| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0984.TAM25003-on01 |
In de hoek van de Ringweg en de Kievitsweg te Ysselsteyn (gemeente Venray), aan de rand van de oostelijke zijde van de kern Ysselsteyn, ligt een agrarisch perceel. Recentelijk heeft op het naastgelegen terrein een woonwijkontwikkeling plaatsgevonden 'Kievitsweg 6 t/m 16 - Kievitsakker Ysselsteyn' (hierna: Kievitsakker I).
De aanleiding voor het wijzigen van het Omgevingsplan van de gemeente Venray betreft de ontwikkeling van de woonwijk 'Ringweg/Kievitsweg', die aansluit op de bestaande woonwijk Kievitsakker I. De ontwikkeling van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg zal plaatsvinden op het perceel kadastraal bekend als gemeente Venray - sectie M - perceelsnummer 1775 (ged.). De ontwikkeling bestaat uit de bouw van 42 wooneenheden.
In onderstaande figuur wordt de ligging van de beoogde woonwijk, in de hoek van de Ringweg en de Kievitsweg weergegeven (rood omcirkeld).
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied (rood omcirkeld).
Ter plaatse van het plangebied vigeert het van rechtswege verkregen 'Omgevingsplan gemeente Venray' (hierna: het Omgevingsplan). Dit Omgevingsplan is in werking getreden op 1 januari 2024. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn alle geldende ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, e.d.) onderdeel van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Venray.
In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels voor onderhavige locatie opgenomen. Daar er nog geen specifieke regels zijn vastgesteld in het Omgevingsplan is voor onderhavige locatie het bestemmingsplan 'Ysselsteyn', vastgesteld op 27 september 2016 door de gemeenteraad van Venray, geraadpleegd.
Op grond van het bestemmingsplan 'Ysselsteyn' kent het plangebied de functies 'Agrarisch' en 'Waarde - Archeologie 4'. De als 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, dagrecreatief medegebruik, erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages, bestaande voorzieningen van openbaar nut en hobbyweides.
Binnen de functie 'Agrarisch' is de ontwikkeling van de beoogde woonwijk niet in overeenstemming met het geldend planologisch-juridisch kader. Onderhavig voornemen is enkel mogelijk te maken middels een wijziging van het Omgevingsplan.
Aan de hand van voorliggende Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-Omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO.
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Venray - sectie M - perceelsnummer 1775 (ged.). Het gehele kadastrale perceel 'VRY00-M-1775', waarop onderhavig plangebied ligt, heeft een oppervlakte van 13.215 m² (1,3 hectare). Hiervan zal circa 11.420 m² (1,1 hectare) deel uit maken van het daadwerkelijk plangebied.
Onderhavige locatie ligt aan de oostelijke zijde van de kern Ysselsteyn in de hoek van de Kievitsweg en de Ringweg. Ten zuiden van het plangebied ligt een agrarisch perceel (VRY00-M-1285) en de Puttenweg, de hoofdontsluitingsweg van Ysselsteyn. De westzijde van de locatie wordt begrensd door de woonwijk Kievitsakker I.
Onderstaande luchtfoto en kadastrale kaart duiden de ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de omgeving aan.
Uitsnede luchtfoto en kadastrale kaart met aanduiding plangebied.
Het perceel is momenteel in gebruik als agrarische grond waarop gewassen worden geteeld. De oostzijde van het plangebied wordt begrensd door de Ringweg. De Ringweg vormt voor Ysselsteyn de overgang van stedelijk gebied naar buitengebied. De Ringweg is kenmerkend door de robuuste laanbeplanting welke als behoudens waardig wordt beschouwd. Langs de oostzijde van de Ringweg zijn enkele ruime kavels gesitueerd met vrijstaande woningen. Aan de oostzijde van Ringweg is sprake van een open en verspreid bebouwingsbeeld.
Ten zuiden van het plangebied is de Puttenweg gelegen. Deze hoofdweg doorkruist Ysselsteyn en vormt een van de hoofdroutes naar omliggende kernen. Aan de Puttenweg is, ter hoogte van het plangebied, een dierenartsenpraktijk en geschakelde woningbouw gelegen.
Aan de westzijde van het plangebied heeft recentelijke de woonwijk ontwikkeling 'Kievitsakker I' plaatsgevonden. Kievitsakker I bestaat uit 19 wooneenheden, de woonwijk is een mix van rijwoningen, tweekappers en patiowoningen. De woningen zijn opgezet in een structuur van een groen hofje met daaromheen de woningbouw.
De bestaande situatie wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van navolgende oblique-luchtfoto's.
Oblique-luchtfoto's ter plaatse van het plangebied.
Onderhavig voornemen betreft de ontwikkeling van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg. Het voornemen is om een woonwijk te realiseren bestaande uit 42 woningen. Met betrekking tot de ontwikkeling van de wijk wordt nadrukkelijk aansluiting gezocht op de bestaande aangrenzende woonwijk Kievitsakker I, hierbij wordt de verkeersstructuur, groenstructuur en bebouwingsstructuur doorgezet naar het bouwplan Ringweg/Kievitsweg.
Het planvoornemen is verwerkt in onderstaand stedenbouwkundig plan (tevens volledig opgenomen in Bijlage 1).
Uitsnede Bijlage 1: Stedenbouwkundige schets Woonontwikkeling Kievitsweg, Ysselsteyn (gemeente Venray).
De programmering van de te realiseren woningen wordt verdeeld in verschillende categorieën om op deze manier de wijk aantrekkelijk te maken voor verschillende doelgroepen. De 42 woningen zijn verdeeld in de categorieën;
Met bovenstaande verdeling is het plan passend binnen de verdeelsleutel zoals opgenomen in de Doelgroepenverordening en de Woondeal, dit wordt nader gemotiveerd in paragraaf 4.4.4. Naast de realisatie van de woningen richt onderhavig plan zich ook op de bijhorende groenvoorzieningen, verkeerskundige voorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Onderverdeling plangebied t.o.v. stedenbouwkundige schets.
De woningen worden hoofdzakelijk projectmatig gerealiseerd. Enkel de kavels voor de vrijstaande woningen worden als vrije kavels uitgegeven. Op deze kavels kunnen bewoners, passend bij hun eigen programma van eisen, een woning realiseren.
Ieder bouwplan waarbij nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. De ruimtelijk-visuele effecten van onderhavig planvoornemen zijn verwerkt in een beeldkwaliteitplan.
Het beeldkwaliteitplan, zoals opgenomen in Bijlage 2 geeft richting aan de stedenbouwkundige, architectonische en landschappelijke uitwerking binnen de planlocatie. Het is een inspiratiebron voor architecten, zelfbouwers en de inrichters van de openbare ruimte. Daarnaast vormen de beeldkwaliteit eisen het toetsingskaders dat door de welstandcommissie bij het beoordelen van een bouwplan kan worden gehanteerd.
In het kader van het voornemen worden onderhavige gronden geheel ontwikkeld tot het bouwplan Ringweg/Kievitsweg. Het plangebied sluit aan de westzijde aan op het recent ontwikkeld woningbouwplan Kievitsakker I. Het voornemen is om de bestaande verkeers- en groenstructuur van deze eerste fase door te trekken naar onderhavig plan.
Het ontwerp van het de voorgenomen ontwikkeling gaat uit van een opzet waarbij de woningen zich alzijdig op de omgeving richten en in een groene-landschappelijke wijkopzet zijn gesitueerd. Hierbij wordt voor de bebouwingstructuur tevens nadrukkelijk aansluiting gezocht op de bestaande woonwijk Kievitsakker I.
Onderhavig plan kan worden gezien als een uitbreiding, dan wel verdere afronding, van het plan Kievitsakker I. Gelet op vorenstaande overwegingen wordt geconcludeerd dat de ruimtelijk-visuele effecten aanvaardbaar zijn.
Ter plaatse van het plangebied vigeert het van rechtswege verkregen 'Omgevingsplan gemeente Venray' (hierna: het Omgevingsplan). Dit Omgevingsplan is in werking getreden op 1 januari 2024. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn alle geldende ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, e.d.) onderdeel van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Venray.
In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels voor onderhavige locatie opgenomen. Daar er nog geen specifieke regels zijn vastgesteld in het Omgevingsplan is voor onderhavige locatie het bestemmingsplan 'Ysselsteyn', vastgesteld op 27 september 2016 door de gemeenteraad van Venray, geraadpleegd.
Ter plekke van onderhavige plangebied zijn de volgende planologisch-juridische relevante regels van toepassing.
Op basis van de 'oude' wetgeving is ter plaatse van onderhavige locatie het bestemmingsplan 'Ysselsteyn' van kracht, vastgesteld op 27 september 2016 door de gemeenteraad van Venray.
Op grond van het bestemmingsplan 'Ysselsteyn' heeft het plangebied de functie 'Agrarisch'. De als 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, dagrecreatief medegebruik, erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages, bestaande voorzieningen van openbaar nut en hobbyweides. Op een klein deel van het plangebied is tevens de functie 'Waarde - Archeologie 4' van kracht.
Een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan van rechtswege 'Ysselsteyn' is opgenomen in onderstaande afbeelding.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Ysselsteyn' met aanduiding plangebied (rood omkaderd).
Het doorvoeren van de beoogde ontwikkelingen is in strijd met het Omgevingsplan daar binnen de functie 'agrarisch' geen woningbouw - met in begrip van bijbehorende groenvoorzieningen, verkeerskundige voorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen - is toegestaan binnen het geldend planologisch-juridisch kader. Onderhavig voornemen is enkel mogelijk te maken middels een wijziging van het Omgevingsplan.
Aan de hand van voorliggende Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-Omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid en wordt het project hieraan getoetst. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de instructieregels Rijk (AMvB's). Voor de beschrijving van het provinciaal beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Voor de beschrijving van het regionale beleid is gebruik gemaakt van de Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Tot slot is het gemeentelijke beleid ontleend aan de Omgevingsvisie Venray 2023, de Omgevingsvisie Venray 2023 - Uitwerking Ysselsteyn en de Doelgroepenverordening Woningen Venray 2022.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: 'NOVI') vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden.
In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes:
In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen:
Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.
In de NOVI wordt ten aanzien van Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.
Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de algemene belangen zoals het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte en het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid van belang. Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen zoals genoemd in de NOVI in het geding zijn. Onderhavige locatie valt niet binnen een door het rijk gekenmerkte opgaven en/of ontwikkeling. Kortom, de beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB): het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit (Ob) richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels ter bescherming van de nationale belangen, waaronder:
Beoordeling
In Hoofdstuk 5 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder vereist is. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
Toetsing
Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de ladder voor duurzame verstedelijking betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. Dit wordt bepaald door de aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wanneer een ontwikkeling een 'stedelijke ontwikkeling' betreft.
Over de vraag wanneer precies sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak (d.d. 28 juni 2017, zaaknummer 201608869/1/R3). In deze uitspraak is onder andere overwogen dat een woningbouwplan van 12 of meer woningen een stedelijke ontwikkeling betreft. Daarnaast moet de Laddertoets alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Voorliggend voornemen ziet op een bouwplan van meer dan 12 woningen en gaat gepaard met een toename aan bouw- en gebruiksmogelijkheden door middel van een wijziging van het Omgevingsplan. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er middels onderhavig planvoornemen sprake is van een voldoende substantiële nieuwe stedelijke ontwikkeling.
In het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking en de behoefte aan onderhavige stedelijke ontwikkeling geldt dat de nieuwbouwopgave voor de regio Noord-Limburg is vastgelegd in de 'Regionale
woonvisie Noord-Limburg 2020-2024' (zie paragraaf 4.3.1). De regio Noord-Limburg stelt de kwalitatieve toets als leidende factor bij nieuwbouwontwikkelingen om zo de mismatch tussen vraag en aanbod te verkleinen. Voorliggend planvoornemen is reeds regionaal afgestemd en 'akkoord' bevonden.
Het woonbeleid en de woonbehoefte van de gemeente Venray is opgenomen in de 'Omgevingsvisie Venray 2023' inclusief de uitwerking voor Ysselsteyn, het 'Omgevingsprogramma Wonen' en de 'Doelgroepenverordening Woningen Venray 2022' (zie paragraaf 4.4).
In de Omgevingsvisie geeft de gemeente aan dat ze streven naar een bouwproductie van minimaal 2.000 woningen tot 2035, de uitwerking van deze ambitie is vastgesteld in het Omgevingsprogramma Wonen. De gemeente wil woningen bouwen in iedere kern. Verder geeft de gemeente aan dat ze een gevarieerd aanbod willen realiseren (in eigendom, type en prijs). Een aanbod dat passend is bij de behoefte en met bijzondere focus op betaalbaarheid. De Doelgroepenverordening vormt de wettelijke basis voor het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in onder andere omgevingsplannen.
Middels de Doelgroepenverordening regelt de gemeente Venray dat er voldoende woningen in het sociale en betaalbare segment worden gerealiseerd in nieuwe woningbouwontwikkelingen en dat deze woningen ook langjarig beschikbaar blijven voor de betreffende doelgroepen. Onderhavig woonprogramma voldoet aan de woningverdeling zoals vastgesteld in de Doelgroepenverordening Woningen Venray 2022 en de overige beleidsuitgangspunten van zowel de regio Noord-Limburg als de gemeente Venray.
Recent (mei 2025) is voor de gemeente Venray een Woningbehoefte-onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er 1.340 (+7%) tot 3.595 (+18%) huishoudens bijkomen tot het jaar 2050. Op dit moment zijn in de gemeente Venray plannen voor het toevoegen van 3.600 woningen (harde en zachte plancapaciteit, inclusief plannen voor sloop), waarvan 1.590 woningen gepland zijn vóór 2031. Dit is gelijk aan de netto woningbehoefte tot en met 2030 van 1.500 reguliere woningen (exclusief zorggeschikt) volgens het trendscenario. Op dit moment zijn 705 van de geplande woningen tot en met 2030 opgenomen in onherroepelijke plannen (harde plancapaciteit). Daarmee ligt er in de periode tot en met 2030 met name prioriteit in het 'hard' maken van bestaande woningplannen zoals onderhavig planvoornemen. Verder wordt geconcludeerd dat alle plannen nog daadwerkelijk gerealiseerd moeten worden om in de behoefte te kunnen voorzien. Dat maakt ook het waarmaken van de kwantitatieve opgave onzeker.
Voor de periode na 2030 is binnen de gemeente Venray nog onvoldoende harde plancapaciteit om te voorzien in de kwantitatieve woningbehoefte. De netto woningbehoefte tot en met 2040 bedraagt in totaal 2.890 woningen in het trendscenario. Rekening houdend met een plancapaciteit van 130% zijn er 3.755 woningen in plannen nodig. De huidige plancapaciteit van zowel harde als zachte plannen bedraagt 3.600 woningen. Duidelijk is dat binnen de gemeente Venray een sterkte behoefte is aan woningbouwplannen, zoals voorliggend voornemen, waarmee binnen de gemeente Venray kan worden voorzien in voldoende harde plancapaciteit.
Binnen het bestaand stedelijk gebied van Ysselsteyn is geen ruimte om onderhavig planvoornemen van 42 woningen te realiseren. Hoewel het planvoornemen niet plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, kan gesteld worden dat het plangebied wel is gelegen in de overgang van bestaand stedelijk gebied naar het buitengebied. Het plangebied sluit direct aan op bestaand stedelijk gebied, woonwijk Kievitsakker I. De planlocatie is onderdeel van het bestemmingsplan 'Ysselsteyn' en bevindt zich binnen 'de ring' van Ysselsteyn. Met 'de ring' van Ysselsteyn wordt geduid op de Ringweg welke een contour vormt rondom de kern en tevens een harde barrière is met het buitengebied. De gemeente Venray stelt in haar 'Omgevingsvisie Venray 2023 - Uitwerking Ysselsteyn' dat toekomstige woningbouwprojecten in Ysselsteyn, zoals voorliggend planvoornemen, kunnen plaats vinden binnen deze ring. Hierdoor kan onderhavig plangebied worden gezien als potentieel uitbreidingsgebied van het stedelijk gebied van Ysselsteyn. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich overwegend als een woongebied.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling een stedelijke ontwikkeling betreft zoals bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde rijksinstructieregels. Het plan is passend binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling.
Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden.
In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen.
Hoofdopgaven
In de Omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn:
Limburgse principes en algemene zonering
Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes:
Op basis van de POVI wordt onderscheid gemaakt tussen thematische visies en gebiedsgerichte visies hetgeen is onderverdeeld in 'zoneringen'. Onderhavig plangebied is, zoals navolgende afbeelding weergeeft, gelegen in de zone 'Buitengebied'.
Uitsnede provinciale zoneringen met aanduiding plangebied.
Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo'n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Zuid-Limburg zijn er in Noord- en Midden-Limburg meer mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk.
Hoewel het plangebied op grond van de Omgevingsvisie Limburg binnen het 'buitengebied' ligt, is middels voorliggend voornemen sprake van een logische uitbreiding van de kern Ysselsteyn. Het voornemen sluit tevens direct aan op de 'landelijke kern' en aangrenzende woonwijk Kievitsakker I. Het voornemen is tevens gelegen binnen 'de ring' van Ysselsteyn.
Visie Wonen en leefomgeving
De provincie onderscheidt in de Omgevingsvisie diverse thematische visies. Per thema beschrijft de provincie in de Omgevingsvisie het provinciale belang, de opgave, de ambities en waar de provincie voor kiest. Voor onderhavige voornemen is sprake van een ontwikkeling gericht op wonen. Daarop wordt in de (provinciale) thematische visie ‘Wonen en leefomgeving’ ingegaan. Aangegeven wordt dat er op het gebied van wonen en leefomgeving veel uitdagingen en kansen liggen. Zo vermeldt de Omgevingsvisie het volgende:
"De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom kiezen wij voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee spelen we in op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van onze inwoners zijn hierbij leidend."
Voorts wordt het volgende aangegeven:
"Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen."
Het provinciale beleid ten aanzien van wonen heeft een vertaling gekregen in de in maart 2023 door partijen (provincie Limburg, alle gemeenten in Limburg, woningcorporaties, en waterschap) ondertekende 'Limburgse Woondeal 2023-2030'. In deze woondeal is afgesproken dat voor de drie woonregio's in Limburg (Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg) er minimaal 26.550 woningen bij komen. Daarbij is tevens de ambitie uitgesproken voor nog eens 20.000 woningen extra. Op grond van de woondeal wordt gestreefd naar een productie van circa 3.000 woningen per jaar. Met de Woondeal Limburg wordt gestreefd naar betaalbaar wonen voor iedereen.
Onderhavig voornemen betreft de ontwikkeling van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg. Het voornemen is om een woonwijk te realiseren bestaande uit 42 woningen. De programmering van de te realiseren woningen wordt verdeeld in verschillende categorieën om op deze manier de wijk aantrekkelijk te maken voor verschillende doelgroepen. De 42 woningen zijn verdeeld in de categorieën;
Middels bovenstaande verdeling voldoet het voornemen aan de streefnorm van 2/3 betaalbaarheid, met 30% sociale huur conform de uitgangspunten van de Woondeal Limburg. Geconcludeerd kan worden dat middels voorliggend planvoornemen tegemoet wordt gekomen aan de provinciale doelen op het gebied van woningbouw.
Op 1 januari 2024 is de 'Omgevingsverordening Limburg' (OvL) in werking getreden De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de Omgevingsverordening Limburg.
In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:
Bij de OvL behoren een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Deze thematische kaart is in navolgende afbeelding inzichtelijk gemaakt en vervolgens nader uitgewerkt.
Gebiedsaanwijzingen Omgevingsverordening Limburg ter plekke van plangebied.
Instructieregel buitengebied
Op basis van de OvL is onderhavig plangebied gelegen binnen een gebied gekenmerkt als 'Buitengebied' op grond waarvan volgens de Omgevingsverordening specifieke regels gelden met betrekking tot:
Onderhavige ontwikkeling betreft de ontwikkeling van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg. Het voornemen is om een woonwijk te realiseren bestaande uit 42 woningen. Volgens artikel 12.1 van de OvL 'Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen' beschrijft een motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen dat:
ad. a: Zie paragraaf 4.2. Aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
ad. b: Zie de in subparagraaf 4.1.3 opgenomen toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
ad. c: Onderhavig voornemen is passend binnen de doelstellingen en beleid van de regio Noord-Limburg. Ook is het voornemen regionaal afgestemd en 'akkoord' bevonden. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen. Aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
ad. d: Het plan wordt opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, plannen worden periodiek door de gemeente doorgegeven aan de provincie. Aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
ad. e: Tussen de gemeente Venray en initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze anterieure overeenkomst is een realisatieplicht opgenomen waarmee aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de 'Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen' zoals opgenomen in artikel 12.1 van de OvL.
Instructieregel overstromingskansgebied C (Artikel 3.1 OvL)
Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied C' een gemiddelde overstromingskans per jaar van 1:25 als omgevingswaarde.
De omgevingswaarden bedoeld in het OvL zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. Onderhavig planvoornemen levert geen strijdigheid op met onderhavige provinciale (instructie)regels. Op het aspect water wordt in paragraaf 5.10 van voorliggende motivering nader ingegaan.
Onderhavig plan levert geen strijd op met de Provinciale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde provinciale instructieregels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Het plan is passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie en er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend plan.
Het regionale woningbouwbeleid is vastgelegd in de 'Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024'. De regionale woonvisie geeft richting aan het woonbeleid voor de periode 2020-2024 voor de acht Noord-Limburgse gemeenten, waaronder ook de gemeente Venray.
Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen.
In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:
Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuw woonwijk bestaande uit 42 woningen. Middels voorliggend voornemen is sprake van een logische uitbreiding van de kern Ysselsteyn. De programmering van de te realiseren woningen wordt verdeeld in verschillende categorieën om op deze manier de wijk aantrekkelijk te maken voor verschillende doelgroepen en doorstroming binnen Ysselsteyn te bevorderen. De 42 woningen zijn verdeeld in de categorieën;
Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat het planvoornemen zowel qua aard, ligging als woningverdeling passend is binnen de uitgangspunten van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024.Voorliggend planvoornemen is regionaal afgestemd en 'akkoord' bevonden. Middels het voornemen wordt een bijdragen geleverd aan het voorzien in de vraag naar woningen binnen Ysselsteyn.
Onderhavig voornemen is passend binnen de doelstellingen en beleid van de regio Noord-Limburg. Ook is het voornemen regionaal afgestemd en 'akkoord' bevonden. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen.
Op 21 december 2023 heeft de gemeenteraad van Venray de 'Omgevingsvisie Venray 2023' (hierna; de Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’. In de Omgevingsvisie komen de verschillende opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie en woningbouw samen in vier integrale hoofd ambities voor de komende 10 à 20 jaar. Deze ambities zijn:
Uitsnede kaart gebieden bij Omgevingsvisie Venray 2023.
Agrarisch gebied:
Het gebied waarbinnen het bouwplan Ringweg/Kievitsweg ligt kenmerkt zich, gelet op de kaart behorende bij de Omgevingsvisie, als 'Agrarisch gebied'. De gemeente streef naar een agrarisch gebied waarin functies tussen wonen en intensieve veehouderij meer zijn gescheiden. In de kernrandzones en woonclusters wonen we met minder geuroverlast. In het overig agrarische gebied ligt de nadruk op landbouw. Deze gebiedsgerichte benadering zorgt voor een juiste balans tussen wonen, recreatie en veehouderij in het agrarisch gebied.
Binnen het agrarisch gebied wordt het bouwen van woningen, energietransitie en de mogelijkheid tot recreëren op de juiste plek ingepast en gaat het niet ten koste van het landschap. Er zijn een groot aantal veranderingen gaande waardoor het agrarisch gebied wezenlijk gaat veranderen. Veelal wordt gesproken over een transitie van het landelijk gebied.
Met betrekking tot nieuwe woningen wordt gesteld dat deze enkel toe worden gestaan in de kernrandzones en bestaande woonclusters. Omschakeling van bedrijfswoning naar burgerwoning is wel mogelijk, daar waar het kan. Voorliggende ontwikkeling van een nieuwe woonwijk bestaande uit 42 woningen is niet in strijd met de gemeentelijke visie voor het agrarisch gebied daar de ontwikkeling is gelegen in de kernrandzone van Ysselsteyn.
Woongebied:
Direct ten noorden en ten westen van het plangebied zijn de gronden, gelet op de kaart behorende bij de Omgevingsvisie gekenmerkt als 'Woongebied'. Voor dergelijke gebieden wordt gesteld dat Venray en de dorpen een fijn woonklimaat kennen. Tegelijkertijd kent de gemeente Venray een woningtekort, zowel voor jongeren als voor ouderen. Venray wil bouwen voor behoefte en stuurt meer op kwaliteit van woningen. De gemeente Venray ziet oplossingen bij het bouwen van woningen die meer aansluiten bij het toekomstperspectief.
Met betrekking tot het toekomstperspectief geeft de gemeente aan dat de woongebieden in Venray over een aantal jaar zijn veranderd in groene wijken en dorpen waar jong en ouder over een woning beschikken die past bij hun levensfase en levensstijl. De gemeente geeft aan dat er in de toekomst binnen Venray voldoende betaalbare en voldoende nultredenwoningen zijn. Verder zetten ze in op een groene woonomgeving, bijzondere woonvormen en vitale gemeenschappen die voor elkaar zorgen. De mens staat centraal en de inwoners van Venray hebben de kansen en keuzemogelijkheden om te kunnen deelnemen aan de samenleving.
Onderhavig plangebied ligt momenteel niet rechtstreeks in een gebied aangeduid als 'woongebied'. Echter is het voornemen, de realisatie van een nieuwe woonwijk bestaande uit 42 woningen, wel passend binnen de visie voor een dergelijk gebied.
Gelet op de gemeentelijke visies voor zowel de 'agrarische gebieden' als 'woongebieden' sluit onderhavig planvoornemen aan bij het toekomstperspectief en de ambities zoals de gemeente Venray deze vorm heeft gegeven in de Omgevingsvisie.
Elk dorp binnen de gemeente Venray heeft zijn eigen identiteit en ambities. Derhalve is, als onderdeel van de Omgevingsvisie Venray 2023, voor ieder dorp een specifieke uitwerking van dergelijke identiteit en ambities opgesteld.
Ysselsteyn is een van de grootste dorpen van Venray en kent een relatief jonge geschiedenis: het dorp is in de jaren twintig van de vorige eeuw gesticht als ontginningsdorp. Het ontwerp van het dorp is duidelijk herkenbaar in het rechthoekige verkavelingspatroon. Kenmerkend voor Ysselsteyn zijn ook de lange zichtlijnen door het dorp naar het open buitengebied. Ook het omliggend landschap kenmerkt zich door de jonge ontginningen: een open landschap met kaarsrecht lopende wegen en sloten.
Met betrekking tot Ysselsteyn wordt gesteld dat door ontgroening en vergrijzing de samenstelling van het dorp verandert. Huisvesting voor starters en ouderen verdient hierdoor extra aandacht. Uit lokaal onderzoek (dorps enquête) blijkt dat er onvoldoende aanbod is aan (huur)woningen voor ouderen, alleenstaanden en starters. Inmiddels zijn meerdere bouwplannen in ontwikkeling /voorbereiding om tegemoet te komen aan (een deel van) de woningvraag, zo ook voorliggend planvoornemen.
In de specifieke uitwerking voor het dorp Ysselsteyn wordt met betrekking tot het thema 'Wonen' gesteld dat er meer passende woningen moeten worden gerealiseerd voor een groei in inwonersaantal. Deze woningen moeten worden afgestemd op de woonbehoefte, die regelmatig gemonitord moet worden.
De gemeente stelt dat toekomstige woningbouwprojecten, zoals voorliggend planvoornemen, kunnen plaats vinden binnen 'de ring' van Ysselsteyn. Hiermee wordt geduid op de Ringweg welke een contour vormt rondom de kern en tevens een harde barrière met het buitengebied. Het plangebied van voorliggend voornemen is gelegen binnen deze ring.
Ysselsteyn wil de aantrekkelijkheid van het dorp vergroten door onder andere meer bomen en groen, behoud of uitbreiding van faciliteiten, zodat zowel mensen van binnen als buiten Ysselsteyn zich willen vestigen.
Onderhavig voornemen is passend binnen de uitgangspunten van 'Omgevingsvisie Venray 2023 - Uitwerking Ysselsteyn'.
In de gemeente Venray is sprake van een toenemend tekort aan huur- en koopwoningen, in alle typen en prijsklassen. Met het ‘Omgevingsprogramma Wonen' wil de gemeente meer regie pakken bij woningbouwprojecten en werken aan versnelling, verandering en verduurzaming.
Doelgroepen en de juiste woning op de juiste plek
Bij elke doelgroep is er sprake van een tekort. Het is de ambitie van de gemeente om meer aan te sluiten bij de behoeften van inwoners. Daarom betrekt de gemeente ook de dorps- en de wijkraden onder het motto: de juiste
woning op de juiste plek voor de juiste doelgroep. Zo wordt ervoor gezorgd dat de juiste woningen gebouwd worden.
Vijf thema's
In het Omgevingsprogramma Wonen van de gemeente Venray zijn de volgende vijf thema's als speerpunt opgenomen:
- gemiddeld 150 woningen per jaar de komende tien jaar;
- de eerste jaren zelfs 200 woningen per jaar.
Met de voorgenomen ontwikkelingen wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen zoals opgenomen in het Omgevingsprogramma Wonen. Het voornemen ziet op de realisatie van een duurzaam en gevarieerd woningbouwprogramma binnen de ring van Ysselsteyn. Naast de realisatie van de woningen richt onderhavig plan zich ook op de bijhorende groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen waarmee wordt aangesloten op bij het streven naar meer groen in de kernen en wijken van Venray.
De realisatie van de beoogde woningen sluit in de basis aan bij het woningbouwprogramma zoals opgenomen in het Omgevingsprogramma Wonen, het woningbouwprogramma van onderhavig voornemen is nader uitgewerkt in paragraaf 4.4.4.
Onderhavig voornemen is passend binnen de uitgangspunten van het 'Omgevingsprogramma Wonen'.
Op 13 december 2022 heeft de gemeenteraad van Venray de Doelgroepenverordening Wonen Venray 2022 (hierna: de Doelgroepenverordening) vastgesteld. De Doelgroepenverordening vormt de wettelijke basis voor het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in omgevingsplannen, (anterieure) overeenkomsten en exploitatieplannen. De Doelgroepenverordening heeft alleen betrekking op (ver)nieuwbouw en de instandhouding daarvan.
Middels de Doelgroepenverordening regelt de gemeente Venray dat er voldoende woningen in het sociale en betaalbare segment worden gerealiseerd in nieuwe woningbouwontwikkelingen en dat deze woningen ook langjarig beschikbaar blijven voor de betreffende doelgroepen. Met deze Doelgroepenverordening is, naast het Omgevingsprogramma Wonen, ook rekening gehouden met recente ontwikkelingen op rijksniveau.
Het voornemen ziet op de realisatie van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, bestaande uit 42 woningen. Gelet op de Doelgroepenverordening is het volgende woningbouwprogramma tot stand gekomen:
Tabel woningbouwprogramma bouwplan Ringweg/ Kievitsweg.
Middels bovenstaande verdeling voldoet het planvoornemen aan de voorwaarden zoals vastgesteld in de Doelgroepenverordening Woningen Venray 2022. Het beoogde woonprogramma van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg is vastgelegd in de zowel de planregels voor de functie 'Wonen' (artikel 10) en de algemene regels met betrekking tot het realiseren van een gevarieerd, sociaal en betaalbaar woningbouwprogramma (artikel 17.4).
Gelet op de vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.
Bij de realisering van een project moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voor onderhavig project relevante aspecten.
Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.
De regelgeving met betrekking tot de 'gezondheid' is sterk afhankelijk van het gemeentelijke beleid. Ter plaatse van onderhavige locatie zijn, op grond van het Omgevingsplan gemeente Venray, diverse regels van toepassing ten behoeve van het beschermen van de gezondheid.
De hieronder genoemde artikelen uit het Omgevingsplan gemeente Venray (afkomstig uit de Bruidsschat) hebben betrekking op gezondheid en zijn ter plaatse van onderhavige locatie van toepassing:
Onderhavig planvoornemen voldoet, daar waar nodig, aan bovenstaande artikelen uit de Bruidsschat zoals opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Venray. De genoemde artikelen vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging is het bij voorliggend planvoornemen verplicht om een spuitvrije zone aan te houden. Een spuitvrije zone is van belang voor de (planologische) borging van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van het nieuwbouwplan alsmede de juridische houdbaarheid van voorliggend TAM-Omgevingsplan.
Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt.
Binnen een afstand van 50 meter rondom het plangebied zijn meerdere agrarische percelen gelegen waarop mogelijk kan worden gespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Navolgende afbeelding geeft de spuitcirkel van 50 meter rondom het plangebied weer.
Situatietekening plangebied met spuitcirkel van 50 meter rondom bestemming 'wonen'.
In het kader van dit voornemen is overleg gevoerd met de eigenaren van agrarische percelen die binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied liggen. Met al deze eigenaren is, of wordt op korte termijn, een overeenkomst of verklaring ondertekend waarin is vastgelegd dat zij, ter plekke van het eigendomsperceel geen gebruik meer maken van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen.
Daarnaast hebben de eigenaren middels het ondertekenen van de overeenkomst ook ingestemd met het vastleggen van een spuitbeperking voor het bedrijfsmatig toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op hun (deel van het) perceel dat een agrarische functie kent en binnen de 50 meter afstand vanaf het plangebied ligt. Deze spuitbeperking betreft een publiekrechtelijk verbod op het bedrijfsmatig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op (dat deel van) hun perceel/percelen.
Meer specifiek betreft het in deze de gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van de voor deze middelen gevoelige functies. Onder voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven.
Om desbetreffende spuitvrije zone planologisch goed vast te leggen is in de planregels en de bijbehorende verbeelding van het voorliggende TAM-Omgevingsplan, een 'milieuzone – spuitvrije zone' opgenomen. Hiermee wordt verzekerd dat ter plaatse van de toekomstige woningen binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect 'spuitzones'.
Omdat nog niet alle eigenaren van de omliggende agrarische percelen daadwerkelijk een overeenkomst of verklaring ondertekend hebben waarin is vastgelegd dat zij, ter plekke van het eigendomsperceel geen gebruik meer maken van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen is er in artikel 10.6.2 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen met bijhorende tuinen. De omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen met bijbehorende tuinen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - spuitzone', mag pas worden verleend nadat binnen 50 m van de beoogde woningen en de bijbehorende tuinen het telen van gewassen met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen aangrenzende agrarische percelen niet meer mogelijk is.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van gezondheid voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'gezondheid' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.).
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat').
Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het Omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het Omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).
Onderhavig planvoornemen, het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, ziet op het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen (42 woningen). De woonwijk ontwikkeling is niet gelegen in een zone of aandachtsgebied voor industrie- of railverkeerslawaai.
Omdat er nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd is de geluidsbelasting op de gevels van de woningen berekend ten gevolge van het omliggend wegennet. Deze geluidsbelasting is getoetst aan de normstelling uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Wet geluidhinder (daar deze wegens overgansrecht nog van toepassing is op het geluid van provinciale wegen). Tevens is bepaald wat de gezamenlijke geluidbelasting ter hoogte van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg is, dit zodat bezien kan worden of extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn.
De berekeningen van de gevelbelasting zijn uitgevoerd met behulp van de rekenmethode volgens de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet. Hiertoe is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu van DGMR. Het akoestisch onderzoek naar het de gevelbelasting ter plaatse van onderhavig voornemen is uitgevoerd door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV, de rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3 Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting, Aelmans ROM B.V. (d.d. 20-05-2025).
Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de N270 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan overschrijdt waardoor geen hogere waarde procedure doorlopen hoeft te worden.
Omdat het gezamenlijk geluid kleiner of gelijk is aan 53 dB, is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet nodig. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
Met betrekking tot het aspect geluid kan in de fysieke leefomgeving sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsmatige activiteiten die plaatsvinden op of nabij onderhavige locatie. Dit aspect is nader beoordeeld in paragraaf 5.12.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen, e.d. voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een goed woon- en leefklimaat evenals een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'geluid' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.
Als gevolg van voorliggend plan kunnen de nieuw activiteiten invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve hiervan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect.
Binnen de getalsmatige grenzen van de 'Standaardgevallen NIBM', zoals opgenomen in artikel 5.54 van het Bkl, draag in project altijd 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Volgens artikel 5.53 onder b. leidt het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van 1,2 µg/m³ of minder als het gaat over het toelaten van woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang. Het voornemen ziet op het toelaten van 42 nieuwe wooneenheden. Gesteld kan worden dat het voornemen binnen de 'Standaardgevallen NIBM' en zo ook het 3% criterium van de NIBM-grens blijft. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van de kwaliteit van de buitenlucht voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
In de fysieke leefomgeving kunnen (bedrijfsmatige) activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving').
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.
In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.
In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.
Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is.
De gemeente Venray heeft op 11 november 2011 de 'Verordening geurhinder en veehouderijen gemeente Venray 2011' vastgesteld. In deze verordening wijkt de gemeente Venray deels af van de wettelijke normen uit de Wgv. De geurverordening van de gemeente Venray stelt de volgende normen:
Bovenstaande normstelling heeft de gemeente Venray onderbouwd in de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij (inclusief aanvulling uit 2011).
Met betrekking tot het aspect 'geur' zijn de veehouderijen met geuremissies in de omgeving van het plangebied berekend en in kaart gebracht, de gemaakte kaarten zijn bijgevoegd als Bijlage 4. Bij het opstellen van deze kaart is gebruik gemaakt van 'default' parameters voor alle bedrijven, behalve de twee bedrijven op de Ysselsteynseweg 63 en 67 daar deze de hoogste bijdrage aan de geurbelasting op het plangebied hebben. Voor de bedrijven op de Ysselsteynseweg 63 en 67 zijn detail-parameters gebruikt op emissiepuntniveau.
Uitsnede Bijlage 4: Veehouderij en geuremissie omgeving plangebied.
Zoals zichtbaar op navolgende kaart is het plangebied hoofdzakelijk aangeduid als 'buitengebied'. Een deel van het plangebied is aangeduid als 'bestaand woongebied'.
Uitsnede kaart 'Gemeentelijke normstelling Verordening 2011' met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd).
Voor de delen van het plangebied die zijn aangeduid als 'buitengebied' geldt een geurnorm van 14 ouE/m3. Voor het noordelijke deel van het plangebied dat binnen de aanduiding 'bestaande woongebieden' valt geldt een geurnorm van 3 ouE/m3.
Op navolgende overzichtskaart zijn de achtergrondbelasting geur en tevens de belangrijkste geurcontouren van bedrijven (voorgrondbelasting) opgenomen. Zowel de achter- als voorgrondbelasting worden vervolgens nader toegelicht.
Uitsnede Bijlage 4: Overzichtskaart voor- en achtergrondbelasting geur.
Achtergrondbelasting
Voor nieuwe bouwplannen binnen het invloedsgebied van intensieve veehouderijen geldt dat, alvorens gebouwd kan worden, verzekerd dient te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Zoals zichtbaar op navolgende afbeelding blijkt dat ter plaatse van de woningen binnen het plangebied, met in achtneming van de vergunde situatie, sprake is van een achtergrondbelasting geur tussen de 14,4 ouE/m3 en 17,6 ouE/m3. Hierdoor wordt het leefklimaat ter plaatse van het plangebied gekwalificeerd als 'matig'.
Uitsnede Bijlage 4: Achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder plangebied en omgeving.
Gelet op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij (inclusief aanvulling uit 2011) is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat daar waar de gemiddelde achtergrondbelasting onder de maximaal waarde voor de achtergrondbelasting ligt. Deze maximale waarde achtergrondbelasting waarbij nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voor zowel het buitengebied als het bestaande woongebied 20 ouE/m3. Verder wordt aan de vaste afstanden van 50 meter en 100 meter tot veehouderijen voldaan.
Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van omliggende veehouderijen waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Ondanks dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en klimaat ter plaatse van het plangebied, op basis van de vergunde situatie, is alsnog middels navolgende afbeelding een doorkijk weergeven naar een mogelijke toekomstige situatie. In die situatie is de achtergrondbelasting berekend waarbij de geuremissie van bedrijven die naar verwachting/ mogelijk stoppen niet is meegerekend. In de weergegeven situatie zou de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied vrijwel halveren tot 8 ouE/m3 á 9 ouE/m3.
Uitsnede Bijlage 4: Scenario verwachte/ mogelijke stoppers - Achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder plangebied en omgeving.
Voorgrondbelasting
Voor het grootste deel van het plangebied geldt conform de Geurverordening een geurnorm van 14 ouE/m3. Aan de noordzijde van het plangebied geldt conform de Geurverordening een geurnorm van 3 ouE/m3.
Zoals zichtbaar op navolgende afbeeldingen liggen de 3 ouE/m3-geurcontour van de Ysselsteynseweg 63 en 67 over het plangebied heen en met name over het noordwestelijk deel waar een geurnorm van 3 ouE/m3 vigerend is.
Uitsnede Bijlage 4: Geurhindercontouren en voorgrondbelasting Ysselsteynseweg 67.
Uitsnede Bijlage 4: Geurhindercontouren en voorgrondbelasting Ysselsteynseweg 63.
Gesteld wordt dat de vigerende geurnorm van 14 ouE/m3 binnen het plangebied nergens wordt overschreden. De aan de noordzijde van het plangebied vigerende geurnorm van 3 ouE/m3 wordt beperkt overschreden. Ondanks deze overschrijding van de geurnorm kan het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, met in achtneming van de hogere achtergrondbelasting, alsnog acceptabel worden geacht.
Omgekeerde werking
Naast het toetsten van het woon- en klimaat ter plaatse van de beoogde woningen, is het tevens van belang dat de bestaande bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door voorliggende ontwikkeling (de zogenaamde omgekeerde werking).
Gesteld wordt dat voorliggende ontwikkeling geen invloed heeft op de reeds aanwezige bedrijfsvoering in de omgeving, aangezien er al bestaande woningen meer belemmerend zijn dat de beoogde woningen. De voorgrondbelasting op het dichtst bij de veehouderijen gelegen punt, het noordoostelijk hoekpunt van het plangebied, is in beide gevallen net iets lager dan de geurbelasting op de hoekpunten van de ten noorden van het plangebied gelegen woning Kievitsweg 15. Kievitsweg 15 ligt dichter bij de veehouderij en is daardoor altijd het eerste en meest belemmerende object t.o.v. Ysselsteynseweg 63 en Ysselsteynseweg 67. Omgekeerde werking is daardoor in voorliggende situatie niet aan de orde.
Op basis van het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de achtergrondbelasting voldoet aan de gemeentelijke normen zoals opgenomen in de 'Verordening geurhinder en veehouderijen gemeente Venray 2011'. Vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan hiermee geen belemmeringen voor het beoogde bouwplan Ringweg/Kievitsweg. Bovendien worden de veehouderijen in de omgeving niet beperkt als gevolg van deze ontwikkeling, omdat andere woningen in de omgeving dichter bij de veehouderijen zijn gelegen.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geur voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'geur' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
Onderhavig planvoornemen, het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, ziet op het mogelijk maken van nieuwe bodemgevoelige gebouwen, zijnde 42 woningen. In dat kader is ten behoeve van het project een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar het voorkomen van asbest uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde woonwijk. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest, Aelmans Milieu Voerendaal B.V. (d.d. 13-11-2024).
Ter plaatse van het te onderzoeken perceel zijn een 21-tal boringen deels in combinatie met inspectiegaten systematisch verdeeld over het te onderzoeken perceel. De boven- en ondergrond van de alhier geplaatste boringen is analytisch onderzocht in een 5-tal grondmengmonsters.
Op basis van een indicatieve toetsing kan de boven- en ondergrond als klasse 'Landbouw/natuur' worden gekwalificeerd.
Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt dat diverse licht verhoogde concentraties PFAS boven de detectielimiet zijn aangetroffen, maar deze gehaltes overschrijden niet de maximale waarde voor klasse Landbouw/natuur.
Verder zijn in het grondwater verhoogde concentraties koper en molybdeen aangetroffen. Voornoemde parameters overschrijden niet het huidige toetsingscriterium.
Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuigelijk geen asbestverdachte plaatmaterialen aangetoond. Geen van de onderzochte asbestconcentraties overschrijden de detectiegrenzen van 2 mg/kg ds.
Het onderzoek concludeert dat met de betrekking tot het aspect 'grond en grondwater' de hypothese "onverdacht", op basis van de onderzoeksresultaten, wordt bevestigd.
Met betrekking tot het aspect 'asbest' wordt tevens op basis van de bevindingen van voornoemd zintuigelijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek de hypothese “onverdacht” bevestigd.
Naar aanleiding van de bevindingen van het verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar het voorkomen van asbest zijn er geen belemmeringen en/of beperkingen verbonden aan de voorgenomen herbestemming van het perceel en het beoogde gebruik ten behoeve van woondoeleinden.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen.
Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar ontplofbare oorlogsresten (OO). Met behulp een het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren.
Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische planprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter ten allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
In het kader van het vorenstaande is ter plaatse van het plangebied op 8 juli 2025 een non-realtime passieve oppervlaktedetectie uitgevoerd door Heijmans Infra B.V. Bodem. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. In de rapportage van het 'Verkort detectierapport Opsporing Ontplofbare Oorlogsresten' wordt geadviseerd om het plangebied van de eerste 20 tot 30 cm te ontdoen door middel van afgraven en vervolgens nieuwe passieve oppervlaktedetectie toe te passen.
Na de nieuwe detectie, na benadering, identificatie en daar waar mogelijk het wegnemen van de objecten kunnen deze locaties vrijgegeven worden voor vervolgwerkzaamheden, zijnde het herinrichten van het plangebied. Dit advies zal worden opgevolgd alvorens vervolgwerkzaamheden ter realisatie van onderhavig planvoornemen worden uitgevoerd.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
Het plangebied wordt aan de noordzijde ontsloten via de Kievitsweg en aan de oostzijde aan de Ringweg. Beide wegen zijn vervolgens verder ontsloten op de Puttenweg (N277).
De Kievitsweg betreft een 30 km/uur weg. De ringweg betreft in de huidige situatie binnen de bebouwde kom een 30 km/uur weg, buiten de bebouwde kom mag op de Ringweg 60 km/uur worden gereden. Voor de Puttenweg geldt binnen de bebouwde kom een maximale snelheid van 50 km/uur, daarbuiten geldt 80 km/uur.
Als gevolg van onderhavig planvoornemen, het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, zal sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen op en rondom het plangebied. Volgens CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024 - basis voor parkeernormering' zal het bouwplan Ringweg/Kievitsweg een verkeersgeneratie van circa 245 motorvoertuigbewegingen per etmaal tot gevolg hebben op een gemiddelde weekdag. Hierbij is uitgegaan van de volgende berekening:
Berekening gemiddeld verkeersgeneratie bouwplan Ringweg/Kievitsweg op een gemiddelde weekdag.
Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe, in vergelijk met het totaal aantal verkeersbewegingen over de weg, toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Het plangebied is verder ook goed ontsloten voor langzaam verkeer.
De gemeente Venray hanteert met betrekking tot hun parkeerbeleid de 'Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray'. Voorliggend voornemen ziet op het mogelijk maken van 42 woningen bestaande uit verschillende categorieën.
Conform de gemeentelijke beleidsregel geldt een parkeernorm van 2 parkeerplekken per woonhuis en 1,5 parkeerplek per appartement. Het voornemen voorziet, op basis van deze verdeling, in de realisatie van 24 'woonhuizen' en 18 'appartementen'. Gelet op deze uitgangspunten dient in het kader van voorliggend plan te worden voldaan aan een parkeerbehoefte van in totaal ((24 x 2,0) + (18 x 1,5)=) 75 parkeerplekken. Hierbij is uitgegaan van de volgende berekening:
Berekening parkeerbehoefte bouwplan Ringweg/Kievitsweg.
In onderhavig plan wordt in beginsel afgeweken van de Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray, echter wordt wel gehandeld in lijn met de beleidsnota. In het kader van onderhavig plan kunnen niet op ieder woonperceel de benodigde parkeerplekken worden gerealiseerd. Derhalve worden een deel van de benodigde parkeerplekken opgevangen in de openbare ruimte. Bovenstaande tabel en navolgende afbeelding maakt inzichtelijk hoe de benodigde parkeerplekken worden verdeeld over de percelen/ de openbare ruimte binnen het plangebied. Gelet op het vorenstaande voorziet beoogde ontwikkeling hiermee in de parkeerbehoefte die ontstaat bij onderhavige ontwikkeling.
Verkeersstructuur en parkeren bouwplan Ringweg/Kievitsweg.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Wegen, verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises.
Het beleid in het kader van de omgevingsveiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer ervan.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid opgenomen in de instructieregels afdeling 5.1.2 Bkl. In het algemeen wordt onderscheidt gemaakt tussen:
In het Bkl worden risicovolle activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten:
Indien sprake is van een risicovolle activiteit kan daarvoor ook een 'aandachtsgebied' toegewezen zijn. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage VI, Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd.
Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven.
Voor het in beeld brengen van mogelijke veiligheidsrisico’s is het Register Externe Veiligheid (REV) online geraadpleegd. Op deze kaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.
Uitsnede Atlas Leefomgeving - Register Externe Veiligheid, 2024.
Uit het REV blijkt dat binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied geen risicovolle activiteiten plaatsvinden waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden. Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risiconorm of aandachtsgebied van een risicovolle activiteit.
Verder kan gesteld worden dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van het plangebied bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is het project in het kader van de omgevingsveiligheid verantwoord te noemen, er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
In het kader van de omgevingsveiligheid is door de gemeente Venray om advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord (VRLN). De VRLN heeft middels een vooroverlegreactie per brief (d.d. 17 maart 2025) een advies uitgebracht aan de gemeente Venray, desbetreffende brief is bijgevoegd als Bijlage 15. De VRLN stelt dat de aanleg van brandkranen en andere bluswatervoorzieningen een taak is van de Waterleiding Maatschappij Limburg (WML). De VRLN kan aan de WML advies uitbrengen over de locatie en capaciteit van desbetreffende voorzieningen. Het is aan de WML om de aanleg van brandkranen en andere bluswatervoorzieningen verder op te pakken en een voorstel voor een projectering te maken dat voldoet aan het gemeentelijk beleid voor bluswater. Dit voorstel zal het de WML vervolgens aan de gemeente voorleggen, daar waar nodig zal de gemeente haar rol nemen op dat gebied.
Het aspect omgevingsveiligheid is gelet op het vorenstaande geen beperking voor onderhavig initiatief.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden.
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot effecten in de natuurgebieden.
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het plangebied aanwezig.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Deurnsche Peel & Mariapeel. De Deurnsche Peel & Mariapeel bestaat uit meerdere deelgebieden, het gehele Natura 2000-gebied betreft zowel een Vogelrichtlijn als Habitatrichtlijn. Het meest dichtstbijzijnde deel van het gebied is gelegen op een afstand van circa 3,2 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Het overige deel van de Deurnsche Peel & Mariapeel is gelegen op een afstand van circa 3,7 kilometer ten zuiden van het plangebied.
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden.
Stikstofemissie kan mogelijk een indirect effect veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7 Stikstoftoets bouwplan Ringweg/Kievitsweg, Aelmans ROM B.V. (d.d. 08-07-2025). De losse AERIUS berekeningen van de realisatie- en gebruiksfase zijn separaat opgenomen als Bijlage 8 AERIUS berekening realisatiefase en Bijlage 9 AERIUS berekening gebruiksfase.
Uit de berekeningen is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie op een stikstof gevoelig natuurgebied. De depositie bedraagt 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Bij voorliggend planvoornemen is geen gebruik gemaakt van intern salderen. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen met zekerheid worden uitgesloten.
De uitkomsten van de stikstoftoets geven, nu er geen gebruik is gemaakt van intern salderen, geen aanleiding voor het aanvragen van een vergunning voor een Natura 2000 activiteit of verklaring van geen bedenkingen vanwege mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden.
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde dier- en plantensoorten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd waardoor voor vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Het gehele kadastrale perceel waarop onderhavig plangebied is gelegen heeft een oppervlakte van 13.215 m² (1,3 hectare), hiervan zal circa 11.420 m² (1,1 hectare) deel uit maken van het plangebied.
Het perceel is momenteel in gebruik als agrarische grond waarop gewassen worden geteeld. Rond om het plangebied staan verschillende bomen. Deze bomen worden allemaal behouden, een aantal bomen aan de noordzijde van het plangebied worden echter beperkt verplaats zodat deze niet voor de opritten van de beoogde woningen komen te staan.
Onderhavig voornemen ziet op het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, een woonwijk bestaande uit 42 woningen. Naast de realisatie van de woningen richt onderhavig plan zich ook op de bijhorende groenvoorzieningen, verkeerskundige voorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen, zo worden verschillende groenvoorzieningen en bomen binnen het plangebied aangeplant.
Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is er een quickscan met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora en fauna ter plaatse van het plangebied aan de Kievitsweg te Ysselsteyn uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 10 Quickscan Flora en Fauna, Aelmans Milieu Oss B.V. (d.d. 09-07-2024).
Uit het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat kan worden uitgesloten dat de realisatie van onderhavig planvoornemen geen negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet.
De rapportage stelt dat de bomen rondom het plangebied kunnen dienen als nestgelegenheid voor diverse vogels. Ook kunnen weidevogels broeden in het grasveld. Op basis van artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Verder wordt aangeven dat werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) dienen uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is zal er voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.
Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden.
De provincie Limburg heeft per brief d.d. 27 maart 2025 (zie Bijlage 14) geadviseerd omtrent het voorontwerp plan. De provincie vraagt om een tweetal onderdelen nader toe te lichten met betrekking tot vleermuizen.
Het eerste onderdeel heeft betrekking tot de te verplaatsen bomen aan de noordzijde van het plangebied. Aan de noordzijde van het plangebied worden een aantal bomen naast de Kievitsweg slechts beperkt verplaatst zodat deze niet meer voor de opritten van de nieuwe woningen, dan wel een ontsluiting van het plangebied, staan. Belangrijk voor de vleermuizen is dat de bomen onderdeel zijn en blijven van een lijnvormig element. De bomen, die slechts beperkt verplaatst worden, betreffen kleine bomen welke niet in verbinding staan met andere lijnvormige elementen. Daarbij blijft dit lijnvormige element behouden ondanks dat de bomen beperkt verplaatst worden langs de Kievitsweg. De geplande ingreep zal, gelet op het vorenstaande, geen effect hebben op vliegroutes van vleermuizen.
Met betrekking tot het tweede onderdeel merkt de provincie op dat nieuwe verlichting als gevolg van het planvoornemen mogelijk de bomenlaan/ vliegroute langs de Ringweg kan aantasten. Bij het plaatsen van aanvullende (straat)verlichting, wordt deze zodanig gericht dat deze niet op de bomenlaan schijnt. Door het richten van de aanvullende (straat)verlichting komen bestaande migratieroutes niet in de verlichting te staan.
Geconcludeerd kan worden dat het onderdeel 'soortenbescherming' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming.
De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).
Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig en worden geen beschermde houtopstanden gerooid. Derhalve is geen sprake van het vellen van houtopstanden.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'natuur' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse Omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijks belangen geldt aanvullende instructieregels:
Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.
In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.
Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren.
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:
De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders vast voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend.
Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:
Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatigere afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.
De gemeente Venray beschikt over een 'Toetssteen Openbare Ruimte' (hierna: TOR). De Toetssteen Openbare Ruimte, heeft betrekking op de (toekomstige) openbare ruimte, geen gebouw zijnde, welke beheerd wordt door de gemeente Venray. De gemeentelijke beleidsnota’s die een relatie hebben met de openbare ruimte, vormen de basis van dit document. De ‘Toetssteen’ vormt een overzichtelijke bundeling van geconcretiseerd bestaand beleid met betrekking tot de openbare ruimte.
Hoofdstuk 10 van de Toetssteen Openbare Ruimte heeft betrekking op het onderdeel 'Riool en Water'. De gemeente Venray geeft in de TOR aan dat ze het belangrijk vindt om bewust om te gaan met water. Middels de TOR maken ze zichtbaar hoe de gemeente om gaat met hemelwater door daar waar mogelijk het hemelwater ter plaatse op te vangen en te laten infiltreren in de bodem. De complete waterhuishouding binnen de gemeente Venray is er op gericht verdroging en hittestress tegen te gaan en de RWZI’s (rioolwaterzuiveringsinstallaties) verder te ontlasten.
Conform de Toetssteen Openbare Ruimte van de gemeente Venray geldt als ontwerpuitgangspunt dat nieuwbouwlocaties woningbouw dienen te beschikken over een gescheiden rioolstelsel. Hemelwater moet worden geïnfiltreerd binnen het plangebied. Indien direct infiltreren niet mogelijk is, dient het hemelwater te worden gebufferd waarna het vertraag mag worden afgevoerd naar open water.
Voor zowel het vuilwaterriool (DWA riool), het hemelwater infiltratieriool (IT riool) en/ of retentievoorziening zijn ontwerpeisen opgenomen in het TOR waaraan deze systemen dienen te voldoen.
Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Venray en in het beheersgebied van Waterschap Limburg. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig plangebied wordt hierna uiteengezet.
Afvalwater
Het afvalwater van de nieuw te realiseren woningen zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Venray. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.
Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein
Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem.
Hemelwater (dak)verharding
Conform de Toetssteen Openbare Ruimte van de gemeente Venray dienen nieuwbouwlocaties woningbouw te beschikken over een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een in het plangebied aan te leggen hemelwatervoorziening.
Conform de Toetssteen Openbare Ruimte van de gemeente Venray dienen bij het ontwerp van toekomstige voorzieningen binnen het bouwplan Ringweg/ Kievitsweg de volgende uitgangspunten in acht te worden gehouden:
Het voornemen is om binnen het plangebied wadi's aan te leggen waarin hemelwater dat valt binnen het openbare gebied kan worden opgevangen en geïnfiltreerd. Om te kunnen bepalen of infiltratie van regenwater binnen het plangebied opportuun is, is een onderzoek uitgevoerd naar de waterdoorlatendheid van ondergrond. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11 Infiltratieonderzoek, Aelmans Milieu Voerendaal B.V. (d.d. 23-07-2024).
Het onderzoek concludeert dat uit de gemeten doorlatendheden blijkt, dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van het plangebied. Het infiltreren zou direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden, maar een gereguleerde voeding/afvloeiing middels bijvoorbeeld een wadi en/of grindkoffers is opportuun voor het gehele zoekgebied.
Middels navolgende afbeelding worden de voorkeurlocaties van de binnen het plangebied aan te leggen infiltratievoorziening (wadi), voor het hemelwater dat valt in openbaar gebied, inzichtelijk gemaakt.
Voorkeurlocaties wateropvang (wadi's).
Het hemelwater dat valt binnen de woonfuncties wordt op eigen terrein geïnfiltreerd. De opvangcapaciteit en soort hemelwatervoorziening wordt bepaald bij het uitwerken van het bouwplan.
Vooroverlegreactie Waterschap Limburg
Met betrekking tot voorliggend planvoornemen heeft de gemeente Venray advies gevraagd aan het Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg heeft middels een vooroverlegreactie per brief (d.d. 1 april 2025) een advies uitgebracht aan de gemeente Venray, desbetreffende brief is bijgevoegd als Bijlage 16. Het Waterschap Limburg adviseert bij nieuwe ontwikkeling 100 mm in 24 uur aan berging. Ze geven aan dat bij een hevige bui tot 20 cm water op het maaiveld kan komen te staan. Volgens het Waterschap Limburg ziet het plan er goed uit daar het hemelwater binnen het plangebied wordt opgevangen en geïnfiltreerd. Mocht er vertraagd geloosd worden richting de Ysselsteijnse Loop, dan is deze lozing vergunningplichtig bij het Waterschap. Van lozing op Ysselsteijnse Loop is bij onderhavig planvoornemen geen sprake.
Opvang schoon hemelwater
In de hemelwatervoorzieningen dient enkel schoon hemelwater te worden opgevangen, waaraan geen verontreinigde stoffen worden toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren. Een infiltratievoorziening kan in dat opzicht tevens dienst doen als bodempassage, waarmee gezorgd wordt dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen alvorens het infiltreert.
Voorkomen van wateroverlast
Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot rekening te houden met eventueel wateroverlast, wordt voorkomen dat water in het te realiseren gebouw kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water en watersystemen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:
Circa 520 m² van het plangebied is op basis van het gelden planologisch-juridisch kader, het bestemmingsplan 'Ysselsteyn', gelegen binnen de functie 'Waarde - Archeologie 4'.
Met inachtneming van de functie 'Waarde - Archeologie 4' dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd indien de bodemverstoring dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en een oppervlakte hebben van meer dan 500 m² per bouwperceel.
Een viertal woningen (2 stuks twee-onder-één-kap-woningen en 2 stuks vrijstaande woningen aan de Ringweg) worden voor een deel gerealiseerd binnen de functie 'Waarde - Archeologie 4'. Uitgaande van de bouwvlakken op de verbeelding zal de bodemverstoring voor de realisatie van deze woningen maximaal 338 m² (< 500 m²) bedragen.
Gesteld wordt dat bodemverstoring die gepaard gaan met de realisatie van onderhavig voornemen, de oppervlakte-ondergrens van 500 m² binnen de functie 'Waarde - Archeologie 4' niet zullen overschrijden. De bodemverstoring die gepaard gaan met de realisatie van deze woningen is minder dan 500 m², hiermee wordt voldaan aan de vrijstellingsgrenzen waardoor het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Binnen de planregels van het voorliggend TAM-Omgevingsplan is tevens de functie 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Deze functie is niet van toepassing op het plangebied waarbinnen voorliggende voornemen wordt gerealiseerd. De functie 'Waarde - Archeologie 2' is, zoals aangeven op de verbeelding, van toepassing op een deel van de gronden ten oosten van de Ringweg. Binnen de functie 'Waarde - Archeologie 2 vinden, als gevolg van voorliggend voornemen, geen (bodemroerende) werkzaamheden plaats.
Het dorp Ysselsteyn werd in 1918 gesticht op de grens van de Heijdsche Peel. De stichting kwam voort uit de grootschalige heideontginningen in de Peel dat vanaf het begin van de 20e eeuw plaatsvond, waarbij men een sterke boerenmiddenstand wilde creëren binnen deze nog onontgonnen woeste gronden.
Ysselsteyn is een goed voorbeeld van een dorpsstichting, waarbij van tevoren het stratenpatroon planmatig werd ontworpen. Het dorp heeft de vorm van een modelontginning, waarbij het stratenpatroon Y-vormig is. Aan deze centrale wegen Timmermannsweg en Puttenweg werden vanaf de jaren 1920-1926 een kerk, een school en woningen voor middenstanders gebouwd. Met subsidie van de gemeente Venray kon men een boerenbedrijf beginnen in en nabij het dorp. Elk bedrijf had een eigen kavel van vaak meerdere hectaren groot, waardoor men meer dan voldoende ruimte had voor het bedrijf.
Op het plangebied is momenteel geen bebouwing aanwezig, ook heeft het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Gelet op het vorenstaande zijn er binnen het plangebied geen cultuurhistorische elementen aanwezig welke een belemmering vormen voor voorliggend voornemen.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met geluid, geur en andere milieuregels voor industrieterreinen en bedrijfslocaties.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. Hiervoor in de plaats is de nieuwe 'Activiteiten en milieuzonering' gekomen. Deze is echter gericht op bedrijventerreinen, andere werkterreinen (niet zijnde bedrijventerrein) en woongebieden. De in deze nieuwe handreiking beschreven waarden voor geur gelden niet voor agrarische activiteiten, daarvoor bevat het Bkl specifieke instructieregels waar bij het wijzigen van het Omgevingsplan aan moet worden voldaan of waarvoor door de gemeenten zelf in een algemene verordening of geurverordening regels zijn vastgelegd. Voor het aspect geur wordt verwezen naar paragraaf 5.4.
De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het Omgevingsplan.
In het voorliggende geval heeft de gemeente Venray een Omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd. Daar de gemeente Venray nog geen milieuwaarden heeft vastgesteld in haar Omgevingsplan, wordt in de praktijk hoofdzakelijk (nog) uitgegaan van de uitgangspunten uit de vervallen VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling. Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.
Voorliggend voornemen ziet op het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, een woonwijk bestaande uit 42 woningen. Woningen zijn geen milieubelastende activiteit en hebben derhalve geen invloed op het woon- en leefklimaat van bestaande woningen. Andersom betreffen de te realiseren woningen daarentegen wel nieuwe milieugevoelige functies ten opzichte van bestaande bedrijvigheid. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert.
De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit woningen en agrarische gronden. Ten opzichte van het plangebied is er geen sprake van bestaande bedrijvigheid in de directe omgeving die van invloed kan zijn op de ontwikkeling. Voorts ziet het voornemen niet op het mogelijk maken van een nieuwe activiteit welke van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat in de (directe) omgeving.
De dichtstbijzijnde milieubelastende activiteit betreft een dierenartsenpraktijk aan de Ringweg 25 te Ysselsteyn, deze bedrijfsvoering ligt op een afstand circa 90 meter ten zuiden van het plangebied. Op basis van de voormalige VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' betreft deze bedrijfsvoering een milieucategorie 2 activiteit waarvoor een richtafstand gold van 30 meter. Aan deze richtafstand voldoet voorliggend voornemen ruim.
Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van de milieubelastende activiteiten waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voorts belemmeren de 42 wooneenheden de mogelijke bedrijven en inrichtingen in de omgeving niet.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'activiteiten en milieuzonering' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.
Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.
De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
De beoogde ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en staat genoemd onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn voor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het Omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
In het kader van onderhavig planvoornemen is een m.e.r.-beoordeling opgesteld, de rapportage hiervan is bijgevoegd als Bijlage 12. In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan, welke uitgebreid zijn verwerkt in de m.e.r.-beoordeling beknopt weergegeven. Daarnaast zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor de voor dit plan relevante milieuaspecten, de resultaten hiervan zijn verwerkt in Hoofdstuk 5 van deze motivering.
| Kenmerken van het plan | |
| Criteria | Toets |
| Omvang van het project | De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het voornemen betreft de ontwikkeling van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, een woonwijk bestaande uit 42 woningen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Venray - sectie M - perceelsnummer 1775 (ged.). Het gehele kadastrale perceel 'VRY-00-M-1775', waarop onderhavig plangebied is gelegen, heeft een oppervlakte van 13.215 m² (1,3 hectare), hiervan zal circa 11.420 m² (1,1 hectare) deel uit maken van het plangebied. |
| Cumulatie met andere projecten | Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten met andere projecten. Daarmee is er voor wat betreft cumulatie met andere projecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Gebruik van natuurlijke hulpbronnen | Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Productie van afvalstoffen | Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen. |
| Verontreiniging en hinder | De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt buiten de reguliere hinder gedurende de aanlegfase, die gebruikelijk is bij een dergelijke stedelijke ontwikkeling, geen onevenredige hinder die leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Eén en ander blijkt ook uit Hoofdstuk 4 waaruit valt af te leiden dat voor wat betreft de diverse (milieu)aspecten geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling. |
| Risico voor ongevallen | De ontwikkeling brengt geen significante risico's voor ongevallen met zich mee. Verkeersbewegingen van, naar en binnen het plangebied kunnen op een veilige manier plaatsvinden. Er worden daarnaast binnen het plangebied geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Daarmee is voor wat betreft risico's voor ongevallen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Plaats van het project | |
| Criteria | Toets |
| Bestaand grondgebruik | Het plangebied is momenteel in gebruik als agrarische grond waarop gewassen worden geteeld. |
| Rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied | Niet van toepassing. Er zijn geen bijzondere aardkundige waarden of andere natuurlijke hulpbronnen aanwezig. |
| Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met aandacht voor: - wetlands, oeverformatie en riviermondingen; - kustgebieden en het mariene milieu; - berg- en bosgebieden; - reservaten en natuurparken; - gebieden die in de Nederlandse wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; - speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); - gebieden waar de Europese milieukwaliteitsnormen al niet worden gehaald; - gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; - landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. |
Wetlands, oeverformatie en riviermondingen; niet van toepassing. Kustgebieden en het mariene milieu; niet van toepassing. Berg- en bosgebieden: niet van toepassing. Reservaten en natuurparken: niet van toepassing. Gebieden die in de Nederlandse wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; niet van toepassing, zie ook paragraaf 5.9.2 Gebiedsbescherming. Speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); niet van toepassing, zie ook paragraaf 5.9.2 Gebiedsbescherming. Gebieden waar de Europese milieukwaliteitsnormen al niet worden gehaald; niet van toepassing. Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; niet van toepassing. Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang; niet van toepassing, zie ook paragraaf 5.11 Cultureel erfgoed. |
| Kenmerken van het potentiële effect | |
| Kenmerken | Toetsing |
| Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) | Niet van toepassing. |
| Grensoverschrijdend karakter | Niet van toepassing. |
| Orde van grootte en complexiteit effect | Niet van toepassing. |
| Waarschijnlijkheid effect | Niet van toepassing. |
| Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect | Niet van toepassing. |
De uitgevoerde m.e.r.-beoordeling concludeert dat, als gevolg van onderhavig voornemen, geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het volgen van een m.e.r.-beoordelingsprocedure en het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) is derhalve niet noodzakelijk.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'm.e.r.-beoordeling' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Duurzaamheid
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Klimaat
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.
De gemeente Venray heeft haar ambities op het gebied van duurzaamheid en klimaat omschreven onder de noemer Venray Vergroent. Venray Vergroent kent drie deel projecten: energietransitie, klimaatadaptie en circulaire economie. Verder kent de gemeente Venray het (concept) Beleid natuurinclusief bouwen.
Bij de bouw is het belangrijk om, in het kader van duurzaam bouwen, zorgvuldig om te gaan met materiaalgebruik. Biobased bouwen en het toepassen van circulaire isolatiematerialen, zoals houtvezel en hennep, kunnen hierbij waardevolle opties zijn. Dergelijke natuurlijke materialen ademen beter en reguleren vocht op een natuurlijke manier. Dit zorgt voor een gezonder en comfortabeler binnenklimaat, met minder kans op schimmel en een betere luchtvochtigheid. Bovendien nemen deze materialen tijdens de groei CO2 op, die bij toepassing in bouwmaterialen langdurig wordt opgeslagen in het gebouw.
Daarnaast kan op het gebied van duurzaamheid aandacht worden besteed aan de vormgeving van de bebouwing, het gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik, flexibel (levensloopbestendig) bouwen en het toepassen van bijvoorbeeld gras/ betontegels ter plaatse van de parkeergelegenheden in openbaar gebied. Ook wordt onnodig afval voorkomen door tijdens de bouw zorgvuldig en zuinig om te gaan met bouwmaterialen. Binnen het plangebied wordt, ter plaatse van de noordelijk gelegen groenvoorziening - tussen de beoogde vrijstaande woningen en de geschakelde woningen - een transformatorstation gerealiseerd. Aan de netbeheerder wordt verzocht om in dit transformatorstation voorzieningen te treffen waarmee drie laadpalen gerealiseerd kunnen worden. Hierdoor kunnen op een later moment, indien hier vraag naar blijkt, in totaal zes parkeerplekken geschikt worden gemaakt voor het opladen van elektrische voertuigen.
De woningen in het plangebied worden duurzaam en energiezuinig gebouwd, met aandacht voor onder andere klimaatadaptief bouwen. De woningen worden voorzien van zonnepanelen en warmtepompen. Alle woningen worden gasloos uitgevoerd. Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding wordt opgevangen en afgevoerd naar een in het plangebied aan te leggen hemelwatervoorziening (wadi’s).
Naast bovengenoemde maatregelen, die met name gericht zijn op de woningen zelf, wordt bij de inrichting van de openbare ruimte ook voorzien van 20% groene inpassing. Dit is in de verbeelding opgenomen met de functie 'groen'. Het groen binnen het plangebied helpt bij het voorkomen van hittestress en wateroverlast doordat water onder de bomen kan wegtrekken en de beplanting water verdampt op hete dagen. Dit levert verkoeling op. Het hemelwater binnen het plangebied wordt oppervlakkig afgevoerd, opgevangen en geïnfiltreerd in te realiseren wadi's. Daarmee wordt het rioolstelsel ontlast en het plangebied klimaatadaptief ingericht. Op deze wijze wordt tevens natuurinclusief gebouwd en wordt er een bijdrage geleverd aan het tegengaan van hittestress en wateroverlast.
Gelet op de bovenstaand omschreven maatregelen kan gesteld worden dat het voorliggend planvoornemen aansluit bij de gemeentelijke ambities op het vlak van duurzaamheid en klimaat en zo ook het omgevingsprogramma Venray Vergroent en het (concept) Beleid natuurinclusief bouwen.
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat bij voorliggend plan rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.
Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.
Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.
In het kader van onderhavig planvoornemen is op 20 januari 2025 door initiatiefnemer een omgevingsdialoog gehouden. De omgevingsdialoog is gehouden in 'De Smelehof', Puttenweg 2 te Ysselsteyn. De omgevingsdialoog was op basis van inloop vanaf 16:00 uur tot 19:00 uur.
Omwonenden van het plangebied zijn met een brief uitgenodigd om deel te nemen aan de omgevingsdialoog. Tijdens de inloopmiddag/ -avond is aan de hand van diverse tekeningen en schetsen het planvoornemen inzichtelijk gemaakt. Gedurende deze bijeenkomst hebben omwonende de gelegenheid gehad om vragen te stellen en/ of opmerkingen te plaatsen bij het planvoornemen.
Van de omgevingsdialoog is een verslag opgesteld het welk tevens ter aanvulling is voorgelegd aan de omwonenden die daar behoefte aan hadden. Het verslag van deze omgevingsdialoog is opgenomen als Bijlage 13 Verslag omgevingsdialoog ontwikkeling Ringweg/ Kievitsweg (d.d. 17-02-2025).
Uit de gevoerde omgevingsdialoog kan geconcludeerd worden dat de meeste omwonenden het plan positief ontvangen. Aandacht is gevraagd voor de ontsluiting van het plangebied en mogelijk sluipverkeer.
Naast de omgevingsdialoog met omwonenden van het plangebied, heeft de initiatiefnemer overleg gevoerd met dorpsraad. Ook uit het overleg met de dorpsraad kan worden geconcludeerd dat er draagvlak is voor onderhavig voornemen.
Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.
In het kader van de beoogde wijziging van het Omgevingsplan, heeft de gemeente Venray het planvoornemen voorgelegd aan de Provincie Limburg, de Veiligheidsregio Limburg-Noord en het Waterschap Limburg.
Alle drie de partijen hebben middels een vooroverlegreactie per brief een aan advies uitgebracht aan de gemeente Venray, desbetreffende brief zijn opgenomen als bijlagen bij voorliggende motivering.
De vooroverlegreactie van de Provincie Limburg is bijgevoegd als Bijlage 14. De Provincie Limburg geeft aan dat de beoordeling van het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op dezelfde wijze wordt voorgezet, ziet de Provincie Limburg geen aanleiding om in de verder procedure van het plan een zienswijze in te dienen.
De vooroverlegreactie van de Veiligheidsregio Limburg-Noord is bijgevoegd als Bijlage 15, het advies van de VRLN is verwerkt in paragraaf 5.8 van voorliggende motivering.
De vooroverlegreactie van het Waterschap Limburg is bijgevoegd als Bijlage 16, het advies van het Waterschap Limburg is verwerkt in paragraaf 5.10 van voorliggende motivering.
Onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Anterieure overeenkomst
Als sprake van een ontwikkeling die op private gronden is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.
Publiekrechtelijk kostenverhaal
Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.
Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:
Met betrekking tot voorliggend voornemen is er geen sprake van een publiekrechtelijk kostenverhaal. Tussen de gemeente Venray en initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin het kostenverhaal is verzekerd. Financiële consequenties zullen uitsluitend door de initiatiefnemers worden gedragen. Daar de kosten voor de planontwikkeling geheel voor rekening zijn van de initiatiefnemer, heeft onderhavig plan géén gevolgen voor de gemeentelijke begroting en/of gemeentelijke financiën.
Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.
In het kader van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn aanvullende financiële bijdragen aan de orde op basis van de Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011. Deze aanvullende financiële bijdragen worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.
Met betrekking tot onderhavig planvoornemen wordt in het kader van nadeelcompensatie afspraken gemaakt tussen de gemeente Venray en de initiatiefnemer. Deze afspraken worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Een TAM-Omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat gemeente het Omgevingsplan volledig in STOP (Standaard voor officiële publicaties) kan opstellen. Het TAM-Omgevingsplan wordt later ondergebracht in STOP. Het TAM-Omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-Omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie.
Een TAM-Omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-Omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één Omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-Omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-Omgevingsplan begint met ‘TAM-Omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam.
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-Omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-Omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden.
Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Venray van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Venray van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Venray. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Ysselsteyn' leidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-Omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Ysselsteyn'.
Via dit TAM-Omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-Omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat.
De regels van het TAM-Omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels met daaraan voorafgaand een preambule, Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten, Hoofdstuk 3 Beschermen van Waarden, Hoofdstuk 4 Algemene regels en Hoofdstuk 5 Overgangsregels. Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.
Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het Omgevingsplan gemeente Venray en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het Omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Inleidende regels (hoofdstuk 1)
De algemene bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-Omgevingsplan. Hoofdstuk 1 bevat onder meer het toepassingsbereik, de toepassing van de begripsbepaling, aanvullende begripsbepalingen, de toepassing van de meet- en rekenbepalingen, aanvullende meet- en rekenbepalingen, de aanvraagvereisten en de zorgplicht.
Functies en activiteiten (hoofdstuk 2)
In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 7.1.3 nader toegelicht.
Beschermen van Waarden (hoofdstuk 3)
In Hoofdstuk 3 van het TAM-Omgevingsplan zijn functies opgenomen ter bescherming van archeologische waarden en landschappelijke waarden in het gebied.
Algemene regels (hoofdstuk 4)
Hoofdstuk 4 van het TAM-Omgevingsplan bevat de algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels de anti-dubbeltelregel en overige regels zoals de werking van wettelijke regelingen, de voorrangsregels, voorwaardelijke verplichtingen en de regelset voor het woonprogramma.
Overgangsregels (hoofdstuk 5)
In Hoofdstuk 5 van het TAM-Omgevingsplan zijn overgangsbepalingen opgenomen voor bouwwerken respectievelijk gebruik.
Onderstaand worden de voor het plangebied opgenomen functies, zoals deze zijn opgenomen in Hoofdstuk 2 van voorliggen TAM-Omgevingsplan, kort toegelicht.
Groen
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, speel-, sport- en wandelgelegenheid, verblijfsgebied, kunstwerken, langzame verkeersroute(s), voorzieningen van openbaar nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, bluswatervoorzieningen en andere bijbehorende bouwwerken.
Daarnaast zijn binnen de functie zowel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, als paden en verhardingen toegestaan.
Verkeer
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bedoeld voor; verkeer- en verblijfsdoeleinden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, wegen, paden, verhardingen, groenvoorzieningen, kunstwerken, parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, speelgebied, wandelgebied en bluswatervoorzieningen.
Wonen
Voor een groot deel van het plangebied is de functie 'Wonen' opgenomen. Binnen de functie 'Wonen' zijn 42 woningen toegestaan waarvan minimaal 10 sociale huur woningen, minimaal 4 sociale koopwoningen en minimaal 15 midden huur/ betaalbare koopwoningen.
Binnen de functie 'Wonen' zijn, naast woningen binnen het bouwvlak, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen, paden en verharding, in- en uitritten, tuinen en erven toegestaan conform de planregels. Daarnaast zijn binnen de functie 'Wonen' bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.