direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.TAM25026-on01

Regels

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6 is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22ah]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Venray. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22ah] van het omgevingsplan van de gemeente Venray. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22ah.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22ah]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten de plannen:
    • 1. bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010' (vastgesteld op 14 december 2010) en de hierop volgende herzieningen: artikel 4 'Agrarisch met waarden';
    • 2. bestemmingsplan 'Kleindorp 33 Merselo' (vastgesteld op 2 december 2015): artikel 3 'Agrarisch met waarden'.
    • 3. wijzigingsplan 'Den Tiel 6 Merselo' (vastgesteld op 2 september 2014): artikel 4 'Agrarisch met waarden'.

Gelden voor de locaties met de functie 'Wonen' op de verbeelding van het plan zoals opgenomen onder e, de regels uit artikel 5 'Wonen' zoals opgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan;

  • b. In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten het wijzigingsplan 'Den Tiel 6 Merselo' (vastgesteld op 2 september 2014): artikel 4 'Agrarisch met waarden' gelden voor de locatie met de functie 'Agrarisch met waarden' op de verbeelding van het plan zoals opgenomen onder e, de regels uit artikel 4 'Agrarisch met waarden' zoals opgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan;
  • c. In aanvulling op het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten de plannen:
    • 1. bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010' (vastgesteld op 14 december 2010) en de hierop volgende herzieningen: artikel 4 'Agrarisch met waarden';
    • 2. bestemmingsplan 'Kleindorp 33 Merselo' (vastgesteld op 2 december 2015): artikel 3 'Agrarisch met waarden'.;

gelden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' zoals opgenomen onder e ook de regels zoals opgenomen in artikel 7.1 in deze wijziging van het omgevingsplan.

  • d. De regels in afdeling 22.2 van het omgevingsplan gemeente Venray (met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  • e. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0984.TAM25026-on01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:

2.1 plan

Het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22ah Kleindorp 31-33 Den Tiel 6 met identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM25026-on01 van de gemeente Venray bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM25026-on01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.2 locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.3 aanbouw

Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat. Het gebouw kan onderscheiden worden van het hoofdgebouw en is in architectonisch opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

2.4 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.5 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.6 aan-huis-gebonden-beroep

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang, aard en intensiteit in of bij de woning met behoud van de woonfunctie (in ruimtelijke en visuele zin), uitgeoefend kan worden.

2.7 aan-huis-gebonden-bedrijf

Het aan huis – geheel of overwegend door middel van handwerk – uitoefenen van een bedrijfsmatige activiteit bedrijvigheid in de cat. 1 en 2 als genoemd in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij de woning met behoud van woonfunctie kan worden uitgeoefend , met hieraan ondergeschikte en kleinschalige detailhandel welke direct in verband dient te staan met de ter plaatse toegestane bedrijfsactiviteiten.

2.8 agrarisch grondgebruik

Gebruik van grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen , al dan niet met het gebruik van tijdelijk afdekmateriaal, en/ of door middel van het houden van dieren;

2.9 archeologische waarden

De aan een gebied toegekende waarden die worden bepaald door de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

2.10 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.11 bed & breakfast

Recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt.

2.12 BeeldKwaliteitPlan buitengebied Venray

Het plan, zoals vastgesteld op 14 december 2010, waarin aandacht wordt besteed aan de relatie tussen een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling en bestaande karakteristieken, landschappelijke en visuele waarden van een gebied.

2.13 bestaand

Ten tijde van de inwerkingtreding van het plan aanwezig.

2.14 bijgebouw

Een al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw waarbij het behoort, dat niet toegankelijk is vanuit het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt en functioneel dienstbaar is aan dat hoofdgebouw.

2.15 bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

2.16 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.17 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

2.18 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.19 bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

2.20 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.21 bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

2.22 burgerwoning

Een woning bedoeld ter huisvesting van een huishouden, niet zijnde een woning behorend bij een (agrarisch) bedrijf of andere inrichting.

2.23 cultuurhistorische waarde

De waarden aan een gebied of opstal toegekende waarde met betrekking tot de kenmerken van het gebruik dat de mens in de loop der geschiedenis van grond en gebouwen heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegen- en slotenpatroon, de verkavelingsstructuur of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan de archeologische waarden.

2.24 dagrecreatief medegebruik 1

Extensieve vormen van dagrecreatie die in de open lucht plaatsvinden in gebieden waar de hoofdfunctie een andere is; hieronder worden in ieder geval verstaan: wandelen, fietsen, paardrijden of kanoën.

2.25 dagrecreatief medegebruik 2

Tijdelijk medegebruik van grasland akkerbouwgrond of onbebouwde agrarische grond voor kleinschalige dagrecreatieve activiteiten die in de openlucht plaatsvinden, waaronder kleinschalige recreatieve luchtvaart ten behoeve van luchtballonvaren en ultralights.

2.26 eigen terrein

Het terrein dat is uitgegeven in erfpacht, is verhuurd of in gebruik gegeven aan, dan wel in eigendom is van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, welke de betreffende gronden gebruikt ten behoeve van een middels de regels van dit plan ter plaatse toegestane functie.

2.27 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.28 gewasbeschermingsmiddel

Gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309).

2.29 groom

Verzorger van paarden en onderhouder van zadels, tuigen en andere benodigdheden.

2.30 herbouw

Na algehele sloop van het bestaande gebouw (woning) wordt nagenoeg hetzelfde teruggebouwd.

2.31 hoofdgebouw

Gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

2.32 huishouding

Een huishouding bestaat uit een persoon dan wel personen die in een zekere continue samenstelling met elkaar wonen en tussen de verschillende personen een zekere onderlinge verbondenheid bestaat.

2.33 kamerverhuur

Niet gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich meer wooneenheden bevinden en waar voorzieningen, zoals keuken, sanitaire ruimtes, worden gedeeld.

2.34 maximale bebouwingsoppervlakte

Een op de verbeelding aangegeven oppervlakte in vierkante meters (m2). Die de omvang van het deel van het bouwperceel c.q. bouwvlak of locatievlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd.

2.35 natuurlijke waarden

De aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van bodemkundige, hydrologische en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in samenhang.

2.36 ondergronds

Beneden het peil.

2.37 onevenredige aantasting van de aanwezige waarden

Het resultaat van een ruimtelijke ingreep heeft een verhoudingsgewijs te groot nadelig effect op de aanwezige waarden in dat gebied.

2.38 peil
  • a. Voor gebouwen waarvan:
    • 1. de hoofdingang binnen 20 meter van de weg is gelegen en;
    • 2. het oorspronkelijke maaiveld niet meer dan 0,50 meter afwijkt van de hoogte van de weg: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het oorspronkelijke maaiveld waarop het bouwwerk geplaatst is of wordt; met dien verstande dat, indien bestaande gebouwen afwijkend van de onder a. en/of b. genoemde gevallen zijn gerealiseerd, de bovenkant van de begane grondvloer van bestaande gebouwen als peil wordt beschouwd.

2.39 Ruimtelijk KwaliteitsKader

Gemeentelijk toetsingskader, zoals vastgesteld op 31 oktober 2023, ter toetsing van de gebiedskwaliteiten en visueel-landschappelijke waarden bij nieuwe ontwikkelingen en uitbreidingen. Indien gedurende de planperiode het gemeentelijke toetsingskader (Ruimtelijk KwaliteitsKader) wijzigt wordt de nieuwe versie in acht genomen.

2.40 schuilgelegenheid

Een overdekte ruimte die aan maximaal drie zijden is omsloten door wanden, waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter uit oogpunt van dierenwelzijn.

2.41 weg

Een weg of pad, bedoeld voor het openbaar verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeervoorzieningen.

2.42 wonen

Het gehuisvest zijn in een woning.

2.43 woning

Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

3.1 de goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.2 de inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

Verticaal vanaf het hoogste punt van het bouwwerk tot aan het aansluitende afgewerkte peil.

3.5 de afstand tot de (naar de weg gekeerde) perceelgrens:

De kortste afstand van een bouwwerk tot de (naar de weg gekeerde) perceelgrens van het bouwperceel.

3.6 de afstand tussen gebouwen:

De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen.

3.7 de vloeroppervlakte:

Op de vloer tussen de binnenzijden van de gevelmuren en/of gemeenschappelijke scheidingsmuren.

3.8 de oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.9 de inhoud van overkappingen, carports en daarmee gelijk te stellen gebouwen en bouwwerken:

Vanaf peil tot aan de buitenzijde van het dak en tussen de buitenwerkse maten van de draagconstructie. Overstekken tot 0,50 meter worden niet meegeteld bij de berekening van de inhoud.

3.10 de dakhelling:

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.11 vrijwaringszone weg

Uit de as van de dichtstbijgelegen rijbaan inclusief bijbehorende toe- en afritten.

3.12 de inhoud van een burgerwoning:

Als inhoud van de burgerwoning wordt aangemerkt de inhoud (m3) van het hoofdgebouw inclusief aan/bijgebouwen, exclusief overkappingen. Waar het hoofdgebouw onderdeel is van voormalige bedrijfsbebouwing, wordt onder inhoud van de burgerwoning begrepen de inhoud tot dat deel van het hoofdgebouw dat op dat moment functioneel als woonruimte in gebruik is, dan wel waarvan de uitstraling als woning zich naar buiten toe etaleert. De inhoud wordt dan tot dat punt en over alle bovengrondse bouwlagen berekend.

3.13 wijze van meten

Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in m, m² of m³ zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

  • afstanden loodrecht;
  • hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, en
  • maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven.

Hoofdstuk 2 Functieregels

Artikel 4 Agrarisch met waarden

4.1 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Agrarisch met waarden' heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. behoud, ontwikkeling en versterking van:
    • 1. de aanwezige landschappelijke waarden, in het bijzonder van het esdorpenlandschap en de beekdalen;
    • 2. bestaande natuurwaarden al dan niet in combinatie met agrarisch gebruik;
  • c. dagrecreatief medegebruik 1;
  • d. dagrecreatief medegebruik 2;
  • e. erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages;
  • f. voorzieningen van openbaar nut.

Een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen, in- en uitritten, tuinen, met dien verstande dat:

  • g. deze bijbehorende voorzieningen ten dienste staan van de functie;
  • h. ten behoeve van de ter plaatse aanwezige functie moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
4.2 Beoordelingsregels - bouwen

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

4.3 Maatwerkvoorschriften
  • a. Burgemeester en wethouders stellen maatwerkvoorschriften ten aanzien van:
    • 1. de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;
    • 2. de aard, bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen;
    • 3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing.

Een en ander op basis van een landschappelijke inpassingsplan (en/of stedenbouwkundig ontwerp) gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit.

  • b. De onder a genoemde maatwerkvoorschriften mogen uitsluitend worden gesteld indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing en
    • 1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en
    • 2. ter verbetering van de gebiedskwaliteit.
4.4 Specifieke beoordelingsregels - bouwen
4.4.1 Schuilgelegenheid

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgekeken van het bepaalde in:

  • a. artikel 4.2 van de planregels en de oprichting van een schuilgelegenheid voor dieren toestaan, onder de voorwaarden dat:
    • 1. de hoogte maximaal 3 meter bedraagt;
    • 2. de bebouwingsoppervlakte is afgestemd op het beoogde gebruik en de locatie, met een maximum van 30 m²;
    • 3. de afstand tot de bestemming en/of functie 'Verkeer - Wegverkeer' ten minste 30 meter bedraagt;
    • 4. de locatie niet grenst aan het bouwvlak van een (agrarisch) bedrijf;
    • 5. maximaal één schuilgelegenheid is toegestaan per hectare;
    • 6. het perceel waarop de schuilgelegenheid wordt gerealiseerd dient een oppervlak te hebben van minimaal 1 ha;
    • 7. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies

4.4.2 Aanvraagvereisten

Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 zijn tevens de aanvraagvereisten als genoemd in artikel 9 van toepassing.

Artikel 5 Wonen

5.1 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden-beroep of bedrijf tot een maximum van 40 m2.

Een en ander met daarbij behorende voorzieningen zoals verhardingen en ontsluitingen, tuinen, groen en parkeren.

5.2 Beoordelingsregels - bouwen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen enkel bouwwerken ten dienste van de functie 'Wonen' worden gebouwd, waarbij de volgende eisen gelden:

  • a. burgerwoningen
Inhoud woning, inclusief aan/bijgebouwen   Max. 875 m3, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven  
Goothoogte   Max. 4,5 m.  
Dakhelling   Min. 12o en max 45o  
Afstand tot agrarische bedrijfsgebouwen   Min. 25 m.  
Afstand tot de niet aan de weg gekeerde bouwperceelsgrens   Min. 5 m.  
Afstand tot 'Verkeer - Wegverkeer'   Min. 10 m.  

  • b. aanbouwen en bijgebouwen bij de woning:
Goothoogte   Max. 3 m.  
Dakvorm en -helling   afgestemd op dakvorm en -helling woning  
Afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens   Min. 5 m.  
Afstand tot 'Verkeer - Wegverkeer'   Min. 10 m.  

  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde
  Bouwhoogte  
Erf- en terreinafscheidingen, achter voorgevellijn   Max. 2 m.  
Erf- en terreinsfscheidingen, voor voorgevellijn   Max. 1 m.  
Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde   Max. 3 m.  
Oppervlakte ten behoeve van woning, exclusief onoverdekt zwembad   Max. 30 m2  
Onoverdekt zwembad   Max. 50 m2  

met dien verstande dat:

  • d. per bouwvlak is één vrijstaande woning toegestaan, met de daarbij behorende aan- en bijgebouwen met dien verstande dat de uitbreiding van de woning buiten het bouwvlak is toegestaan;
  • e. in aanvulling op artikel 5.2 onder d dienen aan- en bijgebouwen bij met de dichtstbijzijnde gevel binnen een omtrek van 15 m van de achter- en zijgevels van de woning te worden gebouwd;
  • f. ondergeschikte bouwdelen zijn wat betreft hoogte, verschijningsvorm en dakvorm uitgezonderd van het gestelde onder artikel 5.2 onder a, b en c;
  • g. binnen de fundering van de woning en/of het bijgebouw bij de woning is het ondergronds bouwen van menstoegankelijke ruimten ter vergroting van het woongenot toegestaan, mits deze ruimte(n) uitsluitend van binnenuit toegankelijk zijn en geen ruimtelijke uitstraling hebben.
5.3 Specifieke beoordelingsregels - bouwen
5.3.1 Omgevingsplanactiviteit

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met het in dit plan bepaalde afwijken van:

  • a. artikel 5.2 onder a en een grotere inhoudsmaat toestaan voor woning inclusief aan-/bijgebouwen indien bestaande (bij)gebouwen worden gesloopt, onder de volgende voorwaarden:
    • 1. gesloopt wordt binnen het voor het buitengebied geldende omgevingsplan van de gemeente Venray;
    • 2. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
    • 3. alleen de te slopen gebouwen die op die locatie niet vallen binnen het daar, op grond van de bouwregels, toegestane maximale bebouwingsvolume, worden in de berekening meegenomen;
    • 4. de te slopen gebouwen dienen legaal aanwezig te zijn op het moment van inwerkingtreding van het betreffende plan, zoals bedoeld in dit lid onder a sub 1, en mogen niet onder een andere regeling of verzoek vallen;
    • 5. aan de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt de voorwaarde verbonden dat pas met de bouw gestart mag worden als sloop heeft plaatsgevonden;
    • 6. alle te slopen gebouwen en de daarbij behorende bouwwerken en bouwdelen, zoals aanbouwen, overkappingen, bijbehorende ondergrondse (kelder-)ruimten, fysieke erfafscheidingen, voederplaten en andere erfverhardingen dienen gesloopt te worden;
    • 7. alleen bovengrondse gebouwen worden meegerekend bij het te bepalen sloopvolume;
    • 8. het percentage van het te bouwen volume dat moet worden gesloopt is bepaald in de onderstaande tabel.
Aantal m3 dat wordt gebouwd (bebouwingsvolume)   Minimaal te slopen % (sloopvolume)  
Tot en met 250 m3   100%  
Het meerdere boven de 250 m3   150%  

  • b. artikel 5.2 onder e en toestaan dat bijgebouwen op een grotere afstand dan 15 m van de woning worden gebouwd, onder de voorwaarde dat de landschappelijke en agrarische waarden ter plaatse niet worden aangetast.
  • c. artikel 5.2 onder d en toestaan dat een woning wordt opgericht buiten het aangewezen bouwvlak onder de volgende voorwaarden:
    • 1. dit vanuit het verkeersbelang dan wel een aanvaardbaar woonmilieu noodzakelijk is;
    • 2. de afstand buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan noodzakelijk is in verband met het verkeersbelang dan wel het woonmilieu;
    • 3. dit vanuit verkeerskundig, stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt toelaatbaar is;
    • 4. natuurlijke, cultuur-historische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden mogen niet worden aangetast;
    • 5. het toevoegen van een extra woning is niet toegestaan.
  • d. artikel 5.2 onder c en het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde met grotere afmetingen, zoals tennisbanen, (paard)rijbakken en/of stapmolens met de bijbehorende voorzieningen toestaan, onder de voorwaarde dat de bouwwerken zorgvuldig worden ingepast, waarbij de inpassing door de erfinrichting, beplanting en/of vormgeving moet bijdragen aan het behoud en/of versterking van de aanwezige gebiedskwaliteiten.
  • e. artikel 5.2 onder a en een goothoogte van maximaal 6 m toestaan onder de voorwaarde dat sprake is van een goede ruimtelijke inpassing zoals bedoeld is in het BeeldKwaliteitPlan buitengebied Venray en het Ruimtelijk KwaliteitsKader.
  • f. artikel 5.2 onder a en een grotere inhoudsmaat voor woningen toestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de woning gelegen is in een hoofdgebouw dat groter is dan 875 m³. Het gehele hoofdgebouw mag inpandig worden verbouwd tot woning;
    • 2. de bestaande bebouwde oppervlakte niet wordt vergroot;
    • 3. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
    • 4. verbouw in combinatie met herbouw van (een deel van) het hoofdgebouw niet is toegestaan;
    • 5. het aantal woningen gelijk blijft; woningsplitsing is niet toegestaan.
  • g. artikel 5.2 onder a en b van de planregels en het bouwen binnen de minimale afstand van gebouwen tot de bouwperceelsgrens toestaan, onder de voorwaarden dat:
    • 1. de ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de nieuwe bebouwing wordt ingepast;
    • 2. met het oog op de hemelwaterproblematiek dienen voorzieningen te worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater;
    • 3. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
    • 4. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
    • 5. aangetoond wordt dat de plaatsing vanuit het oogpunt van (brand)veiligheid aanvaardbaar is;
    • 6. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig worden beperkt;
    • 7. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie.
  • h. artikel 5.2 onder a, b en c van de planregels en het bouwen binnen de minimale afstand van gebouwen tot Verkeer - Wegverkeer toestaan, onder de voorwaarden dat:
    • 1. de ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de nieuwe bebouwing wordt ingepast;
    • 2. met het oog op de hemelwaterproblematiek dienen voorzieningen te worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater;
    • 3. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
    • 4. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
    • 5. aangetoond wordt dat de plaatsing vanuit het oogpunt van (brand)veiligheid en verkeersveiligheid aanvaardbaar is.
  • i. artikel 5.2 onder b en een platte afdekking toestaan onder de voorwaarde dat:
    • 1. sprake is van een goede ruimtelijke inpassing zoals bedoeld is in het BeeldKwaliteitPlan buitengebied Venray en het Ruimtelijk KwaliteitsKader;
    • 2. het uitsluitend gaat om de afdekking van gebouwruimten die zijn gelegen op de begane grond.

5.3.2 Aanvraagvereisten

Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 zijn tevens de aanvraagvereisten als genoemd in artikel 9 van toepassing.

5.4 Specifieke functieregels
5.4.1 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing deellocatie Kleindorp 31-33
  • a. Het in gebruik (laten) nemen van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen op de deellocatie Kleindorp 31-33 is pas toegestaan als invulling is gegeven aan de landschappelijke inpassing van de gronden, zoals vastgelegd bijlage 1 bij deze regels;
  • b. De landschappelijke inpassing wordt vervolgens duurzaam in stand gehouden;
  • c. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, met dien verstande dat op een andere wijze invulling wordt gegeven aan de landschappelijke inpassing.

5.4.2 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing deellocatie Den Tiel 6
  • a. Het in gebruik (laten) nemen van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning op de deellocatie Den Tiel 6 is pas toegestaan als invulling is gegeven aan de landschappelijke inpassing van de gronden, zoals vastgelegd in bijlage 2 bij deze regels;
  • b. De landschappelijke inpassing wordt vervolgens duurzaam in stand gehouden;
  • c. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, met dien verstande dat op een andere wijze invulling wordt gegeven aan de landschappelijke inpassing.

5.4.3 Voorwaardelijke verplichting - sloop

Met de bouw van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen op de deellocaties Kleindorp 31-33 en Den Tiel 6 mag pas worden begonnen nadat de met rood én blauw gearceerde gebouwen op de slooptekeningen uit bijlagen 3 en 4 bij deze regels geheel zijn gesloopt.

5.4.4 Voorwaardelijke verplichting – bodem

Het in gebruik nemen van de gronden met de functie 'Wonen' is pas toegestaan als:

  • a. de met asbest verontreinigde grond (ter plaatse van de proefgaten A7, A20 en A21) op de deellocatie Kleindorp 31-33, zoals vermeld in het verkennend bodemonderzoek van HMB d.d. 1 augustus 2025 (kenmerk 25250801A) afdoende is gesaneerd;
  • b. de met asbest verontreinigde druppelzone (ter plaatse van de proefgaten B1, B2 en B3) op de deellocatie Den Tiel 6, zoals aangegeven in het verkennend bodemonderzoek van HMB d.d. 1 augustus 2025 (kenmerk 25250901A) afdoende is gesaneerd;
  • c. ter plaatse van de met rood gemarkeerde gebieden, zoals aangegeven in de tekening in bijlage 5 bij deze regels, bodemonderzoek conform NEN 5740 is uitgevoerd waaruit blijkt dat de grond geschikt is voor de beoogde functie;

Met dien verstande dat:

  • d. indien nadere maatregelen noodzakelijk zijn, deze maatregelen voorafgaand aan de ingebruikname van de betreffende gronden dienen te zijn uitgevoerd;
  • e. indien sanering noodzakelijk blijkt, gesaneerd wordt overeenkomstig het door het bevoegde gezag goedgekeurde saneringsplan, en de uitgevoerde sanering door het bevoegde gezag is goedgekeurd.
5.5 Functieregels strijdig gebruik

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • b. elke vorm van detailhandel;
  • c. het gebruik ten behoeve van horecadoeleinden;
  • d. het gebruik of het laten gebruiken van gronden en/of gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie;
  • e. aan-huis-gebonden-bedrijf;
  • f. het splitsen van woningen;
  • g. het gebruik van de woning voor huisvesting van tijdelijke werknemers;
  • h. het gebruik van gebouwen ten behoeve van opslag;
  • i. kamerverhuur.
5.6 Specifieke beoordelingsregels - gebruik
5.6.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in:

  • a. artikel 5 van de planregels en toestaan dat de gronden bij een burgerwoning worden gebruikt als kleinschalig kampeerterrein voor recreatief gebruik, onder de voorwaarden dat:
    • 1. het maximaal 25 kampeerplaatsen betreft;
    • 2. kampeermiddelen maximaal 50 m achter de voorgevelrooilijn geplaatst worden;
    • 3. ten behoeve van het kampeerterrein geen extra bebouwing en/of verharding ten behoeve van het kleinschalig kamperen wordt opgericht;
    • 4. de cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en/of abiotische waarden behouden blijven;
    • 5. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
    • 6. de ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de voorziening wordt ingepast;
    • 7. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
    • 8. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
  • b. artikel 5 van de planregels en een grotere omvang van aan-huis-gebonden-beroep respectievelijk een aan-huis-gebonden-bedrijf, anders dan een verblijfsrecreatieve voorziening, toestaan onder de volgende voorwaarden:
    • 1. de omvang van de activiteit bedraagt maximaal 70 m2;
    • 2. de primaire woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate wordt gehandhaafd;
    • 3. detailhandel vindt slechts plaats voor zover deze beperkt blijft tot verkoop in direct verband met het aan-huis-gebonden-beroep en/ of het aan-huis-gebonden-bedrijf;
    • 4. de activiteit geen zodanige verkeersaantrekkende werking heeft dat als gevolg daarvan extra verkeersmaatregelen - waaronder parkeervoorzieningen - noodzakelijk zijn;
    • 5. de activiteit mag uitsluitend in het hoofdgebouw en/ of aanbouw plaatsvinden.

5.6.2 Aanvraagvereisten

Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.6 zijn tevens de aanvraagvereisten als genoemd in artikel 9 van toepassing.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene aanduidingsregels

7.1 Spuitvrije zone
7.1.1 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet toegestaan. Onder voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven.

7.1.2 Afwijken

Door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.1.1 voor het toestaan van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen, onder de voorwaarde dat het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 8 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 9 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit plan (Bruidschat omgevingsplan, tijdelijk deel van het omgevingsplan), zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.