direct naar inhoud van Onderbouwing
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.TAM25018-on01

Onderbouwing

COLOFON    
Gegevens over het plan:    
Plannaam:   TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Timmermannsweg 54, Ysselsteyn  
Identificatienummer:   NL.IMRO.0984.TAM25018-on01  
Status:   Ontwerp  
Datum:   23 oktober 2025  
Projectnummer Buro SRO:   36.90.30  
   
Gegevens projectbetrokkenen:  
Opdrachtgever:   Michels Advies b.v.  
   
Gegevens Buro SRO:    
Projectleider Buro SRO:   Dhr. T. Vette  
Bezoekadres vestiging Arnhem:   Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem  
Telefoon:   026 – 35 23 125  
E-mail:   arnhem@buro-sro.nl  
Internet:   www.buro-sro.nl  
  afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0001.png"  

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Timmermannsweg 54 in Ysselsteyn ligt een varkenshouderij. Initiatiefnemer heeft het plan om dit bedrijf te beëindigen via de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus regeling). In het kader van die regeling worden alle varkensstallen gesloopt. Initiatiefnemer is voornemens om een gedeelte van het terrein en de bedrijfsgebouwen (bestaande vrijstaande berging/opslag en aangebouwde berging/opslag) te gebruiken voor een kleinschalig bedrijf. Ten behoeve van het kleinschalige bedrijf wil initiatiefnemer nog een bedrijfsruimte van maximaal 150m2 bijbouwen. De op de te slopen stallen aanwezige zonnepanelen worden in een grondopstelling op het terrein geplaatst. In de huidige situatie wordt met deze zonnepanelen per saldo evenveel opgewekt als door de varkenshouderij werd verbruikt. Omdat in de nieuwe situatie met het kleinschalige bedrijf aanzienlijk minder stroom wordt verbruikt dan met de varkenshouderij wordt het overschot aan stroom (via een batterijsysteem om onbalans in vraag en aanbod te voorkomen) terug geleverd aan het net. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Venray maar wel wenselijk is, wordt middels een TAM-omgevingsplan medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In voorliggende onderbouwing wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Timmermannsweg 54 te Ysselsteyn en maakt onderdeel uit van het buitengebied van de gemeente Venray en omvat de kadastrale percelen sectie M nummers 1281, 1282 en 290 gedeeltelijk. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0002.png" Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk getoetst in het kader van een veilige en gezonde leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 de omgevingskwaliteit aan bod komt. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 8 behandelt de aspecten participatie en kostenverhaal.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Aan de Timmermannsweg 54 in Ysselsteyn ligt een varkenshouderij. Het is één van de vele agrarische bedrijven die aan deze weg gelegen zijn. De Timmermannsweg is de zuidelijke ontsluitingsweg van Ysselsteyn, een dorp ten noorden van de projectlocatie. De bebouwing aan de Timmermannsweg staat veelal aan de westzijde van deze weg, volgens een vergelijkbare erfindeling. Bedrijfswoningen staan aan de weg georiënteerd en worden opgevolgd door bedrijfsgebouwen, veelal veestallen. Achter de bedrijfspercelen ligt landbouwgrond. De Timmermannsweg wordt her en der begeleid door jonge laanbeplanting. Op ca 600 m ten zuiden van het plangebied ligt een bosgebied met daarbinnen een Duitse oorlogsbegraafplaats en een voormalig militair mobilisatiecomplex (MOB-complex).

De bedrijfslocatie binnen het plangebied is intensief bebouwd. De bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning en een vrijstaande berging/opslag gericht op de Timmermannsweg. Aan de bedrijfswoning bevindt zich een aangebouwde berging/opslag. Daarachter staan meerdere varkensstallen met een gezamenlijk oppervlak van ca 7.000 m². Rondom de bebouwing ligt terreinverharding.

De daken van enkele bedrijfsgebouwen zijn bedekt met zonnepanelen. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0003.png"

Aanzicht op de bedrijfswoning en de daarachtergelegen varkensstallen (bron: Google streetview)

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0004.png"

Luchtfoto van het projectgebied

2.2 Toekomstige situatie

Het plan is om de varkenshouderij binnen het plangebied te beëindigen via de Lbv-plus regeling. De beëindiging gaat gepaard met het intrekken van de geldende milieu- en natuurtoestemming en het wegbestemmen van de veehouderij. In plaats van de varkenshouderij heeft initiatiefnemer het plan om een kleinschalig bedrijf op te richten. Het bedrijf gaat zich toeleggen op de reparatie en het opknappen van deuren en kozijnen. Het overgrote deel van het werk zal daarbij op locatie bij klanten worden uitgevoerd. Het kleinschalige bedrijf wordt gevestigd binnen de bestaande twee bedrijfsgebouwen (opslagloods en aangebouwde berging) aan de voorzijde van het erf. Een deel van de bedrijfsgebouwen (tussenbouwen, overdekte zeugenuitloop, luchtwasserruimten) komt niet in aanmerking voor een vergoeding in het kader van de Lbv-plus regeling, en zou in principe kunnen blijven staan. Vanuit het oogpunt van stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit is het laten staan echter zeer ongewenst. Deze bedrijfsgebouwen wil men, ondanks de kapitaalsvernietiging en het gegeven dat ze legaal aanwezig zijn, daarom slopen en op basis van de bouw-/sloopregeling zoals die is opgenomen in het moederplan 'Buitengebied Venray 2010, herziening regels' inzetten voor een nieuw te realiseren derde bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 150m2, een goothoogte van 3,5m en een nokhoogte van 6,5m.

Volgens die afwijkingsregel 5.4 lid d sub 5 bedraagt de uitbreiding van bedrijven met de aanduiding 'Specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijven' niet meer dan de helft van het totale gesloopte volume.

De totale inhoud van de te slopen bouwdelen die niet onder de Lbv-plus regeling vallen bedraagt 1507,37m³. De inhoud van het nieuwe bedrijfsgebouw bedraagt 750m³. Daarmee wordt aan de sloop-herbouwregeling voldaan.

Binnen het aangrenzende deel van het bebouwingserf van het kleinschalige bedrijf , op de plek van de te slopen varkensstallen, zijn zonnepanelen in een grondopstelling voorzien. Het gaat om panelen die nu nog op daken van bestaande stallen liggen. De panelen zullen niet direct maar op enige afstand boven het maaiveld komen te rusten, om groeimogelijkheden van groen onder de panelen te behouden. De resterende delen van het bestaande bebouwingserf (westkant) krijgen een agrarische functie (landbouwgrond). Navolgende afbeelding toont een totaaloverzicht van de toekomstige inrichting en gebruiksmogelijkheden van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0005.png"

Bouw- en gebruiksmogelijkheden van de toekomstige situatie (bron: Michels Advies)

Het toekomstige erf van bestaande en nieuwe gebouwen en de zonnepanelen zullen landschappelijk worden ingepast. Samen met de sanering van de varkensstallen zorgt het plan voor een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst. De landschappelijke inpassing bestaat uit behoud van bestaande beplanting op het voorerf en het toevoegen van nieuwe landschapselementen. Vooral op het voorerf is behoudenswaardige beplanting aanwezig, waaronder beukenhagen, een notenboom en twee platanen. Daar zullen enkele leibomen bij aangeplant worden. Verder bestaat de nieuwe landschappelijke inpassing voornamelijk uit het toevoegen van landschapselementen rondom het grondgebonden zonnepark. Het zonnepark krijgt, mede ter afronding van het achtererf, een omzoming van gemengde hagen en struweel. De grond onder en direct naast het veld wordt ingericht en beheerd als kruidenrijk grasland. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de beoogde inrichting van het erf. Een volledig overzicht van de bestaande en nieuwe landschapselementen is uitgewerkt in het landschappelijk inpassingsplan uit bijlage 1 van de regels. De inrichting en het beheer van de landschappelijke inpassingsmaatregelen zijn als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van voorliggend plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0006.png"

Uitsnede van de landschappelijke inrichtingstekening (bron: Landschappelijke inpassing herinrichting 'Timmermannsweg 54', Paumen tuin- en landschapsarchitect.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties

Op 12 juni 2023 zijn de definitieve regelingen 'Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv)' en 'Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus)' gepubliceerd. Beide regelingen zijn een subsidieregeling voor veehouders die willen stoppen met hun bedrijf of een locatie van hun bedrijf. Beide regelingen hebben als doel om de stikstof-uitstoot door de veehouderijen op Natura 2000-gebieden structureel te verlagen.

Het belangrijkste verschil tussen de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de Lbv-plus is de doelgroep en de vergoeding. De Lbv-plus is specifiek voor piekbelasters, die met de hogere vergoeding een stimulans krijgen om te stoppen, inclusief vergoeding voor sloopkosten. De Lbv is een bredere regeling voor het beëindigen van veehouderijen, maar biedt een lagere vergoeding en geen vergoeding voor sloopkosten.

3.1.4 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd is dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Met onderhavig initiatief wordt gebruikgemaakt van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus regeling).

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. In de omgevingsvisie Limburg is de lange termijn visie van de provincie Limburg beschreven. In de visie staat beschreven hoe de provincie richting wil geven aan toekomstbestendige ontwikkeling en hoe daarbij steeds de balans wordt gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De provincie geeft met deze visie een doorkijk voor de periode 2021 tot 2030 - 2050.

De omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is in een interactief proces met overheden, semi - overheden, belangenvertegenwoordigers, andere partnerorganisaties en inwoners opgesteld. De visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes. Op andere onderdelen zijn nieuwe keuzes gemaakt.

In de omgevingsvisie staan drie hoofdopgaven centraal:

  • Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;
    • 1. in stedelijk c.q. bebouwd gebied
    • 2. in landelijk gebied
  • Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouw transitie;
  • Klimaatadaptatie en energie transitie.

Deze opgaven spelen Limburg-breed, maar de accenten verschillen per gebied en per sector. Per sector is in de omgevingsvisie aangegeven wat de opgave is voor de sector, welke ambitie de provincie heeft met deze sector en welke keuzes worden gemaakt per sector. Ook voor de sector 'land- en tuinbouw' is op deze manier beschreven welke richting de provincie de komende jaren op wil.

Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI)

De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) vormt het integrale beleidskader voor de ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkeling van de provincie. In de POVI zijn de Limburgse principes opgenomen, die richting geven aan zorgvuldig ruimtegebruik, versterking van ruimtelijke kwaliteit en een balans tussen economische ontwikkeling, landbouw, natuur, water, energie en leefomgeving. De visie bevat gebiedsgerichte keuzes, zoals de indeling in primair landbouwgebied, verwevingsgebieden en groenblauwe landbouwzones, en geeft instructieregels voor thema’s als wonen, werken, energie en vrijetijdseconomie. Daarmee biedt de POVI het toetsingskader voor gemeentelijke plannen en initiatieven en borgt zij dat ontwikkelingen bijdragen aan een duurzame en toekomstbestendige inrichting van Limburg.

Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2026

Van 26 mei tot en met 7 juli 2025 lag het Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2026 ter inzage. Het document vormt de actualisatie van de POVI 2021, aangepast aan de eisen en structuur van de Omgevingswet en geïntegreerd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Waar de POVI vooral beleidsmatig was, koppelt de het nieuwe beleid de doelen direct aan juridisch bindende regels in de omgevingsverordening.

Planspecifiek

Het beëindigen van de intensieve veehouderij én het hergebruiken van bestaande bebouwing voor een kleinschalig bedrijf + zonnepark past binnen de Limburgse principes van maatwerk, benutten van bestaande functies/erfgebieden, en het versterken van omgevingskwaliteit. Daarnaast liggen het plan en de ambities op het snijvlak van de thema's: economie, energie, land- en tuinbouw en landschap, wat in de Omgevingsvisie nadrukkelijk als integrale opgave wordt genoemd.

Primair landbouwgebied

Op grond van de POVI is het plangebied gelevengelegen in 'Primair Landbouwgebied'. Binnen het Primair Landbouwgebied zijn nieuwe niet-agrarische functies in beginsel uitgesloten, maar maatwerk is mogelijk indien sprake is van kwaliteitsverbetering en geen belemmering voor omliggende landbouw. Het kleinschalige ambachtelijke bedrijf wordt volledig binnen een bestaand gebouwbouwvlak gevestigd, kent een beperkte ruimtelijke en milieudruk en gaat gepaard met een zorgvuldig landschappelijk ingepast erf met zonnepanelen op de plaats van de gesloopte stallen. Daarmee wordt aangesloten bij de provinciale uitgangspunten voor zorgvuldig ruimtegebruik, kwaliteitsverbetering en het niet belemmeren van de landbouwfunctie in het gebied.

Het initiatief is passend binnen de Omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg

De Omgevingsverordening Limburg 2021 isis (op 3 februari 2025) in werking getreden bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt daarmee de Omgevingsverordening Limburg 2014. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

In de Omgevingsverordening Limburg is het plangebied aangewezen als 'buitengebied' en 'overstromingskansgebied'.'overstromingskansgebied C'. Voor deze gebieden zijn ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen specifieke regels opgenomen. Wel zijn er in de verordening regels opgenomen met betrekking tot energie. Daaraan wordt navolgend getoetst.

Energie

De zonnepanelen worden niet op open landbouwgrond geplaatst, maar op het bestaande bouwvlak, op de plek van gesloopte stallen. Daarmee wordt aangesloten bij artikel 13.3, lid 2 sub e, waarin deze situatie expliciet als uitzondering wordt toegestaan. Het aantal vierkante meters zonnepanelen blijft daarbij beperkt tot de oppervlakte die eerder op de daken van de te slopen stallen aanwezig was. Daarnaast wordt het zonnepark zorgvuldig landschappelijk ingepast, waardoor de omgevingskwaliteit en biodiversiteit worden versterkt. Ook is het zonnepark omkeerbaar, zodat het na eventuele beëindiging eenvoudig kan worden verwijderd. Daarmee past het initiatief binnen de provinciale uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering.

Het initiatief is passend binnen het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 'Venray loopt voorop'

Op 27 juni 2019 is de Toekomstvisie Venray 2030 'Venray loopt voorop' vastgesteld. In deze visie heeft de gemeente Venray haar ambities opgesteld voor de ontwikkeling van de gemeente tot 2030. Deze visie vervangt de Strategische visie 2020 en de nota 'Venray, stad in de Peel (2025)'. De toekomstvisie geeft de gemeente een koers voor het omgaan met nieuwe trends en ontwikkelingen in de gemeente, zowel binnen de gemeenschap van Venray als in de regio. Belangrijke thema's uit de vorige strategische visie worden doorgezet in deze visie. 'Venray loopt voorop' heeft aandacht voor burgerparticipatie, de rol van de overheid, en regionale samenwerking, met name op het gebied van onderwijs, bedrijfsleven en in de naaste omgeving van inwoners. Hiermee speelt de toekomstvisie in op de nieuwe Omgevingswet. Daarnaast is er veel aandacht voor de kwalitatieve ontwikkeling van onder meer de leefomgeving. De uitdaging daarbij is om de ruimtelijke kwaliteit zowel in de stad, op het platteland als in de natuur op een hoog niveau te houden.

De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de volgende vijf ambities geformuleerd.

In het Venray van 2030:

  • zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden;
  • woon je groen en sociaal;
  • zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen;
  • stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing;
  • is iedereen mobiel.

Planspecifiek

In de Toekomstvisie Venray 2030 geeft de gemeente Venray aan dat het voor ontwikkelingen in het landelijk gebied de voorkeur geeft aan het hergebruiken van bestaande bebouwing in plaats van nieuwe bebouwing op te richten. Onderhavig initiatief komt hieraan tegemoet door alle toekomstige bedrijfsactiviteiten uit te voeren binnen bestaande bedrijfsgebouwen. Er wordt wel een nieuwe bedrijfsruimte toegevoegd, maar die komt in de plaats van een aantal te slopen verspreid liggende gebouwen die niet onder de Lbv-plus regeling vallen, zie paragraaf 2.2. Met het initiatief wordt ingespeeld op een actuele behoefte van de initiatiefnemer, waarmee economische kansen in de regio benut worden. Dit sluit aan bij de door de gemeente beschreven ambities.

Het initiatief past binnen de Toekomstvisie Venray 2030 'Venray loopt voorop'.

3.3.2 Omgevingsvisie Venray

Op 2 november 2021 heeft de gemeente Venray de 'Omgevingsvisie Venray' vastgesteld. In de Omgevingsvisie gaat de gemeente in op de grote uitdagingen van de aankomende tijd en geeft de gemeente aan waar het naar toe wil in de toekomst. De Omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: Toekomstvisie 2030 'Venray loopt voorop'. De Omgevingsvisie is tot stand gekomen in samenwerking met inwoners, ondernemers en verenigingen uit de gemeente Venray. De volgende vijf ambities zijn geformuleerd:

  • 1. Groen wonen voor iedereen.
  • 2. Een gezond Venray heeft de toekomst.
  • 3. Venray bloeit, bruist en boeit.
  • 4. Natuurlijk Venray!
  • 5. Ambities in regionaal perspectief.

Verder geeft de gemeente aan dat het de belangrijkste waarden (Erfgoed, Landschap, Natuur en Groen, Water en bodem en Stedenbouwkundig kader) wil beschermen en versterken. Daarbij wordt er rekening gehouden met klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen.

Planspecifiek

Als gevolg van de ontwikkeling wordt een bestaande bedrijfslocatie hergebruikt ten behoeve van een nieuw bedrijf. Door de sloop van stallen is er sprake van een afname aan bebouwing in het buitengebied. Tevens verdwijnen de mogelijkheden om een intensieve veehouderij ter plaatse uit te oefenen. Daarmee is sprake van een duurzame ontwikkeling in het buitengebied.

Het initiatief is passend binnen de Omgevingsvisie.

3.3.3 Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011 - Borging Kwaliteitsmenu

Op 20 december 2011 heeft de gemeente Venray de 'Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011' vastgesteld. Uitgangspunt van deze visie is dat ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden aangegrepen om de ruimtelijke kwaliteit van een gebied te verbeteren. Het doel daarbij is om bestaande (groene) kwaliteiten te behouden en waar mogelijk te verbeteren, zowel in het buitengebied als in het stedelijk gebied.

Limburgs Kwaliteitsmenu

Onderdeel van onderhavige structuurvisie is ook de implementatie van het Limburgse Kwaliteitsmenu. Het Limburgs kwaliteitsmenu (verder te noemen LKM) is door Gedeputeerde Staten op 12 januari 2010 vastgesteld. Vanaf 1 januari 2012 zijn Limburgse gemeenten zelf verantwoordelijk voor de advisering over plannen binnen de werkingssfeer van het LKM. Grondprincipe van dit kwaliteitsmenu is, dat bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. Deze bijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit te versterken.

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief is er sprake van het toekennen van een nieuwe functie aan een bestaande bedrijfslocatie. Omdat als gevolg van de ontwikkeling de hoeveelheid bedrijfsbebouwing afneemt en er geen nieuwe bedrijfslocatie wordt ontwikkeld, is er reeds sprake van een kwaliteitsverbetering. Het verrichten van aanvullende kwaliteitsverbeteringen is niet nodig.

Het initiatief past binnen de 'Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011'.

3.3.4 Toetssteen Openbare Ruimte

De Toetssteen Openbare Ruimte, heeft betrekking op de (toekomstige) openbare ruimte, geen gebouw zijnde, welke beheerd wordt door de beheerders van de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Venray. De Toetssteen Openbare Ruimte heeft als doel het waarborgen van de kwaliteit van de openbare ruimte van de gemeente Venray. Het begrip kwaliteit kan worden opgedeeld in:

  • 1. Technisch-functionele kwaliteit;
  • 2. Sociaal-maatschappelijke kwaliteit.

De Toetssteen beschrijft de uitgangspunten, randvoorwaarden, ontwerpeisen etc. waaraan bouwplannen in de openbare ruimte minimaal dienen te voldoen. Verder verschaft de Toetssteen inzicht in de toetsingsprocedure van de gemeente.

Het meenemen van de uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerpeisen van al de betrokken vakdisciplines in een vroeg stadium zal resulteren in een meer integraal ontwerp. Met deze werkwijze kan op de lange termijn integraal ontworpen openbare ruimte kostenefficiënter worden beheerd en kan deze door keuzes als flexibiliteit en aanpasbaarheid blijven voorzien in de behoeften van de maatschappij. Ook zal het beoordelingstraject van een bouwplan efficiënter verlopen.

Het waarborgen dat wordt voldaan aan de verschillende kwaliteitseisen van de gemeente bestaat uit twee stappen, te weten:

1. Aanleveren Toetssteen.

2. Controle op toepassing Toetssteen in de plannen.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet alleen in ontwikkelingen binnen privaat terrein, waardoor de Toetssteen Openbare Ruimte met betrekking tot dit plan alleen voor het onderdeel 'Verkeer' relevant is. In paragraaf 5.4 is gemotiveerd dat binnen eigen terrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn in lijn met de parkeernormen uit de 'Beleidsnota Parkeernormen gemeente Venray'. Daarmee is aangetoond dat parkeren als gevolg van het toekomstig gebruik van het plangebied binnen eigen terrein plaats kan vinden en de parkeerdruk op de openbare ruimte door dit initiatief niet toeneemt. Het plangebied blijft op dezelfde wijze ontsloten door de Timmermannsweg als in de huidige situatie.

Het initiatief past binnen de 'Toetssteen Openbare Ruimte'.

3.3.5 Visie Veehouderij Venray 2018

Op 30 januari 2018 heeft de gemeenteraad van Venray de 'Visie veehouderij Venray 2018' vastgesteld. In de visie is het beleid van de gemeente Venray uiteengezet dat moet bijdragen aan een balans tussen de ontwikkelingsruimte voor de veehouderijen de bescherming van een goed woon- en leefklimaat voor de inwoners. In delen van het buitengebied en in enkele dorpskernen wordt door inwoners van de gemeente hinder ervaren door veehouderijen uit de omgeving. De hinder heeft voornamelijk betrekking op geuroverlast maar ook transport, vliegen en geluid dragen bij aan de hinder. In het gemeentelijke beleidsstuk ''Veehouderij en gezondheid omwonenden' uit 2015 is er ook extra aandacht voor de gezondheid van inwoners.

De gemeente wil dat de emissies (geur, ammoniak, fijn stof en endotoxinen) voldoende snel afnemen en het aantal overlastlocaties snel daalt. Dat betekent dat nieuwe overlast moet worden voorkomen en dat ontwikkeling gepaard moet gaan met een verbetering van de omgevingskwaliteit.

Planspecifiek

Voorliggend plan zet een bestaande veehouderijlocatie om naar een reguliere bedrijfslocatie. In de toekomstige situatie is het bedrijfsmatig houden van dieren niet meer toegestaan. Van nadelige milieuhinder, waaronder geurhinder, op de omgeving is dan ook geen sprake meer. Daarmee komt het plan tegemoet aan de doelstellingen uit de Visie Veehouderij Venray 2018.

Het initiatief past binnen de 'Visie Veehouderij Venray 2018'.

3.3.6 Ruimtelijk KwaliteitsKader

In november 2021 is de Omgevingsvisie Venray vastgesteld. In de Omgevingsvisie staat bij de uitvoering en monitoring opgenomen dat een Ruimtelijk KwaliteitsKader voor het hele gemeentelijke grondgebied opgesteld wordt. In de Omgevingsvisie wordt ook een beschrijving van de waarden gegeven. Het betreft de waarden:

  • Erfgoed,
  • Landschap,
  • Natuur en groen,
  • Water en bodem en
  • Stedenbouwkundig kader (alleen voor de kern Venray)

Deze waarden vormen gezamenlijk de basis voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. Door de ruimtelijke kwaliteit van Venray te beschermen en te versterken wordt aangesloten bij het motto van de Omgevingswet 'Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit'. Het opgestelde Ruimtelijk KwaliteitsKader geldt zowel voor het landelijk als voor het stedelijk gebied. Hierin wordt de ruimtelijke kwaliteit vastgelegd in de vorm van kenmerken en streefbeelden. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt getoetst aan het Ruimtelijk KwaliteitsKader waarin wordt vastgelegd welke kwaliteiten belangrijk zijn om te behouden en welke ontwikkelingen waar gewenst zijn. Het Ruimtelijk KwaliteitsKader vormt ook een inspiratiedocument voor initiatiefnemers en bevat aanbevelingen die helpen om een initiatief zo goed mogelijk in te passen rekening houdend met de omringende waarden.

Planspecifiek

De planlocatie ligt binnen het deelgebied 'Jonge ontginningsgebieden'. Kenmerken van dit gebied zijn lintbeplanting, veel grasland, planmatige verkaveling met sloten als grenzen, rechtlijnige bouwkavels, bedrijfsgebouwen bestaande uit grote bouwmassa's die compact op de kavel staan en agrarische bedrijvigheid. Het gebied herbergt waarden als grootschalige openheid, rationele verkavelingsstructuur, laanbeplanting, bossen als achtergrond/grens van het landschap en genormaliseerde beken en waterlopen.

De locatie wordt ingepast conform de geldende landschappelijke kwaliteiten. De te treffen ingrepen zijn opgenomen in paragraaf 2.2 en in het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 van de regels. Hiermee is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit beoogd. De ontwikkelingen vinden plaats op gronden die reeds in gebruik zijn ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Omzetting naar een kleinschalig bedrijf (met een maximaal bebouwd oppervlak van 970m²) heeft een positief effect op de aanwezige landschapskwaliteiten.

Het plan voldoet hiermee aan de uitgangspunten van het Ruimtelijk KwaliteitsKader.

3.3.7 Energiestrategie 2030 Gemeente Venray

De Energiestrategie 2030 van Venray bevat het vernieuwde kader (KODE) voor duurzame energieopwekking, met specifieke aandacht voor landschappelijke en ruimtelijke inpassing. Zonneprojecten moeten getoetst worden aan vijf pijlers:

  • 1. Ruimte – Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij primair wordt ingezet op dak- en gevelopwek en vervolgens benutting van restterreinen en bouwvlakken.
  • 2. Integraal – Koppeling met andere opgaven zoals agrarische transitie, natuurontwikkeling of landschap, en het streven naar meervoudig ruimtegebruik.
  • 3. Omgeving – Het betrekken van de directe omgeving via een robuuste omgevingsdialoog en participatie-plan voorafgaand aan vergunningverlening.
  • 4. Locatie – Esthetische inpassing, verbetering van ruimtelijke kwaliteit en ecologie; het landschap is leidend voor ontwerp en vormgeving.
  • 5. Eigenaarschap – Het lokaal en regionaal laten meedelen in de lusten en lasten van duurzame energieopwekking, met minimaal 10 % participatie door bewoners/bedrijven als uitgangspunt.

Daarnaast hanteert de gemeente Venray een onderscheid in vijf sporen voor zonne-energieprojecten:

Spoor 1: Daken van panden — zonnepanelen op bedrijven, woningen, gemeentelijk vastgoed.

Spoor 2: Stroken langs infrastructuur, plassen, oude stortplaatsen e.d. — reststroken of terreinen die al benut zijn of infrastructuur gerelateerd zijn.

Spoor 3: Bouwvlakgerelateerde zonneparken — gebruikmakend van (voormalige) bouwvlakken in het buitengebied, met aanvullende voorwaarden (zoals maximum oppervlak).

Spoor 4: Oude ontginningen — gebieden met kleinschaliger structuur, waar zonneparken mogelijk zijn binnen vaste maximumschaal (bijv. maximaal 25 ha).

Spoor 5: Jonge ontginningen — grootschalige zonneparken in buitengebied tussen o.a. Vredepeel en Ysselsteyn, met gebiedsproces, ambitie van circa 100 ha en regierol van gemeente.

Planspecifiek

In het beleidsdocument zijn de volgende randvoorwaarden opgenomen voor Spoor 3 (Bouwvlakgerelateerde zonneparken):

  • het beleggen van in totaal maximaal 40 ha op (voormalige) bouwvlakken die verspreid over de gemeente zijn gelegen.
  • Voor agrarische bedrijven die volledig stoppen en waar het agrarisch bouwvlak is wegbestemd, gelden de volgende aanvullende voorwaarden: De oppervlakte van een zonnepark inclusief landschappelijke inpassing en alle bijbehorende voorzieningen is niet groter dan de grootte van het bouwvlak zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 of het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 herziening locaties, met een maximum van 6 ha.
  • Voor (bestaande) agrarische bedrijven die alleen stoppen met hun intensieve veehouderij en waar op de locatie een agrarisch bouwvlak blijft gelden de volgende aanvullende voorwaarden: zonnepanelen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd, mits eerst de daken voor zonnepanelen maximaal benut worden voor zover de constructie dit toelaat. Buiten het bouwvlak zijn geen mogelijkheden.
  • Voor stoppende of gestopte bedrijven: panelen mogen binnen het totale voormalige bouwvlak met een maximum (bruto)maat van 6 ha onder de voorwaarde dat de sloop van de leegstaande bebouwing is gerealiseerd.
  • Er wordt voldaan aan de pijlers ‘Locatie’ en ‘Omgeving’. Aan de pijlers ‘Integraal’ en ‘Eigenaarschap’ hoeft niet te worden voldaan omdat het om ontwikkelingen binnen de perceelsgrenzen gaat.

Het initiatief voorziet in een zonnepark binnen het bouwvlak van een te saneren veehouderij. De ontwikkeling blijft binnen de maximale oppervlakte en gaat gepaard met een ruimtelijke kwaliteitswinst door de landschappelijke inpassing. Hiermee is het initiatief passend binnen Spoor 3 (Bouwvlakgerelateerde zonneparken).

Ook sluit het plan aan bij de zonneladder, waarin het gebruik van erven en bestaande bouwvlakken prioriteit heeft boven open veldlocaties. De aanleg gaat gepaard met landschappelijke inpassing door behoud en toevoeging van groen, waarmee het zonnepark wordt ingepast in het erf en het omliggende landschap. Er is een omgevingsdialoog gevoerd, waarmee invulling is gegeven aan de eis van participatie. Het zonnepark kent een beperkte omvang en draagt niet bij aan extra verharding of belemmering van de waterhuishouding. Hiermee past het initiatief binnen de kaders van de gemeentelijke energiestrategie.

3.3.8 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988)), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast geldt de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Verder zijn de volgende gebiedsaanduidingen van kracht: 'Gebiedsaanduiding – luchtvaartverkeerzone', 'Gebiedsaanduiding – agrarisch gemengd', 'Gebiedsaanduiding – reconstructiewetzone – verwevingsgebied' (ten westen van het plangebied) en 'Gebiedsaanduiding- reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied' (ten oosten van het plangebied).

Navolgende afbeelding bevat de uitsnede van de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0007.png"

Uitsnede verbeelding vigerende planologische situatie (bron: https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/)

Ter plaatse van het plangebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, die de wijziging van agrarisch naar bedrijf mogelijk maakt. Deze wijzigingsbevoegdheid is met de komst van de Omgevingswet komen te vervallen. Omdat de wijzigingsbevoegdheid nog steeds een goed inzicht geeft in de oorspronkelijke beleidsintenties en randvoorwaarden, is hieronder toch aan deze bevoegdheid getoetst.

3.7.14 Wijziging Agrarisch naar Bedrijf (voorheen 3.7.11)

Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduidingen 'agrarisch bedrijf', 'intensieve veehouderij' en 'glastuinbouwbedrijf' het plan wijzigen en de bestemming 'Agrarisch' wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' met de nadere aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven' of 'specifieke vorm van bedrijf – kleinschalige bedrijven' onder de voorwaarden dat:

  • a. ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
  • b. er sprake is van een landbouwverwant bedrijf of, indien gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'overig - agrarisch gemengd', een kleinschalig bedrijf;
  • c. hergebruik enkel mogelijk is, indien sprake is van een bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) voor een eigentijdse agrarische bedrijfsvoering;
  • d. de maximale bebouwingsoppervlakte bedraagt 1.000 m2 voor landbouwverwante bedrijven en 500 m2 voor kleinschalige bedrijven. De bestaande bebouwingsmassa mag niet worden uitgebreid;
  • e. voor de wijziging naar 'specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven' is de uitoefening van het bedrijf toegestaan met maximaal milieucategorie 3.1;
  • f. er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • g. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
  • h. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  • i. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  • j. de ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat bestaande en nieuwe bebouwing wordt ingepast;
  • k. de oppervlakte van het nieuwe bouwvlak bedraagt maximaal 1,5 hectare;
  • l. er is een positief advies verkregen van de adviescommissie;
  • m. aangetoond wordt dat niet in strijd wordt gehandeld met de doeleinden zoals die geformuleerd zijn ter plaatse van de aanduidingen 'Milieuzone - waterwingebied' en 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied';

ad.

  • 1. Alle agrarische activiteiten worden beëindigd via de Lbv-plus regeling;
  • 2. Het nieuwe bedrijf is kleinschalig van aard;
  • 3. De voormalige stallen zijn redelijkerwijs niet meer geschikt voor een eigentijdse agrarische bedrijfsvoering, waardoor hergebruik niet meer reëel is;
  • 4. Het bedrijf gebruikt de bestaande bebouwing en breidt niet uit;
  • 5. De bedrijfsactiviteiten vallen volgens de VNG richtlijn 'Bedrijven en Milieuzonering' onder milieucategorie 2 (de vergelijking is gemaakt met 'Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. <1000m2');
  • 6. De activiteiten vinden grotendeels op locatie bij klanten plaats, waardoor geen onevenredige verkeersaantrekkende werking ontstaat;
  • 7. Parkeren wordt volledig op eigen erf opgelost;
  • 8. De aanwezige waarden worden behouden en versterkt door middel van een landschappelijke inpassing;
  • 9. In hoofdstuk 4 is toegelicht dat sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  • 10. Er wordt een landschappelijk inpassingsplan uitgevoerd, waarmee de erfkwaliteit zichtbaar wordt verbeterd;
  • 11. De oppervlakte van het nieuwe bouwvlak blijft onder de grens van 1,5 hectare;
  • 12. Er is een positief advies verkregen van de adviescommissie;
  • 13. Het plan leidt niet tot strijdigheden met regels voor waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Met voorliggend initiatief wordt een 'Bedrijf' mogelijk gemaakt met de functieaanduiding 'Specifieke vorm van bedrijf – kleinschalig bedrijf'. Het initiatief is in strijd met regels voor gebruik en bouwen (activiteit gebruik en bouwen).

3.3.9 Venray Vergroent

De gemeente Venray heeft een belangrijke rol om problemen als klimaatverandering, luchtkwaliteit, hevige buien en afnemende biodiversiteit het hoofd te bieden. Venray Vergroent is een programma waarin de gemeente samen met inwoners op een slagvaardige, integrale en ambitieuze wijze werkt aan deze opgaven.

Venray Vergroent kent drie deelprojecten:

  • 1. Energietransitie;
  • 2. Klimaatadaptatie;
  • 3. Circulaire economie.

Energietransitie

De gemeente Venray wil energie gaan besparen door de totale energievraag drastisch te verminderen. Desondanks zal er ook in de toekomst energie nodig zijn. Deze energie zal duurzaam worden opgewekt. Particulieren kunnen dit doen door gebruik te maken van zonne-energie en nieuwe woningen niet meer aan te sluiten op het gasnetwerk maar anderszins te verwarmen. Bijvoorbeeld via warmtepompinstallaties.

Klimaatadaptatie

Er zijn vier gemeentelijke speerpunten rondom dit onderwerp: wateroverlast, hitte, droogte en biodiversiteit. Door overtollig hemelwater af te koppelen en op eigen terrein van particulieren te borgen wordt het riool ontlast. Huiseigenaren kunnen hun tuinen bewuster inrichten door stenen zoveel als mogelijk te verwijderen en extra groen aan te leggen. Groen biedt meer ruimte om hemelwater in de bodem te infiltreren en zorgt daarnaast voor een verkoelend effect tijdens warme dagen. Een variatie aan bomen en struiken (bloem-/besdragend) komt daarnaast ten goede aan het herstellen van de biodiversiteit.

Ook overstekken op de juiste plaats kunnen bijdragen bij aan minder zoninstraling in het gebouw bij hete zomers.

Natuurinclusief bouwen

Naast duurzaamheid en energie kan er aandacht worden besteed aan natuurinclusief bouwen. Hierbij kan gedacht worden aan ingebouwde nestkastjes of het realiseren van parkeergelegenheid met grasbeton tegels.

Op platte daken kan gebruik gemaakt worden van groen-/sedumdaken. Dit is naast wateropvang goed als isolerende maatregel bij extreme temperaturen. Ook in combinatie met zonnepanelen is dit een goede optie, hierdoor hebben zonnepanelen een hoger rendement.

Circulaire economie

De gemeente formuleert meerdere speerpunten rondom het onderwerp 'circulaire economie': bewustwording, inkopen, samenwerking, verdienmodellen en meten is weten. Er zijn daarnaast verschillende niveaus waarop bijgedragen kan worden aan de circulaire economie. Deze niveaus zijn inzichtelijk gemaakt in de 'Venrayse circulaire ladder'. Het hoogste niveau verdient de voorkeur. Daar worden de meeste grondstoffen bespaard en is dit daarmee de meest efficiënte interventie.

Er kan worden gekeken naar biobased bouwen en toepassing van circulaire (isolatie)materialen (zoals houtvezel, hennep etc. ). Het voordeel hiervan is dat deze materialen het leefklimaat bevorderen (natuurlijke materialen) en langdurig CO2 opslaan op deze wijze. Maar ook duurzame bouwmethoden kunnen gebruikt worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0008.png"

Venrayse circulaire ladder (bron: Uitvoeringsagenda Circulaire Economie Venray)

Planspecifiek

In deze paragraaf alsmede paragraaf 5.5 is uiteengezet op welke wijze het thema duurzaamheid is geïntegreerd in voorliggend plan.

Met de sloop van de stallen neemt het verhard oppervlak af en ontstaat er zo meer ruimte om overtollig regenwater te kunnen infiltreren in de bodem. Door het verdwijnen van de varkenshouderij neemt het energiegebruik aanzienlijk af. Daarnaast wordt duurzame energieopwekking geborgd door zonnepanelen op het dak van de vrijstaande berging/opslag en zonnepanelen in een grondopstelling, waarbij onder en rondom de panelen van de grondopstelling ruimte blijft voor kruidenrijk grasland en landschappelijke inpassing. Energieproductie en kwaliteitsverbetering van het erf gaan daarmee hand in hand. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt uitgevoerd volgens de eisen van duurzaamheid en energie (BENG/ENG).

De zonnepanelen die nu op de daken van de te slopen stallen liggen worden in een grondopstelling terug geplaatst. Die zonnepanelen waren ruim voldoende om het stroomverbruik van het varkensbedrijf te compenseren. Het stroomverbruik van het kleinschalige bedrijf bedraagt maar een fractie van het stroomverbruik van het varkensbedrijf. Het overschot aan stroom wordt daarom terug geleverd aan het net. Om onbalans te voorkomen (om op een gunstig moment stroom terug te kunnen leveren of af te kunnen nemen) wordt een batterijsysteem geplaatst.

Het nieuwe kleinschalige bedrijf wordt landschappelijk ingepast. De toename van bomen en struiken zorgt voor een verkoelend effect en draagt bij aan het herstel van de biodiversiteit. Bij de sloop van de stallen wordt een zodanige sloopmethode gehanteerd dat (isolatie)materialen zoveel mogelijk als herbruikbare bouwmaterialen beschikbaar komen en hergebruikt kunnen worden bij de bouw van de nieuwe bedrijfsruimte of verkocht kunnen worden voor hergebruik bij bouwplannen elders. Door dit hergebruik blijft de hoeveelheid restafval zoveel mogelijk beperkt.

Voorliggend initiatief sluit aan op 'Venray Vergroent'.

3.3.10 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Gemeentelijk rioleringsplan

In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2022-2025, vastgesteld op 14 december 2021, is het beleid voor het beheer van de gemeentelijke riolering voor de periode 2022 tot en met 2025 vastgelegd. Het plan wordt door de gemeente gebruikt om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Voor de indeling van het GRP is rekening gehouden met de nieuwe Omgevingswet (Ow).

Het veranderende klimaat en de verstedelijking brengen grote uitdagingen met zich mee. Regenbuien worden steeds extremer en komen vaker voor, met veel overlast en schade tot gevolg. Ook het vasthouden van het gewenste grondwaterpeil wordt moeilijker tijdens extreem lange droge of natte perioden. Omdat het aantal warme dagen toeneemt wordt hittestress ook een probleem, vooral in een gebouwde omgeving met weinig groen en veel verharding.

Het besef groeit dat wateroverlast niet langer is op te lossen door alleen maar het aanpassen van de riolering. Om extreme buien doelmatig te verwerken moet de gehele buitenruimte worden benut. Bijvoorbeeld via de aanleg van meer groene voorzieningen, bergingsbassins en oppervlaktewater. Maar ook via het vergroenen van daken en tuinen en het opwaarderen van bestaande sloten.

Hemelwater dient zo lokaal mogelijk te worden verwerkt en kan worden benut voor het aantrekkelijk maken van de leefomgeving. In het GRP geeft de gemeente aan dat inwoners hemelwater zoveel mogelijk op eigen perceel dienen te infiltreren. Bij nieuwe ruimtelijke particuliere ontwikkelingen is het streven om hemelwater bij voorkeur bovengronds te infiltreren in de bodem. De gemeente hanteert daarbij de volgende voorwaarden:

  • 1. de infiltratievoorziening dient minimaal een neerslaggebeurtenis van 60 mm te kunnen verwerken;
  • 2. de infiltratievoorziening dient een leeglooptijd te hebben van 24 uur of minder*;
  • 3. de aanwezigheid van een overloopvoorziening (indien mogelijk bovengronds) voor de afvoer van water bij hevige buien als de voorziening vol is, is zo ontworpen dat deze wateroverlast voorkomt.

* De norm van 60 mm geldt alleen als er geen verbinding is tussen de infiltratievoorziening en oppervlaktewater. Als de infiltratievoorziening loost op oppervlaktewater gelden de normen van het Waterschap. Deze stelt dat de infiltratievoorziening minimaal 100 mm groot moet zijn. Pas daarna mag een eventueel overschot worden geloosd op het oppervlaktewater. Het waterschap adviseert overigens om altijd, dus ook als er geen verbinding is tussen infiltratievoorziening en oppervlaktewater, 100 mm aan te houden.

Planspecifiek

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Limburg. Voor het waterschap Limburg is het niet mogelijk een digitale watertoets uit te voeren. Het waterschap zal daarom via het wettelijk vooroverleg op de hoogte worden gebracht van voorliggend initiatief.

Watergangen

De uiterst zuidelijke strook van het plangebied ligt binnen de beschermingszone van een watergang. Een beperkt deel van de bestaande (te slopen) gebouwen staat binnen deze beschermingszone. In de situatie na afronding van de sloop bevinden zich in de beschermingszone geen gebouwen en bouwwerken meer, ook het zonnepark en het nieuwe bedrijfsgebouw komen er buiten te liggen.

Er vinden ook geen andere werkzaamheden plaats binnen deze zone die nadelig kunnen doorwerken op de watergang. Het belang van de watergang wordt niet onevenredig aangetast door het initiatief.

Hemelwater/afvalwater

Het initiatief zorgt voor een aanzienlijke afname van verhard oppervlak. Door de sloop van de stallen en de sanering van aangrenzende terreinverhardingen neemt het verhard oppervlak af met circa 7000 m2. Het hemelwater dat neerslaat op de panelen van het nieuwe zonnepark vloeit af naar het maaiveld, waarna het water in de bodem wordt geïnfiltreerd. Het bergend vermogen in het plangebied neemt door het initiatief aanzienlijk toe.

Het hemelwater afkomstig van de daken en verhardingen wordt geloosd op de watergang aan de zuidkant van het perceel. Hiervoor is een vergunning verleend door Waterschap Limburg. Deze vergunning ziet toe op een bergingscapaciteit van 300m³ in de watergang. Dit is voor de nieuwe situatie ruim voldoende om de minimaal vereiste 100 mm/m² te kunnen bergen.

Er vind geen afvoer van hemelwater plaats naar het gemeentelijk riool. Het afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater afgevoerd via het bestaande rioolnetwerk (drukriool). Hiervoor is voldoende capaciteit beschikbaar.

Het perceel is aangesloten op drukriolering.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief maakt geen nieuwe milieugevoelige objecten mogelijk. De bestaande bedrijfswoning blijft op de huidige locatie behouden. De afstand tussen de woning en bedrijven uit de omgeving verandert daarom niet. Gesteld kan worden dat de kwaliteit van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning niet wijzigt. Aangezien de bedrijven uit de omgeving al rekening moeten houden met de bestaande bedrijfswoning, worden de bedrijven ook niet gehinderd in hun bedrijfsvoering als gevolg van voorliggend plan.

Het initiatief zorgt voor een aanzienlijke milieuwinst op de omgeving. Naast het verdwijnen van het geureffect verdwijnen ook transportbewegingen van vrachtverkeer die van en naar de bedrijfslocatie reden. Het toekomstige milieueffect van het kleinschalige bedrijf (timmer- en klusbedrijfje) is een bedrijf met een maximale milieucategorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 30 m voor geluid.(VNG richtlijn 'Bedrijven en Milieuzonering' – Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. <1000m2) Bovendien worden de werkzaamheden voornamelijk bij klanten op locatie uitgevoerd. Ten opzichte van bestaande bedrijfsactiviteiten neemt het milieueffect vanuit het plangebied op de omgeving aanzienlijk af.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Met voorliggend initiatief worden alle varkensstallen gesloopt, een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd en zonnepanelen in een grondopstelling geplaatst. Het nieuwe bedrijfsgebouw betreft geen bodemgevoelige functie, de werkzaamheden worden hoofdzakelijk op locatie bij klanten uitgevoerd, men is maximaal 2 uur aaneengesloten in de bedrijfsruimte(n) aanwezig. Gelet op het voorgaande is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet nodig. Wel is bijvoorbeeld voor het vergraven of toepassen van meer dan 25 m3 grond een milieuverklaring bodemkwaliteit (meestal bodemonderzoek) nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het projectgebiedplangebied is de receptor wegverkeer 191343 _388266. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2023 (µg/m3)   11,2 µg/m3   6,7 µg/m3   8,9 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten gelijkblijvende hoeveelheid verkeersbewegingen (zie paragraaf 5.4) ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Het plangebied ligt binnen een benoemd aandachtsgebied (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor fijnstof. Met de sanering van de varkenshouderij levert het initiatief een verbetering op van de algehele luchtkwaliteit.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3    8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3    14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3    20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m3   35,0 ouE/m3  

Tabel met standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

De gemeente Venray heeft in het Omgevingsplan onder andere het volgende opgenomen:

Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden

Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

  • 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.

Geurgevoelig object   Waarde  
Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij   2,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij   3,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij   8 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij   14,0 ouE/m3  

Tabel 22.3.10 Omgevingsplan: Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

  • 2. Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a. een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
  • b. een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
  • c. een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
    • 1. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;
    • 2. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en
    • 3. in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en
  • d. een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000   Afstand  
Gelegen binnen de bebouwde kom   100 m  
Gelegen buiten de bebouwde kom   50 m  

Tabel 22.3.11 Omgevingsplan: Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

  • 1. Onverminderd Artikel 22.98 tot en met Artikel 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.

Geurgevoelig object   Afstand  
Gelegen binnen de bebouwde kom   50 m  
Gelegen buiten de bebouwde kom   25 m  

Tabel 22.3.13 Omgevingsplan: Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden

  • 2. In afwijking van Artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Geurverordening gemeente Venray.

De gemeenteraad van de gemeente Venray en de gemeenteraad van de voormalige gemeente Meerlo-Wanssum hebben een Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Nadien heeft de gemeente Venray haar verordening nog aangepast in die zin dat voor een viertal locaties de geurnorm gewijzigd is.

In deze verordeningen (inclusief de wijziging van de gemeente Venray) wordt afgeweken van de wettelijke normen uit de Wgv. Beide geurverordeningen zijn inmiddels samengevoegd tot één verordening waarbij de uitgangspunten ongewijzigd zijn gebleven. De normen uit deze samengevoegde verordening zijn:

Gebied:   Maximaal toegestane geurbelasting (odourunits per m³ lucht)  
Zoekgebieden woningbouw   8,0 ouE/m³  
Vakantiepark de Witte Vennen, clustering
TBS/Pascalis/Dichterbij  
8,0 ouE/m³  
Bedrijfsterreinen   8,0 ouE/m³  
Plangebied Burgemeester Ponjéestraat in Wanssum   7,0 ouE/m³  
Voor de bestaande woongebieden in Wanssum   2,50 ouE/m³  
Voor de bestaande woongebieden van Venray,
Leunen, Smakt, Vredepeel, Ysselsteyn, Oostrum,
Merselo, Castenray, Oirlo, Veulen, Blitterswijck en
Geijsteren.  
3,0 ouE/m³  
Buitengebied   14,0 ouE/m³  
Timmermannsweg 13 Ysselsteyn, Ringweg 33a Ysselsteyn, Pater Tulpstraat 24 Ysselsteyn, Horsterweg 70/70a/70b Castenray   8,0 ouE/m³  

Tabel met normen voorgrondbelasting Verordening geurhinder en veehouderij

Op de 'Kaart behorende bij Aanpassing verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Venray september 2009' is per deelgebied ingetekend wat de normstelling is.

In de gebiedsvisie behorende bij de geurverordening is geen specifieke definitie of uitwerking opgenomen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wél is aangegeven dat de afwijkende normering uit de geurverordening niet mag leiden tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray.

In de ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray’ heeft de gemeente Venray vastgelegd wat wordt verstaan onder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij het opstellen van deze aanvulling op de gebiedsvisie en het vastleggen van de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (Infomil 2007) als basis gediend.

In onderstaande tabel is de maximale waarde van de voor- en achtergrondbelasting weergegeven waarbij volgens de gemeente Venray nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

  Maximale belasting (odourunits per m³ lucht)  
Gebied   Achtergrond   Voorgrond  
Bestaande woongebieden Venray, Oostrum, Smakt, Geijsteren, Blitterswijck en Wanssum   13,0 ouE/m³   6,5 ouE/m³  
Bestaande woongebieden Ysselsteyn, Veulen, Castenray, Oirlo, Leunen, Heide en Merselo   20,0 ouE/m³   6,5 ouE/m³  
Zoekgebied woningbouw Wanssum   13,0 ouE/m³   7,0 ouE/m³  
Overige zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen   20,0 ouE/m³   8,0 ouE/m³  
Vakantiepark de ‘Witte Vennen’ en de Clustering TBS/Pascalis/Dichterbij’   13,0 ouE/m³   7,0 ouE/m³  
Buitengebied   20,0 ouE/m³   14,0 ouE/m³  

Tabel met maximale waarde voor- en achtergrondbelasting volgens 'Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray'

Planspecifiek

Voorliggend plan zet een agrarische bedrijfslocatie om naar een reguliere, kleinschalige bedrijfslocatie. Het bedrijfsmatig houden van dieren is niet meer toegestaan in de toekomstige situatie. Als gevolg daarvan kunnen nadelige milieugevolgen op de omgeving voor de toekomst worden uitgesloten.

De bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied blijft op de huidige locatie behouden. Herbouw elders wordt niet mogelijk gemaakt. De bedrijfswoning heeft geen functionele binding met een dierenverblijf meer en betreft daarmee een bijzonder geurgevoelig object. Op basis van artikel 22.100 lid b uit het Omgevingsplan van de gemeente Venray hoeft in een dergelijk geval niet getoetst te worden aan de waarden uit 22.98 eerste lid. Deze waarden zijn derhalve niet van toepassing.

Wel dient getoetst te worden aan de afstanden uit de tabellen 22.3.11 en 22.3.13 voor bijzondere geurgevoelige objecten. De woning voldoet aan de afstanden voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom van respectievelijk 50 m en 25 m.

De afstand tussen de woning en agrarische bedrijven, ten noorden en zuiden van het plangebied, verandert niet. Belemmeringen in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van in de omgeving gelegen bedrijven zijn daarmee op voorhand uit te sluiten.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

Voorliggend plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen zoals bedoeld in het Bkl mogelijk. Een bedrijfsgebouw is geen geluidgevoelig gebouw volgens het Bkl. De bestaande bedrijfswoning blijft op de huidige plek als zodanig behouden. In dit plan wordt herbouw van deze woning elders binnen het plangebied, bijvoorbeeld dichter op een weg, niet mogelijk gemaakt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0009.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat op circa 370 meter afstand ten zuiden van het plangebied een buisleiding aanwezig is. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour van de buisleiding. Daarnaast liggen er twee propaanopslagtanks ten westen van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten de risicocontour van de opslagtanks. Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is in categorie J11 vermeld dat voor een stedelijk ontwikkelingstraject mogelijk een mer-(beoordelings)plicht geldt.

Het begrip stedelijk ontwikkelingstraject is nergens gedefinieerd of gekwantificeerd.

Planspecifiek

Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van een kleinschalig bedrijf op de plek waar een varkenshouderij gevestigd was. Gelet op de aard en de omvang van het project (er is grotendeels sprake van bestaand bebouwd gebied en de voorziene bebouwing is beperkt) kan dit niet als een stedelijk ontwikkelingsproject worden aangemerkt. Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.

4.9 Explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht.  De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren.

Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

4.10 Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Er kunnen omstandigheden zijn om (gemotiveerd) van deze indicatieve afstand af te wijken.

Planspecifiek

Voorliggend plan zet een agrarische bedrijfslocatie om naar een reguliere, kleinschalige bedrijfslocatie. De bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied blijft op de huidige locatie behouden. Herbouw elders wordt niet mogelijk gemaakt. In de huidige situatie is de woning al gevoelig met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen. Dit verandert als gevolg van de ontwikkeling niet. De afstand tussen de woning en agrarische gronden verandert niet. Daarmee treden geen veranderingen op met betrekking tot dit aspect.

Het aspect gewasbeschermingsmiddelen levert hiermee geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Het bebouwd oppervlak binnen het plangebied neemt aanzienlijk af. Tevens worden de planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de oprichting van een intensieve veehouderij van de locatie gehaald. Daar komt een kleinschalig bedrijf voor terug. Het initiatief is niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zie paragraaf 4.8.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig.

Voorliggend initiatief voorziet in de sloop van de varkensstallen, het realiseren van zonnepanelen in een grondopstelling en de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw. De planlocatie ligt volgens het Ruimtelijk Kwaliteitskader in het deelgebied 'Jonge ontginningsgebieden'. Waarin grootschalige openheid, rationele verkavelingsstructuur en laanbeplanting centraal staan. De locatie wordt ingepast conform de geldende landschappelijke kwaliteiten. Het zonnepark word ingesloten door gemengde hagen met struweel en bomen en een lage haag voor het noordelijke bedrijfsgebouw. De exacte te treffen ingrepen zijn opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan in bijlage 1 van de regels.

Archeologie

Voor onderhavig initiatief is de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Venray (2011) geraadpleegd. Navolgende afbeelding geeft hiervan een uitsnede. Ter plaatse van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. De uit te voeren werkzaamheden zijn daarmee in het kader van archeologie niet onderzoeksplichtig. Een onderzoeksplicht is ook niet opgenomen in de vigerende planologische situatie. Het aspect archeologie levert daarmee geen belemmeringen op voor het initiatief.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25018-on01_0010.png"

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. De omgevingswaarden voor stikstofdepositie zijn vastgesteld op grond van artikel 2.15a van de Omgevingswet.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Gebiedsbescherming

Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel & Mariapeel' ligt op ca 2,8 km ten zuiden van het plangebied. Om de situatie met betrekking tot stikstof inzichtelijk te maken, zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Bijlage 1 bevat een toelichting op de invoergegevens, en de bijlagen 2. 3 en 4 bevatten de berekeningen. Hieruit volgt dat er geen significante effecten met betrekking tot stikstof zijn als gevolg van de ontwikkeling. Vanwege de ruime afstand en dit beperkte effect kunnen negatieve effecten ten aanzien van o.a. trilling en lichthinder op voorhand worden uitgesloten.

Soortenbescherming

Met het oog op soortenbescherming is vanwege de beoogde sloopactiviteiten en andere geplande ingrepen een onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. De belangrijkste conclusie is dat er met dit plan geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Voor aanvang van de werkzaamheden hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een Omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat de nadelige gevolgen voor de beschermde dieren en planten zo veel mogelijk moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan moeten worden gemaakt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Verkeersgeneratie en ontsluiting

De verkeersaantrekkende werking blijft door voorliggend initiatief gelijk aan die van de te saneren varkenshouderij, waarbij er verhoudingsgewijs wel sprake van veel minder zware voertuigen. De transportbewegingen behorende bij de varkenshouderij (20 personenauto's, 8 vrachtwagens en 6 tractoren per dag) verdwijnen. De werkzaamheden van dit kleinschalige timmer- en klusbedrijfje vinden voornamelijk op locatie bij de klanten plaats. Op grond van het CROW kan voor dergelijke bedrijven een bandbreedte van 2 tot 4 voertuigbewegingen per 100 m2 bvo per etmaal gerekend worden. Op basis van de toekomstige oppervlakte van het bedrijf is daarmee sprake van 18 tot 35 motorvoertuigbewegingen. De verkeerssituatie ter plaatse van het plangebied en omgeving verbetert aanzienlijk. De wijze van ontsluiten verandert niet. De bedrijfswoning en het kleinschalige bedrijf blijven via de huidige wijze ontsloten op de Timmermannsweg. Deze weg heeft ruimschoots voldoende capaciteit voor de verkeersbewegingen, mede door het stoppen van de veehouderij.

Parkeren

Voor parkeren bij de nieuwe functie geldt de Beleidsnota Parkeernormen gemeente Venray (2013) als uitgangspunt. Voor het bedrijf zijn volgens de gemeentelijke parkeernormen (Werken – bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief) 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo nodig. Dat zijn 10 parkeerplaatsen. Deze parkeerruimte kan volledig binnen het erf worden gerealiseerd. Op pagina 12 van het landschappelijk inpassingsplan is dit ingetekend. Daarnaast beschikt de bedrijfswoning over eigen parkeervoorzieningen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Venray en is sprake van een robuuste toekomstige parkeersituatie. Omdat de bedrijfsactiviteiten grotendeels op locatie bij klanten plaatsvinden en het erf dus slechts beperkt wordt gebruikt voor parkeren van personeel en incidentele bezoekers, is de feitelijke behoefte aan parkleerplaatsen in de werkelijke situatie zelfs veel lager dan de normatieve berekening.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Uit de kaartbeelden van de klimaateffectatlas is op te maken dat ter plaatse van het plangebied geen wateroverlast, hittestress, droogte of overstroming te verwachten valt.

Niettemin verbetert de waterhuishoudkundige situatie door de significante afname van het verhard oppervlak binnen het plangebied. Door het hemelwater in het gebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De geplande nieuw te bouwen bedrijfsruimte is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee wordt voldaan aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het plangebied rondom het kleinschalige bedrijf zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, eveneens ter voorkoming van hittestress.

Op het dak van de noordelijke vrijstaande bedrijfsruimte en in het zonnepark liggen zonnepanelen. Met deze panelen wordt jaarlijks veel stroom opgewekt dan wordt verbruikt. Het overschot wordt met een batterijsysteem (om onbalans in vraag en aanbod te voorkomen) terug geleverd aan het net.

Het huidige bedrijfsperceel is intensief bebouwd en versteend waardoor warmte langer op de locatie blijft hangen. Deze situatie verbetert aanzienlijk door het initiatief, vooral door een aanzienlijke afname van bebouwing en het toevoegen van groen. De aanwezige bomen op het voorerf, ook rondom de woning, blijven bovendien behouden en zorgen via schaduwwerking en wind voor verkoeling tijdens warme dagen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 6 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22v] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22v] van het omgevingsplan Venray. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.

7.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

Bedrijf

Deze functie is opgenomen ter plaatse van het voorerf. Op het voorerf staat de huidige bedrijfswoning, de bedrijfsbebouwing die in de toekomstige situatie wordt gebruikt als kleinschalig bedrijf en het nieuwe bedrijfsgebouw. Via aanduidingen op de verbeelding is aangegeven waar de bedrijfswoning en het kleinschalige bedrijf zijn toegestaan en wat het maximum bebouwd oppervlak is.

Agrarisch

Deze functie is opgenomen ter plaatse van de resterende gronden aan de westkant van het plangebied. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden zonnepark' is de opstelling van het zonnepark toegestaan. Overige gronden zullen in de toekomstige situatie in gebruik worden genomen als reguliere landbouwgrond. Gebouwen zijn er niet toegestaan.

Hoofdstuk 8 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek

Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden uit de omgeving op de hoogte gebracht via een omgevingsdialoog. Vanuit de omgeving zijn er geen bezwaren tegen het plan. Een verslaglegging van deze dialoog is toegevoegd als bijlage 6.

8.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Omdat het initiatief geen aangewezen activiteit betreft die valt onder het publiekrechtelijke kostenverhaal is het sluiten van een anterieure overeenkomst niet noodzakelijk. Er worden leges geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag volgens de 'Verordening van de gemeenteraad van Venray houdende regels voor de heffing en de invordering van leges 2025'. Er wordt ook een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten, eventuele nadeelcompensatie is voor rekening van de initiatiefnemer.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

8.3 Vooroverleg

Onderhavig initiatief wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties.