Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Grootdorp 39 Merselo
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0984.TAM25009-on01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie Grootdorp 39 in Merselo en is als nieuw hoofdstuk (22M) opgenomen in het 'omgevingsplan gemeente Venray'. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk (22M) van het omgevingsplan gemeente Venray. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '(22M)' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22M' gelezen worden.
 
1 Inleidende bepalingen
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
3.1 Tijdelijk omgevingsplan – bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 3.3, voor zover die regels in strijd zijn met de regels van dit hoofdstuk.
 
3.2 Tijdelijk omgevingsplan – bruidsschat (vangnetbepaling)
De regels in afdeling 22.2 van het Omgevingsplan gemeente Venray (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit Omgevingsplan), en afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing op deze locatie voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
 
3.3 Verwijzing naar verbeelding
De regels van dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Grootdorp 39 Merselo, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM25009-on01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
1.1. Werkingsgebied
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locaties, waarvoor de geometrisch bepaalde planobjecten zijn opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM25009-on01.
 
1.2 Wijziging omgevingsplan, afstemming
  1. Dit plan maakt deel uit van het omgevingsplan gemeente Venray.
  2. De regels in dit plan vullen de regels van het omgevingsplan aan.
 
In aanvulling op artikel 1.1 van het omgevingsplan gelden voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan de volgende begripsbepalingen:
 
1.3 Plan
Het TAM-omgevingsplan “Grootdorp 39, Merselo” van de gemeente Venray.
 
1.4 Besluitgebied van dit plan:
Het besluitgebied waarvan de geometrisch bepaalde begrenzing is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0984.TAM22009-on01.
 
1.5 Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.6 Aanduidingsgrens
Grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.7 Achtergevelrooilijn
De denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw – zonder aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen – alsmede het verlengde daarvan.
 
1.8 Antenne-installatie
Installatie bestaande uit een antenne, een antenne-drager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
 
1.9 Archeologische waarde
De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.
 
1.10 Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.11 Bebouwingspercentage
Een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd.
 
1.12 Bedrijf
Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, beroepen aan huis daaronder niet begrepen.
 
1.13 Bedrijf aan huis
Het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot het beroep aan huis, gericht op consumentenverzorging geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteiten zodanig is dat als deze in een woning en bijgebouwen wordt uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.
 
1.14 Bedrijfswoning
Een woning in of bij een gebouw, te bewonen door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw in overeenstemming met de functie.
 
1.15 Begane grond
De natuurlijke oppervlakte van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging, alsmede dat gedeelte van een gebouw dat met die oppervlakte gelijk is. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aangrenzend maaiveld.
 
1.16 Beroep aan huis
De uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van prostitutie.
 
1.17 Bestaand
Ten tijde van de inwerkingtreding van het plan aanwezig.
 
1.18 Bijbehorend bouwwerk
Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
 
1.19 Bijgebouw
Een bijgebouw is een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
 
1.20 Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
1.21 Bouwgrens
De grens van een bouwvlak.
 
1.22 Bouwlaag
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond.
 
1.23 Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
1.24 Bouwperceelsgrens
De grens van een bouwperceel.
 
1.25 Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
  
1.26 Bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.27 Carport
Een overkapping van lichte constructie, bestemd om te dienen als overdekte stalling voor een motorrijtuig, welke geen tot de constructie behorende wanden heeft.
 
1.28 Cultuur en ontspanning
Vrijetijdsbesteding door middel van diensten, voorzieningen en/ of activiteit(en) met een creatieve, culturele, sportieve, educatieve, sociale en/of sociaal-culturele inslag, waarbij kan worden gedacht aan: een atelier, creativiteitscentrum, museum, muziekschool, theater, speeltuin, sauna.
 
1.29 Detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
1.30 Dienstverlening
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
 
1.31 Erf
Een gedeelte van het perceel, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij geldt:
  • Achtererf: Erf achter de met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied evenwijdig gelegen lijn, die het hoofdgebouw raakt:
    • aan een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op 1 meter achter het snijpunt met de voorgevel, en,
    • aan een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op het snijpunt met de achtergevel.
  • Voorerf: Erf dat geen onderdeel is van het achtererf.
  • Zijerf: Het gedeelte van het erf dat zich bevindt aan de zijkant van het hoofdgebouw, startend bij de voorkant en eindigend bij de achterkant van het hoofdgebouw. Het zijerf maakt onderdeel uit van het voorerf wanneer het grenst aan openbaar gebied, als dit niet zo is dan maakt het onderdeel uit van het achtererf vanaf 1 m achter de voorgevelrooilijn.
 
1.32 Evenement
Een activiteit in de openlucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van publiek voor sociale, informerende, educatieve, culturele, levensbeschouwelijke doeleinden en/of doeleinden van vermaak. Onder toegestane evenementen wordt verstaan: kermissen, herdenkingsplechtigheden, feesten, muziekvoorstellingen, wedstrijden op of aan de weg, braderieën of markten, optochten en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen evenementen.
 
1.33 Functiegrens
De grens van een functie.
 
1.34 Functievlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
 
1.35 Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.36 Gevel
Buitenmuur van een gebouw, waarbij geldt:
  • Voorgevel: de gevel aan de voorzijde van de hoofdmassa van een gebouw.
  • Zijgevel: de gevels van de hoofdmassa van een gebouw die haaks staan op de voorgevel.
  • Achtergevel: de gevel van de hoofdmassa van een gebouw die zich aan de tegenovergestelde kant van de voorgevel bevindt.
 
1.37 Gewasbeschermingsmiddel
Gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309).
 
1.38 Hoofdgebouw
Een of meerdere panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
 
1.39 Huishouden
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren;
 
1.40 Kampeermiddel
  1. Een tent, een tentwagen, een kampeerauto, caravans of stacaravans, vouwwagens en campers;
  2. Enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
 
1.41 Kleinschalige verblijfsrecreatie
Recreatie met een oppervlakte van maximaal 100 m2 waarbij overnachting plaatsvindt, in de vorm van een recreatiewoning, groepsaccommodatie, logiesvoorziening of bed and breakfast.
 
1.42 Luifel
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand.
 
1.43 Maaiveld
Bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft.
 
1.44 Maatschappelijke dienstverlening
Het verlenen van diensten door organisaties op het gebied van openbaar bestuur respectievelijk het verlenen van diensten door religieuze en andere levensbeschouwelijke organisaties, gezondheids-, welzijns- en veterinaire diensten, zorginstellingen, verenigingen alsmede sociale organisaties, onderwijs.
 
1.45 Mantelzorg
Zorg die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan mensen met fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen in hun familie, huishouden of sociale netwerk; het gaat om zorg die meer is dan in een persoonlijke relatie gebruikelijk is.
 
1.46 Mantelzorgindicatie
Een indicatie dat sprake is van een zorgbehoefte en een daarvan afgeleide noodzaak tot huisvesting ten behoeve van mantelzorg, die dient te worden vastgesteld door het gemeentelijke Wmo loket of de rechtsopvolger daarvan.
 
1.47 Ondergeschikte activiteit
Activiteit die afwijkt van de hoofdfunctie, maar die hieraan niet gelijkwaardig is vanwege:
  1. de oppervlakte; de activiteit beslaat in oppervlakte maximaal 35% van het vloeroppervlak van het gebouw, of;
  2. de duur en frequentie; de activiteit komt incidenteel voor en beslaat qua beoefening dus minder tijd dan de hoofdfunctie, of;
  3. de functie in relatie tot de hoofdfunctie; de activiteit wordt uitgeoefend ter ondersteuning van de hoofdfunctie.
 
1.48 Ondergeschikte bouwdelen
Onderdelen van een hoofdgebouw die in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw en bijgebouwen, zoals erkers, ingangpartijen, luifels, schoorstenen en antennes.
 
1.49 Ondergeschikte detailhandel
Detailhandel-activiteiten die qua uitstraling passen bij de hoofdfunctie, ter ondersteuning dienen van de hoofdfunctie en niet zelfstandig worden uitgeoefend en/of toegankelijk zijn, los van de hoofdfunctie.
 
1.50 Ondergeschikte horeca
Het qua aard en omvang beperkt verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse als ondergeschikte activiteit in direct verband met andere ter plaatse toegestane hoofdactiviteiten (niet zijnde horeca).
 
1.51 Ondergronds
Beneden het peil.
 
1.52 Onderkomens
Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.
 
1.53 Openbaar toegankelijk gebied
Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
 
1.54 Overige bouwwerken
Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct e duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.55 Overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand.
 
1.56 Peil
  1. Voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
 
1.57 Permanente bewoning
Bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan als hoofdverblijf.
 
1.58 Prostitutie
Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. Raamprostitutie is hieronder mede begrepen.
  
1.59 Recreatie
Activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding.
 
1.60 Seksinrichting
Een voor het publiek toegankelijk gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin handelingen, vertoningen en/of voorstellingen van erotische en/of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt mede begrepen een sekswinkel, zijnde een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat is bestemd en/of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig te koop en/of te huur aanbieden, waaronder mede begrepen uitstalling, verhuren en/of leveren van seksartikelen. Een prostitutiebedrijf en bordeel zijn hieronder mede begrepen. Seks- en/of pornobedrijf is een aparte functie en valt op geen enkele wijze onder enig andere functie c.q. doeleinden c.q. functie zoals bedoeld dan wel omschreven in dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt mede verstaan prostitutie en raamprostitutie.
 
1.61 Stedenbouwkundig beeld
Het beeld dat wordt bepaald door de bouwmassa's, de gevelindelingen, en de dakvormen van de bebouwing, alsmede de situering en de verschijningsvormen in zijn omgeving.
 
1.62 Theehuis
Een kleinschalige horecagelegenheid waar gedurende gezette tijden thee, koffie en andere (non-alcholische) dranken worden geschonken en lichte versnaperingen worden geserveerd zoals bijvoorbeeld gebakjes, broodjes en soep en waar ter plaatse zelfgemaakte producten worden verkocht door bewoners van de zorgvoorziening;
 
1.63 Verbeelding
De plankaart van het TAM-omgevingsplan.
 
1.64 Verblijfsrecreatie
Recreatie waarbij één of meerdere overnachtingen plaatsvinden. Hierbij wordt onder recreatieverblijf verstaan een bouwwerk dat bedoeld is om uitsluitend recreatief door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt, zoals een recreatiewoning, chalet, stacaravan of hiermee gelijk te stellen onderkomen; onder recreatief verblijf wordt niet verstaan het verblijf noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden of arbeid.
 
1.65 Verdieping(en)
De bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondbouwlaag gelegen is/zijn.
 
1.66 Verkoopvloeroppervlak
De voor het publiek zichtbare en toegankelijke winkelruimte (inclusief de etalageruimte) bestemd en gebruikt voor detailhandel.
 
1.67 Voorgevelrooilijn
  1. Langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
  2. Langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
 
1.68 Voorkant van de hoofdmassa
De gevel waarlangs de voorgevelrooilijn loopt.
 
1.69 Voorzieningen van openbaar nut
Een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse afvalvoorzieningen, bovengrondse afvalvoorzieningen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten, plus voorzieningen voor warmte- en koudeopslag of voorzieningen van soortgelijke aard met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.70 Waterhuishoudkundige voorzieningen
Boven- en ondergrondse voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, infiltratie en waterkwaliteit.
 
1.71 Weg
Een voor het openbaar verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeervoorzieningen.
 
1.72 Woning/ wooneenheid
Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
 
1.73 Woningsplitsing
Het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer wooneenheden ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.
 
1.74 Zorgbehoefte
Behoefte aan zorg; in het kader van beleid gebruikt voor de veronderstelde wens en noodzaak van zorg.
 
1.75 Zorgwonen
Wonen door mensen die vanwege een hulpvraag, hun gezondheid of beperkingen aangewezen zijn op enige zorg en/of ondersteuning, ongeacht of deze door een professional, vrijwilliger of mantelzorger wordt verstrekt. In de meeste gevallen betreft dit personen met een WLZ, jeugdwet of WMO-indicatie;
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
2.1 Meetbepalingen
In aanvulling op, en indien van toepassing in afwijking van, het bepaalde in artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Venray, gelden de meetbepalingen in artikel 2.2 t/m 2.11:
 
2.1 De afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
Tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
 
2.2 Het bebouwingspercentage
Het percentage van een bouwperceel dat met bebouwing mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.
 
2.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.4 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.5 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.6 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.7 De lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
De buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
 
2.8 De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
2.9 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.10 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.
 
Artikel 4 Normadressaa
 
Aan de regels in Hoofdstuk 22m wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
2 Regels over functies en gebiedsaanwijzingen
   
Artikel 5 Maatschappelijk
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Maatschappelijk’.
 
5.2 Functieomschrijving
5.2.1 Algemeen
Op en in de gronden die zijn aangewezen als 'Maatschappelijk' zijn de volgende functies toegestaan:
  1. maatschappelijke dienstverlening, met uitsluiting van een asielzoekerscentrum, begraafplaats, drugsopvang, justitiële inrichting;
  2. Wonen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
  3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – zorgwonen’ het permanent verblijf en van 24 personen in het kader van woonzorg;
  4. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - zorgwonen’ is in aanvulling op lid b tevens het kortdurend verblijf van 16 personen met geestelijke en/of verstandelijke beperkingen en/of mentale gezondheid in een logeeropvang toegestaan;
  5. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - geluidluwe ruimte’ geen voorzieningen en activiteiten ten behoeve van de zorgvoorziening zijn toegestaan, anders dan een prikkelarme en geluidluwe buitenruimte;
  6. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - voorzieningen’ voorzieningen ten behoeve van de hoofdfunctie maatschappelijk zijn toegestaan waaronder onder andere een speelveld, speeltuin, sportveld, terras, dierenweide en een moestuin;
  7. aan de maatschappelijke functie ondergeschikte activiteiten die vallen onder cultuur en ontspanning, recreatie, sport, kantoren, dienstverlening, kleinschalige bedrijvigheid, detailhandel, een en ander conform het bepaalde in 'Staat van activiteiten - Maatschappelijk’ die in bijlage 3 bij deze regels is opgenomen, waaronder de exploitatie van een theehuisje ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - theehuis’;
  8. voorzieningen van openbaar nut,
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder waterhuishoudkundige en parkeervoorzieningen, paden en verhardingen, in- en uitritten, tuinen en erven en geluidwerende voorzieningen, zoals schermen en een grondwal met dien verstande dat:
  1. infiltratie van hemelwater dient plaats te vinden op eigen terrein;
  2. ten behoeve van de ter plaatse aanwezige functie moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein,
 
5.2.2 Functies en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen functies en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 15.2.
   
5.3 Bouwactiviteiten
5.3.1 Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de gebruiksactiviteiten genoemd in artikel 5.2 met dien verstande dat uitsluitend mogen worden gebouwd:
  1. gebouwen;
  2. de daarbij behorende bijgebouwen;
  3. de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
5.3.2 Beoordelingsregels
a. Bedrijfswoning
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
  1. Een bedrijfswoning mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
  2. Per bouwperceel is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  3. De bedrijfswoning dient te worden afgedekt met een dak, waarvan de dakhelling ten minste 0º en ten hoogste 65º bedraagt.
 
b. Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
  2. Er is slechts één bedrijfswoning toegestaan binnen het bouwvlak;
  3. Ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ is geen bedrijfswoning toegestaan;
  4. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' is aangegeven;
  5. hoofdgebouwen dienen te worden afgedekt met een dak, waarvan de dakhelling ten minste 0° en ten hoogste 65° bedraagt.
 
c. Bijgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:
  1. tegen de achtergevel van het hoofdgebouw mag/mogen (een) bijgebouw(en) worden gebouw over de volledige breedte van die achtergevel, met een diepte van maximaal 4 meter. De oppervlakte hiervan telt niet mee bij de berekening van de oppervlakte als bedoeld onder 3;
  2. bijgebouwen zijn toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 350 m², mits het achtererf voor niet meer dan 40% wordt bebouwd. De oppervlakte van carports blijft bij de berekening van die oppervlakte buiten beschouwing;
  3. de goothoogte van bijgebouwen mag niet hoger zijn dan:
    • Voor aangebouwde bijgebouwen: 0,3 meter boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, of -als het hoofdgebouw geen tweede bouwlaag heeft- even hoog als het hoofdgebouw met een maximum van 3 meter;
    • Voor vrijstaande bijgebouwen 3 meter.
  4. de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen;
  5. In aanvulling op het bepaalde in lid 2 van dit artikel is 100 m2 extra bijgebouwen toegestaan indien het bijgebouwen betreft ten dienste van de duurzame opwekking en opslag van energie zoals bijvoorbeeld (thuis)batterijen en transformatorhuisjes;
  6. carports, zowel op het voorerf als het achtererf, met dien verstande dat:
    • de oppervlakte tot maximaal 20 m² mag bedragen;
    • de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
    • de carport met minimaal één zijde of een deel daarvan tegen de zijgevel van het hoofdgebouw of bedrijfswoning of tegen een voor- of zijgevel van een bijgebouw wordt gebouwd;
    • de carport maximaal 2,5 meter voor de voorgevelrooilijn mag worden gebouwd;
  7. ondergeschikte bouwdelen op het voorerf, met dien verstande dat:
    • de diepte maximaal 1 meter bedraagt;
    • de breedte maximaal 50% bedraagt van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw of de bedrijfswoning;
    • de hoogte maximaal 3 meter bedraagt.
 
d. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter, met uitzondering van:
    • erfafscheidingen, die voor de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter mogen zijn en achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 meter mogen zijn;
    • masten ten behoeve van de (openbare) verlichting, die maximaal 8 meter hoog mogen zijn;
    • antenne-installaties, die maximaal 12 meter hoog mogen zijn;
    • vlaggenmasten, die maximaal 10 meter hoog mogen zijn.
    • Geluidsschermen, die maximaal 3 meter hoog mogen zijn;
 
5.3.3 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van: de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  1. de situering en afmetingen van de bouwpercelen, mits deze eisen blijven binnen de in het plan neergelegde begrenzingen en indien zulks noodzakelijk is in verband met één of meer van de volgende aspecten:
    1. de woonsituatie;
    2. het straat- en bebouwingsbeeld en stedenbouwkundig beeld;
    3. het verkeers-, sociale en brandveiligheid;
    4. de milieusituatie;
    5. de gebruiksmogelijkheden in aangrenzende functies.
 
5.3.4 Omgevingsplanactiviteit
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.2 onder a en b voor het overschrijden van de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'maximale goothoogte (m)' met ten hoogste 6 meter, mits de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van de nabij gelegen gronden en bebouwing niet onevenredig wordt geschaad en mits het passend is binnen het straatbeeld en bebouwingsbeeld;
 
5.4 Gebruiksactiviteiten
5.4.1 Verboden gebruik
Onder gebruiken en/of laten gebruiken in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
  1. het niet voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein ten behoeve van de ter plaatse gevestigde functie(s). De gemeente Venray beschouwt in het kader van dit TAM-omgevingsplan de parkeerkengetallen zoals deze zijn opgenomen in de "Beleidsnota Parkeernormen" als vigerende normstelling;
  2. het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
    1. wonen, anders dan zorggerelateerde vormen van wonen zoals opgenomen in artikel 5.2;
    2. detailhandel;
    3. horeca, anders dan vermeld in 5.2.1 onder f;
    4. verblijfsrecreatie;
    5. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
    6. seksinrichting;
    7. evenementen.
 
5.4.2 Beoordelingsregels voor kleinschalige detailhandel
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:
  1. artikel 5.5.1, lid b sub 2, ten behoeve van kleinschalige detailhandel, met dien verstande dat:
    1. een maximum oppervlak van 100 m2 wordt gebruikt ten behoeve van de detailhandel;
    2. voorzien moet zijn in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
    3. de verkeersveiligheid wordt gehandhaafd;
    4. de activiteiten niet mogen leiden tot onevenredige hinder voor omwonenden;
    5. de activiteiten ondergeschikt zijn aan de maatschappelijke hoofdfunctie;
  2. artikel 5.5.1 lid b, sub 4, ten behoeve van het gebruik van de bebouwing voor kleinschalige verblijfsrecreatie, met dien verstande dat:
    1. voorzien moet zijn in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
    2. de verkeersveiligheid wordt gehandhaafd;
    3. de activiteiten niet mogen leiden tot onevenredige hinder voor omwonenden.
 
Artikel 6 Waarde - Archeologie - 4
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4'.
 
7.2 Voorrangsregeling
7.2.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.
 
7.2.2 Onderlinge relatie functies
Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de functies geldt dat functies gericht op het instandhouden of ontwikkelen van het groene karakter en het voorkomen van bebouwing voorgaan boven functies met bebouwing. In concreto wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de functies:
  1. Waarde - Archeologie 4;
  2. Waarde – Esgronden;
  
7.3 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 4’ heeft mede als functie de bescherming van de archeologische waarden in het gebied.
 
7.4 Beoordelingsregels
Voor het bouwen op en in de als ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen locaties gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Op of in de als 'Waarde - Archeologie 4' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende functie worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m² per bouwperceel (gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  2. Indien de verstoring meer dan 500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm dient de aanvrager een rapport (voortoets, bijvoorbeeld bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, proefsleuvenonderzoek, opgraving, sleufgraaf, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  3. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
7.5 Omgevingsplanactiviteit
7.5.1 Verboden werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren die de archeologische waarden verstoren, indien bij het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de verstoring van gronden meer dan 500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm:
 
  1. Het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  2. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  3. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  4. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  5. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  6. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
  7. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  8. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  9. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  10. het aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt).
 
7.5.2 Uitzonderingen
Het in artikel 7.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (proefsleuven) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
7.6 Aanvullende vergunningvoorschriften
Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning als bedoeld in 7.5.1 vragen burgemeester en wethouders een archeologisch deskundige om schriftelijk advies of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
3 Algemene regels over functies
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Bouwactiviteit - algemeen
 
9.1 Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen beperkingen, de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan bij bestaande hoofd- en bijgebouwen;
  2. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil;
  3. in aanvulling op het bepaalde in sub a en b is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    1. het zwembad dient te worden gebouwd in het achtererf en op een afstand van ten minste 3,00 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
    2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde als bedoeld in artikel 9.2.4 in acht wordt genomen;
    3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik of ten behoeve van de maatschappelijke functie worden benut;
  4. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.
 
Artikel 9 Algemene gebruiksactiviteiten
 
Onverlet het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is het (ook) verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het laten gebruiken danwel het doen laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een TAM-omgevingsplan.
 
10.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – voorwaardelijke verplichting 1' conform de betreffende functie indien niet voldaan is aan de voorwaarden ten aanzien van landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels.
 
10.2 Voorwaardelijke verplichting akoestische maatregelen
Onder strijdig gebruik met de functies wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting 2’ conform de betreffende functie indien de in hoofdstuk 5 van het in bijlage 2 bijgevoegde akoestisch onderzoek voorgeschreven maatregelen niet zijn gerealiseerd en duurzaam in stand worden gehouden.
   
Artikel 10 Algemene aanduidingsregels
 
10.1 Luchtvaartverkeerzone
In afwijking van het overige in het plan bepaalde is het niet toegestaan op de gronden gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone', ter aanduiding van de obstakelvrije zone van het luchtvaartterrein, enig bouwwerk te bouwen, enig roerend goed, houtopstanden en/of beplantingen te hebben of aan te brengen, dan wel de bodem op te hogen, met een grotere hoogte dan 65 meter, gemeten vanaf NAP.
 
10.2 Vrijwaringszone - molenbiotoop
10.2.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden mede bestemd voor bescherming en instandhouding van de belangen van de bestaande molen als werktuig en beeldbepalend element.
 
10.2.2 Bouwactiviteiten
Op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' is het niet toegestaan:
  1. binnen 100 m van de molen nieuwe bouwwerken op te richten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  2. tussen 100 m en 400 m van de molen nieuwe bouwwerken op te richten met een grotere hoogte dan 1/30 van de afstand gemeten tussen het bouwwerk en de onderste punt van de verticaal staande wiek,
tenzij op de verbeelding in de onderliggende functie een hogere maximale bouwhoogte is opgenomen.
 
10.2.3 Afwijken bouwactiviteiten
Burgemeester en wethouders kunnen middels omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.2 teneinde hogere gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op te richten, mits de vrije windvang en het zicht op de molen reeds beperkt zijn door bebouwing. Burgemeester en wethouders dienen vooraf schriftelijk advies in te winnen bij een onafhankelijke deskundige hieromtrent.
 
10.2.4 Aanlegactiviteiten
Het is verboden op de in artikel 10.2.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan de ingevolge artikel 10.2.2 toegestane bouwhoogte voor gebouwen;
  2. het hebben of aanleggen van beplantingen die hoger wordt dan de bouwhoogte die ingevolge artikel 10.2.2 voor bouwwerken is toegestaan;
  3. het ophogen van gronden.
 
10.2.5 Uitzonderingen op aanlegactiviteiten
Het in artikel 10.2.4 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning is verleend;
  2. welke ten tijde van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan in uitvoering waren;
  3. welke het normale onderhoud, beheer en gebruik van de gronden betreffen.
 
10.2.6 Beoordelingsregels aanlegactiviteiten
De werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 10.2.4 zijn slechts toelaatbaar indien en voor zover door de werken en werkzaamheden, dan wel door het daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de belangen van de molen niet onevenredig worden aangetast. Burgemeester en wethouders dienen vooraf schriftelijk advies in te winnen bij een onafhankelijke deskundige hieromtrent.
 
10.3 Spuitvrije zone
10.3.1 Verbodsbepaling
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet toegestaan. Onder voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven.
 
10.3.2 Afwijken verbondsbepalingen
Door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 15.3.1 voor het toestaan van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen, onder de voorwaarde dat het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast.
 
10.3.3 Van toepassingverklaring
De regels zoals opgenomen in lid 10.3.1 en 10.3.2 gelden in aanvulling op de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010' met identificatienummer 'NL.IMRO.0984.BP09001-va02' en het bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010, herziening regels' met identificatienummer 'NL.IMRO.0984.PHBP15001-va02' en laat de overige regels in de betreffende bestemmingsplannen ongewijzigd.
   
Artikel 11 Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten
 
11.1 10%-regeling
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en percentages tot maximaal 10% en maximaal 1 meter van die maten en percentages indien de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, met dien verstande dat dit niet geldt wanneer reeds op grond van deze regels een andere omgevingsvergunning/ontheffing is of kan worden verleend.
 
11.2 Bouwvlak
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het uitbreiden van het bouwvlak, binnen de functie, tot maximaal 10%, met dien verstande dat:
  1. binnen een afstand van minimaal 5 meter tot aan de zijdelingse en achterste perceelsgrens geen nieuwe bebouwing mag worden opgericht;
  2. de belangen van eigenaren en/of gebruikers van de nabij gelegen gronden en bebouwing niet onevenredig worden geschaad;
  3. er uit oogpunt van brandveiligheid geen belemmeringen zijn.
 
11.3 Meetverschillen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van de aangeduide bouwgrenzen indien een meetverschil of onnauwkeurigheid op de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft, mits de afwijking maximaal 3,00 meter bedraagt.
 
11.4 Voorzieningen van openbaar nut
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in de functie en (gebieds)aanduidingen, een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van de bouw- en/of gebruiksregels voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, gebouwen en voorzieningen voor opslag van energie, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, pinautomaten, afval- en glascontainers, kapellen, wegkruisen en dergelijke, met dien verstande dat:
  1. de inhoud maximaal 100 m³ mag bedragen;
  2. de hoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen.
  
Artikel 12 Overige regels
 
12.1 Wettelijke regelingen
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.
 
15.2 Voorrangregels
In geval van strijdigheid van belangen tussen samenvallende functies, gaat het archeologische belang voor op de functie 'Maatschappelijk'.
 
4 Overgangs- en slotregels
  
Artikel 13 Overgangsrecht
 
18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  
18.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, met uitzondering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op gronden binnen de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ zoals opgenomen in artikel 10.3;
  2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.