleinden, ander dan ter ondersteuning en het beheer van de in het gebied voorkomende en/of te ontwikkelen waarden;
  2. het storten, aanbrengen of toepassen van (mest)stoffen die niet noodzakelijk zijn ter verbetering of instandhouding van de kenmerkende vegetatie en flora;
  3. de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  4. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  5. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  6. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  7. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  8. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt);
  9. het aanbrengen van:
    1. verhardingen in houtwallen en;
    2. verhardingen in houtopstanden van meer dan 15 m2;
 
13.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
13.5.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:
  1. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  2. het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag (ophogen);
  3. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  4. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  5. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  6. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  7. het dempen van sloten of greppels;
  8. het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen).
 
13.5.2 Uitzonderingen
Het in artikel 13.5.1 van de planregels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. betreffen de aanleg van leidingen binnen wegbermen binnen de bestemming verkeer, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur;
  3. het tijdelijk afdekken van het gewas gedurende de vorstperiode betreffen, mits als vorstmaatregel of om het groeiproces te versnellen.
 
13.5.3 Afwegingskader
Een in artikel 13.5.1 van de planregels genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de natuurwaarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.
 
Artikel 14 Waterstaat - Beschermingszone watergang
 
14.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’.
 
14.2 Functieomschrijving
De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’ zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de bescherming van de nabij gelegen waterloop.
 
14.3 Bouwactiviteiten
Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde functie worden opgericht.
 
 
3 Algemene regels
 
Artikel 15 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 16 Algemene aanduidingsregels
 
16.1 Luchtvaartverkeerzone
In afwijking van het overigens in het plan bepaalde is het niet toegestaan op de gronden gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone', ter aanduiding van de obstakelvrije zone van het luchtvaartterrein, enig bouwwerk te bouwen, enig roerend goed, houtopstanden en/of beplantingen te hebben of aan te brengen, danwel de bodem op te hogen, met een grotere hoogte dan aangegeven op de verbeelding.
 
16.2 Milieuzone - spuitvrije zone
 
16.2.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone - spuitvrije zone’ zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
 
16.3 Milieuzone - stikstof
 
16.3.1 Omschrijving
De stikstof/ammoniak uitstoot op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone - stikstof’ mag maximaal 15% bedragen van hetgeen zoals vastgelegd in een onherroepelijk vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 respectievelijk artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming danwel een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming is verleend. Het betreft in dit plan, hoofdstuk 22g ‘Ysselsteynseweg-Ringweg Houbensteyn’, specifiek de vergunningen:
  • Ysselsteynseweg 78: kenmerk: 2016/41088 (Limburg);
  • Ysselsteynseweg 67: kenmerk: 2016/21685 (Limburg) en kenmerk: 23791/EPI (Noord-Brabant);
  • Ysselsteynseweg 65: kenmerk: 2014/0982 (Limburg) en kenmerk: 20261/EPI (Noord-Brabant)
  • Ysselsteynseweg 63: kenmerk: 2014/0016 (Limburg) en kenmerk: 20209/EPI (Noord-Brabant)
Het gebruik van deze rechten voor het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren is niet toegestaan.