Regels
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een ontwikkeling op de locatie Achter de Jera II te Ysselsteyn. Dit TAM-omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22q) van het omgevingsplan van de gemeente Venray.
Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22q van het omgevingsplan van de gemeente Venray.
In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22q.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22q]’ gelezen worden.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22q gelden de volgende begripsbepalingen:
1.1 Plan
het omgevingsplan van de gemeente Venray.
1.2 TAM-omgevingsplan
Het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Achter de Jera II, Ysselsteyn’ met identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM25013-on01 van de gemeente Venray.
1.3 Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4 Aanduidingsgrens
grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5 Aanvangshuurprijs
De huurprijs bij de start van de huurovereenkomst.
1.6 Aanvangskoopprijs
De koopprijs bij het sluiten van de koopovereenkomst.
1.7 Achtergevelrooilijn
De denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw – zonder aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen – alsmede het verlengde daarvan.
1.8 Antenne-installatie
Installatie bestaande uit een antenne, een antenne-drager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
1.9 Architectonische waarde
De aan een bouwwerk toegekende waarde in verband met de vormgeving, het materiaalgebruik en/of detaillering.
1.10 Bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.11 Bebouwingspercentage
een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd.
1.12 Bed & breakfast
het bieden van de mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben door de eigenaar of hoofdbewoner van de desbetreffende woning.
1.13 Bedrijf aan huis
het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot het beroep aan huis, gericht op consumentenverzorging geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteiten zodanig is dat als deze in een woning en bijgebouwen wordt uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.
1.14 Begane grond
de natuurlijke oppervlakte van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging, alsmede dat gedeelte van een gebouw dat met die oppervlakte gelijk is. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aangrenzend maaiveld.
1.15 Beroep aan huis
de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van prostitutie.
1.16 Bestaand
ten tijde van de inwerkingtreding van het plan aanwezig.
1.17 Betaalbare koopwoning
koopwoning met een koopprijs van ten hoogste de bovengrens, bedoeld in het besluit Woningbouwimpuls 2020, artikel 1, lid c, onder 3. Jaarlijks wordt deze geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex.
1.18 Bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
1.19 Bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
1.20 Bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.21 Bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel.
1.22 Bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.23 Bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
1.24 Carport
een overkapping van lichte constructie, bestemd om te dienen als overdekte stalling voor een motorrijtuig, welke geen tot de constructie behorende wanden heeft.
1.25 Consumentenprijsindex (CPI)
Indexcijfers zoals gedefinieerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
1.26 DAEB-Inkomensnorm
Inkomensgrens als bedoeld in artikel 16 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015.
1.27 Detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.28 Erf
Een gedeelte van het perceel, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij geldt:
- Achtererf:
Erf achter de met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied evenwijdig gelegen lijn, die het hoofdgebouw raakt:
- aan een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op 1 meter achter het snijpunt met de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde, en;
- aan een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op het snijpunt met de achtergevel.
- Voorerf:
Erf dat geen onderdeel is van het achtererf.
- Zijerf:
Het gedeelte van het erf dat zich bevindt aan de zijkant van het hoofdgebouw, startend bij de voorkant en eindigend bij de achterkant van het hoofdgebouw. Het zijerf maakt onderdeel uit van het voorerf wanneer het grenst aan openbaar gebied, als dit niet zo is dan maakt het onderdeel uit van het achtererf vanaf 1 meter achter de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde.
1.29 Gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.30 Geschakelde woning
een woning waarvan het hoofdgebouw via een ondergeschikt bijgebouw verbonden is met het volgende hoofdgebouw en waarvan het hoofdgebouw op de perceelsgrens is gebouwd.
1.31 Gestapelde woning
een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat.
1.32 Gevel
Buitenmuur van een gebouw, waarbij geldt:
- Voorgevel: de gevel aan de voorzijde van een hoofdgebouw.
- Zijgevel: de gevels van een hoofdgebouw die haaks staan op de voorgevel.
Achtergevel: de gevel van een hoofdgebouw die zich aan de tegenovergestelde kant van de
voorgevel bevindt.
1.33 Grondgebonden woning
een gebouw, dat een vrijstaande woning of meerdere halfvrijstaande, geschakelde of aaneengebouwde, uitsluitend naast elkaar en niet boven elkaar gelegen, woningen omvat, en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd.
1.34 Hoeksituatie
een perceel dat met minimaal twee aaneengesloten zijden grenst aan een weg of twee kruisende wegen.
1.35 Hoofdgebouw
een of meerdere panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
1.36 Huishouden
Een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan (kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen).
1.37 Huishoudinkomen
(bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen.
1.38 Kamerverhuur
Het bedrijfsmatig of in een omvang alsof zijn bedrijfsmatig was verhuren van drie of meer kamers, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen.
1.39 Kampeermiddel
- Een tent, een tentwagen, een kampeerauto, caravans of stacaravans, vouwwagens en campers;
- Enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
1.40 Kunstwerk
object van artistieke kunstuiting.
1.41 Levensloopbestendig/Nultredenwoning
Een woning waarbij de entree, woonkamer/eetkamer, keuken en tenminste één badkamer, één toilet en één slaapkamer zich op de begane grond bevinden.
1.42 Maaiveld
bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft.
1.43 Maatvoeringsvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten.
1.44 Middenhuurwoningen
Als bedoeld in artikel 5.161c, lid c, uit het Bkl.
1.45 Milieuhygiënische uitvoerbaarheid
overkoepelend begrip voor relevante milieuaspecten zoals bodem, geluid, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, etc. aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, zodat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse is geborgd.
1.46 Omgevingsvergunning
Omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet.
1.47 Onderbouw
een gedeelte van een gebouw dat maximaal 1,50 meter boven peil is gelegen en niet als bouwlaag wordt aangemerkt.
1.48 Ondergeschikte activiteit
Activiteit die afwijkt van de hoofdfunctie, maar die hieraan niet gelijkwaardig is vanwege:
- de oppervlakte; de activiteit beslaat in oppervlakte maximaal 25% van het vloeroppervlak van het gebouw/de gebouwen, of;
- de duur en frequentie; de activiteit komt incidenteel voor en beslaat qua beoefening dus minder tijd dan de hoofdfunctie, of;
- de functie in relatie tot de hoofdfunctie; de activiteit wordt uitgeoefend ter ondersteuning van de hoofdfunctie.
1.49 Ondergeschikte bouwdelen
onderdelen van een hoofdgebouw die in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw en bijgebouwen, zoals erkers, ingangpartijen, luifels, schoorstenen en antennes.
1.50 Ondergronds
beneden het peil.
1.51 Openbaar toegankelijk gebied
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
1.52 Overige bouwwerken
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct duurzaam met de aarde is verbonden.
1.53 Overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand.
1.54 Peil
- Voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
- In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.55 Peiljaar
Kalenderjaar voorafgaand aan de datum van start bouw van de betreffende woning.
1.56 Prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. Raamprostitutie is hieronder mede begrepen.
1.57 Recreatie
activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding.
1.58 Seksinrichting
een voor het publiek toegankelijk gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin handelingen, vertoningen en/of voorstellingen van erotische en/of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt mede begrepen een sekswinkel, zijnde een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat is bestemd en/of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig te koop en/of te huur aanbieden, waaronder mede begrepen uitstalling, verhuren en/of leveren van seksartikelen. Een prostitutiebedrijf en bordeel zijn hieronder mede begrepen. Seks- en/of pornobedrijf is een aparte functie en valt op geen enkele wijze onder enig andere functie c.q. doeleinden c.q. bestemming zoals bedoeld dan wel omschreven in dit TAM-Omgevingsplan. Hieronder wordt mede verstaan prostitutie en raamprostitutie.
1.59 Sociale huurwoning
Als bedoeld in artikel 5.161c, lid a, uit het Bkl.
1.60 Sociale koopwoning
Een koopwoning met maximaal de kostengrens, bedoeld in de Verordening startersleningen Provincie Limburg.
1.61 Standplaats
het vanaf een vaste plaats op een openbaar toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of etenswaren, het anderszins aanbieden van goederen en bedrijfsmatige of niet-bedrijfsmatige diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
1.62 Stedenbouwkundig beeld
Het beeld dat wordt bepaald door de bouwmassa's, de gevelindelingen, en de dakvormen van de bebouwing, alsmede de situering en de verschijningsvormen in zijn omgeving.
1.63 Twee-aaneengebouwde wonin
Een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee woningen die met het hoofdgebouw aan elkaar zijn gebouwd.
1.64 Verbeelding
de verbeelding van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Achter de Jera II, Ysselsteyn.
1.65 Verdieping(en)
de bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondbouwlaag gelegen is/zijn.
1.66 Voorgevelrooilijn
de voorgevelrooilijn is de voorste grens van het bouwvlak (en het verlengde daarvan).
1.67 Voorkant van een hoofdgebouw
de gevel waarlangs de voorgevelrooilijn loopt.
1.68 Voorzieningen van openbaar nut
een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse afvalvoorzieningen, bovengrondse afvalvoorzieningen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten, plus voorzieningen voor warmte- en koudeopslag of voorzieningen van soortgelijke aard met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.69 Vrijstaand geschakelde woning
woning waarvan het hoofdgebouw via een bijgebouw verbonden is met het volgende hoofdgebouw en waarvan het hoofdgebouw op de perceelsgrens is gebouwd.
1.70 Vrijstaande woning
een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere woning.
1.71 Waterhuishoudkundige voorzieningen
boven- en ondergrondse voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, infiltratie en waterkwaliteit.
1.72 Weg
een voor het openbaar verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeervoorzieningen.
1.73 Wonen
Het gehuisvest zijn in een woning/wooneenheid.
1.74 Woning / wooneenheid
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
1.75 Woongebouw
Een gebouw dat twee of meer gestapelde woningen bevat.
1.76 Woningsplitsing
het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer wooneenheden ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.
Artikel 2 Toepassingsbereik
- De regels in dit hoofdstuk 22q zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Achter de Jera II, waarvan de geometrische planobjecten zijn vervat in het gml-bestand NL.IMRO.0984.TAM25013-on01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
- De besluiten als bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor de locatie TAM-omgevingsplan Achter de Jera II, zover het regels betreft die zijn opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet.
- De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 vergunningsvrij bouwen van oa bijgebouwen, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
In aanvulling op respectievelijk in afwijking van artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
3.1 De afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
De kortste afstand tussen enig punt van het op het bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw en de zijdelingse grenzen van dat bouwperceel.
3.2 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.3 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
3.4 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.5 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.6 De lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
De buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
3.7 De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
3.8 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
3.9 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1.50 m.
Artikel 4 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk 22q.
Artikel 5 Zorgplicht
Een ieder draagt bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in dit plan voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving en het voorkomen van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:
- alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
- voor zover die gevolgen niet kunnen worden beperkt, die activiteit zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
- als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in artikel 7 t/m 9 aan een locatie toegedeelde functie.
2 Regels over functies en activiteiten
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.
7.2 Functieomschrijving
Een als ‘Groen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies en gebruiksactiviteit(en):
- groenvoorzieningen;
- verblijfsgebied;
- kunstwerken;
- langzaam verkeersroutes, in de vorm van fiets- en voetpaden;
- voorzieningen van openbaar nut;
- waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
met de daarbij behorende
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
- paden en verhardingen;
- Speelvoorzieningen en straatmeubilair;
- Kabels en leidingen.
7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de in dit lid opgenomen beoordelingsregels:
7.3.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
- uitsluitend gebouwen voor nutsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen en speelvoorzieningen zijn toegestaan;
- de bouwhoogte van een gebouw als bedoeld onder a bedraagt niet meer dan 3,00 meter;
- de oppervlakte van een gebouw als bedoeld onder a bedraagt niet meer dan 15 m2.
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 8 meter;
- de bouwhoogte van antenne-installaties bedraagt maximaal 12 meter;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter.
7.3.3 Maatwerkvoorschriften
Ten aanzien van het bepaalde in
artikel 7 lid 3 zijn burgemeester en wethouders bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van:
- de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde;
- de situering en afmetingen van bouwpercelen;
indien zulks noodzakelijk is in verband met één of meer van de volgende aspecten:
- de woonsituatie, zoals verkeers-, sociale en brandveiligheid;
- het straat- en bebouwingbeeld en stedenbouwkundig beeld;
- de milieusituatie;
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bestemmingen.
7.4 Specifieke functieregels
7.4.1 verboden gebruik
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en/of bouwwerken voor en/of als:
- opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op het functiegerichte gebruik van de grond;
- het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op het functiegerichte gebruik van de grond;
- het gebruik van de grond als standplaats voor kampeermiddelen.
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer'.
8.2 Functieomschrijving
Een als ‘Verkeer’ aangewezen locatie heeft de volgende functies en gebruiksactiviteiten:
- verkeer - en verblijfsdoeleinden;
- water en waterhuishoudkundige doeleinden;
- wegen, paden, verhardingen en andere bij de bestemming passende voorzieningen;
- groenvoorzieningen;
- kunstwerken;
- parkeervoorzieningen;
- voorzieningen van openbaar nut;
- speel- en wandelgebied;
- bluswatervoorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de in dit lid opgenomen beoordelingsregels:
8.3.1 gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
- uitsluitend gebouwen voor nutsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen en speelvoorzieningen zijn toegestaan;
- de bouwhoogte van een gebouw als bedoeld onder a bedraagt niet meer dan 3,00 meter;
- de oppervlakte van een gebouw als bedoeld onder a bedraagt niet meer dan 15 m2.
8.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 8 meter;
- de bouwhoogte van antenne-installaties bedraagt maximaal 12 meter;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter.
8.4 Maatwerkvoorschriften
Ten aanzien van het bepaalde in
artikel 8 lid 3 zijn burgemeester en wethouders bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van:
- de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde;
- de situering en afmetingen van bouwpercelen;
indien zulks noodzakelijk is in verband met één of meer van de volgende aspecten:
- de woonsituatie, zoals verkeers-, sociale en brandveiligheid;
- het straat- en bebouwingbeeld en stedenbouwkundig beeld;
- de milieusituatie;
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bestemmingen.
8.5 Specifieke functieregels
8.5.1 verboden gebruik
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en/of bouwwerken voor en/of als:
- opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op het functiegerichte gebruik van de grond;
- het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op het functiegerichte gebruik van de grond;
- het gebruik van de grond als standplaats voor kampeermiddelen.
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Woongebied’.
9.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als `Woongebied´ heeft de volgende functies en gebruiksactiviteiten:
- wonen;
- beroep aan huis met een maximum oppervlak van 40 m²;
met de daarbij behorende:
- tuinen, erven en verhardingen;
- wegen, paden en parkeervoorzieningen;
- voorzieningen zoals speelvoorzieningen; groenvoorzieningen, bluswatervoorzieningen; nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- opstelplaatsen voor calamiteiten;
met dien verstande dat:
- infiltratie van hemelwater voldoet aan het bepaalde in artikel 11 lid 3;
- parkeervoorzieningen voldoen aan het bepaalde in artikel 11 lid 4.
9.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
9.3.1 Algemeen
Op en in de voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
- hoofdgebouwen;
- de daarbij behorende bijgebouwen;
- de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde;
- ongeacht het bepaalde in subsubparagraaf 9.3.2, subsubparagraaf 9.3.3 en subsubparagraaf 9.3.4 dient tenminste 50% van de gezamenlijke oppervlakte van het zij- en achtererf van het woonperceel onbebouwd en onoverdekt te blijven;
- Voor het bouwen van een bouwwerk gelden de kwaliteitseisen uit het beeldkwaliteitsplan ‘Achter de Jera II, Ysselsteyn’, zoals opgenomen in Bijlage 1.
9.3.2 Hoofgebouwen
In aanvulling op het bepaalde in
subsubparagraaf 9.3.1 gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende beoordelingsregels:
- hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
- Het volgende betaalbare woningbouwprogramma dient te worden uitgevoerd:
- maximaal 33 woningen;
- Het aandeel midden- en sociale huurwoningen betreft minimaal 17 woningen, waarbij het aandeel sociale huurwoningen ten minste 10 betreft;
- Het aandeel sociale koopwoningen betreft minimaal 2 woningen;
- Het aandeel betaalbare koopwoningen betreft minimaal 4 woningen;
- het overige deel van de ontwikkeling is vrij in te vullen.
- per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', het aangeduide aantal woningen/wooneenheden is toegestaan;
- woningsplitsing is niet toegestaan;
- De volgende woningen zijn toegestaan, met dien verstande dat:
- ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan;
- ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneengebouwde ’ uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan;
- ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwde ’ uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan.
- de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
- de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
- elke woning dient te worden afgedekt met een dak, waarvan de dakhelling ten minste 0° en ten hoogste 65° bedraagt;
- de voorgevel van een hoofdgebouw dient in of ten hoogste 3 meter achter de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde te worden gebouwd. Indien voor een bouwperceel twee begrenzingen van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde zijn bepaald dient zowel de voor- als zijgevel in of ten hoogste 3 meter achter deze lijn te worden gebouwd.
- de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt:
- bij twee-aaneengebouwde woningen minimaal 3 meter aan één zijde;
- bij eindwoningen van aaneengebouwde woningen minimaal 1 meter aan één zijde, met dien verstande dat indien de woning grenst aan de functie 'Groen' of ‘verkeer’ in de perceelsgrens gebouwd mag worden;
- de maximale diepte van het hoofdgebouw bedraagt 12 meter met uitzondering van het hoofdgebouw binnen de aanduiding ‘gestapeld’.
9.3.3 Bijbehorende bouwwerken – gebouwen
9.3.3.1 Gestapelde woningbouw
In aanvulling op het bepaalde in
subsubparagraaf 9.3.1 gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van gebouwen bij gestapelde woningen de volgende beoordelingsregels:
- Bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’;
- Bijgebouwen zijn toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m²;
- De maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,0 meter.
9.3.3.2 Twee-aaneengebouwde- en aaneengebouwde woningbouw
In aanvulling op het bepaalde in
subsubparagraaf 9.3.1 gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van gebouwen bij twee-aaneengebouwde- en aaneengebouwde woningen de volgende beoordelingsregels:
- bijgebouwen mogen uitsluitend op het achtererf worden gebouwd;
- tegen de achtergevel van het hoofdgebouw mag/mogen (een) bijgebouw(en) worden gebouwd over de volledige breedte van die achtergevel, met een diepte van maximaal 4,0 meter. De oppervlakte hiervan telt niet mee bij de berekening van de oppervlakte als bedoeld onder c en d;
- bijgebouwen zijn toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 50 m². De oppervlakte van carports blijft bij de berekening van die oppervlakte buiten beschouwing;
- de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld onder c mag worden verhoogd tot maximaal 70 m², mits het achtererf, ook na de bouw van bijgebouwen als bedoeld onder c en carports, voor niet meer dan 50% wordt bebouwd;
- de goothoogte van bijgebouwen mag niet hoger zijn dan:
- Voor aangebouwde bijgebouwen: 0,35 meter boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, of -als het hoofdgebouw geen tweede bouwlaag heeft- even hoog als het hoofdgebouw;
- Voor vrijstaande bijgebouwen 3 meter.
- de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen;
- aangebouwde bijgebouwen dienen plat te worden afgedekt indien de bijbehorende woning plat is afgedekt;
- bijgebouwen dienen met de dichtstbijzijnde gevel binnen een afstand van 15 meter van de achter- en/of zijgevels van de woning te worden gebouwd.
- in afwijking van het bepaalde in lid a mogen worden gebouwd:
- bijgebouwen in hoeksituaties op het naar openbaar gebied gekeerde zijerf, met dien verstande dat:
- de totale bebouwde oppervlakte maximaal 50 m2 mag bedragen;
- slechts aan het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen zijn toegestaan, met een breedte van maximaal 5 meter;
- carports, zowel op het voorerf als het achtererf, met dien verstande dat:
- de oppervlakte tot maximaal 30 m² mag bedragen;
- de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
- de carport met minimaal één zijde of een deel daarvan tegen de zijgevel van het hoofdgebouw of tegen een voor- of zijgevel van een bijgebouw wordt gebouwd;
- de carport maximaal 2,5 meter voor de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde mag worden gebouwd.
- ondergeschikte bouwdelen op het voorerf, met dien verstande dat:
- de diepte maximaal 1,2 meter bedraagt;
- de breedte maximaal 50% bedraagt van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw;
- de hoogte maximaal 3 meter bedraagt.
9.3.4 Bijbehorende bouwwerken – geen gebouw zijnde
In aanvulling op het bepaalde in
subsubparagraaf 9.3.1 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde de volgende beoordelingsregels:
- de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen vóór de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde maximaal 1 meter mag bedragen;
- in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen aan de zijgevel bij hoekwoningen voor de begrenzing van het bouwvlak aan de weg gekeerde zijde maximaal 2 meter bedragen, mits:
- de afstand tot de functie 'Verkeer' minimaal 0,5 meter bedraagt;
- de afstand tot de voorgevel minimaal 3 meter bedraagt;
- het verkeersbelang niet onevenredig aangetast wordt.
- de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt 3 meter.
9.4 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van:
- de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde;
- de situering en afmetingen van de bouwpercelen;
indien dit noodzakelijk is in verband met één of meer van de volgende aspecten:
- ter waarborging van de woonsituatie;
- ter waarborging van het straat- en bebouwingsbeeld en het stedenbouwkundig beeld;
- ter waarborging van de verkeers-, de sociale - en de brandveiligheid;
- ter waarborging van de milieusituatie;
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden in aangrenzende functies.
9.5 Omgevingsplanactiviteit – Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in:
- subsubparagraaf 9.3.2 sub a voor het bouwen van een hoofgebouw buiten het bouwvlak, met dien verstande dat de overschrijding niet meer bedraagt dan 2 meter;
- subsubsubparagraaf 9.3.3.2 sub e voor het overschrijden van de maximum oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 100 m², mits de bebouwing met de dichtstbijzijnde gevel op niet meer dan 15 meter van de achtergevel van het hoofdgebouw is gelegen en maximaal 40 % van het achtererf wordt bebouwd.
Onder de voorwaarden dat:
- de belangen van de eigenaren en/ of gebruikers van de nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
- het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
9.6 Specifieke functieregels
9.6.1 Verboden gebruik
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
- opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
- de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan het beroep aan huis als bedoeld in artikel 9 lid 2 sub b;
- horeca;
- zelfstandige bewoning voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft;
- gebruik van gronden voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit;
- bedrijf aan huis;
- recreatief (mede)gebruik;
- kamerverhuur;
- seksinrichting.
9.6.2 Beoordelingsregels voor beroep aan huis
- een beroep aan huis mag worden uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen;
- de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet aangetast;
- maximaal 40 m² van het vloeroppervlak van de woning inclusief de daarbij behorende bijgebouwen mag als zodanig worden gebruikt;
- degene die de activiteiten uitvoert, is tevens de bewoner van de woning;
- het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
- de parkeerbalans wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 lid 4;
- er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan en in direct verband met het beroep aan huis.
9.6.3 Aanwijzing woningbouwcategorieën
Binnen de aanduiding ‘overige zone – woningbouwcategorieën’ worden de volgende categorieën voor woningbouw worden onderscheiden:
- Sociale huurwoningen
- Middenhuur
- Sociale koopwoningen
- Betaalbare koopwoningen
met dien verstande dat uitsluitend woningen die behoren tot de betreffende categorie zijn toegestaan, zoals aangegeven op de woningbouw gebruikskaart in bijlage 2.
9.6.4 Informatieplicht
- De eigenaar/verhuurder van huurwoningen als bedoeld in subsubparagraaf 9.6.3 onder a en b, met uitzondering van de plaatselijk werkzame corporaties, dient gedurende de betreffende instandhoudingstermijn jaarlijks een overzicht te overleggen aan het college van burgemeester en wethouders om aan te tonen dat de huurprijzen nog in lijn zijn met deze afdeling;
- De in lid 1 genoemde eigenaar/verhuurder dient een mutatie gedurende de termijn van instandhouding binnen vier weken na de ingangsdatum van het huurcontract te melden aan het college van burgemeester en wethouders en aan te tonen dat de woning verhuurd is met een inkomen zoals aangegeven in subsubparagraaf 9.6.5 en subsubparagraaf 9.6.6. De verkoper van sociale en betaalbare koopwoningen als bedoeld in subsubparagraaf 9.6.3 onder c en d dient per (deel)project een overzicht van potentiële kopers ter toetsing voor te leggen aan het college van burgemeester en wethouders. Na een positieve toetsing waaruit blijkt dat de potentiële kopers voldoen aan de inkomensnorm, als bedoeld in subsubparagraaf 9.6.7 en subsubparagraaf 9.6.8, kan de verkoper de woningen aan deze personen verkopen.
9.6.5 Algemene regels sociale huurwoningen
- Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - sociale huurwoning' zijn uitsluitend sociale huurwoningen toegestaan;
- De doelgroep voor sociale huurwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen niet hoger dan de DAEB-inkomensnorm;
- De hoogte van de aanvangshuurprijs van sociale huurwoningen dient gerekend vanaf de datum van eerste verhuur gedurende de instandhoudingstermijn van 25 jaar onder het maximale bedrag van een sociale huurwoning te blijven;
- Sociale huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na eerste ingebruikname, voor de doelgroep als sociale huurwoning beschikbaar te blijven.
9.6.6 Algemene regels midden huurwoningen
- Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - middenhuurwoning' zijn uitsluitend middenhuurwoningen en middenkoopwoningen toegestaan;
- De doelgroep voor midden huurwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,5 keer de DAEB-inkomensnorm;
- De hoogte van de aanvangshuurprijs van midden huurwoningen dient gerekend vanaf de datum van eerste verhuur gedurende de instandhoudingstermijn van 15 jaar onder het maximale bedrag van een midden huurwoning te blijven;
- Midden huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 15 jaar na eerste ingebruikname, voor de doelgroep als midden huurwoningen beschikbaar te blijven.
9.6.7 Algemene regels sociale koopwoningen
- Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - sociale koopwoning' zijn uitsluitend sociale koopwoningen toegestaan;
- Een sociale koopwoning betreft een volwaardige woning, inclusief keuken en sanitair, met minimaal de basiseisen voor duurzaamheid volgens afdeling 4.4 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- De doelgroep voor sociale koopwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,5 keer de DAEB-inkomensnorm;
- De koper van een woning in de sociale categorie moet deze woning gedurende de periode, als benoemd in de Beleidsregels anti-speculatiebeding en de zelfbewoningsplicht van de gemeente Venray, zelf bewonen en mag deze gedurende diezelfde periode niet doorverkopen of verhuren.
- Sociale koopwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 5 jaren na eerste ingebruikname, voor de doelgroep als sociale koopwoning beschikbaar te blijven;
- De koopprijs van sociale koopwoningen dient gerekend vanaf de datum van eerste verkoop gedurende de instandhoudingstermijn van 5 jaar onder de maximale kostengrens van een sociale koopwoning te blijven.
9.6.8 Algemene regels betaalbare koopwoningen
- Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - betaalbare koopwoning' zijn uitsluitend betaalbare koopwoningen toegestaan;
- Een betaalbare koopwoning betreft een volwaardige woning, inclusief keuken en sanitair, met minimaal de basiseisen voor duurzaamheid volgens afdeling 4.4 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- De doelgroep voor betaalbare koopwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,75 keer de DAEB-inkomensnorm;
- De koper van een woning in de betaalbare categorie moet deze woning gedurende de periode, als benoemd in de Beleidsregels Anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht van de gemeente Venray, zelf bewonen en mag deze gedurende diezelfde periode niet doorverkopen of verhuren.
- Betaalbare koopwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 5 jaren na eerste ingebruikname, voor de doelgroep betaalbare koopwoning beschikbaar te blijven.
- De koopprijs van betaalbare koopwoningen dient gerekend vanaf de datum van eerste verkoop gedurende de instandhoudingstermijn van 5 jaar onder de maximale kostengrens van een betaalbare koopwoning te blijven.
9.7 Omgevingsplanactiviteit – afwijkende beoordelingsregels voor het gebruik
9.7.1 Bedrijf aan huis
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in
subsubparagraaf 9.6.1 sub f ten behoeve van een bedrijf aan huis, met dien verstande dat de voorwaarden zoals genoemd in
subsubparagraaf 9.6.2 onder a tot en met g in acht worden genomen.
9.7.2 Bed & breakfast
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in
subsubparagraaf 9.6.1 sub g en kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een bed & breakfast toestaan onder de voorwaarden dat:
- de primaire woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate wordt gehandhaafd;
- de voorzieningen in hun totaliteit niet groter zijn dan 100 m²;
- het woonmilieu niet onevenredig wordt aangetast;
- sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
- de parkeerbalans en verkeersafwikkeling in de directe omgeving niet onevenredig worden benadeeld;
- detailhandel slechts plaatsvindt voor zover deze beperkt blijft tot verkoop in direct verband met de verblijfsrecreatieve voorziening.
3 Algemene regels voor functies en activiteiten
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
Gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 11 Algemene regels voor het bouwen
11.1 Ondergronds bouwen
In aanvulling op de beoordelingsregels die elders in dit hoofdstuk zijn bepaald voor het bouwen, gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
- ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan bij bestaande hoofd- en bijgebouwen, met dien verstande dat ondergrondse bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan binnen de gevelgrenzen van de bestaande hoofd- en bijgebouwen;
- de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil;
- in aanvulling op het bepaalde in sub a en b is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
- het zwembad dient te worden gebouwd in het achtererf en op een afstand van ten minste 3,00 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
- het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde in de regels voor de van toepassing zijnde bestemming in acht wordt genomen.
- de ondergrondse ruimte(n) mogen uitsluitend van binnenuit bereikbaar zijn en geen ruimtelijke uitstraling hebben.
11.2 Bestaande afstanden en maten
11.2.1 Bestaande grotere afstanden en maten
Indien afstanden tot, goot- en bouwhoogten, oppervlakte en inhoud van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.
11.2.2 Bestaande kleinere afstanden en maten
In die gevallen dat afstanden tot, goot- en bouwhoogten, oppervlakte en inhoud van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
11.2.3 Heroprichting gebouwen
11.3.1 Beoordelingsregels infiltratieplicht
Een vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van al het hemelwater.
11.3.2 Omgevingsplanactiviteit – Afwijkende beoordelingsregels infiltratieplicht
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw te verlenen in afwijking van het bepaalde in
subsubparagraaf 11.3.1 indien op andere wijze in de nodige infiltratievoorziening wordt voorzien.
11.4.1 Beoordelingsregels parkeren op eigen terrein
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in “Bijlage 3 Parkeernormen Venray” die als bijlage bij de “Beleidsnota parkeernormen, Gemeente Venray” hoort. Indien deze nota niet toereikend is wordt getoetst aan de CROW-publicatie 317 'kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.
11.4.2 Omgevingsplanactiviteit – Afwijkende beoordelingsregels parkeren op eigen terrein
Het bevoegd gezag verleent ook een omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in
subsubparagraaf 11.4.1, indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels
12.1 10%-regeling
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en percentages tot maximaal 10% en maximaal 1 meter van die maten en percentages indien de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, met dien verstande dat dit niet geldt wanneer reeds op grond van deze regels een andere omgevingsvergunning/ontheffing is of kan worden verleend.
12.2 Bouwvlak
Het bevoegd gezag kan ook een omgevingsvergunning verlenen voor het uitbreiden van het bouwvlak, binnen de locatie, tot maximaal 10%, met dien verstande dat:
- binnen een afstand van minimaal 5 meter tot aan de zijdelingse en achterste perceelsgrens geen nieuwe bebouwing mag worden opgericht;
- de belangen van eigenaren en/of gebruikers van de nabijgelegen gronden en bebouwing niet onevenredig worden geschaad;
er uit oogpunt van brandveiligheid geen belemmeringen zijn.
12.3 Meetverschillen
Het bevoegd gezag verleent ook een omgevingsvergunning voor afwijking van de aangeduide bouwgrenzen indien een meetverschil of onnauwkeurigheid op de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft, mits de afwijking maximaal 3,00 meter bedraagt.
Artikel 13 Overige regels
13.1 Wettelijke regelingen
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.
13.2 Voorrangsregels
In het geval van strijdigheid van belangen tussen een hoofdfunctie en een dubbelfunctie, gaat het belang van de dubbelfunctie voor.
Artikel 14 Overgangsrecht
14.1 Overgangsrechte bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bepaalde in dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels die op grond van het omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.
14.2 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, als bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, als bedoeld onder het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van het omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerktreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.