direct naar inhoud van Onderbouwing
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Venraysbroek 20 Venray
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.TAM25017-on01

Onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

De gemeente Venray is voornemens om een tijdelijke opvanglocatie voor ontheemde Oekraïners te ontwikkelen aan de Venraysbroek 20 in Venray op de percelen C-10223 en C-10224, tegenover de Korte Broekweg 1.

Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Venray, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Venraysbroek 20 en maakt onderdeel uit van het buitengebied van de gemeente Venray. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk getoetst in het kader van een veilige en gezonde leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 de omgevingskwaliteit aan bod komt. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 8 behandelt de aspecten participatie en kostenverhaal.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied betreft een rechthoekig landbouwperceel aan de rand van Venray, direct grenzend aan een woonwijk. De locatie wordt aan de westkant omkaderd door de Venraysbroek en aan de oostkant door de Korte Broekweg. Ter plaatse van het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Op de navolgende luchtfoto is de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt een tijdelijke opvang van 26 woonunits voor maximaal 130 Oekraïense ontheemden gerealiseerd. Deze zal tot uiterlijk juni 2028 in gebruik zijn. Door het gebruik van woonunits kan de gemeente de ontheemde Oekraïeners op een humane wijze opvangen, waarbij de privacy is gewaarborgd. Met de inzet van woonunits richt de gemeente de opvang in als een klein woonerf. Dit betekent dat op de locatie gemeenschappelijke ruimtes en voorzieningen komen voor ontmoeting en dat bewoners per gezin of in groepjes van dezelfde omvang beschikking hebben over een eigen woonunit. De gezamenlijke buitenruimte wordt ingericht met onder meer een speelveldje en speeltuin ingericht voor de kinderen en een sportveld voor de volwassenen. Er wordt daarnaast een wasruimte en een buurtakker gerealiseerd. Bij de ingang is een plek ingericht voor security en er wordt een locatie ingericht voor het Rode Kruis.

Het terrein krijgt een groene inrichting, met een centrale tuin en groene zones tussen de woonunits. Ter waarborging van de veiligheid wordt het perceel voorzien van een hekwerk, aangekleed met Haedra-beplanting. Er wordt aan de noordwestzijde van het perceel een inrit op de Venraysbroek gemaakt. Aan de noordkant van het plangebied worden parkeerplaatsen gerealiseerd. Er wordt ook een fietsenstalling gerealiseerd op het terrein. Daarnaast komt een aansluiting voor wandel-, fietsverkeer op de Korte Broekweg. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0004.png"

Impressie toekomstige situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0005.png"

Impressie toekomstige bebouwing

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. In de omgevingsvisie Limburg is de lange termijn visie van de provincie Limburg beschreven. In de visie staat beschreven hoe de provincie richting wil geven aan toekomstbestendige ontwikkelingen en hoe daarbij steeds de balans wordt gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De provincie geeft met deze visie een doorkijk voor de periode 2021 tot 2030 - 2050.

De omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is in een interactief proces met overheden, semi - overheden, belangenvertegenwoordigers, andere partnerorganisaties en inwoners opgesteld. De visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes. Op andere onderdelen zijn nieuwe keuzes gemaakt.

In de omgevingsvisie staan drie hoofdopgaven centraal:

  • 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;
    • a. in stedelijk c.q. bebouwd gebied
    • b. in landelijk gebied
  • 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouw transitie;
  • 3. Klimaatadaptatie en energie transitie.

Deze opgaven spelen Limburg-breed, maar de accenten verschillen per gebied en per sector. Per sector is in de omgevingsvisie aangegeven wat de opgave is voor de sector, welke ambitie de provincie heeft met deze sector en welke keuzes worden gemaakt per sector.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg

In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg is vastgesteld en wordt periodiek geactualiseerd door Provinciale Staten. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Het plangebied ligt op basis van de provinciale verordening in het buitengebied. De verordening stelt geen specifieke randvoorwaarden voor het creëren van een tijdelijke opvanglocatie in het buitengebied. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat er behoefte is naar passende en mogelijk tijdelijke huisvesting voor internationale werknemers, vluchtelingen, statushouders en woonurgenten. Middels onderhavige ontwikkeling wordt in de huisvesting van dergelijke woningzoekers voorzien. De provincie is op de hoogte gebracht van het plan en heeft geen bezwaren tegen het plan (zie bijlage 1).

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Limburg.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 'Venray loopt voorop'

Op 27 juni 2019 is de Toekomstvisie Venray 2030 'Venray loopt voorop' vastgesteld. In deze visie heeft de gemeente Venray haar ambities opgesteld voor de ontwikkeling van de gemeente tot 2030. Deze visie vervangt de Strategische visie 2020 en de nota 'Venray, stad in de Peel (2025)'. De toekomstvisie geeft de gemeente een koers voor het omgaan met nieuwe trends en ontwikkelingen in de gemeente, zowel binnen de gemeenschap van Venray als in de regio. Belangrijke thema's uit de vorige strategische visie worden doorgezet in deze visie. 'Venray loopt voorop' heeft aandacht voor burgerparticipatie, de rol van de overheid, en regionale samenwerking, met name op het gebied van onderwijs, bedrijfsleven en in de naaste omgeving van inwoners. Hiermee speelt de toekomstvisie in op de nieuwe Omgevingswet. Daarnaast is er veel aandacht voor de kwalitatieve ontwikkeling van onder meer de leefomgeving. De uitdaging daarbij is om de ruimtelijke kwaliteit zowel in de stad, op het platteland als in de natuur op een hoog niveau te houden.

De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de volgende vijf ambities geformuleerd.

In het Venray van 2030:

  • zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden;
  • woon je groen en sociaal;
  • zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing;
  • is iedereen mobiel.

Planspecifiek
De toekomstvisie gaat niet specifiek in op huisvesting voor Oekraïense ontheemden. Wel geeft de gemeente in de toekomstvisie aan ruimte te willen creëren voor specifieke doelgroepen, waaronder Oekraïense ontheemden vallen. Het sluit aan bij de ambities op het gebied van 'groen' (aan de rand van de kern Venray) en 'sociaal' (voor mensen met een urgente woonbehoefte). Het plan past derhalve binnen het doel van de toekomstvisie om Oekraïense ontheemden op te vangen.

3.3.2 Omgevingsvisie Venray

Op 2 november 2021 heeft de gemeente Venray de 'Omgevingsvisie Venray' vastgesteld. In de Omgevingsvisie gaat de gemeente in op de grote uitdagingen van de aankomende tijd en geeft de gemeente aan waar het naar toe wil in de toekomst. De Omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: Toekomstvisie 2030 'Venray loopt voorop'. De Omgevingsvisie is tot stand gekomen in samenwerking met inwoners, ondernemers en verenigingen uit de gemeente Venray. De volgende vijf ambities zijn geformuleerd:

  • 1. Groen wonen voor iedereen.
  • 2. Een gezond Venray heeft de toekomst.
  • 3. Venray bloeit, bruist en boeit.
  • 4. Natuurlijk Venray!
  • 5. Ambities in regionaal perspectief.

Verder geeft de gemeente aan dat het de belangrijkste waarden (Erfgoed, Landschap, Natuur en Groen, Water en bodem en Stedenbouwkundig kader) wil beschermen en versterken. Daarbij wordt er rekening gehouden met klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen.

Planspecifiek
Gebiedsgericht

Het plangebied is in de Omgevingsvisie aangegeven als 'Agrarisch gebied'. Specifiek voor dit deelgebied richt de gemeente zich ertoe nieuwe woningen enkel toe te staan binnen kernrandzones en bestaande woonclusters. Daarnaast heeft de gemeente, met het oog op toekomstige woningbouw, een voorkeursrecht genomen op dit gebied. Hoewel met dit plan strikt genomen geen sprake is van woningen, is de locatie aan de rand van Venray een voorstelbare keuze. Omdat het gaat om een tijdelijke functie, is de invloed op andere aspecten (zoals landschao), hooguit tijdelijk en klein van aard.

Wonen
In de omgevingsvisie wordt onder het thema 'wonen' kort ingegaan op de vraag naar woningen voor bijzondere groepen, waaronder ook Oekraïense ontheemden vallen. Met onderhavig initiatief wordt een concrete bijdrage geleverd aan de opvang van deze groep.

Het initiatief is passend binnen de Omgevingsvisie.

3.3.3 Toetssteen Openbare Ruimte

De Toetssteen Openbare Ruimte, heeft betrekking op de (toekomstige) openbare ruimte, geen gebouw zijnde, welke beheerd wordt door de beheerders van de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Venray. De

Toetssteen Openbare Ruimte heeft als doel het waarborgen van de kwaliteit van de openbare ruimte van de gemeente Venray. Het begrip kwaliteit kan worden opgedeeld in:

  • 1. Technisch-functionele kwaliteit;
  • 2. Sociaal-maatschappelijke kwaliteit.

De Toetssteen beschrijft de uitgangspunten, randvoorwaarden, ontwerpeisen etc. waaraan bouwplannen in de openbare ruimte minimaal dienen te voldoen. Verder verschaft de Toetssteen inzicht in de toetsingsprocedure van de gemeente.

Het meenemen van de uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerpeisen van al de betrokken vakdisciplines in een vroeg stadium zal resulteren in een meer integraal ontwerp. Met deze werkwijze kan op de lange termijn integraal ontworpen openbare ruimte kostenefficiënter worden beheerd en kan deze door keuzes als flexibiliteit en aanpasbaarheid blijven voorzien in de behoeften van de maatschappij. Ook zal het beoordelingstraject van een bouwplan efficiënter verlopen.

Het waarborgen dat wordt voldaan aan de verschillende kwaliteitseisen van de gemeente bestaat uit twee stappen, te weten:

1. Aanleveren Toetssteen.

2. Controle op toepassing Toetssteen in de plannen.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief raakt de openbare ruimte slechts beperkt, omdat alle voorzieningen op privaat terrein worden gerealiseerd en het gebruik tijdelijk is. Toetsing aan de Toetssteen Openbare Ruimte is daarom vooral relevant voor verkeer en mobiliteit. Het plan voorziet in een veilige ontsluiting via de Venraysbroek, een fiets- en voetgangersaansluiting richting de Korte Broekweg en voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast is de bereikbaarheid voor hulpdiensten geborgd en sluit de inrichting met een centrale tuin, groene zones, speelvoorzieningen, sportveld en buurtakker aan bij de TOR-uitgangspunten voor groen, klimaatadaptatie en een sociaal-veilige leefomgeving. Omdat afvalvoorzieningen, verlichting, speelplekken en fietsvoorzieningen eveneens binnen het eigen terrein worden opgelost, leidt het initiatief niet tot extra druk op de bestaande openbare ruimte en voldoet het aan de relevante onderdelen van de Toetssteen Openbare Ruimte.

3.3.4 Omgevingsprogramma Wonen

In het Omgevingsprogramma Wonen 'Verder bouwen aan de toekomst van Venray' staat hoe Venray zich wil blijven ontwikkelen als een fijne gemeente om te wonen. Het Omgevingsprogramma vervangt de 'Woonvisie Venray 2017'. Op hoofdlijnen geeft de gemeente richting aan de verschillende belangrijke vraagstukken rondom het wonen. De gemeente richt zich op vijf thema's:

  • 1. Snel voldoende woningen bouwen;
  • 2. Een gevarieerd aanbod;
  • 3. Duurzame woningvoorraad;
  • 4. Wonen, gezondheid en zorg;
  • 5. Vitale wijken en dorpen.

In het Omgevingsprogramma wordt beschreven dat vooral ook passende woningen voor senioren en starters nodig zijn. Daarnaast is een passend aanbod van betaalbare huur- en koopwoningen voor lage en middeninkomens nodig.

Planspecifiek

Het programma zet in op een gevarieerd en inclusief woningaanbod, met aandacht voor kwetsbare doelgroepen en diverse woonvormen. Binnen het thema ‘Wonen, gezondheid en zorg’ wordt het bieden van passende huisvesting en ondersteuning aan mensen die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen nadrukkelijk genoemd. De opvanglocatie sluit hierop aan. Daarmee is het initiatief passend binnen het Omgevingsprogramma Wonen.

3.3.5 Ruimtelijk kwaliteitskader

In november 2021 is de Omgevingsvisie Venray vastgesteld. In de Omgevingsvisie staat bij de uitvoering en monitoring opgenomen dat een Ruimtelijk KwaliteitsKader voor het hele gemeentelijke grondgebied opgesteld wordt. In de Omgevingsvisie wordt ook een beschrijving van de waarden gegeven. Het betreft de waarden:

  • Erfgoed,
  • Landschap,
  • Natuur en groen,
  • Water en bodem en
  • Stedenbouwkundig kader (alleen voor de kern Venray)

Deze waarden vormen gezamenlijk de basis voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. Door de ruimtelijke kwaliteit van Venray te beschermen en te versterken wordt aangesloten bij het motto van de Omgevingswet 'Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit'. Het opgestelde Ruimtelijk KwaliteitsKader geldt zowel voor het landelijk als voor het stedelijk gebied. Hierin wordt de ruimtelijke kwaliteit vastgelegd in de vorm van kenmerken en streefbeelden. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt getoetst aan het Ruimtelijk KwaliteitsKader waarin wordt vastgelegd welke kwaliteiten belangrijk zijn om te behouden en welke ontwikkelingen waar gewenst zijn. Het Ruimtelijk KwaliteitsKader vormt ook een inspiratiedocument voor initiatiefnemers en bevat aanbevelingen die helpen om een initiatief zo goed mogelijk in te passen rekening houdend met de omringende waarden.

Planspecifiek

Het plangebied bevindt zich binnen het deelgebied 'Oude ontginningsgebieden'. Dit betreft oud agrarisch landschap gekenmerkt door een onregelmatige structuur. In de loop van de tijd heeft het landschap een meer open structuur gekregen. Het gebied kent een grote afwisseling van groen en bebouwing.

De kernwaarden van het gebied zijn:

  • Afwisseling tussen open en gesloten gebieden door variatie aan groenstructuren op erfranden en perceelsgrenzen
  • Laanbeplanting langs wegen
  • Mozaïekstructuur en diversiteit in kavelgrootte
  • Bebouwing veelal gelegen in linten of bebouwingsclusters

Het plan om Oekraïense ontheemden te huisvesten aan de de Venraysbroek is tijdelijk van aard. Het verandert het landschap daarmee niet permanent. Bovendien ligt het perceel waarop de tijdelijke woningen geplaatst worden naast een woonwijk. Hierdoor past de ontwikkeling in de omgeving. Daarmee is het initiatief passend binnen het Ruimtelijk KwaliteitsKader.

3.3.6 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, meer specifiek het bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010' en de hieropvolgende herzieningen.

Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2'. Veder heeft het perceel de gebiedsaanduiding 'Reconstructiewetzone-verwervingsgebied' en 'Agrarisch gemengd'. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0006.png"

Uitsnede tijdelijk deel omgevingsplan met plangebied rood omlijnd (omgevingswet.overhied.nl)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Ter plaatse van het plangebied zijn geen bouw- of gebruiksmogelijkheden opgenomen voor een tijdelijke opvanglocatie voor Oekraïense ontheemden. Het initiatief is hiermee in strijd met het omgevingsplan. Met onderhavig initiatief wordt dit bouw- en gebruiksrecht mogelijk gemaakt.

3.3.7 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Gemeentelijk rioleringsplan

In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2022-2025, vastgesteld op 14 december 2021, is het beleid voor het beheer van de gemeentelijke riolering voor de periode 2022 tot en met 2025 vastgelegd. Het plan wordt door de gemeente gebruikt om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Voor de indeling van het GRP is rekening gehouden met de nieuwe Omgevingswet (Ow).

Het veranderende klimaat en de verstedelijking brengen grote uitdagingen met zich mee. Regenbuien worden steeds extremer en komen vaker voor, met veel overlast en schade tot gevolg. Ook het vasthouden van het gewenste grondwaterpeil wordt moeilijker tijdens extreem lange droge of natte perioden. Omdat het aantal warme dagen toeneemt wordt hittestress ook een probleem, vooral in een gebouwde omgeving met weinig groen en veel verharding.

Het besef groeit dat wateroverlast niet langer is op te lossen door alleen maar het aanpassen van de riolering. Om extreme buien doelmatig te verwerken moet de gehele buitenruimte beter worden benut. Bijvoorbeeld via de aanleg van meer groene voorzieningen, bergingsbassins en oppervlaktewater. Maar ook het vergroenen van daken en tuinen en het opwaarderen van bestaande sloten.

Hemelwater dient zo lokaal mogelijk te worden verwerkt en kan worden benut voor het aantrekkelijk maken van de leefomgeving. In het GRP geeft de gemeente aan dat inwoners hemelwater zoveel mogelijk op eigen perceel dienen te infiltreren. Bij nieuwe ruimtelijke particuliere ontwikkelingen is het streven om hemelwater bij voorkeur bovengronds te infiltreren in de bodem. De gemeente hanteert daarbij de volgende voorwaarden:

  • 1. de infiltratievoorziening dient minimaal een neerslaggebeurtenis van 60 mm te kunnen verwerken*;
  • 2. de infiltratievoorziening dient een leeglooptijd te hebben van 24 uur of minder;
  • 3. de aanwezigheid van een overloopvoorziening (indien mogelijk bovengronds) voor de afvoer van water bij hevige buien als de voorziening vol is, is zo ontworpen dat deze wateroverlast voorkomt.

* De norm van 60 mm geldt alleen als er geen verbinding is tussen de infiltratievoorziening en oppervlaktewater. Als de infiltratievoorziening loost op een oppervlaktewater gelden de normen van het Waterschap. Deze stelt dat de infiltratievoorziening minimaal 100 mm groot moet zijn. Pas daarna mag een eventueel overschot worden geloosd op het oppervlaktewater. Het waterschap adviseert overigens om altijd, dus ook als er geen verbinding is tussen infiltratievoorziening en oppervlaktewater, 100 mm aan te houden.

Planspecifiek

Watersysteem

Rondom het plangebied zijn beschermingszones en beschermde watergangen aanwezig. Aan de westzijde bevindt zich een secundaire watergang met beschermingszone en aan de noordzijde een primaire watergang met beschermingszone. Dit betreffen de Buffer Hiept aan de westzijde en Hiept aan de noordzijde. Deze watergangen blijven compleet intact bij de realisatie van het plan. De woonunits zullen op het middelste deel van het perceel geplaatst worden. Aan de watergangen wordt niks veranderd.

Wateradvies

Het waterschap waaronder dit plangebied valt is geen deelnemer van het wateradvies. Het waterschap wordt middels het vooroverleg op de hoogte gesteld van het plan.

Waterberging

De toekomstige bebouwingsoppervlakte van de opvanglocatie bedraagt circa 1.818 m2 (1.638 m2 aan chalets en 180 m2 overige bebouwing). Daarnaast voorziet het plan in verharding in de vorm van inrit, parkeerplaatsen en paden (ca. 2000 m2). Op basis van beleid is een waterbergende voorziening van ca. 229,08 m3 benodigd. Het plangebied blijft in de toekomstige situatie voor het grootste deel onverhard, waarmee hemelwater in de bodem kan blijven infiltreren. Tevens worden drainagebuizen aangelegd.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

Het realiseren van een tijdelijke opvang voor Oekraïense ontheemden betreft een nieuw milieugevoelig object. In de onderstaande tabel zijn de omliggende milieubelastende activiteiten en de bijbehorende richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' weergegeven. Geurhinder van veehouderijen blijft in deze paragraaf buiten beschouwing. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.5.

Adres   Functie   Milieucategorie   Grootste richtafstand (maatgevend aspect)   Feitelijke afstand tot plangebied  
Korte Broekweg 1   Tuinbouwbedrijf   2   30 m   Ca. 15 m  

Uit voorgaande tabel is op te maken dat het plangebied zich niet op voldoende afstand bevindt van het tuinbouwbedrijf aan de Korte Broekweg 1. De tijdelijke opvang is voorzien in het midden van het perceel, op ruime afstand van de perceelsgrens. Zo ontstaat er een buffer tussen de opvang en de omliggende percelen. Hiermee bedraagt de afstand tussen de opvanglocatie en het tuinbouwbedrijf ruim 50 m. Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan blijven. Tevens leidt het plan niet tot belemmeringen ten aanzien van de in de omgeving aanwezige functies.

Geluid opvanglocatie

De tijdelijke opvang kan een mogelijke bron van geluid zijn voor de omgeving. Er zijn geen richtlijnen over de afstand tussen een opvanglocatie en andere milieugevoelige objecten. De opvanglocatie wordt primair gebruikt als woonlocatie. De opvanglocatie kan qua opzet het beste vergeleken worden met dat van een camping. De richtafstand van een rustige camping betreft 50 meter (milieucategorie 3.1). De woonunits worden in het midden van het perceel gerealiseerd, waardoor de afstand van 50 meter tot de woonwijk ten zuiden van het plangebied gewaarborgd kan worden. Het plan levert daarmee geen belemmeringen op in het kader van milieuzonering.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Er is in dit geval sprake van een bodemgevoelige locatie. Daarom is ten behoeve van voorliggende ontwikkeling een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2. De resultaten van het bodemonderzoek bieden geen reden tot het verrichten van vervolgonderzoek. Op basis van de milieuhygiënische kwaliteit zijn er geen belemmeringen aanwezig voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 14132389_67840 op circa 350 meter van het plangebied. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie (µg/m3)   11,2 µg/m3   15,1 µg/m3   8,4 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

Uit de tabel blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.Er is ter plaatse van de tijdelijke opvang sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen (zie ook paragraaf 5.4) ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het plangebied is gelegen binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor fijnstof. Dit heeft te maken met de concentratie veehouderijen in de gemeente Venray. Het initiatief heeft geen betrekking op het toevoegen van een veehouderij, maar kan wel effect hebben op de luchtkwaliteit. Omdat sprake is van een situatie die 'niet in betekenende mate' bijdraagt, levert het plan geen significante verslechtering op van de luchtkwaliteit. Daarmee is sprake van een aanvaardbare situatie.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Geurverordening gemeente Venray.

De gemeenteraad van de gemeente Venray en de gemeenteraad van de voormalige gemeente Meerlo-Wanssum hebben een Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Nadien heeft de gemeente Venray haar verordening nog aangepast in die zin dat voor een viertal locaties de geurnorm gewijzigd is.

In deze verordeningen (inclusief de wijziging van de gemeente Venray) wordt afgeweken van de wettelijke normen uit de Wgv. Beide geurverordeningen zijn inmiddels samengevoegd tot één verordening waarbij de uitgangspunten ongewijzigd zijn gebleven. De normen uit deze samengevoegde verordening zijn:

Gebied:   Maximaal toegestane geurbelasting (odourunits per m³ lucht)  
Zoekgebieden woningbouw   8,0 ouE/m³  
Zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen   8,0 ouE/m³  
Vakantiepark de Witte Vennen, clustering TBS/Pascalis/Dichterbij   8,0 ouE/m³  
Bedrijfsterreinen   8,0 ouE/m³  
Plangebied Burgemeester Ponjéestraat in Wanssum   7,0 ouE/m³  
Voor de bestaande woongebieden in Wanssum   2,50 ouE/m³  
Voor de bestaande woongebieden van Venray, Leunen, Smakt, Vredepeel, Ysselsteyn, Oostrum, Merselo, Castenray, Oirlo, Veulen, Blitterswijck en Geijsteren.   3,0 ouE/m³  
Buitengebied   14,0 ouE/m³  
Ysselsteyn, Pater Tulpstraat 24 Ysselsteyn, Horsterweg 70/70a/70b Castenray   8,0 ouE/m³  

Normen voorgrondbelasting Verordening geurhinder en veehouderij

Op de 'Kaart behorende bij Aanpassing verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Venray september 2009' is per deelgebied ingetekend wat de normstelling is.

In de gebiedsvisie behorende bij de geurverordening is geen specifieke definitie of uitwerking opgenomen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wél is aangegeven dat de afwijkende normering uit de geurverordening niet mag leiden tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray.

In de 'Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray' heeft de gemeente Venray vastgelegd wat wordt verstaan onder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij het opstellen van deze aanvulling op de gebiedsvisie en het vastleggen van de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (Infomil 2007) als basis gediend.

In onderstaande tabel is de maximale waarde van de voor- en achtergrondbelasting weergegeven waarbij volgens de gemeente Venray nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Maximale belasting (odourunits per m³ lucht)  
Gebied   Achtergrond   Voorgrond  
Bestaande woongebieden Venray, Oostrum, Smakt, Geijsteren, Blitterswijck en Wanssum   13,0 ouE/m³   6,5 ouE/m³  
Bestaande woongebieden Ysselsteyn, Veulen, Castenray, Oirlo, Leunen, Heide en Merselo   20,0 ouE/m³   6,5 ouE/m³  
Zoekgebied woningbouw Wanssum   13,0 ouE/m³   7,0 ouE/m³  
Overige zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen   20,0 ouE/m³   8,0 ouE/m³  
Vakantiepark de 'Witte Vennen' en de Clustering TBS/Pascalis/Dichterbij'   13,0 ouE/m³   7,0 ouE/m³  
Buitengebied   20,0 ouE/m³   14,0 ouE/m³  

Planspecifiek

Voor wat betreft de voorgrondbelasting van een veehouderij is gekeken naar de veehouderij die voor de onderhavige locatie het meeste van invloed is. De gemeente Venray heeft een kaart (situatie 2022) gemaakt met de geurhindercontouren 3 ouE/m³, 8 ouE/m³ en 14 ouE/m³ van alle veehouderijbedrijven in Venray. Ook zijn de vaste afstand contouren van 50m en 100m weergegeven voor bedrijven met 'vaste afstandsdieren'. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede opgenomen van deze kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0007.png"

Kaartuitsnede 'kaart indicatieve geurhindercontouren, planlocatie groen omkaderd

Uit deze kaart blijkt dat de locatie gelegen is binnen de indicatieve geurhindercontour van 3 en 14 ouE/m3 van het agrarische bouwblok aan de Korte Broekweg 1. De opvanglocatie wordt in het midden van het perceel gerealiseerd. Deze veehouderij is momenteel bovendien niet meer actief. Andere geurcontouren zijn vanuit het oogpunt van voorgrondbelasting niet relevant. Op grond van het gemeentelijk beleid is er daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de toe te voegen woning.

In het kader van de omgekeerde werking levert een (geurgevoelige) ontwikkeling binnen het plangebied geen belemmeringen op voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een veehouderij in de omgeving. Alle veehouderijbedrijven in de omgeving zitten ten aanzien van onderhavig plangebied 'op slot' door dichterbij gelegen geurgevoelige objecten met dezelfde of strengere geurnorm.

Achtergrondbelasting

Voor wat betreft de achtergrondbelasting van geur is gekeken naar alle veehouderijen in de omgeving van het plangebied. De gemeente Venray heeft een kaart (situatie 2022) gemaakt van de indicatieve achtergrondbelasting, veroorzaakt door al die veehouderijen. In onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0008.png"

uitsnede 'kaart achtergrondbelasting geur'

Uit de kaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied een 'zeer goed' leefklimaat heerst in het kader van de achtergrondbelasting. Hierbij geldt aan achtergrondbelasting van 0.0 tot 3.0 ouE/m3. Op grond van het gemeentelijk beleid is er daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning.

Vaste afstanden tot agrarische bedrijven, niet zijnde veehouderijbedrijven.

Er bevindt zich een agrarisch bedrijf aan de Korte Broekweg 1, naast het plangebied. Binnen dit perceel wordt geen vee meer gehouden. De afstand tussen de woonunites en het agrarisch bedrijf betreft minimaal 50 meter. Hiermee wordt aan de minimaal te hanteren afstand voldaan.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

Voorliggend plan maakt een tijdelijke opvang voor Oekraïense ontheemden mogelijk. Formeel is hiermee geen sprake van geluidgevoelige bebouwing, maar wel dient te worden voldaan aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat. Om die reden is aan akoestisch onderzoek uitgevoerd (opgenomen in bijlage 3). Uit het onderzoek volgt dat dat met het initiatief ruim onder de standaardwaarde wordt gebleven. Hieruit volgt dat het geluid van het verkeer ter plekken in elk geval aanvaardbaar is. Verdere aandacht voor geluid is niet nodig. Andere geluidbronnen die belemmeringen ten aanzien van het plan kunnen leveren zijn niet aanwezig in de omgeving van het plangebied. In paragraaf 4.2 is toegelicht dat geluid afkomstig van de opvanglocatie geen belemmeringen oplevert..

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met een rood vierkant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0009.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat op circa 250 m afstand ten oosten van het plangebied twee opslagtanks voor propaan aanwezig zijn. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour van deze risicobronnen. Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8 Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl.

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.

Planspecifiek

In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

In het kader van de ontwikkeling is beoordeeld of sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtig project. Daarbij is van belang of het initiatief kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van kolom 1, onderdeel D, categorie 11.2 van bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. In de toelichting op het voormalig Besluit MER is wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Al deze voorbeelden hebben met elkaar gemeen dat het een verstening of urbanisering van een gebied betreft. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt daarnaast af van de concrete omstandigheden van het geval (vgl. ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:386). Factoren als de aard, omvang, situering en milieugevolgen van het plan zijn bepalend. Alleen bij een grootschalige, integrale gebieds(her)ontwikkeling is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject (ABRvS 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2394).

Het plan voorziet in de tijdelijke plaatsing van een opvanglocatie van maximaal 130 Oekraïense ontheemden tot uiterlijk juni 2028. De bebouwing is tijdelijk en kan na afloop volledig worden verwijderd. Gelet op de tijdelijkheid, de schaal en het beperkte ruimtebeslag aan de rand van het bestaand stedelijk gebied, is geen sprake van een grootschalige verstedelijking of integrale gebiedsontwikkeling. De milieugevolgen zijn bovendien beperkt en beheersbaar. Op grond van de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Omgevingsbesluit. Het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is daarom niet noodzakelijk. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.10 Explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren.

Planspecifiek

Ten aanzien van het initiatief is explosievenonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Uit het onderzoek volgt dat de voorgenomen werkzaamheden veilig uitgevoerd kunnen worden.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.11 Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Er kunnen omstandigheden zijn om (gemotiveerd) van deze indicatieve afstand af te wijken.

Planspecifiek

In de omgeving van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen, waarop gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. In de planregels is vastgelegd dat binnen een straal van 50 meter rondom de tijdelijke opvanglocatie – zolang deze in gebruik is – geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Deze zone is als aanduiding op de verbeelding opgenomen. Hiermee is voldoende geborgd dat het aspect gewasbeschermingsmiddelen geen belemmeringen oplevert ten aanzien van het initiatief.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in een tijdelijke opvang voor maximaal 130 personen. Dit kan als een stedelijke ontwikkeling gezien worden. Daarom dient te worden ingegaan op de behoefte en locatie van de ontwikkeling.

Kwalitatieve en kwantitatieve behoefte

In het geval van de opvanglocatie gaat het om Oekraïense ontheemden, waarbij sprake is van een directe en urgente behoefte naar voldoende opvangplekken. In de gemeente Venray bestaat een opgave van 399 plekken. Op dit moment beschikt de gemeente over twee legale plekken: 64 op de Stationsweg en 16 op Roekenbosch. Daarmee bestaat in de gemeente nog een aantoonbaar tekort aan voldoende opvangplekken. Met de ontwikkeling van 130 plekken wordt voorzien in een aanzienlijk deel van de benodigde plaatsen. Daarmee wordt voorzien in de behoefte naar dit type opvang.

Locatie

De gemeente Venray heeft onderhavig plangebied als meest geschikt geacht voor de opvanglocatie. Bij het verkennen van de locatiekeuze is nadrukkelijk gekeken naar binnenstedelijke mogelijkheden, maar deze zijn niet haalbaar gebleken. Hierbij is rekening gehouden met criteria als ruimtelijke inpasbaarheid, snelheid van realisatie en impact voor de omgeving. Omdat sprake is van een tijdelijke opvanglocatie is de ruimtelijke impact op de omgeving niet structureel van aard. De tijdelijkheid is voldoende geborgd in de regels bij het plan. Gelet op het voorgaande is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarmee is de locatie van de opvanglocatie voldoende afgewogen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten aanwezig. Ten aanzien van de kwaliteiten van het buitengebied is het initiatief getoetst aan het Ruimtelijk KwaliteitsKader. Vanwege de tijdelijkheid van het initiatief zijn significante effecten op het landschap uitgesloten.

Archeologie

In het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen bouwwerken mogelijk maken groter dan 500 m² en grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder maaiveld. Omdat deze grenswaarde met dit plan wordt overschreden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit het onderzoek volgt dat archeologische resten anders dan sporen en resten uit de Tweede Wereldoorlog niet worden verwacht en derhalve ook niet bedreigd. Bij de planvorming kan rekening gehouden worden met resten uit de Tweede Wereldoorlog. Indien niet mogelijk, kan voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden (bij omgevingsvergunningaanvraag) een vervolgonderzoek overlegd worden.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 6. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Soortenbescherming

Uit het onderzoek blijkt dat de beoogde ingreep niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kan worden voorkomen door de locatie buiten het broedseizoen bouwrijp te maken.

Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie. Het perceel ligt op circa 3 km afstand tot het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Hiertoe is een voortoets stikstof uitgevoerd, zie bijlage 7. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied is voor zowel de gebruiks- als aanlegfase geen sprake van een bijdrage van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen.

Gezien de aard, omvang en afstand van de ontwikkeling tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is er ook geen sprake van overige effecten (geluid, optische verstoring, licht, trillingen).

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Verkeersgeneratie en ontsluiting

De verkeersaantrekkende werking neemt door voorliggend plan (planologisch) toe. Het CROW geeft geen kengetallen voor dergelijke opvang. Daarom heeft de gemeente Venray een mobiliteitsadvies opgesteld over het te verwachten aantal verkeersbewegingen van de opvanglocatie (zie bijlage 8). Op basis van de berekening in dit advies wordt de verkeersgeneratie geschat op circa 260 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betreft het totale verkeer van bewoners, medewerkers en bezoekers, waaronder woon-werkverkeer en ritten naar voorzieningen.

Het plangebied wordt via een ondergeschikte uitrit op het Venraysbroek ontsloten. De verkeersintensiteit op deze weg is laag en er zijn voldoende hiaten in het verkeer om veilig uit te rijden. Aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk.

Het cluster Mobiliteit heeft vier mogelijke ontsluitingsroutes beoordeeld. De routes via het zandpad en de Laagheidseweg zijn als ongeschikt beoordeeld vanwege verkeersveiligheid, profielbreedte en de aanwezigheid van langzaam verkeer. De routes via het Venraysbroek (noord) en het Venraysbroek (zuid) – Tureluur – Broekweg zijn als geschikt beoordeeld. Beide routes liggen in een 30-km-zone en kunnen de toename van verkeer goed verwerken. Uit recente tellingen blijkt dat de verkeersintensiteiten op deze wegen (tussen 480 en 920 mvt/etmaal) ruim onder de veilige capaciteit van 5.500 – 6.000 mvt/etmaal liggen.

Het is niet noodzakelijk om een vaste route op te leggen of het Venraysbroek fysiek af te sluiten. Bewoners van de opvanglocatie kunnen, net als wijkbewoners, zelf bepalen welke route zij gebruiken. De bestaande wegenstructuur is hiervoor toereikend. Tot slot wordt in het advies geadviseerd om de nieuwe situatie te monitoren en bewoners te betrekken bij eventuele aanvullende maatregelen, mocht daar aanleiding toe zijn.

Parkeren

Op grond van de gemeentelijke parkeernota hanteert de gemeente Venray voor migrantenhuisvesting een parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen per bewoner (voor het buitengebied). Onderhavige ontwikkeling voorziet in huisvesting voor 130 bewoners, waarmee de parkeerbehoefte uitkomt op 78 parkeerplaatsen.

Omdat het in voorliggend plan om Oekraïense ontheemden gaat, zal de werkelijke parkeerbehoefte lager liggen dan bij andere vormen van migrantenhuisvesting. Bij de huidige opvang, daar waar de beoogde bewoners van onderhavige opvanglocatie momenteel woonachtig zijn, staan op de drukste momenten circa 30 auto's. Omdat de bewonerssamenstelling niet veel verschilt van deze locatie, betreft dit een representatief aantal voor onderhavig plan. Met 72 parkeerplaatsen wordt daarmee ruimschoots in de werkelijke behoefte voorzien. Mochten in de toekomst meer parkeerplaatsen benodigd zijn, is op het terrein voldoende ruimte om in extra parkeerplaatsen te voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM25017-on01_0010.png"

Impressie parkeersituatie (ontwerp: Boeijenjong Architecten)

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Het plangebied krijgt een tijdelijke nieuwe functie. Er is geen sprake van een permanente nieuwe invulling. Om de tijdelijke opvang zo duurzaam mogelijk vorm te geven worden er 630 zonnepanelen geplaatst met een batterij om stroom in op te slaan. De tijdelijke woonunits worden verwarmd door middel van vloerverwarming. Bovendien blijft een groot deel van het plangebied in de toekomstige situatie onverhard, waardoor water ter plekken in de bodem kan infiltreren. Dit helpt droogte tegen te gaan. Binnen het plangebied worden onder meer een buurtakker, een centrale tuin aangelegd en speelveld gerealiseerd.Deze gezamenlijke buitenruimtes bieden verkoeling in het kader van klimaatadaptatie, maar dragen daarnaast ook bij aan het stimuleren van ontmoeting en beweging om zo een gezonde leefomgeving te creëren.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 6 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan Venray. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.

7.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

Agrarisch

De bestaande agrarische functie wordt met voorliggend plan intact gehouden. Binnen de agrarische functie is een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - tijdelijke opvanglocatie' opgenomen, waarmee de bouw en het gebruik van de tijdelijke opvanglocatie wordt geregeld. In de regels is beschreven wat onder de opvanglocatie wordt verstaan en hoe groot deze mag zijn. Verder is een gebruiksverbod opgenomen voor gewasbeschermingsmiddelen zolang de opvanglocatie in gebruik is.

Hoofdstuk 8 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek

Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht. Om het plan nader toe te lichten heeft er op 16 april 2025 een avond gepland om met de buurt te spreken over de komst van de nieuwe opvanglocatie. Hierin zijn veel vragen vanuit de omgeving beantwoord, onder andere over de ontsluiting, sociale activiteiten en een groene inpassing. In bijlage 9 is het verslag van deze omgevingsdialoog opgenomen. Daarnaast worden bewoners en de omgeving op de hoogte gesteld van ontwikkelingen middels nieuwsbrieven, de website van de gemeente en de website van de wijkraad de Brabander. Bij grote wijzigingen wordt een bewonersbrief uitgestuurd.

8.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

De gemeente Venray is zelf initiatiefnemer bij onderhavige ontwikkeling. Kostenverhaal wordt daarmee intern verwerkt. Hiertoe is een kostenraming gemaakt van de plankosten en is bepaald hoe deze worden gedekt. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor het initiatief, waarbij ook rekening is gehouden met eventuele risico's.

8.3 Vooroverleg

Onderhavig initiatief wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties. Het initiatief is door de projectleider ingebracht op de intaketafel en aldaar positief bevonden. Het advies van de provincie Limburg is opgenomen in bijlage 1,