direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.TAM25003-on01

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op het perceel in de hoek van de Kievitsweg en de Ringweg te Ysselsteyn en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22f]) van het Omgevingsplan van de gemeente Venray. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het Omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit, op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven, deel van het Omgevingsplan (hierna: 'dit deel') weergegeven hoofdstukken, moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22f] van het Omgevingsplan van de gemeente Venray. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22f]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22f]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, met dien verstande dat ter plaatse van de in het derde lid bedoelde GML-bestand aangegeven locatie 'Milieuzone - spuitvrije zone' die besluiten en de daarin opgenomen regels wel van toepassing blijven voor zover die niet in strijd zijn met de regels als opgenomen in Artikel 14.2. Voor zover die regels wel in strijd zijn met Artikel 14.2, gaat Artikel 14.2 voor op die regels.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0984.TAM25003-on01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

Artikel 2 Toepassing begripsbepaling

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepaling

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in Artikel 2 de volgende begripsbepalingen:

3.1 TAM-Omgevingsplan

het TAM-Omgevingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn" met identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM25003-on01.

3.2 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.3 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

3.4 aaneengebouwde woning

een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van minimaal drie woningen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar gebouwd/ verbonden zijn.

3.5 aanvangshuurprijs

de huurprijs bij de start van de huurovereenkomst.

3.6 aanvangskoopprijs

de koopprijs bij het sluiten van de koopovereenkomst.

3.7 achtergevelrooilijn

de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw - zonder aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het verlengde daarvan.

3.8 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende of te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.

3.9 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.10 bebouwingspercentage

een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel c.q. bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

3.11 bed & breakfast

het bieden van de mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben door de eigenaar of hoofdbewoner van de desbetreffende woning.

3.12 bedrijf aan huis

het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot het beroep aan huis, gericht op consumentenverzorging geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteiten zodanig is dat als deze in een woning en bijgebouwen wordt uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.

3.13 begane grond

de natuurlijke oppervlakte van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging, alsmede dat gedeelte van een gebouw dat met die oppervlakte gelijk is. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aangrenzend maaiveld.

3.14 benedenwoning

een woning gelegen op de begane grond van een gebouw.

3.15 beroep aan huis

de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van prostitutie.

3.16 bestaand

ten tijde van de inwerkingtreding van het plan aanwezig.

3.17 betaalbare koopwoning

een koopwoning met een koopprijs van ten hoogste de bovengrens, bedoeld in het Besluit Woningbouwimpuls 2020, artikel 1, lid a, onder 3°. Jaarlijks wordt deze geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex.

3.18 bijgebouw

een aangebouwd of vrijstaand gebouw of ander bouwwerk met een dak die door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw, die in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn en functioneel dienstbaar aan dit hoofdgebouw.

3.19 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

3.20 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

3.21 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.22 bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

3.23 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.24 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

3.25 bovenwoning

een woning gelegen op de 1ste etage van een gebouw of hoger.

3.26 carport

een overkapping van lichte constructie, bestemd om te dienen als overdekte stalling voor een motorrijtuig, welke geen tot de constructie behorende wanden heeft.

3.27 consumentenprijsindex (CPI)

indexcijfers zoals gedefinieerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

3.28 DAEB-Inkomensnorm

inkomensgrens als bedoeld in artikel 16 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015.

3.29 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

3.30 erf

een gedeelte van het perceel, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij geldt:

  • 1. Achtererf: Erf achter de met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied evenwijdig gelegen lijn, die het hoofdgebouw raakt:
    • a. aan een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op 1 meter achter het snijpunt met de voorgevel, en,
    • b. aan een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op het snijpunt met de achtergevel.
  • 2. Voorerf: Erf dat geen onderdeel is van het achtererf.
  • 3. Zijerf: Het gedeelte van het erf dat zich bevindt aan de zijkant van het hoofdgebouw, startend bij de voorkant en eindigend bij de achterkant van het hoofdgebouw. Het zijerf maakt onderdeel uit van het voorerf wanneer het grenst aan openbaar gebied, als dit niet zo is dan maakt het onderdeel uit van het achtererf vanaf 1 meter achter de begrenzing van het bouwvlak aan de naar de weg gekeerde zijde.
3.31 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.32 geschakelde woning

een woning waarvan het hoofdgebouw via een ondergeschikt bijgebouw verbonden is met het volgende hoofdgebouw en waarvan het hoofdgebouw op de perceelsgrens is gebouwd.

3.33 gevel

buitenmuur van een gebouw, waarbij geldt:

  • 1. Voorgevel: de gevel aan de voorzijde van een hoofdgebouw.
  • 2. Zijgevel: de gevels van een hoofdgebouw die haaks staan op de voorgevel.
  • 3. Achtergevel: de gevel van een hoofdgebouw die zich aan de tegenovergestelde kant van de voorgevel bevindt.
3.34 gewasbeschermingsmiddel

gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309).

3.35 hoofdgebouw

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.

3.36 horeca

het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

3.37 huishouding

een huishouding bestaat uit een persoon dan wel personen die in een zekere continue samenstelling met elkaar wonen en tussen de verschillende personen een zekere onderlinge verbondenheid bestaat.

3.38 huishoudinkomen

huishoudinkomen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet.

3.39 kamerverhuur

het bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was verhuren van drie of meer kamers, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen.

3.40 kampeermiddel
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, caravans of stacaravans, vouwwagens en campers;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
3.41 kleinschalige verblijfsrecreatie

recreatie met een oppervlakte van maximaal 100 m² waarbij overnachting plaatsvindt, in de vorm van een recreatiewoning, groepsaccommodatie, logiesvoorziening of bed and breakfast.

3.42 klimaat- en duurzaamheidsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het verduurzamen van een gebied en het realiseren van een klimaatbestendige omgeving zoals het toevoegen van koude-/ warmte-opslag, het plaatsen van zonnecollectoren, zonnepanelen of zonnepergola's en het plaatsen van laadpalen voor elektrische auto of fiets.

3.43 kunstwerk

object van artistieke kunstuiting.

3.44 levensloopbestendige/ nultredenwoning

een woning waarbij de entree, woonkamer/eetkamer, keuken en tenminste één badkamer, één toilet en één slaapkamer zich op de begane grond bevinden.

3.45 maaiveld

bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft.

3.46 midden huurwoning

een zelfstandige woning als bedoeld in artikel 5.161c lid c uit het Bkl.

3.47 milieuhygiënische uitvoerbaarheid

Overkoepelend begrip voor relevante milieuaspecten zoals bodem, geluid, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, etc. aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, zodat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse is geborgd.

3.48 Omgevingsplan

het Omgevingsplan van de gemeente Venray met identificatienummer /akn/nl/act/gm0984/2020/omgevingsplan.

3.49 omgevingsvergunning

Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 Omgevingswet.

3.50 ondergeschikte activiteit

activiteit die afwijkt van de hoofdfunctie, maar die hieraan niet gelijkwaardig is vanwege:

  • 1. de oppervlakte; de activiteit beslaat in oppervlakte maximaal 25% van het vloeroppervlak van het gebouw/de gebouwen, of;
  • 2. de duur en frequentie; de activiteit komt incidenteel voor en beslaat qua beoefening dus minder tijd dan de hoofdfunctie, of;
  • 3. de functie in relatie tot de hoofdfunctie; de activiteit wordt uitgeoefend ter ondersteuning van de hoofdfunctie.
3.51 ondergeschikte bouwdelen

onderdelen van een hoofdgebouw die in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw en bijgebouwen, zoals erkers, ingangpartijen, luifels, schoorstenen en antennes.

3.52 ondergeschikte detailhandel

detailhandelsactiviteit die als ondergeschikte activiteit past bij de hoofdfunctie, ter ondersteuning van de hoofdfunctie wordt uitgeoefend en niet zelfstandig toegankelijk is.

3.53 ondergronds

beneden het peil.

3.54 onderkomens

voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun functie onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.

3.55 openbaar toegankelijk gebied

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

3.56 overige bouwwerken

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct duurzaam met de aarde is verbonden.

3.57 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand.

3.58 peil
  • 1. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang.
  • 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
3.59 peiljaar

kalenderjaar voorafgaand aan de datum van start bouw van de betreffende woning.

3.60 permanente bewoning

bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan als hoofdverblijf.

3.61 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

3.62 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijk gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin handelingen, vertoningen en/of voorstellingen van erotische en/of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt mede begrepen een sekswinkel, zijnde een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat is bestemd en/of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig te koop en/of te huur aanbieden, waaronder mede begrepen uitstalling, verhuren en/of leveren van seksartikelen. Een prostitutiebedrijf en bordeel zijn hieronder mede begrepen.

Seks- en/of pornobedrijf is een aparte functie en valt op geen enkele wijze onder enig andere functie c.q. doeleinden c.q. bestemming zoals bedoeld dan wel omschreven in dit TAM-Omgevingsplan. Hieronder wordt mede verstaan prostitutie en raamprostitutie.

3.63 sociale huurwoning

het laag-segment-huurwoonruimte als bedoeld in artikel 5.161c lid a uit het Bkl.

3.64 sociale koopwoning

een koopwoning met maximaal de kostengrens, bedoeld in de Verordening startersleningen Provincie Limburg.

3.65 stedenbouwkundige beeld

Het beeld dat wordt bepaald door de bouwmassa's, de gevelindelingen, en de dakvormen van de bebouwing, alsmede de situering en de verschijningsvormen in zijn omgeving.

3.66 twee-aaneengebouwde woning

een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee woningen die met het hoofdgebouw aan elkaar zijn gebouwd.

3.67 verbeelding

de plankaart van het TAM-Omgevingsplan.

3.68 voorkant van een hoofdgebouw

de gevel waarlangs de begrenzing van het bouwvlak aan de naar de weg gekeerde zijde loopt.

3.69 voorzieningen van openbaar nut

een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse afvalvoorzieningen, bovengrondse afvalvoorzieningen, trafo's, pompstations, gemalen en zendmasten, plus voorzieningen voor warmte- en koudeopslag of voorzieningen van soortgelijke aard met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.70 vrije sector koopwoning

een zelfstandige woning met een aanvangskoopprijs (VON-vrij op naam) van minimaal €465.000,- (2024), conform de vastgestelde Doelgroepenverordening gemeente Venray en daaropvolgend beleid

3.71 vrijstaande woning

een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere woning.

3.72 waterhuishoudkundige voorzieningen

boven- en ondergrondse voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, infiltratie en waterkwaliteit.

3.73 weg

een voor het openbaar verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeervoorzieningen.

3.74 wonen

het gehuisvest zijn in een woning/wooneenheid.

3.75 woning/ wooneenheid

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.

3.76 woningsplitsing

het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer wooneenheden ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.

Artikel 4 Toepassing meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen als opgenomen in artikel 22.24 van dit Omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing voor het meten van in dit hoofdstuk 22f opgenomen waarden die zijn uitgedrukt in m, m² of m³, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in Artikel 5.

Artikel 5 Aanvullende meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op Artikel 4 gelden voor dit hoofdstuk 22f de volgende meet- en rekenbepalingen voor het meten van in deze regels opgenomen waarden die zijn uitgedrukt in m, m² of m³:

5.1 Bebouwingspercentage:

de oppervlakte van een bouwwerk (in %) in verhouding tot de oppervlakte van het bouwvlak.

5.2 De dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

5.3 De goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

5.4 De inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

5.5 De bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

5.6 De oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

5.7 Oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de harten van de grenzen van een bouwwerk.

Artikel 6 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 7 Zorgplicht

Eenieder draagt bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in dit plan voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving en het voorkomen van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden beperkt, die activiteit zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 8 Groen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.

8.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. speel-, sport- en wandelgelegenheid;
  • c. verblijfsgebied;
  • d. kunstwerken;
  • e. langzaamverkeersroute(s);
  • f. voorzieningen van openbaar nut;
  • g. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. bluswatervoorzieningen en andere bijbehorende bouwwerken;

met de daarbij horende:

  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • j. paden en verhardingen.
8.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29)
8.3.1 Algemeen

Op en in de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut met dien verstande dat:

  • a. de inhoud maximaal 50 m³ mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen.
8.3.2 Regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. op en in de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten behoeve van de in artikel 8.2 genoemde functies;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 4 meter, met uitzondering van:
    • 1. masten ten behoeve van de (openbare) verlichting, die maximaal 12 meter hoog mogen zijn.
8.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot het bepaalde in artikel 8.3 maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • b. de situering en afmetingen van de bouwpercelen;
     

indien zulks noodzakelijk is in verband met één of meer van de volgende aspecten:

  • 1. de woonsituatie;
  • 2. het straat- en bebouwingsbeeld en stedenbouwkundig beeld;
  • 3. het verkeers-, sociale en brandveiligheid;
  • 4. de milieusituatie;
  • 5. de gebruiksmogelijkheden in aangrenzende functies.
8.5 Specifieke functieregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • c. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer'.

9.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer' heeft de volgende functies:

  • a. verkeer - en verblijfsdoeleinden;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. wegen, paden, verhardingen en andere bij de functie passende voorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. kunstwerken;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. voorzieningen van openbaar nut;
  • h. speel- en wandelgebied;
  • i. bluswatervoorzieningen.
9.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29)
9.3.1 Algemeen

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut met dien verstande dat:

  • a. de inhoud maximaal 50 m³ mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen.
9.3.2 Regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. op en in de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd ten behoeve van de in artikel 9.2 genoemde functies;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 4 meter, met uitzondering van:
    • 1. masten ten behoeve van de (openbare) verlichting, die maximaal 12 meter hoog mogen zijn.
9.4 Specifieke functieregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • c. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Artikel 10 Wonen

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

10.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:

  • a. wonen;
  • b. beroepen aan huis met een maximum oppervlak van 40 m²;
  • c. voorzieningen van openbaar nut;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder waterhuishoudkundige- en parkeervoorzieningen, paden en verhardingen, in- en uitritten, tuinen en erven, met dien verstande dat:

  • d. infiltratie van hemelwater dient plaats te vinden op eigen terrein;
  • e. ten behoeve van de ter plaatse aanwezige functie moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn.
10.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29)
10.3.1 Algemeen

Op en in de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. de daarbij behorende bijgebouwen;
  • c. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. ongeacht het bepaalde in artikel 10.3.2, artikel 10.3.3 en artikel 10.3.4 dient tenminste 50% van het achtererf onbebouwd en onoverdekt te blijven.
10.3.2 Regels voor hoofdgebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het volgende woningbouwprogramma dient te worden uitgevoerd:
    • 1. Maximaal 42 woningen waarvan:
      • Het aandeel betaalbare koopwoningen minimaal 11 woningen betreft ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - betaalbare koop';
      • Het aandeel sociale koopwoningen op de begane grond minimaal 4 woningen betreft ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - boven betaalbare koop/ beneden sociale koop';
      • Het aandeel betaalbare koopwoningen op de 1ste verdieping of hoger minimaal 4 woningen betreft ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - boven betaalbare koop/ beneden sociale koop';
      • Het aandeel sociale huur minimaal 10 woningen betreft ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - sociale huur'.
  • c. per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', het aangeduide aantal woningen/wooneenheden is toegestaan;
  • d. woningsplitsing is niet toegestaan;
  • e. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan;
    • 2. 'specifieke bouwaanduiding - boven-/ benedenwoning' zijn uitsluitend boven-/ benedenwoningen toegestaan;
    • 3. 'specifieke bouwaanduiding - geschakelde woning' zijn uitsluitend geschakelde woningen toegestaan;
    • 4. 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee-aaneengebouwde woningen toegestaan;
    • 5. 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan.
  • f. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  • g. elke woning dient te worden afgedekt met een dak, waarvan de dakhelling ten minste 0° en ten hoogste 65° bedraagt;
  • h. de voorgevel van een hoofdgebouw dient in of ten hoogste 3 meter achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd. Indien voor een bouwperceel twee voorgevelrooilijnen zijn bepaald dient zowel de voor- als zijgevel in of ten hoogste 3 m achter deze lijn te worden gebouwd;
  • i. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt:
    • 1. bij de aanduiding 'vrijstaand' minimaal 3 meter aan beide zijden;
    • 2. bij de aanduiding 'twee-aaneen' en 'geschakelde woning' minimaal 3 meter aan één zijde;
    • 3. bij eindwoningen met de aanduiding 'aaneengebouwd' minimaal 2 meter aan één zijde.
10.3.3 Regels voor bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. bijgebouwen mogen uitsluitend op het achtererf worden gebouwd;
  • b. tegen de achtergevel van het hoofdgebouw mag/mogen (een) bijgebouw(en) worden gebouw over de volledige breedte van die achtergevel, met een diepte van maximaal 4 meter. De oppervlakte hiervan telt niet mee bij de berekening van de oppervlakte als bedoeld onder c.;
  • c. bijgebouwen zijn toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 50 m². De oppervlakte van carports blijft bij de berekening van die oppervlakte buiten beschouwing;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld onder c. mag worden verhoogd tot maximaal 70 m², mits het achtererf, ook na de bouw van bijgebouwen als bedoeld onder b. en carports, voor niet meer dan 40% wordt bebouwd;
  • e. de goothoogte van bijgebouwen mag niet hoger zijn dan:
    • 1. Voor aangebouwde bijgebouwen: 0,3 meter boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, of -als het hoofdgebouw geen tweede bouwlaag heeft- even hoog als het hoofdgebouw met een maximum van 3 meter;
    • 2. Voor vrijstaande bijgebouwen 3 meter.
  • f. de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen;
  • g. bijgebouwen dienen met de dichtstbijzijnde gevel binnen een afstand van 15 meter van de achter- en/of zijgevels van de woning te worden gebouwd.


In afwijking van het bepaalde onder a. mogen worden gebouwd:

  • h. bijgebouwen in hoeksituaties op het naar openbaar gebied gekeerde zijerf, met dien verstande dat:
    • 1. de totale bebouwde oppervlakte maximaal 30 m² mag bedragen;
    • 2. slechts aan het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen zijn toegestaan, met een breedte van maximaal 4 meter;
  • i. carports, zowel op het voorerf als het achtererf, met dien verstande dat:
    • 1. de oppervlakte tot maximaal 20 m² mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
    • 3. de carport met minimaal één zijde of een deel daarvan tegen de zijgevel van het hoofdgebouw of tegen een voor- of zijgevel van een bijgebouw wordt gebouwd;
    • 4. de carport maximaal 2,5 meter voor de voorgevelrooilijn mag worden gebouwd;
  • j. ondergeschikte bouwdelen op het voorerf, met dien verstande dat:
    • 1. de diepte maximaal 1 meter bedraagt;
    • 2. de breedte maximaal 50% bedraagt van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw;
    • 3. de hoogte maximaal 3 meter bedraagt.
10.3.4 Regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen vóór de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter mag bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen aan de zijgevel bij hoekwoningen voor de voorgevelrooilijn maximaal 2 meter bedragen, mits:
    • 1. de afstand tot de functie 'Verkeer' minimaal 0,5 meter bedraagt;
    • 2. de afstand tot de voorgevel minimaal 3 meter bedraagt;
    • 3. het verkeersbelang niet onevenredig aangetast wordt;
  • c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 meter.
10.4 Maatwerkvoorschriften
10.4.1 Situering en afmetingen gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde en bouwpercelen

Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot het bepaalde in artikel 10.3 maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • b. de situering en afmetingen van de bouwpercelen;
     

indien zulks noodzakelijk is in verband met één of meer van de volgende aspecten:

  • 1. de woonsituatie;
  • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 3. het verkeers-, sociale en brandveiligheid;
  • 4. de milieusituatie;
  • 5. de gebruiksmogelijkheden in aangrenzende functies.
10.4.2 Regelset woonprogramma

Bij de realisatie en het gebruik van woningen zoals bedoelt in artikel 10.2 van de planregels dienen tevens de algemene regels uit artikel 17.4 van de planregels in acht te worden genomen.

10.5 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging (bouw)

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 10.3.3 onder d. voor het overschrijden van de maximale oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 100 m², mits de bebouwing met de dichtstbijzijnde gevel op niet meer dan 15 meter van de achtergevel van het hoofdgebouw is gelegen en maximaal 40% van het achtererf mag worden bebouwd.

Onder de voorwaarden dat:

  • b. de belangen van de eigenaren en/ of gebruikers van de nabij gelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
10.6 Specifieke functieregels
10.6.1 Verboden gebruik

Tot een met de functie strijdig gebruik/ of laten gebruiken wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het niet voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het TAM-Omgevingsplan ten behoeve van de ter plaatse gevestigde functie(s). De gemeente Venray beschouwt in het kader van dit TAM-Omgevingsplan de parkeerkengetallen zoals deze zijn opgenomen in de ‘Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray’ als vigerende normstelling;
  • b. het niet voorzien in de infiltratie van hemelwater op eigen terrein;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
    • 1. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
    • 2. de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan het beroep aan huis als bedoeld in artikel 10.2 onder b.;
    • 3. zelfstandige bewoning voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft;
    • 4. woningsplitsing;
    • 5. gebruik van gronden voor de voorgevelrooilijn voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit;
    • 6. bedrijf aan huis;
    • 7. recreatief (mede)gebruik;
    • 8. seksinrichting.
10.6.2 Voorwaardelijke verplichting spuitzone

De omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen met bijbehorende tuinen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - spuitzone', mag pas worden verleend nadat binnen 50 m van de beoogde woningen en de bijbehorende tuinen het telen van gewassen met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen aangrenzende agrarische percelen niet meer mogelijk is.

10.7 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging (functie)

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 10.6.1 onder a, mits elders in de omgeving in voldoende parkeergelegenheid is voorzien;
  • b. artikel 10.6.1 onder b, mits elders in de omgeving is voorzien in de infiltratie van het hemelwater.
  • c. artikel 10.6.1 onder c, sub 6. ten behoeve van een bedrijf aan huis onder de voorwaarden dat:
    • 1. het bedrijf aan huis wordt uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen;
    • 2. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft en de verschijningsvorm als woning niet wordt aangetast;
    • 3. maximaal 40 m² van het vloeroppervlak van de woning inclusief de daarbij behorende bijgebouwen als zodanig wordt gebruikt;
    • 4. degene die de activiteiten uitvoert, tevens de bewoner is van de woning;
    • 5. het gebruik geen (ernstige of onevenredige) hinder oplevert voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
    • 6. de parkeerbalans en verkeersafwikkeling in de directe omgeving niet onevenredig worden benadeeld;
    • 7. er geen detailhandel plaats vindt, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan en in direct verband met het bedrijf aan huis.
  • d. artikel 10.6.1 onder c, sub 7. ten behoeve van een kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een bed & breakfast onder de voorwaarden dat:
    • 1. de primaire woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate wordt gehandhaafd;
    • 2. de voorzieningen in hun totaliteit niet groter zijn dan 100 m²;
    • 3. het woonmilieu niet onevenredig wordt aangetast;
    • 4. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
    • 5. de parkeerbalans en verkeersafwikkeling in de directe omgeving niet onevenredig worden benadeeld;
    • 6. er geen detailhandel plaats vindt, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan en in direct verband met de verblijfsrecreatieve voorziening.

Hoofdstuk 3 Beschermen van Waarden

Artikel 11 Waarde - Archeologie 4

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4'.

11.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4' heeft, naast de andere daar voorkomende functie(s), mede als functie de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 17.2 van de planregels in acht dient te worden genomen.

11.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29)

Voor het bouwen op of in de als 'Waarde - Archeologie 4' aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. Op of in de als 'Waarde - Archeologie 4' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende functies worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m² per bouwperceel (gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  • b. Indien de verstoring meer dan 500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm dient de aanvrager een rapport (bureauonderzoek, inventariserend (verkennend, karterend of waarderend) veldonderzoek d.m.v. proefsleuven of boringen, opgraving, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.4.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren die de archeologische waarden verstoren, indien bij het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de verstoring van gronden meer dan 500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag/ bodemlagen (afgraven);
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  • c. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt).
11.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 11.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (voortoets) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie 'Verkeer' betreffen, voor zover deze niet aansluit op de functie 'natuur'.
11.4.3 Afwegingskader

Een in artikel 11.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Hoofdstuk 4 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene bouwregels

13.1 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen beperkingen, de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan bij bestaande hoofd- en bijgebouwen;
  • b. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil;
  • c. in aanvulling op het bepaalde in sub a en b is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het zwembad dient te worden gebouwd in het achtererf en op een afstand van ten minste 3,00 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
    • 2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde als bedoeld in de regels voor de van toepassing zijnde functie in acht wordt genomen;
    • 3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
  • d. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 Luchtvaartverkeerzone

In afwijking van het overigens in het TAM-Omgevingsplan bepaalde is het niet toegestaan op de gronden gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone', ter aanduiding van de obstakelvrije zone van het luchtvaartterrein, enig bouwwerk te bouwen, enig roerend goed, houtopstanden en/of beplantingen te hebben of aan te brengen, danwel de bodem op te hogen, met een grotere hoogte dan aangegeven op de verbeelding.

14.2 Milieuzone - spuitvrije zone
14.2.1 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet toegestaan. Onder voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven.

14.2.2 Afwijken

Door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 14.2.1 voor het toestaan van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen, onder de voorwaarde dat het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

15.1 10%-regeling

Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor afwijking van de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en percentages tot maximaal 10% en maximaal 1 meter van die maten en percentages indien de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, met dien verstande dat dit niet geldt wanneer reeds op grond van deze regels een andere omgevingsvergunning/ontheffing is of kan worden verleend.

15.2 Bouwvlak

Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van het bouwvlak, binnen de functie, tot maximaal 10%, met dien verstande dat:

  • a. binnen een afstand van minimaal 5 meter tot aan de zijdelingse en achterste perceelsgrens geen nieuwe bebouwing mag worden opgericht;
  • b. de belangen van eigenaren en/of gebruikers van de nabij gelegen gronden en bebouwing niet onevenredig worden geschaad;
  • c. er uit oogpunt van brandveiligheid geen belemmeringen zijn.
15.3 Meetverschillen

Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor afwijking van de aangeduide bouwgrenzen indien een meetverschil of onnauwkeurigheid op de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft, mits de afwijking maximaal 3,00 meter bedraagt.

15.4 Omgevingsvergunning

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • a. de planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven, mits van de wegbeheerder een positief advies is ontvangen;
  • b. de planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • c. de planregels ten aanzien van het bouwen van kunstuitingen en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, waarbij voor een hoogte van meer dan 65 m +NAP, in het kader van voorkoming van onaanvaardbare radarverstoring, voorafgaand aan het toestaan schriftelijk advies dient te zijn ingewonnen bij de Dienst Vastgoed Defensie;
  • d. afmetingen in de planregels en op de verbeelding met een maximum van 10%.
15.5 Afwegingskader

Een in artikel 15.4 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • e. het bijdragen aan het behoud en/of versterking van de aanwezige gebiedskwaliteiten.

Artikel 16 Algemene gebruiksregels

16.1 Strijdig gebruik

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken, doen gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een omgevingsplan.

Artikel 17 Overige regels

17.1 Wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

17.2 Voorrangsregels

In het geval van strijdigheid van de regels voor functies en activiteiten uit Hoofdstuk 2 van deze planregels met de regels voor het beschermen van Waarden uit Hoofdstuk 3 van deze planregels, gaan de regels uit Hoofdstuk 3 van deze planregels voor.

17.3 Voorwaardelijke verplichtingen
17.3.1 Beeldkwaliteitplan

De realisatie en het gebruik van functies en activiteiten (waaronder (hoofd)gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, en openbare ruimte), overeenkomstig Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 4 van de planregels, is alleen toegestaan als deze door het Adviesbureau Omgevingskwaliteit (AOK) van de gemeente Venray of de opvolger van dat adviesbureau, getoetst en goedgekeurd zijn op grond van de uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan, bijgevoegd als Bijlage 1 bij de planregels.

17.4 Regelset woonprogramma
17.4.1 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing op alle woningbouwontwikkelingen binnen de gemeente van 12 of meer woningen.

17.4.2 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a. het realiseren van een gevarieerd, sociaal en betaalbaar woningbouwprogramma.
17.4.3 Aanwijzing woningbouwcategorieën

De volgende categorieën voor woningbouw worden onderscheiden:

  • a. Sociale huurwoningen
  • b. Middenhuur
  • c. Sociale koopwoningen
  • d. Betaalbare koopwoningen
  • e. Particulier opdrachtgeverschap
17.4.4 Algemene regels: toevoegen woningbouw
  • 1. Bij ontwikkelingen van projecten bestaande uit 12 of meer woningen dient het hele betaalbare programma gerealiseerd te worden;
  • 2. Een ontwikkelaar met meerdere ontwikkellocaties in Venray kan een koppeling maken, waarbij uitwisseling van onderdelen van het programma mogelijk is. Over het totaal van deze locaties moet het betaalbaar programma gerealiseerd worden.
17.4.5 Woningbouwprogramma

Het volgende betaalbare woningbouwprogramma dient te worden uitgevoerd:

  • a. maximaal 42 woningen;
  • b. Het aandeel sociale huurwoningen betreft minimaal 10 woningen;
  • c. Het aandeel sociale koopwoningen betreft minimaal 4 woningen;
  • d. Het aandeel middenhuur of betaalbare koopwoningen betreft minimaal 15 woningen;
  • e. het overige deel van de ontwikkeling is vrij in te vullen.
17.4.6 Informatieplicht
  • 1. De eigenaar/verhuurder van huurwoningen als bedoeld in artikel 17.4.3 lid a en b van deze afdeling, met uitzondering van de plaatselijk werkzame corporaties, dient gedurende de betreffende instandhoudingstermijn jaarlijks een overzicht te overleggen aan het college van burgemeester en wethouders om aan te tonen dat de huurprijzen nog in lijn zijn met deze afdeling;
  • 2. De in lid 1 genoemde eigenaar/verhuurder dient een mutatie gedurende de termijn van instandhouding binnen vier weken na de ingangsdatum van het huurcontract te melden aan het college van burgemeester en wethouders en aan te tonen dat de woning verhuurd is met een inkomen zoals aangegeven in artikel 17.4.7 en 17.4.8 van deze afdeling.
  • 3. De verkoper van sociale en betaalbare koopwoningen als bedoeld in artikel 17.4.3 lid c en d van deze afdeling dient per (deel)project een overzicht van potentiële kopers ter toetsing voor te leggen aan het college van burgemeester en wethouders. Na een positieve toetsing waaruit blijkt dat de potentiële kopers voldoen aan de inkomensnorm, als bedoeld in artikel 17.4.9 en 17.4.10 van deze afdeling, kan de verkoper de woningen aan deze personen verkopen.
17.4.7 Algemene regels sociale huurwoningen
  • 1. De doelgroep voor sociale huurwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen niet hoger dan de DAEB-inkomensnorm;
  • 2. De hoogte van de aanvangshuurprijs van sociale huurwoningen dient gerekend vanaf de datum van eerste verhuur gedurende de instandhoudingstermijn van 25 jaar onder het maximale bedrag van een sociale huurwoning te blijven;
  • 3. Sociale huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na eerste ingebruikname, voor de doelgroep als sociale huurwoning beschikbaar te blijven.
17.4.8 Algemene regels midden huurwoningen
  • 1. De doelgroep voor midden huurwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,5 keer de DAEB-inkomensnorm;
  • 2. De hoogte van de aanvangshuurprijs van midden huurwoningen dient gerekend vanaf de datum van eerste verhuur gedurende de instandhoudingstermijn van 15 jaar onder de het maximale bedrag van een midden huurwoning te blijven;
  • 3. Midden huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 15 jaar na eerste ingebruikname, voor de doelgroep als midden huurwoningen beschikbaar te blijven.
17.4.9 Algemene regels sociale koopwoningen
  • 1. Een sociale koopwoning betreft een volwaardige woning, inclusief keuken en sanitair, met minimaal de basiseisen voor duurzaamheid volgens afdeling 4.4 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • 2. De doelgroep voor sociale koopwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,5 keer de DAEB-inkomensnorm;
  • 3. De koper van een woning in de sociale categorie moet deze woning gedurende de periode, als benoemd in de Beleidsregels anti-speculatiebeding en de zelfbewoningsplicht van de gemeente Venray, zelf bewonen en mag deze gedurende diezelfde periode niet doorverkopen of verhuren.
  • 4. Sociale koopwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 5 jaren na eerste ingebruikname, voor de doelgroep als sociale koopwoning beschikbaar te blijven.
  • 5. De koopprijs van sociale koopwoningen dient gerekend vanaf de datum van eerste verkoop gedurende de instandhoudingstermijn van 5 jaar onder de maximale kostengrens van een sociale koopwoning te blijven.
17.4.10 Algemene regels betaalbare koopwoningen
  • 1. Een betaalbare koopwoning betreft een volwaardige woning, inclusief keuken en sanitair, met minimaal de basiseisen voor duurzaamheid volgens afdeling 4.4 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • 2. De doelgroep voor betaalbare koopwoningen zijn huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,75 keer de DAEB-inkomensnorm;
  • 3. De koper van een woning in de betaalbare categorie moet deze woning gedurende de periode, als benoemd in de Beleidsregels Anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht van de gemeente Venray, zelf bewonen en mag deze gedurende diezelfde periode niet doorverkopen of verhuren;
  • 4. Betaalbare koopwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 5 jaren na eerste ingebruikname, voor de doelgroep betaalbare koopwoning beschikbaar te blijven.
  • 5. De koopprijs van betaalbare koopwoningen dient gerekend vanaf de datum van eerste verkoop gedurende de instandhoudingstermijn van 5 jaar onder de maximale kostengrens van een betaalbare koopwoning te blijven.
17.4.11 Particulier opdrachtgeverschap

Bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, van de wet op percelen voor particulier opdrachtgeverschap worden verricht door een burger of een groep van burgers, georganiseerd als rechtspersoon zonder winstoogmerk of krachtens een overeenkomst, die:

  • a. ten minste een zakelijk recht op het gebruik van de grond verkrijgt; en
  • b. volledige zeggenschap heeft en verantwoordelijkheid draagt over het gebruik van de grond en over het ontwerp en de bouw van de woning.
17.4.12 Hardheidsclausule

Het college is bevoegd om in bijzondere gevallen waarin de regels in deze afdeling niet of niet in redelijkheid en billijkheid voorziet en die naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt af te wijken van deze afdeling.

17.5 Oprichting van beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen

Nieuwe beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen als bedoeld in het bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving mogen niet gebouwd worden binnen (geprojecteerde) 10-6-risicocontour voor het plaatsgebonden risico van aanwezige risicobronnen zoals bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving.

17.6 Oprichting van risicovolle activiteiten

De 10-6-risicocontour voor het plaatsgebonden risico van nieuwe risicobronnen zoals bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving mogen niet over (geprojecteerde) (beperkt) beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen komen te liggen.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
18.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-Omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • e. Het eerste lid is niet van toepassing op het voortzetten van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone'.