direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Horsterweg 20 Castenray
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.TAM25022-ON01

Regels

Preambule

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een locatieontwikkeling op de locatie Horsterweg 20 te Castenray en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22ad) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Venray. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22ad van het omgevingsplan van de gemeente Venray. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22ad' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22ad' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Venray

Dit plan wijzigt het omgevingsplan Venray in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Venray een hoofdstuk [22ad] wordt toegevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22ad] van het omgevingsplan Venray. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer [22ad] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22ad] gelezen worden.

1.2 Niet van toepassing tijdelijk omgevingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Niet van toepassing tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat afdeling 22.2

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

1.4 Verwijzing naar de verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'Horsterweg 20 Castenray' waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAM25022, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.

2.2 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.34 gehanteerd:

2.3 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Venray.

2.4 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Horsterweg 20 Castenray' van de gemeente Venray.

2.5 locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.6 Verbeelding

De verbeelding van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Horsterweg 20 Castenray.

2.7 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of bebouwen van deze gronden.

2.8 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.9 aanduidingsvlak

Een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens.

2.10 aan-huis-verbonden-beroep

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang, aard en intensiteit in of bij de woning met behoud van de woonfunctie (in ruimtelijke en visuele zin), uitgeoefend kan worden.

2.11 aan-huis-verbonden-bedrijf

Het aan huis – geheel of overwegend door middel van handwerk – uitoefenen van een bedrijfsmatige activiteit bedrijvigheid in de categorie 1 en 2 als genoemd in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij de woning met behoud van woonfunctie kan worden uitgeoefend , met hieraan ondergeschikte en kleinschalige detailhandel welke direct in verband dient te staan met de ter plaatse toegestane bedrijfsactiviteiten.

2.12 agrarisch grondgebruik

Gebruik van grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, al dan niet met het gebruik van tijdelijk afdekmateriaal, en/ of door middel van het houden van dieren.

2.13 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.14 bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

2.15 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, te bewonen door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of het terrein in overeenstemming met de functie.

2.16 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.17 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

2.18 bouwvlak

Het vlak dat begrensd wordt door de voorgevellijn, de achterste bouwgrens en de zijdelingse perceelsgrenzen.

2.19 bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.20 dagrecreatief medegebruik

Extensieve vormen van dagrecreatie die in de open lucht plaatsvinden in gebieden waar de hoofdfunctie een andere is; hieronder worden in ieder geval verstaan: wandelen, fietsen, paardrijden of kanoën.

2.21 detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.22 escortbedrijf

De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overigen). Een escortbedrijf is een aparte functie en derhalve op geen enkele wijze onder enige andere functie c.q. doeleinden c.q. bestemming valt zoals bedoeld dan wel omschreven in dit bestemmingsplan.

2.23 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.24 gewasbeschermingsmiddel

Gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309).

2.25 hoofdverblijf

De voorziening die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene en welke een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats is, dat ten minste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid.

2.26 huishouden

Een of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke c.q. gezamenlijke huishouding voeren.

2.27 internationale werknemer

Iemand die zijn of haar land verlaat, vaak voor een beperkte duur om elders (betaald) werk te verrichten.

2.28 logiesgebouw

Een gebouw geschikt en aangewezen voor de tijdelijke huisvesting en hoofdverblijf van internationale werknemers.

2.29 seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijk gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde dan wel onderkomen, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al of niet in combinatie met elkaar. Een seksinrichting is een aparte functie en valt derhalve op geen enkele wijze onder enige andere functie c.q. doeleinden c.q. functie zoals bedoeld dan wel omschreven in dit TAM-omgevingsplan.

2.30 (straat)prostitutie

Het zich (op de openbare weg respectievelijk op openbare ruimten of in een zich op de openbare weg resp. openbare ruimten bevindend voertuig) beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele dienste ten behoeve van een ander tegen vergoeding. (Straat)prostitutie is een aparte functie en valt derhalve op geen enkele wijze onder enige andere functie c.q. doeleinden c.q. bestemming zoals bedoeld dan wel omschreven in dit TAM-omgevingsplan.

2.31 tijdelijke huisvesting

Verblijf van maximaal 4 maanden per half jaar of 8 maanden per jaar door dezelfde persoon of personen.

2.32 verblijfsfunctie

Een gebruiksfunctie voor het verblijven van mensen gedurende een deel van de dag.

2.33 peil
  • a. Voor gebouwen waarvan:
    • 1. de hoofdingang binnen 20 meter van de weg is gelegen en;
    • 2. het oorspronkelijke maaiveld niet meer dan 0,50 meter afwijkt van de hoogte van de weg: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het oorspronkelijke maaiveld waarop het bouwwerk geplaatst is of wordt; met dien verstande dat, indien bestaande gebouwen afwijkend van de onder a. en/of b. genoemde gevallen zijn gerealiseerd, de bovenkant van de begane grondvloer van bestaande gebouwen als peil wordt beschouwd.
2.34 voorgevelrooilijn

De gevel van een gebouw, die is gekeerd naar de weg of het openbaar gebied waarop het bouwperceel overwegend georiënteerd is (bij een hoekgevel is er slechts sprake van één voorgevel).

Artikel 3 Aanvullende meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 afstand tot de weg

De afstand tussen de bebouwing en de as van de weg.

3.2 afstand tot de zijdelingse- en achterste perceelsgrens

De kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse en achterste perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.

3.3 bebouwd oppervlak van een bouwperceel

De oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.

3.4 bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.5 breedte, diepte, c.q. lengte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.

3.6 dakhelling

Langs het dakvlak gemeten ten opzichte van het horizontale vlak.

3.7 goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of daarmee gelijk te stellen
constructiedeel.

3.8 inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane-grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.9 oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.10 ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m in de diepte en 3,0 m in de hoogte.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • b. Onder strijdig gebruik als bedoeld onder a wordt in ieder geval verstaan:
    • 1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie.

Artikel 5 Normadressaat

Aan de regels in Hoofdstuk 22ad wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6 Agrarisch

6.1 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

6.2 Functieomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen locatie mag gebruik worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. dagrecreatief medegebruik;
  • c. erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages;
  • d. bestaande voorzieningen van openbaar nut.
6.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.3.1 Gebouwen

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

6.3.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen erf- en terreinafscheidingen worden gebouwd tot een hoogte van 2 meter.

6.4 Specifieke functieregels

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest behoudens:
    • 1. voor zover zulks noodzakelijk voor het op de functie gericht grondgebruik;
    • 2. tijdelijke opslag van geoogste producten met een maximum van drie maanden aansluitend aan de oogst;
  • b. het gebruik van de gronden als plaats voor kampeermiddelen;
  • c. het gebruik van gronden voor containerteeltvelden;
  • d. de toepassing van alle soorten gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' op de verbeelding.

Artikel 7 Verkeer - Wegverkeer

7.1 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Verkeer - Wegverkeer'.

7.2 Functieomschrijving

De voor 'Verkeer - Wegverkeer' aangewezen gronden zijn aangewezen voor:

  • a. de aanleg en instandhouding van:
    • 1. hoofdverkeerswegen;
    • 2. interregionale wegen;
    • 3. interlokale wegen;
    • 4. lokale verharde wegen;
  • b. instandhouding van de ecologische, visueel-landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de onverharde en verharde wegen;
  • c. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • d. geluidswallen en geluidsschermen op gronden behorende tot de hoofdverkeerswegen;
  • e. gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder begrepen abri's, verlichtingsarmaturen, apparatenkasten voor telecommunicatiemasten;
  • f. kabels en leidingen;
  • g. groen, bermen, en wegbeplantingen;
  • h. parkeren;
  • i. veldkruizen, kapellen en kunstwerken;

Een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals wildbegeleidende en wildbeschermingsvoorzieningen.

7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

Op de voor 'Verkeer - Wegverkeer' aangewezen gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze functie worden gebouwd, zoals bruggen, duikers, viaducten, faunapassages, met een maximale hoogte van 12 m voor verlichtingsarmaturen en bewegwijzering.

Artikel 8 Bedrijf

8.1 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Bedrijf'.

8.2 Functieomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen worden gebruikt voor:

  • a. huisvesting van internationale werknemers waarbij ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - logiesgebouw - huisvesting internationale werknemers' op de verbeelding één logiesgebouw is toegestaan;
    • 1. hierbij geldt dat de tijdelijke huisvesting van (gezamenlijk) maximaal 119 internationale werknemers binnen deze bebouwing is toegestaan;
  • b. wonen in één bedrijfswoning binnen een bouwvlak met de aanduiding 'bedrijfswoning' al dan niet met aan huis-verbonden-beroep;
  • c. wegen ten behoeve van de ontsluiting van een bedrijfswoning en/of logiesgebouw;

met de hierbij behorende:

  • d. tuinen, erven en terreinen;
  • e. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterbergende en -afvoerende voorzieningen;
  • h. voorzieningen ten behoeve van de duurzaamheid, waaronder in ieder geval warmte-koudeopslag en zonnepanelen;

met de daarbij behorende bouwwerken,

met dien verstande dat:

  • i. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' op de verbeelding slechts parkeren is toegestaan met de bijbehorende inpassing en voorzieningen;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - buitenruimte met verblijfsfunctie' slechts een verblijfsfunctie is toegestaan met de bijbehorende inpassing en voorzieningen.
  • k. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf uitgesloten – verblijfsobject’ geen verblijfsfunctie is toegestaan.
8.3 Beoordelingsregels bouwen
8.3.1 Verbod
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, uit te breiden of te veranderen.
  • b. Een omgevingsvergunning voor bouwen als bedoeld onder a wordt slechts verleend indien naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders kan worden voldaan aan de uitgangspunten van het Integraal Beleidskader internationale werknemers 2024-2030 of de rechtsopvolger daarvan.
  • c. Het verbod onder a is niet van toepassing indien:
    • 1. het gaat over een bouwwerk dat staat beschreven in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving.
8.3.2 Het bouwen van gebouwen, zijnde bedrijfswoningen of logiesgebouwen
  • a. Binnen een bouwvlak met de aanduiding 'overige zone - logiesgebouw - huisvesting internationale werknemers' is een logiesgebouw toegestaan voor realisatie van een gebouw voor tijdelijke bewoning door meer personen dan in een reguliere (bedrijfs)woning wordt toegestaan met dien verstande dat:
    • 1. het bebouwingspercentage van dit bouwvlak niet meer mag bedragen dan in dit bouwvlak is aangeduid op de verbeelding;
    • 2. de inhoud van het logiesgebouw maximaal 9.779 m3 bedraagt.
  • a. Binnen een bouwvlak met de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan met dien verstande dat:
    • 1. de inhoud van een bedrijfswoning maximaal 875 m³ bedraagt.
  • b. De bouwhoogte van een bedrijfswoning of logiesgebouw bedraagt niet meer dan is aangegeven onder 'maximum bouwhoogte'.
  • c. De goothoogte van een bedrijfswoning of logiesgebouw bedraagt niet meer dan is aangegeven onder 'maximum goothoogte'.
  • d. De dakhelling van een bedrijfswoning of logiesgebouw bedraagt minimaal 12º en maximaal 45º.
  • e. In afwijking van het bepaalde in het begrip 'peil' in artikel 2.33 dient de begane grondvloer van de hoofdgebouwen op 25,80 meter boven NAP te worden gebouwd of bij een lager peil dient er op een andere manier geborgd te zijn dat er geen sprake is van een overstromingsrisico zoals bedoeld op de overstromingskaart T=100 2100 van het waterschap Limburg.

8.3.3 Bijbehorende bouwwerken

Het bouwen van bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan.

8.3.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag verleent de onder 8.3.1 bedoelde omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien is voldaan aan het volgende:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van een woning is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van een woning is maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter;
  • d. de bouw van antennes is toegestaan buiten de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf uitgesloten - verblijfsobject' op de verbeelding , mits de hoogte maximaal 15 meter bedraagt.
8.3.5 Bouwactiviteit - voorwaardelijke verplichting bedrijfswoning
  • a. de bouw van de bedrijfswoning is toegestaan na sloop van de bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied.
8.3.6 Bouwactiviteit - voorwaardelijke verplichting logiesgebouw
  • a. de bouw van het logiesgebouw is pas toegestaan na realisatie van een kwaliteitsverbetering;
  • b. de kwaliteitsverbetering bestaat uit de sloop van één of meerdere gebouwen met een gezamenlijke inhoud van 9.779 m3. Hiervan dient 3.748 m3 conform de sloopkaart uit Bijlage 3 binnen het plangebied te worden gesloopt. De overige 6.031 m3 zijn al gesloopt op een locatie elders in het buitengebied van de gemeente Venray.
8.4 Specifieke functieregels
8.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • b. het splitsen van een bedrijfswoning in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van een bedrijfswoning voor kamerverhuur;
  • d. het gebruik van een gebouw als recreatiewoning;
  • e. het zonder omgevingsvergunning drijven van een aan huis verbonden bedrijf.
8.4.2 Gebruiksactiviteit - voorwaardelijke verplichting

Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in 8.2 is uitsluitend toegestaan:

  • a. indien beheer van de huisvesting binnen het plangebied plaatsvindt conform het beheerplan, dat als bijlage 2 bij deze regels is gevoegd, danwel een door het bevoegd gezag geaccordeerd gewijzigd beheerplan.
  • b. indien de huisvestigingslocatie voldoet en blijft voldoen aan het Integraal Beleidskader internationale werknemers 2024-2030.
  • c. indien de landschappelijke inpassing, in stand wordt gehouden, dan wel gelijkwaardige beplanting wordt teruggeplant conform het landschappelijke inpassingsplan dat als bijlage 1 bij dit plan is gevoegd.
  • d. Het bevoegd gezag kan af wijken van de vereiste landschappelijke inpassing, zoals bepaald in het landschappelijk inpassingsplan dat onderdeel is van de regels (bijlage PM) of een verleende omgevingsvergunning, indien blijkt dat het beoogde landschappelijke inpassingsplan voor wat betreft omvang en kwaliteit tenminste gelijkwaardig is aan het inpassingsplan dat als bijlage bij deze regels is gevoegd.
  • e. indien voldoende waterberging vooraf wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden in overeenstemming met de uitgangspunten voor hydrologisch neutraal ontwikkelen volgens de keur van Waterschap Limburg;
  • f. indien de binnen het plangebied aanwezige sterk met PAK verontreinigde grond (circa 1,2 m3) is gesaneerd met dien verstande dat voorafgaande aan het saneren van de laag een MBA-melding (graven > I) ingediend is middels het DSO-systeem.
8.5 Specifieke beoordelingsregels
8.5.1 Aan huis verbonden bedrijf

Het bevoegd gezag verleent de onder 8.4.1 onder a bedoelde omgevingsvergunning voor een aan huis verbonden bedrijf binnen een bedrijfswoning indien is voldaan aan het volgende:

  • a. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 45 m²;
  • b. de woonfunctie de hoofdfunctie blijft;
  • c. het gebruik geen onevenredige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
  • d. detailhandel alleen plaatsvindt ondergeschikt aan en in direct verband met de lichte bedrijvigheid;
  • e. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
8.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

Een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan slechts worden verleend indien de binnen het plangebied aanwezige sterk met PAK verontreinigde grond (circa 1,2 m3) is gesaneerd met dien verstande dat voorafgaande aan het saneren van de laag een MBA-melding (graven > I) ingediend is middels het DSO-systeem.

Hoofdstuk 3 Beschermen van waarden

Artikel 9 Waarde - Archeologie - 2

9.1 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie - 2' heeft, behalve voor de daar toegestane functies en activiteiten, mede als functie de bescherming van de aanwezige archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 15.2 van de regels in acht dient te worden genomen.

9.2 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten (artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Venray))


Voor het bouwen op en in de als 'Waarde - Archeologie - 2' aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. Op de als 'Waarde - Archeologie - 2' aangeduide gronden mag - met in acht name van de regels voor de functies en activiteiten uit hoofdstuk 2 van deze regels - worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 250 m² per bouwperceel (gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  • b. Indien de verstoring meer dan 250 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 centimeter dient de aanvrager een rapport (bureauonderzoek, inventariserend (verkennend, karterend of waarderend) veldonderzoek door middel van proefsleuven of boringen, opgraving, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.3.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  • c. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt).
9.3.2 Uitzonderingen

Het in 9.3.1 van deze regels vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m²;
  • c. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (voortoets) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • d. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen gronden met de functie 'Verkeer - Wegverkeer' betreft.
9.3.3 Afwegingskader

Een in 9.3.1 van de regels genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 10 Waterstaat - Beschermingszone watergang

10.1 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'.

10.2 Functieomschrijving

De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' zijn, behalve voor de daar voorkomende functies en waarden, mede aangewezen voor voor de bescherming van de nabij gelegen waterloop.

10.3 Beoordelingsregels - bouwen

Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde functie worden opgericht.

10.4 Vergunningplicht voor afwijken

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 10.3 ten behoeve van het oprichten van bouwwerken binnen de beschermingszone mits:

  • a. het belang van de waterloop niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende functie.
  • c. Burgemeester en Wethouders winnen, alvorens een omgevingsvergunning te verlenen, advies in bij de waterbeheerder zijnde het waterschap.

Artikel 11 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

11.1 Functieomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden mede aangewezen voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.

11.2 Beoordelingsregels bouwen

Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende functie is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Provinciale Milieuverordening Limburg worden gesteld.

Artikel 12 milieuzone - spuitvrije zone

12.1 Functieomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' zijn de gronden mede aangewezen voor de bescherming van gevoelige activiteiten tegen drift vanuit toepassing met gewasbeschermingsmiddelen.

Hoofdstuk 4 Algemene regels

Artikel 13 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:

  • a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een aanlegactiviteit in dit plan; en
  • b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.

In aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

15.2 Voorrangsregels

In het geval van strijdigheid van de regels voor functies en activiteiten uit hoofdstuk 2 van deze regels met de regels voor de (waarde)functies uit hoofdstuk 3 van deze regels, gaan de regels van de (waarde)functies uit hoofdstuk 3 van deze regels voor.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze planwijziging aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van hetgeen is toegestaan in deze wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • b. het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van deze planwijziging en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, tenzij:
    • 1. de gronden mede zijn aangewezen ter bescherming van gevoelige activiteiten tegen drift vanuit toepassing met gewasbeschermingsmiddelen, als bedoeld in artikel 12. In dat geval mag dit gebruik niet worden voortgezet binnen de milieuzone - spuitvrije zone als een verblijfsfunctie in gebruik is genomen binnen 50 meter van gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
  • b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de planwijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de voorheen geldende planversie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.