| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K Herziening regels statische opslag Landelijk Gebied |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0984.TAM25007-on01 |
Op 15 april 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray een voorbereidingsbesluit genomen waarmee voorbeschermingsregels zijn toegevoegd aan het Omgevingsplan gemeente Venray. Daarmee is voorzien in een verbod om zonder een omgevingsvergunning niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen te gebruiken voor statische opslag. Dit verbod vervalt op het moment dat voorliggende wijziging van het omgevingsplan is vastgesteld en in werking treedt en anders na 18 maanden.
Gebleken is dat de planregels van diverse ruimtelijke plannen voor het landelijk gebied binnen de gemeente, als onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan, mogelijkheden bieden voor een gebruik van niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen voor statische opslag. Dat is niet (meer) wenselijk. Ook is dat bij het vaststellen van die ruimtelijke plannen niet de bedoeling geweest. Was dat wel de bedoeling geweest, dan had dit als wijzigingsbevoegdheid moeten worden opgenomen. Nu is dat rechtstreeks toegestaan.
Per 1 januari 2024 zijn die ruimtelijke plannen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het zogenoemde 'tijdelijk deel' van het omgevingsplan. Dat geldt voor onder meer bestemmingsplannen (met of zonder verbrede reikwijdte), wijzigingsplannen, uitbreidingsplannen en provinciale inpassingsplannen. Ruimtelijke plannen waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór 1 januari 2024 mochten na die datum nog worden vastgesteld op basis van overgangsrecht en zijn vervolgens alsnog onderdeel geworden van dit tijdelijk deel.
In verband met de genoemde inwerkingtreding van de Omgevingswet is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Venray nodig om nieuwe gevallen van statische opslag in niet meer functionele bedrijfsgebouwen op basis van de geldende ruimtelijke plannen te voorkomen.
Het doel van deze wijziging van het omgevingsplan is het uitsluiten van het gebruik van niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen voor statische opslag. Onder 'niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen' worden bedrijfsgebouwen verstaan die niet meer worden gebruikt door en voor een agrarisch bedrijf. Omdat in de geldende bestemmingsplannen waar deze wijziging van het omgevingsplan betrekking op heeft de term 'niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen' wordt gebruikt, wordt die term ook in deze wijziging gebruikt. Zo is duidelijk dat het om dezelfde termen gaat.
De wijziging ziet alleen op het landelijk gebied binnen de gemeente. Verder richt de wijziging zich alleen op geldende ruimtelijke plannen die deze vorm van opslag (onbedoeld) toestaan. Hierna wordt toegelicht waarom deze wijziging van het omgevingsplan plaatsvindt.
Gebleken is dat veel vooralsnog geldende ruimtelijke plannen voor het landelijk gebied deze opslag zonder verdere voorwaarden of afwegingsmogelijkheid toelaten. Dit terwijl voor andere vormen van (her)gebruik van niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen of voor een verbreding van de agrarische activiteiten met niet-agrarische activiteiten altijd een omgevingsvergunning in afwijking van of en wijziging van het ruimtelijk plan nodig is.
Zoals nog verder wordt toegelicht in hoofdstuk 3 van deze motivering, is het beleidsmatig ook niet (meer) gewenst deze mogelijkheden te bieden, zonder dat daarop sturing mogelijk is. Voor niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen heeft hergebruik, sloop of kleinschalige niet-agrarische bedrijvigheid de voorkeur, als daarbij een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt in de vorm van landschappelijke verbetering en er een afname van de bebouwing plaatsvindt. Andere, grootschalige vormen van bedrijvigheid horen in beginsel niet thuis op een locatie in het buitengebied.
Nu is geconstateerd dat de geldende ruimtelijke plannen onbedoeld veel ruimte bieden voor hergebruik van bebouwing voor statische opslag zonder mogelijkheden een ruimtelijke kwaliteitsverbetering te vragen of andere randvoorwaarden te stellen, wordt dat met deze wijziging aangepast. Zonder aanpassing is zelfs een volledige omschakeling van agrarische activiteiten naar een gebruik van alle aanwezige bedrijfsgebouwen voor statische opslag mogelijk. Dit staat haaks op het gevoerde beleid en het is ook niet de bedoeling geweest dit in de geldende ruimtelijke plannen mogelijk te maken.
Er wordt overigens niet voorzien in een totaalverbod, maar in een omgevingsvergunningplicht. Daarmee wordt statische opslag in het landelijk gebied niet geheel uitgesloten, maar wordt een 'toetsmoment' gecreëerd, waarbij kan worden beoordeeld of statische opslag gelet op de aard, omvang en omgeving inpasbaar is op een locatie.
Het gebied waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft is het landelijk gebied van de gemeente Venray. Daarbij zijn de agrarische gebieden en de natuurgebieden zoals aangegeven in de Omgevingsvisie gemeente Venray 2023, als uitgangspunt genomen. Dit komt grotendeels overeen met het plangebied van de bestemmingsplannen "Buitengebied Venray 2010" en "Buitengebied - Oost gemeente Venray", met de diverse herzieningen daarvan.
Op basis van een uitgevoerde inventarisatie zijn de plangebieden van ruimtelijke plannen die géén mogelijkheden bieden voor een gebruik van niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen voor statische opslag buiten het werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan gelaten. Dat gaat om ruimtelijke plannen waarvan de planregels die vorm van statische opslag niet toestaan, maar ook om ruimtelijke plannen die geen betrekking hebben op agrarische bedrijven, maar bijvoorbeeld alleen op wonen.
Daarmee is het werkingsgebied beperkt tot de plangebieden van de in de volgende tabel genoemde ruimtelijke plannen, voor zover die ruimtelijke plannen niet zijn opgevolgd door ruimtelijke plannen die geen ruimte bieden voor statische opslag. Welke (delen van) plangebieden dat exact zijn volgt uit de begrenzing van het werkingsgebied op de kaart waarmee het werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan digitaal wordt vastgelegd (gml-bestand). Een afbeelding daarvan is opgenomen na de tabel.
| Plannaam | Identificatienummer | Vaststelling |
| Buitengebied Venray 2010 | NL.IMRO.0984.BP09001-va02 | 14-12-2010 |
| Gunhoekweg 10, Oirlo | NL.IMRO.0984.WBP17002-va01 | 31-10-2011 |
| Twistweg ong. Vredepeel | NL.IMRO.0984.WBP12001-va01 | 4-12-2012 |
| Diepeling | NL.IMRO.0984.BP12010-va01 | 26-3-2013 |
| Buitengebied - Oost gemeente Venray | NL.IMRO.0984.BP11005-va02 | 18-6-2013 |
| Overloonseweg 26 | NL.IMRO.0984.BP12006-va01 | 18-2-2014 |
| Hansenberg 3 Merselo | NL.IMRO.0984.BP14010-va01 | 2-9-2014 |
| Rozendaal 2, Merselo | NL.IMRO.0984.WBP14003-va01 | 16-12-2014 |
| Bestemmingsplan Stationsweg 175 Oostrum | NL.IMRO.0984.BP14027-va01 | 7-4-2015 |
| Beek 1 e.o. Merselo | NL.IMRO.0984.BP14020-va01 | 30-6-2015 |
| Kleindorp 33 Merselo | NL.IMRO.0984.BP15004-va01 | 2-12-2015 |
| Buitengebied Venray 2010, herziening regels | NL.IMRO.0984.PHBP15001-va02 | 1-11-2016 |
| Reparatie Diepeling 5 Castenray | NL.IMRO.0984.BP17010-va01 | 31-10-2017 |
| Carmelietenstraat 4 Smakt | NL.IMRO.0984.BP17007-va01 | 9-1-2018 |
| Laagriebroekseweg 1 Leunen | NL.IMRO.0984.WBP18001-va01 | 9-7-2018 |
| Brienshoekweg 1a en 3 Leunen | NL.IMRO.0984.BP17004-va01 | 18-9-2018 |
| Rosakker 1 en Roffert 40 Oirlo | NL.IMRO.0984.BP18002-va01 | 30-10-2018 |
| Wijzigingsplan Hoofdstraat 11 Oirlo | NL.IMRO.0984.WBP18003-va01 | 26-11-2018 |
| Overbroekseweg 1 en 4 | NL.IMRO.0984.BP17014-va01 | 27-6-2019 |
| Pas 1 en Merseloseweg 167 Merselo | NL.IMRO.0984.BP19012-va01 | 17-9-2019 |
| Pottevenweg ong - Heidse Peelweg Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.BP18012-va01 | 17-9-2019 |
| Horsterweg 41 Castenray | NL.IMRO.0984.BP18015-va01 | 17-9-2019 |
| Laagheidseweg 15 Venray | NL.IMRO.0984.BP19002-va01 | 17-9-2019 |
| Wijzigingsplan Peelweg 27 en 29, Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.WBP18007-va01 | 2-12-2019 |
| Tunnelweg 7 Castenray | NL.IMRO.0984.BP18007-va01 | 31-3-2020 |
| Roffert 4, 6 en 8 Castenray | NL.IMRO.0984.BP19021-va01 | 12-5-2020 |
| Maasweg 6 Blitterswijck | NL.IMRO.0984.WBP19002-va01 | 17-6-2020 |
| Bedrijfswoning Kempkensberg 1b Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.WBP19004-va01 | 6-7-2020 |
| Blitterswijckseweg 12 Wanssum | NL.IMRO.0984.WBP20004-va01 | 22-2-2021 |
| Geijsterseweg 29 te Oostrum | NL.IMRO.0984.WBP20002-va01 | 1-9-2021 |
| Lollebeekweg 40 Castenray | NL.IMRO.0984.BP20026-va01 | 28-9-2021 |
| Hoofdstraat 2 en 4 Oirlo | NL.IMRO.0984.BP21003-va01 | 28-9-2021 |
| Ysselsteynseweg 39 en 39a Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.BP20027-va01 | 15-2-2022 |
| wijzigingsplan Kempkensberg 12, Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.WBP21001-va01 | 5-7-2022 |
| Lorbaan 4b, Veulen | NL.IMRO.0984.BP22018-va01 | 9-5-2023 |
| st. Leonardsweg 25 Wanssum | NL.IMRO.0984.BP20003-va01 | 9-5-2023 |
| Buitengebied Venray 2010, herziening stoppers- en saneringsregeling (ronde 2) | NL.IMRO.0984.PHBP22001-va01 | 22-6-2023 |
| Kempkensberg 36 Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.WBP23001-va01 | 12-9-2023 |
| Deurneseweg 190 Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.WBP22003-va01 | 12-9-2023 |
| Veerweg 16 Blitterswijck e.a. | NL.IMRO.0984.BP22025-va01 | 31-10-2023 |
| Vosseven 6 Wanssum | NL.IMRO.0984.BP23004-va01 | 31-10-2023 |
| Ysselsteynseweg 41 Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.BP22026-va01 | 6-2-2024 |
| Veulensewaterweg 8 Veulen | NL.IMRO.0984.WBP23003-va01 | 27-2-2024 |
| Steegse Peelweg 18a Leunen | NL.IMRO.0984.WBP23011-va01 | 12-3-2024 |
| Buitengebied Venray 2010, herziening Stoppers- en saneringsregeling (ronde 3) | NL.IMRO.0984.PHBP23001-va01 | 26-3-2024 |
| Haag 29a en 31 Merselo | NL.IMRO.0984.BP23008-va01 | 14-5-2024 |
| Janslust 11 Heide | NL.IMRO.0984.BP20009-va01 | 14-5-2024 |
| Deurneseweg 176 Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.BP22012-va01 | 27-6-2024 |
| Woningbouw Vlakwater II | NL.IMRO.0984.BP22004-va01 | 1-7-2024 |
| Rouwkuilenweg 11 Ysselsteyn | NL.IMRO.0984.BP21030-va01 | 13-5-2025 |
Kaartuitsnede met aanduiding werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan (rood omrande groene vlakken)
Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de juridische opzet van deze wijziging van het omgevingsplan en de verhouding tot de overige delen van het Omgevingsplan gemeente Venray. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de voor deze wijziging van het omgevingsplan relevante beleidskaders en instructie(regels), om vervolgens in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 kort in te gaan op respectievelijk de relevante sectorale aspecten en de uitvoerbaarheid.
In dit hoofdstuk wordt de verhouding tussen dit TAM-omgevingsplan c.q. deze wijziging van het omgevingsplan met TAM-IMRO ten opzichte van de overige delen van het omgevingsplan toegelicht. Daarna wordt een toelichting op de opzet van de regels en de inhoud van die regels gegeven.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 geldt voor de gemeente Venray van rechtswege het "Omgevingsplan gemeente Venray". Op die datum zijn de binnen de gemeente geldende ruimtelijke plannen onderdeel geworden van het 'tijdelijk deel' van dat omgevingsplan. Dat tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat verder onder meer uit een set regels die door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set regels wordt de 'bruidsschat' genoemd en is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Venray nodig om het doel te bereiken dat is beschreven in paragraaf 1.2.
Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in een gehele vervanging van de voor het werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan geldende ruimtelijke plannen (die onderdeel zijn van voornoemd tijdelijk deel van het omgevingsplan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 22.5 van de Omgevingswet). Dit volgt uit de voorrangsregels die zijn opgenomen in Artikel 1.
Aangezien het nog niet (goed) mogelijk c.q. wenselijk is een wijziging van het omgevingsplan vorm te geven en beschikbaar te stellen volgens de nieuwe STOP/TPOD-standaarden, wordt gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel “TAM-IMRO” als bedoeld in artikel 11.1 van het Besluit elektronische publicaties. Hoewel daarbij de IMRO2012-standaard wordt toegepast die ook werd gebruikt voor het opstellen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen via ruimtelijkeplannen.nl, moet een zogenoemd “TAM-omgevingsplan” inhoudelijk wél voldoen aan de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving, waaronder het criterium 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Het TAM-omgevingsplan wordt als Hoofdstuk 22K ook onderdeel van het zogenoemde 'nieuwe deel' van het omgevingsplan, maar wordt niet getoond als onderdeel van het (geconsolideerde) omgevingsplan in het Omgevingsloket.
Zoals uit de paragrafen 2.2 en 2.3 van deze motivering blijkt, is dit "TAM-omgevingsplan" een wijziging van het Omgevingsplan die moet voldoen aan de (inhoudelijke) eisen die de Omgevingswet daar aan stelt, maar wordt daarbij voor het beschikbaar stellen daarvan nog de 'oude' IMRO2012-standaard wordt gebruikt. Het is dus een wijziging van het omgevingsplan die onderdeel wordt van het zogenoemde 'nieuwe deel' van het omgevingsplan, maar die zal nog niet in geconsolideerde vorm raadpleegbaar zijn in het Omgevingsloket (Regels op de kaart). Dat de wijziging wel als integraal onderdeel van (het nieuwe deel van) het omgevingsplan moet worden gezien is juridisch geborgd in de zogenoemde pre-ambule die is opgenomen vóór artikel 1. Daaruit blijkt dat de wijziging moet worden gezien als het toevoegen van de daarop volgende regels aan een (fictief) Hoofdstuk 22K van het omgevingsplan.
Net als de pre-ambule is ook artikel 1 nodig om de positie van deze wijziging, en dan met name de regels, ten opzichte van de rest van het omgevingsplan te verduidelijken en juridisch te borgen. Zoals al eerder is toegelicht in paragraaf 2.2 van deze motivering, is het niet de bedoeling de nog geldende ruimtelijke plannen binnen het gebied waarop deze wijziging ziet te laten vervallen. Aangezien het gedeeltelijk laten vervallen van regels uit die ruimtelijke plannen niet mogelijk is gelet op het bepaalde in artikel 22.6, eerste lid Omgevingswet, wordt in artikel 1 bepaald dat het bepaalde in artikel 5 voorrang heeft op de in artikel 1, tweede lid opgenomen tabel genoemde artikelen, van de genoemde ruimtelijke plannen. De in de tabel genoemde artikelen blijven daarom buiten toepassing en de in deze wijziging van het omgevingsplan opgenomen regels gaan (in plaats daarvan) gelden voor het gebruik van niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen voor statische opslag. Voor het overige blijven de planregels van de betreffende ruimtelijke plannen gewoon van toepassing.
Door de combinatie van de begrenzing van het werkingsgebied (gml-bestand) en de zinsnede 'voor zover die artikelen uit de genoemde ruimtelijke plannen als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan nog van toepassing zijn' volgt dat deze wijziging géén gevolgen heeft voor locaties waar door de vaststelling van andere, niet in de tabel genoemde ruimtelijke plannen, de wél in de tabel genoemde ruimtelijke plannen voor die locatie zijn vervallen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer er voor een bepaald perceel inmiddels een zogenoemd postzegelbestemmingsplan is vastgesteld en dat bestemmingsplan geen ruimte biedt voor statische opslag. Voor dat perceel is het eerdere bestemmingsplan voor het buitengebied dan al vervallen en is geen herziening (meer) nodig.
Dit volgt eigenlijk al uit de begrenzing van het werkingsgebied in het genoemde gml-bestand, maar de genoemde zinssnede verduidelijkt dit in combinatie met de tabel. Verder wordt met de genoemde zinsnede geregeld dat de verhouding tussen de genoemde ruimtelijke plannen en latere partiële herzieningen daarvan niet wordt verstoord.
Naast de ruimtelijke plannen die zijn genoemd in de tabel die is opgenomen in artikel 1, tweede lid, is ook voorzien in een tabel met ruimtelijke plannen in het derde lid van artikel 1. Dit zijn plannen waarin in de planregels is bepaald dat de regels van één of meer ruimtelijke plannen als genoemd in het tweede lid van toepassing zijn. In die plannen zijn daarom geen concrete artikelnummers aan te wijzen waarop de regels in deze wijziging van het omgevingsplan voorrang hebben. Het is ook niet de bedoeling dat het artikel dat voorziet in de hiervoor bedoelde van toepassing verklaring geheel buiten toepassing te verklaren. Daarom bepaalt het derde lid dat het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is voor de in het derde lid genoemde ruimtelijke plannen. Met andere woorden: voor zover in de in het derde lid genoemde plannen artikelen van toepassing zijn verklaard die zijn genoemd in het tweede lid, dan gaan de regels in artikel 5 ook slechts voor op de in het tweede lid genoemde artikelen en blijven de overige van toepassing verklaarde regels nog steeds van kracht.
In artikel 1.1 van het omgevingsplan is reeds voorzien in de van toepassing verklaring van begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en de vier daarop gebaseerde AMvB's. Ook zijn voor de uitleg van in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (de bruidsschat) gehanteerde begrippen opgenomen in een bijlage bij het omgevingsplan, waarnaar in artikel 1.1 wordt verwezen. De begrippen waarop artikel 1.1 betrekking heeft worden in artikel 2 van overeenkomstige toepassing verklaard voor de regels die met deze wijziging worden toegevoegd aan hoofdstuk 22K. Hoewel maar een beperkt aantal begrippen relevant is voor deze wijziging maakt dat later de integratie van deze wijziging met TAM-IMRO in het geconsolideerde omgevingsplan eenvoudiger.
In artikel 3 zijn verder een aantal begrippen opgenomen die van belang zijn voor de uitleg van begrippen die worden gebruikt in de regels die met deze wijziging aan het omgevingsplan worden toegevoegd.
Uit dit artikel blijkt dat degene die een activiteit verricht of laat verrichten ook degene is die moet zorgen voor naleving van de daaraan verbonden regels. Gelet op de aard en strekking van de inhoudelijke regels is dit artikel met name van belang voor de handhaving van de verboden als opgenomen in artikel 5. Mocht sprake zijn van verhuur van gebouwen voor statische opslag, dan kan gelet op de strekking van dit artikel zowel de huurder (verricht de activiteit) als de eigenaar/verhuurder (laat de activiteit verrichten) worden aangesproken op de naleving van het verbod als opgenomen in artikel 5.
Op grond van artikel 5.1 is het gebruik van niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen voor statische opslag verboden, zonder dat daarvoor (vooraf) een omgevingsvergunning is verkregen zoals bedoeld in dit artikel. Een uitzondering op het verbod / de vergunningplicht geldt op grond van artikel 5.2 voor feitelijk bestaand en legaal gebruik van niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen voor statische opslag op het moment van inwerkingtreding van artikel 5.1. Legaal wil zeggen dat dat is toegestaan op basis van het op dat moment geldende omgevingsplan, of dat dit is toegestaan op basis van een verleende omgevingsvergunning in afwijking van het omgevingsplan. Daarbij is van belang dat voorafgaand aan de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan een voorbereidingsbesluit is genomen op 15 april 2025. In dat voorbereidingsbesluit is ook al een vergunningplicht opgenomen voor deze vorm van statische opslag. Daarom zullen de uitzonderingen als genoemd in artikel 5.2 veelal moeten gaan om een gebruik dat voor deze datum is begonnen of dat is toegelaten op basis van een omgevingsvergunning die is verleend op basis van dat voorbereidingsbesluit.
De in artikel 5.3 opgenomen beoordelingsregels zijn opgenomen om de inpasbaarheid van de activiteit in de omgeving te kunnen beoordelen en daarbij rekening te kunnen houden met actueel provinciaal en gemeentelijk beleid en in breder perspectief: een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de volgende hoofdstukken van deze motivering wordt dat nader toegelicht. De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 5.4 zijn afgestemd op de op basis van die beoordelingsregels te maken beoordeling of de vergunning wordt verleend. Artikel 5.5 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden gelet op de belangen waarop de beoordelingsregels zien. Daarbij is van belang dat het gebruik van niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen alleen wordt toegestaan bij een agrarisch bedrijf dat nog niet volledig is gestopt. Daarom kan ook een voorschrift aan de vergunning worden verbonden dat inhoudt dat de opslag moet stoppen wanneer het agrarisch bedrijf wordt beëindigd.
Gemeenten zijn in beginsel vrij om hun omgevingsplan vorm en inhoud te geven, zolang de daarin opgenomen regels maar voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met beleid van de Rijksoverheid en de provincie. Indien het Rijk van oordeel is dat gemeenten een nationaal belang alleen niet doelmatig en doeltreffend kunnen behartigen, dan wel wanneer internationaalrechtelijk verplichtingen daarom om vragen, kan het Rijk instructieregels vaststellen om die belangen goed te kunnen laten meewegen dan wel in acht te laten nemen door gemeenten bij een wijziging van het omgevingsplan. Deze instructieregels zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Provinciale Staten hebben een soortgelijke bevoegdheid in relatie tot provinciale belangen en kunnen instructieregels opnemen in de Omgevingsverordening Limburg. Naast de algemene instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Rijk) en Omgevingsverordening Limburg (Provincie), die zijn bedoeld voor herhaalde toepassing, kunnen ook eenmalige instructies worden gegeven aan gemeenten.
Daarnaast is een gemeente gebonden aan haar eigen gemeentelijk beleid en aan regionaal voorbereid beleid dat door de betreffende gemeente is vastgesteld. Hierna wordt kort ingegaan op het relevante beleid en relevante instructieregels en instructies vanuit het Rijk en de Provincie Limburg. Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan kan dat in beknopte vorm.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het zaak goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI is vooralsnog vastgesteld als structuurvisie, maar heeft straks de status van omgevingsvisie onder de Omgevingswet.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn:
Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.
In het NOVI worden een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes:
Toepassing en conclusie
Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan en het schaal- en abstractieniveau van de NOVI zijn er geen directe raakvlakken tussen deze wijziging van het omgevingsplan en de NOVI. In algemene zin kan worden opgemerkt dat de wijziging bijdraagt aan het kunnen (blijven) voeren van regie over een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Het Rijk kan met het oog op nationale belangen en die belangen die niet op een doelmatige en doeltreffende manier door het gemeentebestuur kunnen worden behartigd instructieregels stellen over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeentebesturen. Bij het wijzigen van het gemeentelijk omgevingsplan – zoals hier aan de orde – gelden instructieregels als opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen, waarbij is aangegeven in hoeverre ze relevant zijn voor deze wijziging van het omgevingsplan, gelet op de aard en strekking van de beoogde wijziging van het omgevingsplan.
|
Afdeling 5.1. Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties |
||
| Paragraaf | Betreft | Relevant voor deze wijziging? |
| Paragraaf 5.1.2 |
Waarborgen van de veiligheid | Nee, er worden geen nieuwe risicobronnen of kwetsbare functies toegelaten |
| Paragraaf 5.1.3 |
Beschermen van de waterbelangen | Nee, de wijziging heeft geen invloed op de waterhuishouding |
| Paragraaf 5.1.4 |
Beschermen van de gezondheid en het milieu: - kwaliteit van de buitenlucht; - geluid door activiteiten; - geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen; - trillingen; - bodemkwaliteit; - geur. |
Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 5.1.5 |
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed |
Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 5.1.6 |
Behoud van ruimte voor toekomstige functies | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 5.1.7 |
Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten |
Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 5.1.7a |
Het gebruik van bouwwerken | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 5.1.8 |
Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
|
Afdeling 5.2 Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving |
||
|
Artikel |
Betreft | Relevant voor deze wijziging? |
| Artikel 5.163 |
Voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorinfrastructuur en rijkswegen | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Artikel 5.164 |
Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Artikel 5.165 | Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool |
Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Artikel 5.165a | Bebouwingscontour jacht |
Nee, wordt later verwerkt in het gemeentelijk omgevingsplan |
| Artikel 5.165b | Bebouwingscontour houtkap |
Nee, wordt later verwerkt in het gemeentelijk omgevingsplan |
Toepassing en conclusie
Gezien het voorgaande zijn de in het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen instructieregels niet van invloed op de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan en vormen de instructieregels geen belemmering voor deze wijziging van het omgevingsplan. Ook is geen sprake van instructies van het Rijk aan de gemeente Venray die van invloed zijn op deze wijziging van het omgevingsplan.
In de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie geeft de provincie Limburg haar lange termijn visie (2030-2050). Die heeft betrekking op het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. De visie heeft betrekking op onderwerpen waarvoor de Provincie wettelijk verantwoordelijk is, maar ook onderwerpen die van groot (provinciaal) belang zijn voor onze provincie. Overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap staat daarbij voorop, net als waarden als kwaliteit en geluk en met aandacht voor alle stakeholders en de samenleving als geheel. De visie bestaat uit een thematisch deel, met thema's als Wonen & Leefomgeving, Economie, Mobiliteit, Land- en tuinbouw en Veiligheid en gezondheid, maar ook uit een gebiedsgericht deel, met een eigen visie voor Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
De provincie onderscheidt in haar visie drie hoofdopgaven:
De provincie ziet Limburg in 2050 stevig ingebed in euregionaal verband, via goed verknoopte infrastructuren, door sociale en economische banden en door bestuurlijke samenwerking. Het is er goed leven, leren, wonen en werken, vanwege een goed vestigingsklimaat, de sterke sociale cohesie en de uitstekende omgevingskwaliteiten. Dit met welvaart, welzijn en een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving voor alle inwoners. Om dat te bereiken is niet alleen de provincie zelf aan zet, maar ook andere overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven én inwoners. Samen en ieder vanuit zijn eigen kracht.
Het maken van afwegingen omtrent het benutten van ruimte gebeurt aan de hand van de zogenoemde Limburgse principes. Daarbij gaat het om:
Regiovisie Noord-Limburg
De regio Noord-Limburg kenmerkt zich in ruimtelijk, economisch en maatschappelijk opzicht het beste door twee dominante, voor iedereen herkenbare assen: een snelle, hoog-dynamische Oost-West-as en een rustige, meer op (be)leefkwaliteit gerichte Noord-Zuid-as. De hoog-dynamische, economisch-georiënteerde Oost-West-as is de wereld van infrastructuur en logistiek, agrofood, maar ook de maakindustrie in z'n vele gedaanten. Samen wordt werk gemaakt van de Greenport-ontwikkeling, het stimuleren en verder uitbouwen van de reeds aanwezige bedrijvigheid door innovatie en onderwijs en het versterken van de samenwerking met omliggende regio's. Vanwege haar strategische ligging op de Oost-West-as en de nabijheid van grote afzetgebieden, zoals de regio Eindhoven, de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied, levert de regio een significante bijdrage aan de Nederlandse economie. De regio kent daarnaast een wereld van rust, ruimte en schoonheid, met de Maas als herkenbare kwaliteits-as. Het landschap is afwisselend met het terrassenlandschap van het Maasdal, Maasmeanders, natuur- en bosgebieden, Peelvenen en ontginningsgebieden en gevarieerde landbouwactiviteiten. Juist de afwisseling van landschappen, natuur en cultuur, de nabijheid van steden en dorpen en economische activiteiten en voorzieningen, maakt Noord-Limburg prettig divers.
De provincie voorziet ook een transitie van het landelijk gebied, die verder gaat dan alleen een noodzakelijke transitie van de landbouwsector. De transitie kan niet los gezien worden van een algehele transitie van het onbebouwde gebied in Noord- en Midden-Limburg. Het landelijk gebied levert zowel boven- als ondergronds een bijdrage aan zichtbare én voorwaardenscheppende maatschappelijke behoeften. De druk op de ruimte en de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied neemt vanwege deze maatschappelijke behoeften en transities sterk toe. Met het landschap als basis wordt een aantal negatieve ontwikkelingen in het landelijk gebied zoveel mogelijk integraal opgepakt: de luchtkwaliteit, de problematiek met intensieve veehouderij, stoppende boeren, vrijkomende agrarische bebouwing, ondermijning, de huisvesting internationale werknemers en woonurgenten en stille armoede. In ieder geval moet bij deze opgaven aandacht worden besteed aan het vinden van een balans tussen:
Thema Land- en tuinbouw
Het landelijk gebied is steeds minder een productieruimte en steeds meer een consumptieruimte waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Landbouwgrond wordt schaarser omdat het buitengebied wordt gezien als vindplaats voor oplossingen voor stedelijke opgaves. Deze verwevenheid vraagt maatregelen om de omgevingskwaliteit te verbeteren en ruimtelijke keuzes over vestiging, uitbreiding, herbestemming en sanering van leegstaand agrarisch vastgoed.
Verbreding van de land- en tuinbouw met niet-agrarische nevenfuncties draagt bij aan een vitaal landelijk gebied. Afhankelijk van de aard van de verbrede land- en tuinbouwactiviteit(en) leidt dit tot nieuw- en verbouw van agrarische bedrijfsgebouwen, vaak kleinschalig van aard. De ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor niet-agrarische activiteit(en) dienen te worden afgestemd op de regionale behoefte.
Om landschappelijke kwaliteit te behouden en verrommeling te voorkomen, stimuleert de provincie ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s): 1) agrarisch hergebruik, 2) herbestemmen buiten de sector, 3) sloop (met uitzondering van beeldbepalende/monumentale en karakteristieke bebouwing), waarbij de mogelijkheden worden bepaald door het potentieel van het vastgoed en de omgeving, vanuit het principe juiste ontwikkeling op de juiste locatie. Het grote aantal stoppers - als gevolg van diverse crises en rijksmaatregelen meer dan de eerder voorziene 30% tot 2030 - en de beperkte herbestemmingsmogelijkheden hebben meer leegstand tot gevolg. Dit zorgt voor een situatie waarbij sloop de nieuwe opgave wordt, om verpaupering en ondermijnende activiteiten in het buitengebied en de bijbehorende maatschappelijke kosten te voorkomen. Gebiedsgerichte opgaven (zoals energietransitie en klimaatadaptatie) en meekoppelkansen (ruimtelijke kwaliteit, afname emissies, ondermijning, verpaupering landschap, etc.) die de herbestemmings- en sloopopgave met zich meebrengt, vragen om een procesmatige aanpak samen met de regio’s. Hierbij worden ook aspecten als ondermijning, opvulgedrag, herbestemming niet- toekomstgerichte locaties, latente (milieu)gebruiksruimte en handhaving aan de orde gesteld. De provincie wil samen met gemeenten onderzoeken of, en onder welke voorwaarden een tijdelijke functie toegestaan kan worden om herbestemming en/of sanering op termijn mogelijk te maken.
Toepassing en conclusie
Uit de geldende provinciale omgevingsvisie volgt dat de druk op de ruimte in het landelijk gebied toeneemt door maatschappelijke behoefte en de transities die plaatsvinden en dat dat vraagt om een integrale aanpak ter voorkoming van negatieve gevolgen voor het landelijk gebied. Dat vraagt ook om 'regie' over de invulling, herbestemming en eventueel sanering van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Daarbij heeft hergebruik de voorkeur boven herbestemming buiten de sector, maar ook sloop is te overwegen. Door het grote aantal 'stoppers' kan sloop eerder aan de orde zijn om verpaupering en ondermijnende activiteiten te voorkomen. Een gebiedsgerichte en procesmatige aanpak waarbij provincie en de regio's samen optrekken is nodig. Nu de ruimtelijke plannen voor het landelijk gebied alle ruimte bieden om vrijkomende agrarische gebouwen zonder nadere afweging of voorwaarden geheel in te zetten voor statische opslag kan onvoldoende regie worden gevoerd over de herinvulling van vrijkomende gebouwen en daarmee de transitie van het landelijk gebied. Deze herziening voorziet erin dat wel een afweging kan plaatsvinden.
De Provincie Limburg heeft met het oog op provinciale belangen instructieregels opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Die instructieregels zijn deels gericht aan het Waterschap Limburg en deels aan gemeenten. Hierna is een overzicht opgenomen van de instructieregels die voor gemeenten zijn opgenomen en daarbij is aangegeven of ze relevant (kunnen) zijn voor deze wijziging van het omgevingsplan.
| Paragraaf | Betreft |
Relevant voor deze wijziging? |
| Afdeling 2.1 | Infrastructuur: reserveringsgebieden provinciale wegen en lokaal spoor | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| paragraaf 3.2.3 | Watersystemen: motiveringsplicht klimaatadaptatie | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 4.2.2 | Grondwater: waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Afdeling 6.2 | Geluid: motiveringsplicht kernkwaliteiten stiltegebieden | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Afdeling 7.1 |
Landschappen: motiveringsplicht kernkwaliteiten beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Afdeling 7.3 | Landschappen: en motiveringsplicht kernkwaliteiten groenblauwe mantel | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 8.1.2 | Natuurgebieden: motiveringsplicht Natuurnetwerk Limburg | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 8.1.3 | Natuurgebieden: motiveringsplicht natuurbeekzones | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 10.1.1 | Landbouw: intensieve veehouderijen | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 10.1.2 | Landbouw: geitenhouderijen | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 10.1.3 | Landbouw: glastuinbouw | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Afdeling 11.1 | Cultureel erfgoed: herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 12.1.1 | Wonen: planvoorraad wonen | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 12.1.2 | Werken: vestigingsmogelijkheden detailhandel | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 12.1.3 | Werken: vestigingsmogelijkheden kantoren | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 12.1.4 | Werken: vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen | Nee, er worden geen nieuwe vestigingsmogelijkheden geboden |
| Paragraaf 12.1.5 | Recreëren: vestigingsmogelijkheden vrijetijdseconomie | Nee, er worden geen nieuwe vestigingsmogelijkheden geboden |
| Paragraaf 12.1.6 | Recreëren: wonen in recreatieverblijven en huisvesting speciale doelgroepen | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 12.1.7 | Huisvesting internationale werknemers | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Paragraaf 12.1.8 | Na-ijlende effecten steenkolenwinning | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Afdeling 13.1 | Energie: uitsluitingsgebieden windturbines | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Afdeling 13.2 | Energie: zonnepanelen op daken bedrijfsgebouwen | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Afdeling 13.2 | Energie: zonneparken | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
| Afdeling 16.1 | Beschermingsgebied Einstein Telescope | Nee, de beoogde wijziging is niet van invloed op deze aspecten |
Toepassing en conclusie
Gezien het voorgaande zijn de in de Omgevingsverordening Limburg opgenomen instructieregels niet van invloed op de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan en vormen de instructieregels geen belemmering voor deze wijziging van het omgevingsplan. Er worden namelijk geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, er worden juist activiteiten die vooralsnog 'bij recht' zijn toegelaten slechts nog toegestaan wanneer daarvoor vergunning is gevraagd en verkregen. In de aan die vergunningplicht gekoppelde beoordelingsregels is ook een toets aan de provinciale verordening opgenomen.
Er is overigens geen sprake van instructies van de Provincie Limburg aan de gemeente Venray die van invloed zijn op deze wijziging van het omgevingsplan.
In de in 2021 vastgestelde omgevingsvisie zijn voor Venray een aantal ambities benoemd, is een onderscheid gemaakt in een aantal deelgebieden, wordt richting gegeven aan een aantal thema's en worden te beschermen en te versterken waarden beschreven. Per deelgebied kunnen verschillende ambities van belang zijn of worden ingevuld en kunnen ook andere thema's en waarden van belang zijn. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft gelet op de begrenzing van het werkingsgebied en de inhoudelijke strekking van die wijziging betrekking op het deelgebied 'Agrarische gebieden'.
In de omgevingsvisie wordt onderkend dat het agrarisch gebied volop in ontwikkeling is als gevolg van schaalvergroting, leegstand en ruimteclaims vanuit de energietransitie en klimaatverandering. Verder vinden er maatschappelijke discussies plaats over voedselproductie, grondgebruik en biodiversiteit. De opgave is het agrarische landschap toekomstbestendig te maken.
Ten tijde van het vaststellen van de omgevingsvisie in 2021 is verreweg het grootste deel van het grondoppervlak in Venray is in gebruik van de landbouw, met name akkerbouw, volle grondtuinbouw en veehouderij. Er is sprake van een intensief grondgebruik. De agrarische sector is een belangrijke economische drager voor de gemeente Venray. Ruim 60% van de bedrijven is gespecialiseerd in een vorm van veeteelt en ongeveer de helft van de agrarische bedrijven bestaat uit varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Voorzien wordt echter dat in de jaren na vaststelling van de omgevingsvisie veel agrarische bedrijven (boerderijen) hun activiteiten zullen beëindigen, wat leidt tot veel vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s). Er ontstaat een risico op leegstand, verloedering en verrommeling. Tegelijkertijd liggen hier kansen om het agrarisch gebied toekomstbestendiger te maken en duurzaam te versterken. Mede als gevolg van regelingen als de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (met piekbelasting) is de verwachting dat een groot aantal bedrijven gaat stoppen inmiddels ook bevestigd.
Het beschreven toekomstperspectief gaat ervan uit dat in het agrarisch gebied (op termijn) steeds minder sprake is van verrommeling. Daarom wordt afhankelijk van het gebied ingezet op sloop van leegstaande agrarische bedrijven of op hergebruik voor andere functies zoals kleinschalige niet-agrarische bedrijven en ook recreatieve en maatschappelijke functies. Gelet op het grote aantal veranderingen dat op het agrarisch gebied afkomt gaat dat gebied wezenlijk veranderen. Deze 'transitie van het landelijk gebied' vraagt om een regie, waarbij wordt ingezet op een samenhangende aanpak gericht op het landelijk gebied (agrarisch gebied én de natuurgebieden).
Die aanpak wordt uitgewerkt in het Programma Landelijk Gebied, waarbij wordt ingezet op een gebiedsgerichte aanpak, waarbij de kenmerken en identiteit per gebied centraal staan en wordt bekeken wat er per gebied mogelijk en wenselijk is. Dat geldt ook voor vrijkomende agrarische bebouwing. In de visie worden ten aanzien daarvan al de volgende richtinggevende keuzes gemaakt:
Toepassing en conclusie
Gelet op de mogelijkheden die de vooralsnog geldende ruimtelijke plannen bieden voor een gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen c.q. niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen voor statische opslag kan geen gebiedsgericht onderscheid worden gemaakt zoals wordt beoogd met de omgevingsvisie. Ook kan onvoldoende regie worden gevoerd over de beoogde sloop van die vrijkomende gebouwen en kan geen afweging worden gemaakt ten aanzien van de aard, omvang en locatie van statische opslag. Deze wijziging van het omgevingsplan maakt het maken van die afweging en het zo nodig weigeren van de vergunning wel mogelijk.
De uitwerking van de kenmerken en waarden van gebieden binnen de gemeente en de uitwerking van de randvoorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen per gebied zijn uitgewerkt in het Ruimtelijk Kwaliteitskader, als vastgesteld op 31 oktober 2023. De afbakening heeft plaatsgevonden voortbordurend op de omgevingsvisie, maar daarbij is ook rekening gehouden met gebieden die zijn aangewezen in de provinciale verordening en met de binnen de gemeente te onderscheiden landschapstypen.
De in de omgevingsvisie onderscheiden gebieden 'Agrarische gebieden' en 'Natuurgebieden' worden in dit kwaliteitskader samen aangeduid als deelgebied 'Landelijk gebied', waarbinnen weer een onderscheid wordt gemaakt in verschillende landschapstypen:
In het kwaliteitskader wordt er in lijn met de omgevingsvisie ook van uitgegaan dat het agrarisch grondgebruik als gevolg van een samenloop van (maatschappelijke) opgaven zal veranderen. Als gevolg daarvan zal naar verwachting het aantal agrarische bedrijven afnemen waardoor er leegstand binnen het agrarisch vastgoed zal ontstaan. Dat brengt ontwikkelingen zoals hergebruik of sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen met zich mee, met als doel het behoud van economische bedrijvigheid en het voorkomen van verrommeling en ondermijning.
Vervolgens wordt in het kwaliteitskader voor een aantal gebieden een toekomstperspectief geschetst, waarbij de ruimte voor (bepaalde) ontwikkelingen varieert. Zo wordt in gebieden die zijn aangeduid als 'Perspectief Agrarisch' terughoudend omgegaan met het toevoegen van woningen en andere geurgevoelige gebouwen, in tegenstelling tot gebieden die zijn aangeduid als 'Perspectief Wonen'. Verder is - ook in relatie tot deze wijziging van het omgevingsplan - relevant dat in gebieden die zijn aangeduid als 'Perspectief Gemengd' ruimte wordt gezien voor een menging van activiteiten zoals wonen, recreatie en kleinschalige bedrijvigheid, terwijl in gebieden die zijn aangeduid als 'Perspectief grootschaliger (niet-)agrarische activiteiten' ruimte is voor grootschaliger activiteiten, al dan niet agrarisch van aard.
Naast de te onderscheiden perspectieven wordt aan de hand van de eerder genoemde landschapstypen ingegaan op de landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken en waarden per gebiedstype, aan de hand waarvan nieuwe ontwikkelingen worden uitgedaagd in het ontwerp die kwaliteiten te versterken en kansen om knelpunten te benutten weg te nemen en daarover vroegtijdig in gesprek te gaan met de gemeente.
Toepassing en conclusie
De doorwerking van dit kwaliteitskader in de voor het landelijk gebied heeft reeds plaatsgevonden in de vooralsnog geldende ruimtelijke plannen. Deze wijziging van het omgevingsplan draagt bij aan het kunnen (blijven) voeren van regie over passende invulling van vrijkomende agrarische bijgebouwen / niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen voor zover het statische opslag betreft. Op dat punt bieden de vooralsnog geldende ruimtelijke plannen ongewenst ruimte, zonder dat een afweging ten aanzien van de aard, omvang en locatie van de opslag mogelijk is. Deze wijziging van het omgevingsplan maakt het maken van die afweging en het zo nodig weigeren van de vergunning wel mogelijk.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is van belang de gevolgen van de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving te beoordelen. Die aspecten komen hierna aan de orde. Gelet op de aard en de strekking van deze beoogde wijziging van het omgevingsplan, die geen ruimte biedt voor nieuwe activiteiten maar juist bepaalde activiteiten uitsluit, kan op voorhand worden gesteld dat die gevolgen beperkt zijn en daarom slechts kort worden beschreven.
Voor een belangrijk deel van de in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor de relevante milieuaspecten geldt dat instructieregels vanuit het Rijk en/of provincie aan de orde zijn aan de hand waarvan die beoordeling dient plaats te vinden. Zoals reeds blijkt uit Hoofdstuk 3 van deze motivering zijn die instructieregels niet relevant voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan. Er wordt immers niet voorzien in het toelaten van nieuwe milieuhinderlijke of milieugevoelige activiteiten, maar in het in beginsel uitsluiten van bepaalde activiteiten door ze slechts na het verkrijgen van een vergunning toe te staan. In algemene zin kan wel worden opgemerkt dat als gevolg van deze wijziging van het omgevingsplan voorzienbare milieuhinder wordt voorkomen en daarmee een bijdrage wordt geleverd aan het behouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, hetgeen ook volgt uit de opgenomen beoordelingsregels.
Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan zijn er geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten. Er worden immers geen nieuwe activiteiten toegelaten die daarop van invloed kunnen zijn.
Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan zijn er geen gevolgen voor archeologische of cultuurhistorische waarden te verwachten. Er worden immers geen nieuwe activiteiten toegelaten die daarop van invloed kunnen zijn. Bovendien blijven de regels die zien op de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden en cultuurhistorische als opgenomen in de vooralsnog geldende ruimtelijke plannen gewoon van kracht, gelet op de voorrangsregel als opgenomen in Artikel 1.
Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan zijn er geen gevolgen voor natuurwaarden te verwachten. Er worden immers geen nieuwe activiteiten toegelaten die daarop van invloed kunnen zijn. Bovendien blijven de regels die zien op de bescherming van natuurwaarden als opgenomen in de vooralsnog geldende ruimtelijke plannen gewoon van kracht, gelet op de voorrangsregel als opgenomen in Artikel 1.
Het verhaal van de gemaakte plankosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Op 15 april 2025 hebben burgemeester en wethouders van Venray een voorbereidingsbesluit genomen, als gevolg waarvan de mogelijkheden om niet meer functionele agrarische bedrijfsgebouwen te gebruiken voor statische opslag worden ingeperkt. Als gevolg van de voorbeschermingsregels die met het voorbereidingsbesluit zijn toegevoegd aan het tijdelijk regelingdeel van het omgevingsplan, is een dergelijk gebruik verboden zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verkregen (omgevingsplanactiviteit). Er is dus geen sprake van een algeheel verbod, maar van een vergunningplicht. Die vergunningplicht wordt met deze wijziging van het omgevingsplan toegevoegd aan het omgevingsplan. Totdat deze wijziging van het omgevingsplan in werking treedt blijft het dus mogelijk een vergunning te vragen en te verkrijgen op basis van het vergunningstelsel dat is opgenomen in het voorbereidingsbesluit. Na inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan is het nog steeds mogelijk vergunning te vragen en te verkrijgen. Bovendien zal tussen de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en de vaststelling van dit wijzigingsbesluit een termijn van circa één jaar worden aangehouden. Gezien het voorgaande en gelet op de beperkte gevolgen voor de totale planologische mogelijkheden voor de locaties waarop deze wijziging ziet, bestaat ook geen aanleiding te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het planvoornemen vanwege eventuele nadeelcompensatie.
Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan wordt geen uitgebreid participatietraject gevolgd. Het doel en de aanleiding voor deze wijziging van het omgevingsplan is eerder in deze motivering reeds beschreven en wordt mede ingegeven door de huidige beleidskaders. Ook zijn de planologische mogelijkheden die nu worden geschrapt - zoals eveneens eerder beschreven - in het verleden niet bewust gecreëerd en blijven op de locaties waarvoor deze wijziging van het omgevingsplan gevolgen heeft voldoende mogelijkheden voor een goede invulling binnen de resterende planologische mogelijkheden dan wel een andere passende invulling bij beëindiging van het agrarisch gebruik van bedrijfsgebouwen.
Het ontwerpbesluit wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen ten aanzien van de beoogde wijziging van het omgevingsplan en kunnen eventuele bedenkingen en bezwaren kenbaar worden gemaakt en (alsnog) worden meegewogen bij het besluit tot vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan. Voorafgaand aan de terinzagelegging wordt een inloopbijeenkomst georganiseerd die zowel digitaal als via de uitgave "Peel en Maas"vooraf bekend wordt gemaakt. Van die inloopbijeenkomst is een verslag gemaakt dat als bijlage bij deze motivering is opgenomen.
Een concept van deze wijziging van het omgevingsplan is voor advies voorgelegd aan de Provincie Limburg. De provincie heeft het plan beoordeeld op een adequate doorwerking van provinciale belangen en ziet geen aanleiding inhoudelijke opmerkingen te maken op het plan.