direct naar inhoud van Regeling
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Haven- en industrieterrein Wanssum
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01

Regeling

Preambule


Dit TAM-omgevingsplan is gericht op ten eerste het regelen van het bestaande haven- en industrieterrein Wanssum met inachtneming van de bestaande rechten en ten tweede het faciliteren van een gebiedsontwikkeling in de vorm van een uitbreiding aan de oostelijke zijde van dit bestaande industrieterrein. Dit TAM-omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22i) van het omgevingsplan van de gemeente Venray. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.


De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Venray. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22i' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22i gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsbesluit, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22i. Aanvullend gelden de volgende begripsbepalingen voor dit hoofdstuk:

1.1 Plan

Het TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Haven- en industrieterrein Wanssum met identificatienummer NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01.

1.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Venray.

1.3 Aanbestedingskader

Het als Bijlage 4 bij deze regeling opgenomen normenkader van de gemeente Venray voor het aanbesteden van leveringen, werken en diensten betreffende de inrichting van de openbare ruimte door niet-aanbestedende diensten.

1.4 Aanbestedingsprotocol

Beschrijving van de voorgestelde aanbestedingsvorm en voorgestelde wijze waarop een levering, werk of dienst inzake de inrichting van de openbare ruimte door een niet-aanbestedende dienste wordt gegund.

1.5 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 Archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een archeologie-certificaat conform paragraaf 5.1, artikel 5.1 tot en met 5.6 van de Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.8 Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden.

1.9 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.10 Bebouwingspercentage

Het percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat mag worden bebouwd.

1.11 Bedrijf

Een activiteit gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij eventueel productiegebonden detailhandel plaats vindt, beroepen aan huis daaronder niet begrepen.

1.12 Bestaand
  • Bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig of wordt gebouwd op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen.
  • Bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan of het betreffende planonderdeel inwerking is getreden.
1.13 Bestek

Een uitwerking van het plan naar:

  • a. een definitief ontwerp, en
  • b. een omschrijving van de op basis van het definitief onwerp uit te voeren werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, met bijbehorende tekeningen, en
  • c. een directieraming,

dit alles opgesteld op basis van de eisen zoals opgenomen in de Standaard RAW-bepalingen 2025, zoals uitgegeven door CROW, gevestigd te Ede, op 30 september 2025, dan wel een daarvoor in de plaats komende door CROW uitgegeven versie van de Standaard RAW-bepalingen, zoals deze gelden ten tijde van de indiening van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.

1.14 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.15 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.16 Bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

1.17 Bouwrijp maken van de openbare ruimte

Het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden binnen de openbare ruimte, gericht op het geschikt maken van kavels voor de oprichting van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals omschreven in de kwaliteitsomschrijving in Bijlage 4.

1.18 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.19 Bouwweg

een weg, binnen de openbare ruimte, bedoeld voor het tijdelijk ontsluiten van uitgeefbaar gebied.

1.20 Brutokostenverhaalsbijdrage

De verschuldigde geldsom voor het kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 13.18, eerste lid van de Omgevingswet.

1.21 Calamiteitenweg

Een weg of verhard oppervlak die bedoeld en geschikt is als ontsluiting voor nood- en hulpdiensten, zoals ambulances en brandweerwagens.

1.22 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor de verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan in hoofdzaak personen die deze zaken kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.23 Dienstverlening

Een kantoor of bedrijf met een publieksgerichte functie dat in hoofdzaak is gericht op het ter plaatse bedrijfsmatig verlenen van diensten aan of ten behoeve van bedrijven/personen, zoals een voorlichtings-, advies-, reis- en uitzendbureau, een makelaars- en/of verzekeringskantoor of bank, of een bedrijf dat is gericht op het beroepsmatig uitoefenen van bedrijvigheid gericht op consumentverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, zoals bijvoorbeeld een kapsalon, pedicure of schoonheidssalon.

1.24 Ecologische voorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurlijke waarden, zoals houtsingels, faunapassages, faunaduikers, wildrasters, nestkasten en kleinschalige natuurontwikkeling.

1.25 Eigendom
  • a. Een kadastraal perceel, voor zover er geen sprake is van aangrenzende kadastrale percelen in handen van eenzelfde kadastrale eigenaar, of
  • b. Een samenstel van aan elkaar grenzende kadastrale percelen in handen van eenzelfde kadastrale eigenaar.
1.26 Eindafrekening

Besluit zoals bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder 2 sub 2 Omgevingswet, waarmee afrekening van een op grond van een kostenverhaalsbeschikking betaalde nettokostenverhaalsbijdrage plaatsvindt.

1.27 Gebruiksgereed maken van de openbare ruimte

Het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen de openbare ruimte, gericht op het in definitieve vorm aanleggen en afwerken van de bouwrijp gemaakte openbare ruimte, zoals omschreven in de kwaliteitsomschrijving in Bijlage 4.

1.28 Geluidwerende voorzieningen

Voorzieningen ter reductie van de geluidbelasting, zoals geluidswallen, geluidschermen en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.29 Groene waterkering

Waterkering bestaande uit een grondlichaam met een kern van klei en/of zand, eventueel voorzien van een bekleding, zoals gras of een laag asfalt of stenen.

1.30 Harde waterkering

Waterkering bestaande uit een harde constructie van veelal stenen, beton en/of damwanden.

1.31 Havengebonden bedrijven

Bedrijven met een havenafhankelijke bedrijfsactiviteit en bedrijven die voor hun aan- en/of afvoer van goederen afhankelijk zijn van het vervoer over water.

1.32 Havengerelateerde bedrijven

Bedrijven met een bedrijfsactiviteit die afhankelijk is van en/of die gericht is op een havengebonden bedrijf.

1.33 Inrichting van de openbare ruimte

Het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen de openbare ruimte, bestaande uit:

  • a. het bouwrijp maken van de openbare ruimte, en
  • b. het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte.
1.34 Inbrengwaarde

Het samenstel van de volgende kostensoorten:

  • a. de waarde van gronden, inclusief de waarde van de te slopen opstallen, gelegen binnen de openbare ruimte en het uitgeefbaar gebied (kostensoort A2 en B1 kostensoortenlijst);
  • b. de kosten van het vrijmaken van de gronden bedoeld onder a, van persoonlijke rechten en lasten, eigendom en bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten (kostensoort A3 en B2 kostensoortenlijst;
  • c. de kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden bedoeld onder a (kostensoort A5 en B3);
  • d. de kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de grond van het uitgeefbaar gebied (kostensoort B4 kostensoortenlijst);
  • e. de kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering van de werken en werkzaamheden zoals bedoeld onder B2 tot en met B4 van de kostensoortenlijst, voor zover deze betrekking hebben op uitgeefbaar gebied (kostensoort B5 kostensoortenlijst).
1.35 Kantooractiviteiten

Activiteiten die in overwegende mate bestaan uit administratieve werkzaamheden, dan wel werkzaamheden die worden uitgevoerd uit hoofde van juridische, bancaire, ontwerptechnische of hiermee vergelijkbare dienstenverlenende beroepsgroepen, dan wel werkzaamheden welke verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen of hiermee vergelijkbare instellingen, zonder dat er sprake is van een baliefunctie.

1.36 Kavel

Een, ingevolge de aanduiding specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel met kavelletter (A tot en met K), zelfstandig gesitueerd en vormgegeven bouwperceel, als onderdeel van het uitgeefbaar gebied.

1.37 Kavelgrens

De grens van een kavel.

1.38 Kostensoortenlijst

Het geheel van kostensoorten voor de toepassing van kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 8.15 juncto bijlage IV Omgevingsbesluit.

1.39 Kostenverhaalsbeschikking

Beschikking als bedoeld in artikel 13.18 Omgevingswet.

1.40 Kostenverhaalsgebied

Gebied zoals bedoeld in artikel 13.14, eerste lid onder a Omgevingswet, en zoals op de verbeelding aangeduid als 'overige zone - kostenverhaalsgebied'.

1.41 Kostenverhaalsplichtige activiteiten

De activiteiten zoals bedoeld in artikel 8.13 Omgevingsbesluit.

1.42 kwaliteitsomschrijving

Het als Bijlage 4 bij deze regeling opgenomen normenkader van de gemeente Venray, waarin de eisen voor het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte zijn opgenomen en zoals op de verbeelding aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare ruimte'.

1.43 Landschappelijke waarde

De aan een gebied toebehorende waarde die wordt gekenmerkt door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur ter plaatse van het waarneembare deel van het aardoppervlak van dat gebied.

1.44 Ligplaats

Plaats die ingericht is om schepen te doen afmeren.

1.45 Maaiveld

De bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het "aangrenzende maaiveld" wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw.

1.46 Macroaftopping

De wettelijke begrenzing van de maximering van de binnen het kostenverhaalsgebied te verhalen kosten, zoals bedoeld in artikel 13.14, tweede lid Omgevingswet.

1.47 Natuurlijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van bodemkundige, hydrologische en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in samenhang.

1.48 Nettokostenverhaalsbijdrage

De brutokostenverhaalsbijdrage, verminderd met de aftrekposten genoemd in artikel 13.18, tweede lid, onder a en b Omgevingswet.

1.49 Openbare ruimte

Gedeelte van het kostenverhaalsgebied, zoals op de verbeelding aangeduid als overige zone - openbare ruimte', waarbinnen het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied wordt uitgevoerd alsmede de bouw van kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals bedoeld in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, mogelijk is. Een en ander met dien verstande dat de functies genoemd onder artikel 8.4, sub f tot en met k van dit TAM-omgevingsplan niet onder openbare ruimte worden begrepen.

1.50 Openbare voorzieningen

De werken die onderdeel vormen van de openbare ruimte, zoals omschreven in de kwaliteitsomschrijving in Bijlage 4

1.51 Peil

Onder het peil wordt verstaan:

  • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang niet onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. voor bruggen, hoge grond en waterkeringen: NAP;
  • d. indien in of op het water wordt gebouwd (met uitzondering van bruggen): het stuwpeil van de Maas;
  • e. voor bouwwerken op bruggen, viaducten, waterkeringen en taluds: de hoogte van het wegdek;
  • f. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aangrenzend terrein, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
1.52 Posterieure overeenkomst

een overeenkomst over kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 13.13 Omgevingswet, gesloten na de vaststelling van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Haven- en industrieterrein Wanssum.

1.53 Riviergebonden activiteiten

Activiteiten als bedoeld in artikel 4 van de Beleidsregels grote rivieren 2025.

1.54 Seksinrichting

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin tegen betaling handelingen en/of voorstellingen plaatsvinden van erotische en/of pornografische aard. Hieronder worden mede begrepen een seksbioscoop, -theater, -automatenhal en -winkel en naar de aard daarmee te vergelijke inrichtingen.

1.55 Uitgeefbaar gebied

Gedeelte van het kostenverhaalsgebied, waarbinnen het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied wordt uitgevoerd alsmede de bouw van kostenverhaalsplichtige activiteiten mogelijk is en zoals op de verbeelding aangeduid als 'overige zone - uitgeefbaar gebied'.

1.56 Volumineuze detailhandel

Detailhandel die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, waaronder wordt begrepen:

  • a. detailhandel in auto’s en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen;
  • b. detailhandel in boten, caravans en landbouwwerktuigen en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen, alsmede detailhandel in grove bouwmaterialen en brand/explosiegevaarlijke stoffen;
  • c. detailhandel in meubels, vloeren, keukens, sanitair, zonwering, verlichting en hiermee vergelijkbare artikelen ten behoeve van woninginrichting en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen;
  • d. detailhandel in volumineuze goederen ten behoeve van de buiteninrichting zoals tuinartikelen, vijvers, zwembaden en hiermee vergelijkbare artikelen en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen;
  • e. detailhandel in bouwmaterialen (bouwmarkten) en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen.
1.57 Voorzieningen van openbaar nut

Een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse afvalvoorzieningen, bovengrondse afvalvoorzieningen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten, plus voorzieningen voor warmte- en koudeopslag of voorzieningen van soortgelijke aard met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.58 Waterhuishoudkundige voorzieningen

Boven- en ondergrondse voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en de handhaving of verbetering van de waterkwaliteit, waaronder in ieder geval worden begrepen duikers, stuwen, infiltratie- en drainagevoorzieningen, beregeningsputten, gemalen, inlaten, zaksloten en afwateringsloten.

Artikel 2 Toepassingsbereikbepaling

2.1 Verhouding met ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel

De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.

2.2 Verhouding met regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk (hoofdstuk 22i).

2.3 Geometrische afbakening TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Haven- en industrieterrein Wanssum

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Haven- en industrieterrein Wanssum, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op respectievelijk in afwijking van artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.

3.2 de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.

3.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 cumulatief gebudgetteerde geluidruimte

De totaal gebudgetteerde geluidruimte zonder geluidreserve voor onderscheidenlijk:

  • deelgebieden II, III, IV en VI gezamenlijk (nieuwe kavels op basis van provinciaal inpassingsplan 2017, inmiddels bestaand);
  • deelgebieden I en V gezamenlijk (bestaande kavels);
  • deelgebied VII (bestaande kavels in deelgebied zuid-oost);
  • deelgebied VIII (nieuwe kavels in deelgebied Wanssum-Oost).
3.5 geluidruimte door gebruik van een kavel

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege een activiteit op een bestaand of nieuw kavel, inclusief de bij de activiteit behorende geluidbronnen op openbaar water, per periode van het etmaal (dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur, avondperiode van 19.00 tot 23.00 uur en nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur).

3.6 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.7 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.8 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.9 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,50 meter.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • b. Ondere strijdig gebruik als bedoeld onder a wordt in ieder geval verstaan:
    • 1. het gebruik van gebouwen voor bewoning;
    • 2. het gebruik van gronden of bouwwerken als seksinrichting.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk (hoofdstuk 22c).

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Bedrijventerrein - 1

Artikel 6 Bedrijventerrein - 1

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 1.

6.2 Oogmerken

Voor deze functie worden de volgende doelen nagestreefd:

  • a. Het bevorderen van economische groei door het bieden van ruimte voor bedrijven om zich te vestigen en te groeien.
  • b. Het waarborgen van een goede bereikbaarheid.
6.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
6.4 Toedeling

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 1 zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de milieucategorieën 2, 3.1 en 3.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 2 tot en met 3.2' en zoals opgenomen in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1;
  • b. bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de tot milieucategorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 3.1 tot en met 4.2' en zoals opgenomen in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1;
  • c. risicovolle bedrijven, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - risicovolle bedrijven', met dien verstande dat aan- en afvoer van brandbare gassen en toxische stoffen in tankwagens of in tankcontainers over de N270 niet is toegestaan;
  • d. metaalverwerkingsbedrijven tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – metaalverwerkingsbedrijf';
  • e. gassenhandel tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gassenhandel';
  • f. volumineuze detailhandel, ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel volumineus';
  • g. dienstverlening, ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening';
  • h. verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg, ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen - zonder lpg';
  • i. rioolgemaal, ter plaatse van de aanduiding 'gemaal';
  • j. kantooractiviteiten ten dienste van en ondergeschikt aan de onder a tot en met h genoemde bedrijvigheid, met dien verstande dat per bedrijfsgebouw maximaal 1.500m2 aan brutovloeroppervlakte ten dienste van deze kantooractiviteiten mag worden aangewend;
  • k. ondergeschikte detailhandel in goederen welke ter plaatse zijn vervaardigd of ter plaatse een essentiële bewerking hebben ondergaan, zulks met uitzondering van de detailhandel in voedingsmiddelen;
  • l. voorzieningen van openbaar nut;
  • m. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • n. erven en groenvoorzieningen;
  • o. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • p. voorzieningen ten behoeve van laden en lossen
  • q. parkeervoorzieningen;
  • r. wegen voor langzaam verkeer;
  • s. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • t. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.5 Beoordelingsregels bouwen

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 1 mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht waarvoor de volgende regels gelden:

6.5.1 Gebouwen

Ten aanzien van de situering en maatvoering van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht;
  • b. de kavelgrootte van een bouwperceel bedraagt maximaal 50.000 m2;
  • c. de afstand van nieuwe gebouwen en van uitbreidingen van bestaande gebouwen tot de bouwperceelsgrenzen bedraagt, met uitzondering van de op de openbare weg georiënteerde bouwperceelsgrens 5 m;
  • d. de afstand tussen nieuwe gebouwen onderling en de afstand tussen nieuwe gebouwen of uitbreidingen van bestaande gebouwen ten opzichte van bestaande gebouwen, indien niet aaneengebouwd, bedraagt minimaal 5 m.
  • e. de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.
  • f. het bebouwde oppervlak van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.
6.5.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Ten aanzien van de situering en maatvoering van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende

bepalingen:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 3 m;
  • b. de hoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf bedraagt maximaal 5 m;
  • c. de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 8 m;
  • d. de hoogte van (portaal-)kranen bedraagt maximaal 20 m;
  • e. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 16 m.
  • f. het bebouwde oppervlak van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.
6.6 Maatwerkvoorschrift

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de op grond van dit artikel toegelaten situering en afmetingen van gebouwen en andere bouwwerken, indien dit noodzakelijk is, ter voorkoming van onevenredig nadelige gevolgen voor:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid,
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
6.7 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit bouwen
6.7.1 Bouwactiviteit(en)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 6.5.1 onder c voor het oprichten van een zijgevel op een afstand kleiner dan 5 m van de zijdelingse bouwperceelgrens;
  • b. artikel 6.5.1 onder d voor het toestaan van een kleinere afstand dan 5 m tussen gebouwen;
  • c. artikel 6.5.1 onder d voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen tot 20 m ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - afwijking bouwhoogte',
  • d. artikel 6.5.1 onder d voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen tot 15 m anders dan bedoeld onder c;
  • e. artikel 6.5.2 onder a voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van erfafscheidingen tot 4 m;
  • f. artikel 6.5.2 onder b voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen tot 10 m;
  • g. artikel 6.5.2 onder f voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van deze bouwwerken tot 20 m.
6.7.2 Beoordelingsregels bouwactiviteit(en)
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.1, sub a en b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. de bebouwing wordt stedenbouwkundig ingepast;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten verzekerd blijft.
    • 4. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.1, sub c, wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. het gebouw wordt landschappelijk en stedenbouwkundig ingepast;
    • 2. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.1, sub d, sub e, sub f en sub g wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
6.8 Verbod

Het gebruik van gronden en bouwwerken is verboden, voor zover het betreft:

  • a. detailhandel, met uitzondering van het gestelde onder 6.4 onder k, en volumineuze detailhandel, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel volumineus';
  • b. het gebruik van gronden (anders dan in bouwwerken) ten behoeve van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten, met uitzondering van opslag ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf in de vorm van:
    • 1. containers tot een hoogte van maximaal 3 m;
    • 2. mobiele kranen tot een hoogte van maximaal 20 m;
    • 3. overige opslag tot een hoogte van maximaal 6 m.
  • c. reclamezuilen en andere reclame-uitingen anders dan ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf;
6.9 Uitsterfregeling

In afwijking van het gestelde onder artikel 4 is permanente bewoning ter plaatse van de aanduiding 'wonen' toegestaan. Indien deze permanente bewoning ter plaatse van de aanduiding 'wonen' voor een periode van meer dan één jaar wordt gestaakt, mag deze permanente bewoning niet worden hervat.

6.10 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit gebruik
6.10.1 Gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 6.4 onder a voor het toestaan van een bedrijf in de milieucategorie 2, 3.1, 3.2, 4.1 of 4.2 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1;
  • b. artikel 6.4 onder b voor het toestaan van een bedrijf in de milieucategorie 3.1, 3.2, 4.1, 4.2, 5.1 of 5.2 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1;
  • c. artikel 6.4 onder c voor het toestaan van andere risicovolle bedrijven dan genoemd in artikel 6.4 onder c;
  • d. artikel 6.8 onder b voor het toestaan van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf tot een hoogte van maximaal 10 m voor overige opslag.
6.10.2 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.10.1, sub a en b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. de aard en de omvang van de milieuhinder die dit bedrijf veroorzaakt kan gelijk worden gesteld met een bedrijf als genoemd in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1 dat conform de bepalingen van dit plan ter plaatse wel is toegestaan;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.10.1, sub c wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. er vindt een integrale verantwoording van het groepsrisico met betrekking tot het bedrijf inclusief het transport van gevaarlijke stoffen over de N270 plaats;
    • 2. vooraf is schriftelijk advies ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de aan- en afvoer van brandbare gassen in tankwagens of in tankcontainers vindt niet over de N270 plaats;
    • 4. deze bedrijven worden uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – risicovolle bedrijven'.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.10.1, sub d wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.

Artikel 7 Bedrijventerrein - 2

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 2.

7.2 Oogmerken

Voor deze functie worden de volgende doelen nagestreefd:

  • a. Het bevorderen van economische groei door het bieden van ruimte voor bedrijven om zich te vestigen en te groeien.
  • b. Het waarborgen van een goede bereikbaarheid.
7.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die

activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 7.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
7.4 Toedeling

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 2 zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. havengebonden en havengerelateerde bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de milieucategorieën 2, 3.1 en 3.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 2 tot en met 3.2' en zoals opgenomen in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1;
  • b. havengebonden en havengerelateerde bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de milieucategorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 3.1 tot en met 4.2' en zoals opgenomen in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1;
  • c. havengebonden en havengerelateerde risicovolle bedrijven, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - risicovolle bedrijven', met dien verstande dat aan- en afvoer van brandbare gassen en toxische stoffen in tankwagens of in tankcontainers over de N270 niet is toegestaan;
  • d. metaalverwerkingsbedrijven tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – metaalverwerkingsbedrijf';
  • e. mengvoederbedrijven tot en met milieucategorie 4.1, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – mengvoederbedrijf';
  • f. betonwarenfabriek tot en met milieucategorie 5.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - betonwarenfabriek';
  • g. bouw- en grondstoffenbedrijf tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouw- en grondstoffenbedrijf';
  • h. betonmortelcentrale tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - betonmortelcentrale';
  • i. dekaardeproductiebedrijf tot en met milieucategorie 4.1 met dien verstande dat het bouwperceel maximaal 4 ha bedraagt;
  • j. kantooractiviteiten ten dienste van en ondergeschikt aan de onder a tot en met h genoemde bedrijvigheid, met dien verstande dat per bedrijfsgebouw maximaal 1500 m2 aan brutovloeroppervlakte ten dienste van deze kantooractiviteiten mag worden aangewend;
  • k. ondergeschikte detailhandel in goederen welke ter plaatse zijn vervaardigd of ter plaatse een essentiële bewerking hebben ondergaan, zulks met uitzondering van de detailhandel in voedingsmiddelen;
  • l. voorzieningen van openbaar nut;
  • m. ecologische voorzieningen;
  • n. ondergrondse verankering van waterkeringen;

met de daarbij behorende:

  • o. erven en groenvoorzieningen;
  • p. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • q. voorzieningen ten behoeve van laden en lossen
  • r. parkeervoorzieningen;
  • s. wegen voor langzaam verkeer;
  • t. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • u. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.5 Beoordelingsregels bouwen

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 2 mogen uitsluitend bouwwerken worden

opgericht waarvoor de volgende regels gelden:

7.5.1 Gebouwen

Ten aanzien van de situering en maatvoering van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht;
  • b. de kavelgrootte van een bouwperceel bedraagt maximaal 50.000 m2;
  • c. de afstand van nieuwe gebouwen en van uitbreidingen van bestaande gebouwen tot de bouwperceelsgrenzen bedraagt, met uitzondering van de op de openbare weg georiënteerde bouwperceelsgrens 5 m;
  • d. de afstand tussen nieuwe gebouwen onderling en de afstand tussen nieuwe gebouwen of uitbreidingen van bestaande gebouwen ten opzichte van bestaande gebouwen, indien niet aaneengebouwd, bedraagt minimaal 5 m.
  • e. de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.
  • f. het bebouwde oppervlak van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.
7.5.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Ten aanzien van de situering en maatvoering van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende

bepalingen:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 3 m;
  • b. de hoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf bedraagt maximaal 5 m;
  • c. de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 8 m;
  • d. de hoogte van silo's bedraagt maximaal 32 m;
  • e. de hoogte van (portaal-)kranen bedraagt maximaal 45 m;
  • f. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 16 m.
  • g. het bebouwde oppervlak van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.
7.6 Maatwerkvoorschrift

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de op grond van dit artikel toegelaten situering en afmetingen van gebouwen en andere bouwwerken, indien dit noodzakelijk is, ter voorkoming van onevenredig nadelige gevolgen voor:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid,
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
7.7 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit bouwen
7.7.1 Bouwactiviteit(en)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 7.5.1 onder c voor het oprichten van een zijgevel op een afstand kleiner dan 5 m van de zijdelingse bouwperceelgrens;
  • b. artikel 7.5.1 onder d voor het toestaan van een kleinere afstand dan 5 m tussen gebouwen;
  • c. artikel 7.5.2 onder a voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van erfafscheidingen tot 4 m;
  • d. artikel 7.5.2 onder b voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen tot 10 m;
  • e. artikel 7.5.2 onder f voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van deze bouwwerken tot 20 m.
7.7.2 Beoordelingsregels bouwactiviteit(en)
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.7.1, sub a en b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. de bebouwing wordt stedenbouwkundig ingepast;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten verzekerd blijft.
    • 4. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.7.1, sub c, sub d en sub e wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
7.8 Verbod

Het gebruik van gronden en bouwwerken is verboden, voor zover het betreft:

  • a. detailhandel, met uitzondering van het gestelde onder 7.4 onder k;
  • b. het gebruik van gronden (anders dan in bouwwerken) ten behoeve van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten, met uitzondering van opslag ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf in de vorm van:
    • 1. containers tot een hoogte van maximaal 15 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - containeropslag';
    • 2. containers anders dan bedoeld onder a tot een hoogte van maximaal 9 m;
    • 3. mobiele kranen tot een hoogte van maximaal 45 m;
    • 4. zand en grind tot een hoogte van maximaal 8 m;
    • 5. betonelementen tot een hoogte van maximaal 10 m voor betonelementen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – betonwarenfabriek';
    • 6. overige opslag tot een hoogte van maximaal 6 m.
  • c. reclamezuilen en andere reclame-uitingen anders dan ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf.
7.9 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit gebruik
7.9.1 Gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 7.4 onder a voor het toestaan van een bedrijf in de milieucategorie 2, 3.1, 3.2, 4.1 of 4.2 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1 
  • b. artikel 7.4 onder b voor het toestaan van een bedrijf in de milieu-categorie 3.1, 3.2, 4.1, 4.2, 5.1 of 5.2 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1;
  • c. artikel 7.4 onder c voor het toestaan van andere risicovolle bedrijven dan genoemd in artikel 7.4 onder c;
  • d. artikel 7.8 onder b voor het toestaan van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf tot een hoogte van maximaal 10 m voor overige opslag, mits er geen afbreuk wordt gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
7.9.2 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.9, sub a en b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. de aard en de omvang van de milieuhinder die dit bedrijf veroorzaakt kan gelijk worden gesteld met een bedrijf als genoemd in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1 dat conform de bepalingen van dit plan ter plaatse wel is toegestaan;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.9, sub c wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. er vindt een integrale verantwoording van het groepsrisico met betrekking tot het bedrijf inclusief het transport van gevaarlijke stoffen over de N270 plaats;
    • 2. vooraf is schriftelijk advies ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de aan- en afvoer van brandbare gassen in tankwagens of in tankcontainers vindt niet over de N270 plaats;
    • 4. deze bedrijven worden uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – risicovolle bedrijven'.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.9, sub d wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.

Artikel 8 Bedrijventerrein - 3

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 3.

8.2 Oogmerken

Voor deze functie worden de volgende doelen nagestreefd:

  • a. Het bevorderen van economische groei door het creëren van ruimte voor bedrijven om zich te vestigen en te groeien.
  • b. Het waarborgen van een goede bereikbaarheid.
8.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die

activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 8.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
8.4 Toedeling

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 3 zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de milieucategorieën 2, 3.1 en 3.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 2 tot en met 3.2' en zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1;
  • b. kantooractiviteiten ten dienste van en ondergeschikt aan de onder a en b genoemde bedrijvigheid, met dien verstande dat per bedrijf maximaal 30% aan brutovloeroppervlakte ten dienste van deze kantooractiviteiten mag worden aangewend;
  • c. ondergeschikte detailhandel in goederen welke ter plaatse zijn vervaardigd of ter plaatse een essentiële bewerking hebben ondergaan, zulks met uitzondering van de detailhandel in voedingsmiddelen;
  • d. voorzieningen van openbaar nut;
  • e. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • f. erven en groenvoorzieningen;
  • g. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • h. voorzieningen ten behoeve van laden en lossen
  • i. parkeervoorzieningen;
  • j. wegen voor langzaam verkeer;
  • k. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • l. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.5 Beoordelingsregels bouwen

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Bedrijventerrein - 3 mogen uitsluitend bouwwerken worden

opgericht waarvoor de volgende regels gelden:

8.5.1 Algemeen
  • a. De kavelindeling zoals opgenomen met de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel A', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel B', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel C', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel D', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel E', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel F', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel G', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel H', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel I', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel J' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel K' dient in acht te worden genomen.
8.5.2 Gebouwen

Ten aanzien van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht;
  • b. de grootte van een kavel bedraagt minimaal 3.000 m2 en maximaal 9.000 m2, met dien verstande dat dat in afwijking hiervan voor kavel K een kavelgrootte is toegestaan van maximaal 2.987 m2;
  • c. de afstand van nieuwe gebouwen en van uitbreidingen van bestaande gebouwen tot de kavelgrenzen bedraagt, met uitzondering van de op de openbare weg georiënteerde kavelgrens 5 m;
  • d. de afstand tussen nieuwe gebouwen onderling en de afstand tussen nieuwe gebouwen of uitbreidingen van bestaande gebouwen ten opzichte van bestaande gebouwen, indien niet aaneengebouwd, bedraagt minimaal 5 m;
  • e. de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • f. het bebouwde oppervlak van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven;
  • g. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kavel A, B of C:
    • 1. dient het bouwrijp maken van de openbare ruimte binnen de ten noorden van de N270 gelegen aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare interne weg' en de functie 'Groen - wadi' overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, te zijn voltooid, en
    • 2. dient de kavel te beschikken over een aansluitmogelijkheid op, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, de aangelegde vuilwaterriolering, welke riolering verbonden is aan het bestaande openbare rioleringsstelsel, en
    • 3. dient de kavel te beschikken over een aansluit- of afvoermogelijkheid voor hemelwaterafvoer naar, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, aangelegde afvoervoorzieningen, welke voorzieningen verbonden zijn/afwateren op de gronden binnen de ten noorden van de N270 gelegen functie 'Groen - wadi'.
  • h. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kavel D, E, F, G, H, I, J of K:
    • 1. dient het bouwrijp maken van de openbare ruimte binnen de ten zuiden van de N270 gelegen aanduiding 'openbare interne weg' en functie 'Groen - wadi' overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, te zijn voltooid, en
    • 2. dient de kavel te beschikken over een aansluitmogelijkheid op, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, de aangelegde vuilwaterriolering, welke riolering verbonden is aan het bestaande openbare rioleringsstelsel, en
    • 3. dient de kavel te beschikken over een aansluit- of afvoermogelijkheid voor hemelwaterafvoer naar, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, aangelegde afvoervoorzieningen, welke voorzieningen verbonden zijn/afwateren op de gronden binnen de ten zuiden van de N270 gelegen functie 'Groen - wadi'.
8.5.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Ten aanzien van de situering en maatvoering van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende

bepalingen:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 3 m, en deze bouwwerken dienen passeerbaar te blijven voor kleine zoogdieren;
  • b. de hoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf bedraagt maximaal 5 m;
  • c. de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 8 m;
  • d. de hoogte van (portaal-)kranen bedraagt maximaal 20 m;
  • e. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 16 m.
  • f. het bebouwde oppervlak van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.
8.6 Maatwerkvoorschrift

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de op grond van dit artikel toegelaten situering en afmetingen van gebouwen en andere bouwwerken, indien dit noodzakelijk is, ter voorkoming van onevenredig nadelige gevolgen voor:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
8.7 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit bouwen
8.7.1 Bouwactiviteit(en)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 8.5.2 onder c voor het oprichten van een zijgevel op een afstand kleiner dan 5 m van de zijdelingse bouwperceelgrens;
  • b. artikel 8.5.2 onder d voor het toestaan van een kleinere afstand dan 5 m tussen gebouwen;
  • c. artikel 8.5.2 onder e voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen tot 12 m;
  • d. artikel 8.5.3 onder a voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van erfafscheidingen tot 4 m;
  • e. artikel 8.5.3 onder b voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen tot 10 m;
  • f. artikel 8.5.3 onder f voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van deze bouwwerken tot 20 m.
8.7.2 Beoordelingsregels bouwactiviteit(en)
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7.1, sub a en b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. de bebouwing wordt stedenbouwkundig ingepast;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten verzekerd blijft.
    • 4. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7.1, sub c, wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. het gebouw wordt landschappelijk en stedenbouwkundig ingepast;
    • 2. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7.1, sub d, sub e, sub f en sub g wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.
8.8 Verbod
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken is verboden, voor zover het betreft:
    • 1. detailhandel, met uitzondering van het gestelde onder 8.4 onder d;
    • 2. het gebruik van gronden (anders dan in bouwwerken) ten behoeve van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten, met uitzondering van opslag ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf in de vorm van:
      • containers tot een hoogte van maximaal 3 m;
      • mobiele kranen tot een hoogte van maximaal 20 m;
      • overige opslag tot een hoogte van maximaal 6 m;
    • 3. reclamezuilen en andere reclame-uitingen anders dan ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf.
    • 4. bedrijfsmatige gebruik van gronden en bebouwing, daaronder begrepen de interne voertuigbewegingen, indien dit gebruik leidt tot stikstofemissie. Onder het genoemde strijdige gebruik wordt niet verstaan de uitstoot van stikstof veroorzaakt door de externe voertuigbewegingen van en naar de gronden en bebouwing.
  • b. De op de verbeelding aangeduide kavels 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel A', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel B' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel C' mogen alleen ontsluiten op de op de verbeelding aangeduide 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare interne weg'.
  • c. De op de verbeelding aangeduide kavels 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel D', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel E' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel K' mogen alleen ontsluiten op de Parakkerweg.
  • d. De op de verbeelding aangeduide kavels 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel F', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel G', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel H', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel I' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel J mogen alleen ontsluiten op de op de verbeelding aangeduide 'specifieke vorm van bedrijventerrein - ontsluitingslus', waarbij de functie 'Groen' niet mag worden doorsneden.
8.9 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit gebruik
8.9.1 Gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 8.4 onder a voor het toestaan van een bedrijf in de milieucategorie 2, 3.1, 3.2 of 4.1 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten',
  • b. artikel 8.8 onder b voor het toestaan van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf tot een hoogte van maximaal 10 m voor overige opslag.
8.9.2 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.9.1, sub a en b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. de aard en de omvang van de milieuhinder die dit bedrijf veroorzaakt kan gelijk worden gesteld met een bedrijf als genoemd in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1 dat conform de bepalingen van dit plan ter plaatse wel is toegestaan;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.9.1, sub c wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. er wordt geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.

Artikel 9 Groen

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Groen.

9.2 Oogmerken

Voor dit gebied worden de volgende doelen nagestreefd:

  • a. Het behouden en versterken van een groene uitstraling van het gebied.
  • b. Behoud en versterking van de hoogwaardige inrichting door de soortenkeuze van beplanting.
  • c. Het realiseren van een klimaatbestendige, duurzame, gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
  • d. De omgeving een groenere uitstraling geven en meer in te richten op het bewegen en ontmoeten van en door bezoekers.
9.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die
activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 9.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover
    dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
9.4 Toedeling

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Groen zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. voet- en fietspaden.
9.5 Beoordelingsregels bouwen

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Groen mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht waarvoor de volgende regels gelden:

  • a. de bouwwerken passen qua aard en afmetingen bij deze functie;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 4,5 m.
9.6 Maatwerkvoorschrift

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.7 Verbod

Het gebruik van gronden en opstallen is verboden, voor zover het betreft:

  • a. het gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, anders dan ter ondersteuning en het beheer van de in het gebied voorkomende en/of te ontwikkelen waarden;
  • b. het storten, aanbrengen of toepassen van (mest)stoffen die niet noodzakelijk zijn ter verbetering of instandhouding van de kenmerkende vegetatie en flora;
  • c. het gebruik of het laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een escortbedrijf en (straat)prostitutie;
  • d. lawaaisporten;
  • e. het aanbrengen van verhardingen;
  • f. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  • g. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren).
9.8 Omgevingsplanactiviteit bouwen
9.8.1 Bouwactiviteit(en)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde artikel 9.5 voor het bouwen van een nutsvoorziening.

9.8.2 Beoordelingsregels bouwactiviteit

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.8.1 wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:

  • a. de inhoud bedraagt maximaal 350 m3;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 m;
  • c. de oppervlakte bedraagt maximaal 100 m2;
  • d. er geen onevenredige nadelige gevolgen optreden voor de in de omgeving aanwezig landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem en waterhuishoudkundige alsmede milieuhygiënische waarden.

Artikel 10 Groen - wadi

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Groen - wadi.

10.2 Oogmerken

Voor dit gebied worden de volgende doelen nagestreefd:

  • a. Het behouden en versterken van een groene uitstraling van het gebied.
  • b. Behoud en versterking van de hoogwaardige inrichting door de soortenkeuze van beplanting.
  • c. Het realiseren van een klimaatbestendige, duurzame, gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
  • d. De omgeving een groenere uitstraling geven en meer in te richten op het bewegen en ontmoeten van en door bezoekers.
  • e. Waterpartijen en watergangen voor het vasthouden van water toevoegen voorzover dat nodig dan wel wenselijk is.
10.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 10.2, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
10.4 Toedeling

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Groen - wadi zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. sport- en spelvoorzieningen;
  • d. ondergrondse en/of bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen.
10.5 Beoordelingsregels bouwen

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Groen - wadi mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht waarvoor de volgende regels gelden:

  • a. de bouwwerken passen qua aard en afmetingen bij deze functie;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 4,5 m.
10.6 Maatwerkvoorschrift

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.7 Verbod

Het gebruik van gronden en opstallen is verboden, voor zover het betreft:

  • a. het gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, anders dan ter ondersteuning en het beheer van de in het gebied voorkomende en/of te ontwikkelen waarden;
  • b. het storten, aanbrengen of toepassen van (mest)stoffen die niet noodzakelijk zijn ter verbetering of instandhouding van de kenmerkende vegetatie en flora;
  • c. het gebruik of het laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een escortbedrijf en (straat)prostitutie;
  • d. lawaaisporten;
  • e. het aanbrengen van verhardingen;
  • f. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  • g. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren).
10.8 Omgevingsplanactiviteit bouwen
10.8.1 Bouwactiviteit(en)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde artikel 10.5 voor het bouwen van een nutsvoorziening.

10.8.2 Beoordelingsregels bouwactiviteit

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.8.1 wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:

  • a. de inhoud bedraagt maximaal 350 m3;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 m;
  • c. de oppervlakte bedraagt maximaal 100 m2;
  • d. er geen onevenredige nadelige gevolgen optreden voor de in de omgeving aanwezig landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem en waterhuishoudkundige alsmede milieuhygiënische waarden.

Artikel 11 Verkeer

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer.

11.2 Oogmerken

Voor deze functie worden de volgende doelen nagestreefd:

  • a. Het realiseren en instandhouden van een goede en verkeersveilige interne ontsluitingsstructuur voor het industrieterrein;
  • b. Het bevorderen van duurzame mobiliteit voor alle weggebruikers.
11.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die

activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.2, is verplicht:

  • c. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • d. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • e. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
11.4 Toedeling

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Verkeer zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. wegen met maximaal twee rijstroken;
  • b. wegen voor langzaam verkeer;
  • c. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • d. verblijfsgebied;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. voorzieningen van openbaar nut;
  • h. kapel, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk – kapel';
  • i. geluidwerende voorzieningen;
  • j. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. waterlopen;
  • l. water;
  • m. ecologische voorzieningen;
  • n. verkeersvoorzieningen;
  • o. ondergrondse verankering van waterkeringen;

met de daarbij behorende:

  • p. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
11.5 Beoordelingsregels bouwen

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Verkeer mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht waarvoor de volgende regels gelden:

  • a. de maximum hoogte van viaducten en ecologische voorzieningen niet meer bedraagt dan 8 m;
  • b. de maximum hoogte van verkeersvoorzieningen niet meer bedraagt dan 12 m;
  • c. de maximum hoogte van geluidwerende voorzieningen niet meer bedraagt dan 8 m;
  • d. de maximum hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 4 m.
11.6 Verbod

Het gebruik van de gronden of opstallen voor motorbrandstofverkooppunten is verboden.

Artikel 12 Water

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Water.

12.2 Oogmerken

Voor deze functie worden het volgende doel nagestreefd:

  • a. de bescherming van de waterhuishoudkundige functie;
  • b. instandhouden van de functie voor de scheepvaart.
12.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die

activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.2, is verplicht:

  • c. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • d. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • e. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
12.4 Toedeling

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Water zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. water;
  • b. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. overslag;
  • d. voorzieningen van openbaar nut;
  • e. verkeersvoorzieningen;
  • f. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • g. kades;
  • h. aanmeerpalen.
12.5 Beoordelingsregels bouwen

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Water mogen uitsluitend aanmeerpalen worden opgericht waarvoor de volgende regels gelden:

  • a. er moet vooraf schriftelijk advies worden ingewonnen bij de waterbeheerder;
  • b. de hoogte van de aanmeerpaal bedraagt maximaal 7 m.
12.6 Verbod

Het gebruik van gronden, daaronder mede begrepen wateren, en opstallen is verboden, voor zover het betreft:

  • a. het aanleggen, aanmeren of als ligplaats innemen van woonschepen;
  • b. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voorzover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. het gebruik als opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voertuigen, goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen.

Artikel 13 Leiding - Riool

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Leiding - Riool

13.2 Oogmerk

Voor deze functie wordt het volgende doel nagestreefd:

  • a. de veiligheid van de ondergrondse leiding.
13.3 Functieomschrijving

Een als 'Leiding - Riool' aangewezen locatie heeft als functie de aanleg, het beheer en de instandhouding van een hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende:

  • a. veiligheidszone;
  • b. masten en (veiligheids)voorzieningen;

waarbij artikel 28.2 in acht dient te worden genomen.

13.4 Beoordelingsregels bouwen

Voor het bouwen op en in de als 'Leiding - Riool' aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. op of in de in dit artikel bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken die noodzakelijk zijn voor de aanleg,het beheer en het onderhoud van de rioolleiding worden gebouwd.
13.5 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit bouwen
13.5.1 Bouwactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 13.4 voor het toestaan van een bouwactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

13.5.2 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.5.1 wordt alleen verleend als:

  • a. het bouwwerk, geen gebouw zijnde, mogelijk is op grond van de overige op deze locatie aanwezige functies;
  • b. door de bouw of plaatsing of de aanwezigheid van een bouwwerk geen schade wordt of kan worden toegebracht aan het belang van de leiding
  • c. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van de rioolleiding.
13.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanbrengen en/of rooien van hoogopgaande beplanting en bomen;
  • b. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • c. het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag;
  • d. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
  • e. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld ten behoeve van agrarisch grondgebruik (diepploegen- en woelen);
  • f. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • g. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • h. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • i. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • j. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • k. het aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt;
  • l. het aanbrengen van een aaneengesloten verharding ter grootte van meer dan 200 m2.
13.6.2 Uitzonderingen

Het in artikel 13.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn bij het van kracht worden van het plan;
  • b. het normale onderhoud betreffen;
  • c. beplanting betreft, die voorkomt op de beplantingslijst van de leidingbeheerder;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
  • e. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en).
13.6.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 13.6.1 kan worden verleend nadat de betreffende leidingbeheerder is gehoord en mits dit geen gevaar oplevert voor de leiding of aan het doelmatig functioneren van de leiding geen afbreuk doet.

Artikel 14 Waarde - Archeologie 2

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 2.

14.2 Oogmerk

Voor deze functie wordt het volgende doel nagestreefd:

  • a. het behoud archeologische waarden.
14.3 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locatie heeft als functie de instandhouding en

bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen, waarbij artikel 28.2 in acht dient te worden genomen.

14.4 Beoordelingsregels omgevingsactiviteit bouwen

Voor het bouwen op en in de als 'Waarde - Archeologie 2' aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. er mag op basis van de overige op deze locatie aanwezige functies worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 50 m² per bouwperceel gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  • b. Indien de verstoring meer dan 50 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 centimeter dient de aanvrager een rapport (bureauonderzoek, inventariserend (verkennend, karterend of waarderend) veldonderzoek d.m.v. proefsleuven of boringen, opgraving, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
14.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren die de archeologische waarden verstoren, indien bij het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de verstoring van gronden meer dan 50 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  • c. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt).
14.5.2 Uitzonderingen

Het in artikel 14.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (voortoets) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie 'Verkeer' betreft.
14.5.3 Beoordelingsregels

Een in artikel 14.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 15 Waarde - Archeologie 3

15.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 3.

15.2 Oogmerk

Voor deze functie wordt het volgende doel nagestreefd:

  • a. het behoud van archeologische waarden.
15.3 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locatie heeft als functie de instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen, waarbij artikel 28.2 in acht dient te worden genomen.

15.4 Beoordelingsregels omgevingsactiviteit bouwen

Voor het bouwen op en in de als 'Waarde - Archeologie 3' aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. er mag op basis van de overige op deze locatie aanwezige functies worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 100 m² per bouwperceel gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  • b. Indien de verstoring meer dan 100 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 centimeter dient de aanvrager een rapport (bureauonderzoek, inventariserend (verkennend, karterend of waarderend) veldonderzoek d.m.v. proefsleuven of boringen, opgraving, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
15.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren die de archeologische waarden verstoren, indien bij het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de verstoring van gronden meer dan 100 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  • c. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt).
15.5.2 Uitzonderingen

Het in artikel 15.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (voortoets) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie 'Verkeer' betreft.
15.5.3 Beoordelingsregels

Een in artikel 15.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 16 Waarde - Archeologie 4

16.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 4.

16.2 Oogmerk

Voor deze functie wordt het volgende doel nagestreefd:

  • a. het behoud van archeologische waarden.
16.3 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen locatie heeft als functie de instandhouding en

bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen, waarbij artikel 28.2 in acht dient te worden genomen.

16.4 Beoordelingsregels omgevingsactiviteit bouwen

Voor het bouwen op en in de als 'Waarde - Archeologie 4' aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. er mag op basis van de overige op deze locatie aanwezige functies worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m² per bouwperceel gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  • b. Indien de verstoring meer dan 500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 centimeter dient de aanvrager een rapport (bureauonderzoek, inventariserend (verkennend, karterend of waarderend) veldonderzoek d.m.v. proefsleuven of boringen, opgraving, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
16.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren die de archeologische waarden verstoren, indien bij het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de verstoring van gronden meer dan 500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  • c. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt).
16.5.2 Uitzonderingen

Het in artikel 16.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (voortoets) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie 'Verkeer' betreft.
16.5.3 Beoordelingsregels

Een in artikel 16.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 17 Waarde - Archeologie 5

17.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 5.

17.2 Oogmerk

Voor deze functie wordt het volgende doel nagestreefd:

  • a. het behoud van archeologische waarden.
17.3 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen locatie heeft als functie de instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen, waarbij artikel 28.2 in acht dient te worden genomen.

17.4 Beoordelingsregels omgevingsactiviteit bouwen

Voor het bouwen op en in de als 'Waarde - Archeologie 5' aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. er mag op basis van de overige op deze locatie aanwezige functies worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 2.500 m² per bouwperceel gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;
  • b. Indien de verstoring meer dan 2.500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 centimeter dient de aanvrager een rapport (bureauonderzoek, inventariserend (verkennend, karterend of waarderend) veldonderzoek d.m.v. proefsleuven of boringen, opgraving, archeologische begeleiding) te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. Uitsluitend indien archeologische waarde is vastgesteld worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de uitvoering van de (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
17.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
17.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren die de archeologische waarden verstoren, indien bij het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de verstoring van gronden meer dan 2.500 m² per bouwperceel bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven);
  • c. het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren);
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het aanplanten van gewassen of jonge bomen (ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt).
17.5.2 Uitzonderingen

Het in artikel 17.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. blijkens een rapport van een door van gemeentewege erkende archeologisch deskundige (voortoets) de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie 'Verkeer' betreft.
17.5.3 Beoordelingsregels

Een in artikel 17.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 18 Waterstaat - Rivierbed

18.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waterstaat - Rivierbed.

18.2 Oogmerk

Voor deze functie wordt het volgende doel nagestreefd:

  • a. het behoud van de afvoercapaciteit van de Maas.
18.3 Functieomschrijving

Een als 'Waterstaat - Rivierbed' aangewezen locatie heeft als functie:

  • a. het behoud en de versterking van de waterstaatkundige werking van het rivierbed, in het kader van de bescherming tegen overstromingen, de afvoer van rivierwater, en het behoud van ruimte voor toekomstige rivierverruiming;
  • b. de waterhuishouding;

waarbij artikel 28.2 in acht dient te worden genomen.

18.4 Beoordelingsregels bouwen

Op en in de gronden die zijn aangewezen als Waterstaat - Rivierbed mogen geen bouwwerken worden opgericht.

18.5 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit bouwen
18.5.1 Bouwactiviteit(en)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 18.4 voor:

  • a. het slopen en vervangen van een bouwwerk door een bouwwerk van gelijke omvang, tenzij:
    • 1. de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt naar woonfunctie of logiesfunctie; of
    • 2. de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt van een functie ten behoeve van een riviergebonden activiteit naar een functie ten behoeve van een niet-riviergebonden activiteit;
  • b. bouwactiviteiten die vanwege de aarde en omvang van ondergeschikt belang zijn, waaronder in ieder geval worden begrepen:
    • 1. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste tien procent van het oppervlak en volume van een bouwwerk, tenzij:
      • de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt naar woonfunctie of logiesfunctie; of
      • de gebruiksfunctie van het bouwwerk wijzigt van een functie ten behoeve van een riviergebonden activiteit naar een functie ten behoeve van een niet-riviergebonden activiteit.
    • 2. het plaatsen van een in- of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,3 m/s bedraagt;
    • 3. het bouwen of in stand houden van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening;
    • 4. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste tien procent van het oppervlak en volume van een bouwwerk met een woonfunctie of logiesfunctie;
  • c. riviergebonden activiteiten;
  • d. niet-riviergebonden activiteiten.
18.5.2 Beoordelingsregels bouwactiviteit(en)
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.5.1, sub a en b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. het bouwwerk is ingevolge de andere volgens het omgevingsplan op deze locatie toegestane functies toegelaten;
    • 2. sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat een veilig en doelmatig gebruik van de rivier gewaarborgd blijft;
    • 3. feitelijke belemmeringen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier worden voorkomen;
    • 4. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van de rivier wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt;
    • 5. resterende onvermijdbare waterstandsverhoging wordt gecompenseerd, en
    • 6. toestemming is gegeven door de daartoe bevoegde minister.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in arikel 18.5.1, sub c wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. het bouwwerk is ingevolge de andere volgens het omgevingsplan op deze locatie toegestane functies toegelaten;
    • 2. sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat een veilig en doelmatig gebruik van de rivier gewaarborgd blijft;
    • 3. feitelijke belemmeringen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier worden voorkomen;
    • 4. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van de rivier wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt;
    • 5. resterende onvermijdbare waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen wordt gecompenseerd en de financiering en tijdige realisering van de compenserende maatregelen gezekerd zijn, en
    • 6. toestemming is gegeven door de daartoe bevoegde minister.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.5.1, sub d wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • 1. het bouwwerk is ingevolge de andere volgens het omgevingsplan op deze locatie toegestane functies toegelaten, en
    • 2. sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat een veilig en doelmatig gebruik van de rivier gewaarborgd blijft, en
    • 3. feitelijke belemmeringen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier worden voorkomen, en
    • 4. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van de rivier wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt, en
    • 5. voor zover het betreft het bepaalde in artikel 18.5.2, sub c onder 1, 2 en 3 de resterende onvermijdbare waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen wordt gecompenseerd en de financiering en tijdige realisering van de compenserende maatregelen gezekerd zijn, en
    • 6. voor zover het betreft het bepaalde in artikel 18.5.2, sub c onder 4 de vergunning zal worden verleend voor een bepaalde termijn en resterende onvermijdbare waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen wordt gecompenseerd en de financiering en tijdige realisering van de compenserende maatregelen gezekerd zijn, en
    • 7. het betreft de aanleg van een voorziening van groot openbaar belang die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd, of
    • 8. het betreft een activiteit met een bedrijfseconomisch belang voor een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden verricht, of
    • 9. het betreft de verduurzaming van de energievoorziening van een bestaande activiteit in het rivierbed; of
    • 10. het betreft de aanleg van een voorziening voor elektriciteitsopwekking door zonne- of windenergie die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd, en
    • 11. toestemming is gegeven door de daartoe bevoegde minister.

Artikel 19 Waterstaat - Waterkering

19.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waterstaat - Waterkering.

19.2 Oogmerk

Voor deze functie wordt het volgende doel nagestreefd:

  • a. het behoud en de bescherming van de waterkering.
19.3 Functieomschrijving

Een als 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen locatie heeft als functie:

  • a. de aanleg, het onderhoud en de instandhouding van waterkering;
  • b. voorzieningen ten behoeve van de waterkering;
  • c. wegen voor langzaam verkeer;
  • d. ontsluitingswegen ten behoeve van agrarische percelen en calamiteitenwegen;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen;

waarbij artikel 28.2 in acht dient te worden genomen.

19.4 Beoordelingsregels bouwen

Voor het bouwen op en in de als 'Waterstaat - Waterkering' aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming;
  • b. de hoogte van een harde waterkering niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte (m)' is aangegeven minus 20 cm.
19.5 Verbod

Het gebruik van gronden is verboden, voor zover het betreft:

  • a. een groene waterkering die hoger is dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte (m)' is aangegeven.
19.6 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit bouwen
19.6.1 Bouwactiviteit(en)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 19.4 voor het toestaan van een bouwactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

19.6.2 Beoordelingsregels bouwactiviteit(en)

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.6.1 wordt alleen verleend als:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de waterkering;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de het waterschap.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 20 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 21 Algemene bouwregels

21.1 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen beperkingen, de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan bij bestaande hoofd- en bijgebouwen met dien verstande dat ondergrondse bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan binnen de gevelgrenzen van de bestaande hoofd- en bijgebouwen;
  • b. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil;
  • d. de ondergrondse ruimte(n) mogen uitsluitend van binnenuit bereikbaar zijn en geen ruimtelijke uitstraling hebben.

Artikel 22 Parkeergelegenheid

22.1 Parkeernorm

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van de uitbreiding van een bestaand gebouw of een nieuw gebouw met en vergroting van meer dan 10% van de bestaande oppervlakte van gebouwen op een perceel ten opzichte van de situatie op het moment van vaststelling van het plan, wordt uitsluitend verleend indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd.

Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die voor de betreffende functie zijn opgenomen in “Beleidsnota parkeernormen, Gemeente Venray”. Indien deze nota niet toereikend is wordt getoetst aan de CROW publicatie 317 'kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging.

22.2 Omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 22.1. De omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend indien de initiatiefnemer aantoonbaar maakt dat er gegronde redenen zijn om van de parkeernorm af te wijken, dan wel niet of niet geheel in de parkeerbehoefte kan worden voorzien op eigen terrein.

Artikel 23 Algemene gebruiksregels

23.1 Voorwaardelijke verplichting waterberging

De gronden met de functie 'Bedrijventerrein - 3' en daarbij behorende bouwwerken mogen alleen in gebruik worden genomen en gehouden als een waterberging is gerealiseerd en in stand wordt gehouden met een minimale bergingscapaciteit van 7.000 m3 voor het projectgebied Wanssum-Oost of als in overeenstemming met Waterschap Limburg op een andere wijze wordt voorzien in voldoende waterberging ten einde te komen tot een goed hemelwaterafvoersysteem.

Artikel 24 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare ruimte'

24.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen


Het is verboden op of in de gronden binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare ruimte' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. behorende tot het bouwrijp maken van de openbare ruimte:
    • 1. het verwijderen van struiken, bomen, gewassen en boomstronken;
    • 2. het opsporen en verwijderen van niet-gesprongen explosieven;
    • 3. het uitvoeren van (nader) onderzoek c.q. het treffen van uit archeologisch oogpunt noodzakelijke maatregelen;
    • 4. voor zover noodzakelijk, het saneren van bodem- en/of grondwaterverontreiniging afgestemd op de bodemfunctie;
    • 5. het ontgraven, ophogen en egaliseren van het terrein;
    • 6. het treffen van grondwaterregulerende maatregelen;
    • 7. de aanleg c.q. aanpassing van de ontsluiting naar de weg De Kooy in definitieve vorm, binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare interne weg' ten noorden van de N270, met inbegrip van bijbehorende werken;
    • 8. de aanpassing van de Parakkerweg in definitieve vorm, binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare interne weg' ten zuiden van de N270, uitgezonderd de ontsluitingslus, met inbegrip van bijbehorende werken;
    • 9. de aanleg van de ontsluitingslus binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - ontsluitingslus' als bouwweg, met inbegrip van bijbehorende werken;
    • 10. de aanleg respectievelijk aanpassing van openbare riolering (hemelwaterafvoer (HWA) en droogweerafvoer (DWA)) van het aansluitpunt van de riolering nabij de kavel naar openbaar water (hemelwaterafvoer) respectievelijk het aansluitpunt op de bestaande respectievelijk alsdan aangelegde openbare riolering (droogweerafvoer), met inbegrip van bijbehorende werken;
    • 11. de aanleg van de waterbergingswerken binnen de functie 'Groen - wadi', met inbegrip van bijbehorende werken.
  • b. behorende tot het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte:
    • 1. de afwerking en definitieve voltooiing van de eerder als bouwweg aangelegde ontsluitingslus binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - ontsluitingslus', met inbegrip van bijbehorende werken;
    • 2. het aanbrengen en aanleggen van openbare verlichting, straatmeubilair en voorzieningen voor openbaar vervoer;
    • 3. het aanleggen van bluswatervoorzieningen, waaronder begrepen brandkranen;
    • 4. de afwerking van de aanleg van de waterbergingswerken binnen de functie 'Groen - wadi', met inbegrip van bijbehorende werken;
    • 5. de aanleg van groenvoorzieningen binnen de functies 'Groen' en 'Groen - wadi', met inbegrip van bijbehorende werken.
24.2 Uitzonderingen

Het in artikel 24.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud of beheer betreffen.

24.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dienen de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:

  • a. de locatieaanduiding van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • b. het bestek dat ziet op de in de aanvraag betrokken werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 24.1.
    Een bestek dient het schaalniveau te hebben van:
    • 1. voor zover de werken en werkzaamheden betrekking hebben op de openbare ruimte ten noorden van de N270, het volledige gebied van de openbare ruimte gelegen ten noorden van de N270;
    • 2. voor zover de werken en werkzaamheden betrekking hebben op de openbare ruimte ten zuiden van de N270, het volledige gebied van de openbare ruimte gelegen ten zuiden van de N270;
  • c. voor zover de aanvrager niet geldt als een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf, een aanbestedingsprotocol voor de wijze van aanbesteding van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die begrepen zijn in het bestek onder b.
24.4 Beoordelingsregels

De in artikel 24.1 bedoelde vergunning kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvraag in overeenstemming is met de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, en
  • b. voor zover de aanvrager niet geldt als een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf, de aanvraag in overeenstemming is met de eisen zoals opgenomen in het aanbestedingskader.
24.5 Aan omgevingsvergunning te verbinden voorschriften
  • a. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over het door het bevoegd gezag te nemen besluit omtrent het verlenen van een voltooiingsverklaring, waaruit blijkt of de uitvoering van de in de omgevingsvergunning betrokken werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, is voltooid.
  • b. Voor zover de aanvrager niet geldt als een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf, kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden met betrekking tot:
    • 1. uitvoeringsregels voor de te volgen aanbesteding(sprocedure) die voortvloeien uit de toepassing van het aanbestedingskader;
    • 2. een door de aanvrager, voorafgaand aan de start van de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voor te leggen aanbestedingsverslag inclusief de daarin opgenomen voorgenomen beslissing tot gunning;
    • 3. indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder b, de vastlegging dat de goedkeuring als bedoeld onder 2 wordt verleend indien uit het aanbestedingsverslag blijkt dat de doorlopen aanbestedingsprocedure en de voorgenomen beslissing tot gunning niet in strijd zijn met de verleende omgevingsvergunning.

Artikel 25 Algemene maatwerkvoorschriften

25.1 Maatwerkvoorschrift 1

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de op grond van artikel 8 toegelaten situering van:

  • a. een kavel;
  • b. de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare interne weg';

voor het, indien de belangen van derden niet in onevenredige mate worden geschaad en voor zover dit noodzakelijk is bij de inmeting ten behoeve van de feitelijke planuitvoering, in geringe mate afwijken van de op de verbeelding aangegeven begrenzing, met dien verstande dat:

  • 1. de voorgenomen afwijking ten hoogste 1 meter verschilt ten opzichte van de begrenzing zoals opgenomen op de verbeelding;
  • 2. de begrenzing van de aanduidingen 'overige zone - uitgeefbaar gebied' en de 'specifieke vorm van bedrijventerrein - openbare ruimte' niet wordt aangepast.

Artikel 26 Algemene aanduidingsregels

26.1 Geluidzone - industrie
26.1.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Geluidzone - industrie.

26.1.2 Gebiedsaanduidingomschrijving

De locatie met de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - industrie' is mede aangewezen als geluidzone bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte van het bestaande geluidgezoneerde Haven- en industrieterrein Wanssum.

26.1.3 Verbod

Het is verboden om nieuwe geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten te realiseren.

26.1.4 Hogere waarde

Ter plaatse van de adressen in Bijlage 2 opgenomen tabel zijn in afwijking van de standaardwaarden de in die tabel aangegeven hogere waarden toegestaan ter plekke van de in die tabel aangegeven toetspunten.

26.2 Geluidzone - gezoneerd industrieterrein

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - gezoneerd industrieterrein' zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving toegestaan.

26.3 Vrijwaringszone - dijk
26.3.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Vrijwaringszone - dijk.

26.3.2 Gebiedsaanduidingomchrijving

De locatie met de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - dijk' is mede aangewezen voor de bescherming van de waterkerende functie van waterkeringen.

26.3.3 Beoordelingsregels bouwen
  • a. Op en in de gronden die zijn aangewezen als Vrijwaringszone - dijk mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht.
  • b. Het bepaalde onder a geldt niet voor:
    • 1. de herbouw van gesloopte of anderszins tenietgegane bestaande bebouwing, mits het bebouwd grondoppervlak niet wordt vergroot;
    • 2. de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – kade'.
26.3.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit bouwen
a Bouwactiviteit(en)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 26.3.3 sub a voor het bouwen op basis van de overige voor deze gronden geldende functies.

b Beoordelingsregels bouwactiviteit(en)

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.1, sub a en b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:

  • a. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de bescherming van de waterkerende functie van waterkeringen;
  • b. vooraf is schriftelijk advies ingewonnen bij het waterschap.
26.4 Vrijwaringszone - reserveringszone provinciale weg
  • a. Op en in de gronden die zijn aangewezen als Vrijwaringszone - reserveringszone provinciale weg' mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht.
  • b. Het bepaalde onder a geldt niet voor:
    • 1. tijdelijke bouwwerken;
    • 2. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.15f van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
26.5 Overige zone - geluidruimte
26.5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Overige zone - geluidruimte.

26.5.2 Gebiedsaanduidingomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - geluidruimte' zijn behalve voor de daar toegelaten bestemming(en), mede bestemd voor het verdelen van de totale beschikbare geluidruimte op het industrieterrein.

26.5.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een doelmatige akoestische afscherming maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien:

  • a. de plaats van bouwwerken op het terrein van de inrichting ten behoeve van een doelmatige akoestische afscherming;
  • b. de plaats en afmeting van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een doelmatige akoestische afscherming.
26.5.4 Verbod

Het gebruik van gronden, daaronder mede begrepen wateren, en opstallen is verboden, voor zover het betreft:

  • a. het gebruik van een bestaand kavel waarbij de geluidruimte meer bedraagt dan de voor het kavel gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabel (zie Bijlage 3), tenzij de geluidruimte ten gevolge van dit gebruik niet leidt tot overschrijding van de cumulatief gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabel (zie Bijlage 3), beoordeeld op één cijfer achter de komma; alsmede het gebruik van een nieuw kavel waarbij de geluidruimte meer bedraagt dan de gebudgetteerde geluidruimte voor dat nieuwe kavel, tenzij de geluidruimte ten gevolge van dit gebruik niet leidt tot overschrijding van de cumulatief gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabel (zie Bijlage 3), beoordeeld op één cijfer achter de komma;
  • b. het in gebruik hebben van een inrichting op een bestaand kavel, waarbij de grenzen van de inrichting afwijken van de grenzen van de inrichting als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabel (zie Bijlage 3).
26.5.5 Vergunningplichtige gevallen omgevingsplanactiviteit gebruik
a Gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 26.5.4 onder a teneinde een grotere geluidruimte op een nieuw kavel of bestaand kavel toe te staan, zonder dat de wettelijke grenswaarden worden overschreden;
  • b. artikel 26.5.4 onder a en b teneinde tot een splitsing, vergroting of verkleining van een bestaand kavel te komen, zonder dat de nieuwe indeling van de kavels er toe leidt dat de wettelijke grenswaarden dan wel de vastgestelde hogere waarden worden overschreden.
b Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.5.5, sub a onder a wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • a. het betreft niet een kavel op het deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII);
    • b. uit akoestisch onderzoek en de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt, dat aanvullend op de toepassing van de Best Beschikbare Technieken, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is geluidbeperkende maatregelen worden getroffen;
    • c. het gebruik van de reserve geluidruimte, na aftrek van de geluidruimte voor eerder verleende omgevingsverguningen voor afwijken van deze gebruiksregels, boven de 33% wordt zo veel mogelijk voorkomen;
    • d. het gebruik van de aanwezige reserve geluidruimte wordt gemotiveerd, waarbij onder meer de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken bij de beslissing:
      • en/of het betreft een bedrijfsverplaatsing, waarmee elders een milieuhygiënisch knelpunt wordt opgelost;
      • en/of het betreft een bedrijf die een bijdrage levert aan de ruimtelijke en economische ontwikkeling van het bedrijventerrein;
      • en/of het betreft een bestaand bedrijf.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.5.5, sub a onder b wordt alleen verleend als aan de volgende regels wordt voldaan:
    • a. de geluidruimte ten gevolge van deze splitsing, vergroting of verkleining niet leidt tot overschrijding van de gecumuleerde gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabel (zie Bijlage 3), beoordeeld op één cijfer achter de komma;
    • b. de splitsing, vergroting of verkleining niet leidt tot een onevenredige beperking van de geluidruimte voor één of meer van de nieuwe kavels;
  • 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 26.5.5, sub b onder 2 kan deze omgevingsvergunning tevens worden verleend als de geluidruimte ten gevolge van deze splitsing, vergroting of verkleining wél leidt tot overschrijding van de gecumuleerde gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabel (zie Bijlage 3), beoordeeld op één cijfer achter de komma, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
    • a. het betreft niet een kavel op het deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII);
    • b. uit akoestisch onderzoek en de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt, dat aanvullend op de toepassing van de Best Beschikbare Technieken, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is aanvullende geluidbeperkende maatregelen worden getroffen;
    • c. het gebruik van de reserve geluidruimte, na aftrek van de geluidruimte voor eerder verleende omgevingsvergunningen voor afwijken van deze gebruiksregels, boven de 33% wordt zo veel mogelijk voorkomen;
    • d. het gebruik van de aanwezige reserve geluidruimte wordt gemotiveerd, waarbij onder meer de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken bij de beslissing:
      • het betreft een bedrijfsverplaatsing, waarmee elders een milieuhygiënisch knelpunt wordt opgelost;
      • en/of het betreft een bedrijf die een bijdrage levert aan de ruimtelijke en economische ontwikkeling van het bedrijventerrein;
      • en/of het betreft een bestaand bedrijf.
    • e. de splitsing, vergroting of verkleining leidt niet tot een onevenredige beperking van de geluidruimte voor één of meer van de nieuwe kavels.
26.6 Overige zone - hoge grond 1
26.6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Overige zone - hoge grond 1.

26.6.2 Gebiedsaanduidingomschrijving

De locatie met de gebiedsaanduiding 'Overige zone - hoge grond 1' is mede aangewezen voor het ophogen van grond.

26.6.3 Verbod

Het gebruik van gronden en opstallen is verboden, voor zover het betreft:

  • a. het hebben van een tophoogte van de opgehoogde grond die lager is dan ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte (m)' is aangegeven;
  • b. het verwijderen en verwijderd houden van de hoge grond;
  • c. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag.
26.6.4 Uitzondering verbod

Het verbod van artikel 26.7.3 sub b en c is niet van toepassing op:

  • a. het vermengen, keren en bewerken van lagen in het bodemprofiel met een diepte van maximaal 0,5 m;
  • b. het beheer en onderhoud strekkende tot instandhouding van de hoge grond.
26.7 Overige zone - hoge grond 2
26.7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Overige zone - hoge grond 2.

26.7.2 Gebiedsaanduidingomschrijving

De locatie met de gebiedsaanduiding 'Overige zone - hoge grond 1' is mede aangewezen voor het ophogen van grond.

26.7.3 Verbod

Het gebruik van gronden en opstallen is verboden, voor zover het betreft:

  • a. het hebben van een tophoogte van de opgehoogde grond die lager is dan ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte (m)' is aangegeven.
  • b. het verwijderen en verwijderd houden van de hoge grond;
  • c. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag.
26.7.4 Uitzondering verbod

Het verbod van artikel 26.7.3 sub b en c is niet van toepassing op:

  • a. het beheer en onderhoud strekkende tot instandhouding van de hoge grond.
26.8 Veiligheidszone - brandaandachtsgebied
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - brandaandachtsgebied' zijn kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en bijbehorende functies niet toegestaan.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - brandaandachtsgebied' zijn beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties uitsluitend toegestaan wanneer wordt voldaan aan de aanvullende bouweisen als bedoeld in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
26.9 Veiligheidszone - explosieaandachtsgebied
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - explosieaandachtsgebied' zijn kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en bijbehorende functies niet toegestaan.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - explosieaandachtsgebied' zijn beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties uitsluitend toegestaan wanneer wordt voldaan aan de aanvullende bouweisen als bedoeld in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - explosieaandachtsgebied' is het niet toegestaan om nieuwe gebouwen of locaties te realiseren waarin zich meer dan 40 personen per hectare gelijktijdig bevinden, tenzij wordt voldaan aan het bepaalde onder e.
  • d. Voor locaties in de buitenlucht binnen het explosie-aandachtsgebied geldt een maximale personendichtheid van 20 personen per hectare, tenzij deze locaties zijn voorzien van fysieke bescherming tegen explosiedruk en hittestraling.
  • e. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde onder d, teneinde een gebouw of locatie met een hogere personendichtheid toe te staan. Deze omgevingsvergunning wordt uitsluitende verleend mits:
    • 1. Aangetoond wordt dat door het treffen van aanvullende omgevingsveiligheidsmaatregelen de gevolgen van een explosie voor aanwezige personen significant worden beperkt;
    • 2. De maatregelen omvatten ten minste:
      • Drukbestendige gevels en constructieonderdelen;
      • Vluchtroutes die voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
      • Een evacuatieplan afgestemd met de veiligheidsregio;
    • 3. De locatie niet wordt gebruikt door groepen zeer kwetsbare personen zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 27 Omgevingsplanactiviteiten

27.1 10%-regeling
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de in deze regels voorgeschreven minimale of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en percentages tot maximaal 10% en maximaal 1 meter van die maten en percentages.
  • b. Het bepaalde onder a geldt niet:
    • 1. wanneer reeds op grond van deze regels een andere omgevingsvergunning/ontheffing is of kan worden verleend;
    • 2. voor de op de verbeelding aangegeven begrenzingen.
27.2 Meetverschillen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de aangeduide bouwgrenzen. Deze omgevingsvergunnning kan uitsluitend worden verleend indien een meetverschil of onnauwkeurigheid op de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft en mits de afwijking maximaal 3,00 meter bedraagt.

27.3 Geringe overschrijdingen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit plan voor:

  • a. het in geringe mate, doch niet meer dan 1 meter, afwijken (ten behoeve van bebouwing of gebruik) van een bestemmingsgrens of van de ligging van de voorgevellijn, voor zover dit noodzakelijk is om het plan (en de daaraan ten grondslag liggende intenties) in te passen in de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein;
  • b. de situering van een ondergeschikt bouwdeel buiten het bouwvlak;
  • c. het ten aanzien van een ondergeschikt bouwdeel afwijken van de ter plaatse toegestane maximale bouwhoogte.
27.4 Kleine bouwwerken van openbaar nut

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bouw- en/of gebruiksregels voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, pinautomaten, afval- en glascontainers, kapellen, wegkruisen en dergelijke.

27.5 Beoordelingsregels
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in de leden 27.1, 27.2, 27.3 kan alleen worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en geen nadelige gevolgen heeft voor de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem en waterhuishoudkundige alsmede milieuhygiënische waarden.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 27.4 kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende regels:
    • 1. de inhoud maximaal 50 m3 mag bedragen;
    • 2. de hoogte maximaal 3,00 m mag bedragen;
    • 3. er treden geen nadelige gevolgen op voor de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem en waterhuishoudkundige alsmede milieuhygiënische waarden.

Artikel 28 Overige regels

28.1 Wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

28.2 Voorrangsregel
28.2.1 Voorrang functies en gebiedsaanduidingen

Voor zover de locaties van de artikelen 6 tot en met 12 samenvallen met de locaties van artikel 14 tot en met 19 en de gebiedsaanduidingen van artikel 26, gelden primair de regels van artikel 14 tot en met 19 en de regels van artikel 26.

28.2.2 Onderlinge relatie tussen de functies van de artikelen 11 t/m 15

Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de functies onderling geldt dat functies gericht op het voorkomen van bebouwing voorgaan boven functies met bebouwing. Concreet wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de functie(s):

28.3 Zorgplicht

Een ieder draagt bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in dit plan voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving en het voorkomen van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden beperkt, die activiteit zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 4 Kostenverhaal

Artikel 29 Algemene bepalingen

29.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de gronden die zijn gelegen binnen het kostenverhaalsgebied.

29.2 Kostenverhaalsplicht
  • a. Op degene die binnen het uitgeefbaar gebied een kostenverhaalsplichtige activiteit verricht, worden ingevolge afdeling 13.6 Omgevingswet de te verhalen kosten ingevolge de kostensoortenlijst verhaald.
  • b. het kostenverhaal onder a vindt plaats via een door burgemeester en wethouders te geven kostenverhaalsbeschikking, tenzij het verhalen van kosten is verzekerd vanwege:
    • 1. een overeenkomst over kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 13.13 Omgevingswet;
    • 2. een overeenkomst over verkoop van gronden binnen het uitgeefbaar gebied door de gemeente.
29.3 Omslag van de te verhalen kosten over de gronden waarop de kostenverhaalsplichtige activiteiten zijn voorzien
  • a. De brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom wordt berekend door de te verhalen kosten over de kostenverhaalsplichtige activiteiten te verdelen naar rato van de opbrengsten van de gronden binnen het uitgeefbaar gebied van de eigendommen waarop die activiteiten kunnen worden verricht.
  • b. Voor het verdelen van de te verhalen kosten wordt het uitgeefbaar gebied onderverdeeld in uitgiftecategorieën.
  • c. Bij de indeling naar uitgiftecategorieën wordt uitgegaan van:
    • 1. een basiseenheid zijnde een m2 grondoppervlakte uitgeefbaar gebied binnen een uitgiftecategorie;
    • 2. een gewichtsfactor per uitgiftecategorie, waarin de verhouding van de gronduitgifteprijzen tussen de uitgiftecategorieën per basiseenheid wordt weergegeven;
    • 3. gewogen eenheden, zijnde de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal basiseenheden met de gewichtsfactor binnen een uitgiftecategorie.
  • d. Voor de berekening van het totale aantal gewogen eenheden van het uitgeefbaar gebied worden de uitkomsten van de gewogen eenheden van de verschillende uitgiftecategorieën bij elkaar opgeteld.
  • e. De te verhalen bijdrage per gewogen eenheid is het ten hoogste verhaalbare bedrag, voortvloeiend uit de macroaftopping zoals uitgewerkt in artikel 30.8, gedeeld door het totale aantal gewogen eenheden zoals bedoeld onder d.
  • f. De brutokostenverhaalsbijdrage op de peildatum voor een binnen het uitgeefbaar gebied gelegen (gedeelte van een) eigendom wordt bepaald door vermenigvuldiging van aan dat (gedeelte van dat) eigendom toegekende aantal gewogen eenheden met de te verhalen bijdrage per gewogen eenheid.
29.4 Methode raming inbrengwaarde

Bij de raming van de te verhalen kosten wordt voor de inbrengwaarde toepassing gegeven aan de waarderingsgrondslag zoals bedoeld in artikel 8.17, eerste lid, onder a Omgevingsbesluit.

29.5 Aanvraagvereisten kostenverhaalsbeschikking

Bij de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking dienen de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:

  • a. een aanduiding van de gronden, inclusief de grondoppervlakte, waarop de voorgenomen verrichting van kostenverhaalsplichtige activiteiten plaatsvindt;
  • b. een aanduiding van de met de kostenverhaalsplichtige activiteit te realiseren aantallen en soorten bouwwerken en gebruiksfuncties;
  • c. een opgave van de door de aanvrager voor eigen rekening voorafgaand aan de indiening van de aanvraag uitgevoerde werken en werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, onder b Omgevingswet, voorzien van:
    • 1. een omschrijving van de uitgevoerde werken en werkzaamheden, en
    • 2. indien er sprake is van uitvoering in opdracht van de aanvrager, de opdrachtverstrekking inzake de uitgevoerde werken en werkzaamheden, en
    • 3. indien er sprake is van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24.1 is vereist, een afschrift van de verleende omgevingsvergunningen die zien op het bouwrijp maken van de openbare ruimte en/of het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, en
    • 4. gegevens waaruit blijkt dat de werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels van het omgevingsplan, waaronder de regels omtrent de in acht te nemen (kwaliteits)eisen, zijn verricht, en
    • 5. de facturen en betaalbewijzen voor de eigen rekening van de aanvrager uitgevoerde werken, voorzien van een accountantsverklaring.
29.6 Aanvraag voor vergoeding uitvoering van tot de te verhalen kosten behorende werken en werkzaamheden, anders dan bedoeld in artikel 31.5, sub c
  • a. De gemeente verstrekt aan de houder van een kostenverhaalsbeschikking een financiële vergoeding voor door de houder na indiening van de aanvraag uitgevoerde werken en werkzaamheden waarvan de kosten onderdeel uitmaken van de te verhalen kosten, mits de voor eigen rekening uitgevoerde werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels van het omgevingsplan, waaronder de regels omtrent de in acht te nemen (kwaliteits)eisen, zijn verricht.
  • b. De hoogte van de financiële vergoeding is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, voor zover die kosten lager of gelijk zijn aan de raming die voor deze werken en werkzaamheden is opgenomen in de raming van de te verhalen kosten.
  • c. De uitkering van een financiële vergoeding, zoals bedoeld onder a, wordt op basis van een aanvraag vastgesteld door burgemeester en wethouders bij beschikking.
  • d. Bij de aanvraag zoals bedoeld onder c, dienen de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:
    • 1. een aanduiding van de gronden, inclusief de grondoppervlakte, waarop de uitgevoerde werken en werkzaamheden hebben plaatsgevonden;
    • 2. een opgave van de door de aanvrager voor eigen rekening uitgevoerde werken en werkzaamheden, voorzien van:
      • een omschrijving van de uitgevoerde werken en werkzaamheden, en
      • indien er sprake is van uitvoering in opdracht van de aanvrager, de opdrachtverstrekking inzake de uitgevoerde werken en werkzaamheden, en
      • indien er sprake is van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24.1 is vereist, een afschrift van de verleende omgevingsvergunningen die zien op het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van openbare ruimte en/of het gebruiksgereed maken van openbare ruimte, en
      • gegevens waaruit blijkt dat werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels van het omgevingsplan, waaronder de regels omtrent de in acht te nemen (kwaliteits)eisen, alsmede de omgevingsvergunning zoals bedoeld onder het vorige opsommingsbolletje, zijn verricht, en
      • de facturen en betaalbewijzen voor de voor eigen rekening van de aanvrager uitgevoerde werken, voorzien van een accountantsverklaring.
29.7 Eindafrekening
  • a. Binnen drie maanden na de uitvoering van de in het kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen stellen burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal vast.
  • b. Bij de eindafrekening wordt de nettokostenverhaalsbijdrage die op het moment van de afgifte van een kostenverhaalsbeschikking is verschuldigd en is betaald, herberekend overeenkomstig de omslagmethodiek zoals opgenomen in artikel 29.3 met dien verstande dat:
    • 1. het bedrag van de te verhalen kosten betrekking heeft op de gerealiseerde kosten;
    • 2. de totale opbrengsten worden herberekend op basis van het aantal basiseenheden per uitgiftecategorie die is gerealiseerd respectievelijk nog zal worden gerealiseerd;
    • 3. voor de bepaling van de herberekende te verhalen kosten de macroaftopping zoals bedoeld in artikel 30.8 opnieuw wordt vastgesteld op basis van de herberekende te verhalen kosten en herberekende opbrengsten.
    • 4. de basiseenheden en gewichtsfactoren, zoals bedoeld in artikel 29.3, die zijn toegepast bij een kostenverhaalsbeschikking, ook worden toegepast bij de herberekening.
    • 5. de kosten zoals bedoeld in artikel 13.18, tweede lid Omgevingswet, in mindering worden gebracht op de herberekende brutokostenverhaalsbijdrage.
  • c. Indien een houder van een kostenverhaalsbeschikking recht heeft op een terugbetaling als bedoeld in artikel 13.20, tweede lid Omgevingswet, wordt rente vergoed over het terug te betalen bedrag vanaf de datum van afgifte van de kostenverhaalsbeschikking, dit op basis van het rentepercentage zoals dat is opgenomen in de eindafrekening.
  • d. Indien na de vaststelling van de eindafrekening een kostenverhaalsbeschikking wordt aangevraagd, wordt voor de vaststelling van de brutokostenverhaalsbijdrage uitgegaan van de te verhalen kosten zoals opgenomen in de eindafrekening.
29.8 Eindrekening op verzoek
  • a. Op een verzoek tot het doen van een eindafrekening zoals bedoeld in artikel 13.20, vierde lid Omgevingswet, wordt jaarlijks op of zo spoedig mogelijk na 1 december van dat kalenderjaar beslist, als een verzoek uiterlijk op 15 oktober in dat kalenderjaar is ontvangen.
  • b. Bij een verzoek om een eindafrekening dienen de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:
    • 1. een kopie van de eerder afgegeven kostenverhaalsbeschikking;
    • 2. als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam de kostenverhaalsbeschikking is gesteld en is betaald, een bewijs dat de verzoeker recht heeft op een eventuele terugbetaling;
    • 3. naam, adres, telefoonnummer en bankrekeningnummer van de verzoeker.
  • c. Een eindafrekening op verzoek wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 29.7, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8.19 Omgevingsbesluit.
29.9 Peildatum en te hanteren parameters voor rente, discontering en indexering van kosten en opbrengsten
  • a. Voor de ramingen van de te verhalen kosten en van de opbrengsten wordt uitgegaan van het prijspeil 1 juli 2025.
  • b. Waar sprake is van het bepalen van een netto contante waarde van kosten, grondopbrengsten, macroaftopping, eenheden en bijdragen, wordt uitgegaan van een nettocontantewaardedatum van 1 juli 2025.
  • c. Als peildatum geldt 1 juli 2025.
  • d. Voor de te hanteren percentages voor de rente en de discontering en voor de kosten- en opbrengstenindex wordt uitgegaan van de parameters zoals opgenomen in de hieronder opgenomen tabel 1 (Parameters).


afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01_0001.png"

Tabel 1 Parameters

29.10 Bedragen exclusief omzetbelasting

Alle in dit hoofdstuk opgenomen bedragen zijn exclusief eventueel verschuldigde btw, tenzij anders aangegeven.

Artikel 30 Kostenverhaalsmethodiek met tijdvak

30.1 Tijdvak voor kostenverhaal

Voor het kostenverhaalsgebied geldt een tijdvak van 10,5 jaren, welk tijdvak ingaat op 1 juli 2025 en eindigt op 31 december 2035.

30.2 Kostensoorten die ten dele aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend

Er is geen sprake van werken, werkzaamheden en maatregelen, waarvan de kosten met toepassing van de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit ten dele aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend. Voor alle te verhalen kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen geldt dat deze ingevolge de genoemde criteria volledig aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend.

30.3 Eigendomsindeling en ruimtegebruik per eigendom
  • a. Het kostenverhaalsgebied is ingedeeld naar eigendommen. De indeling naar eigendommen op de peildatum is aangegeven op de eigendommenkaart, zoals opgenomen in Bijlage 7.
  • b. De indeling van het kostenverhaalsgebied naar openbare ruimte en uitgeefbaar gebied is, per eigendom, weergegeven in tabel 2 (Overzicht ruimtegebruik per eigendom).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01_0002.png"

Tabel 2 Overzicht ruimtegebruik per eigendom

30.4 Programma gronduitgifte uitgeefbaar gebied
  • a. Het uitgeefbaar gebied is onderverdeeld in kavels, overeenkomstig de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel A', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel B', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel C', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel D', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel E', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel F', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel G', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel H', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel I', 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel J' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kavel K'.
  • b. Het uitgeefbaar gebied is ingedeeld naar uitgiftecategorieën, waarbij de indeling naar de uitgiftecategorieën is afgestemd op de indeling naar de kavels. De indeling van de kavels naar uitgiftecategorieën is aangegeven op de kaart uitgiftecategorieën, zoals opgenomen in Bijlage 8.
  • c. Voor de toepassing van kostenverhaal wordt uitgegaan van uitgifteperiode van 2030 tot en met 2035, zoals aangegeven op de kaart fasering gronduitgifte, zoals opgenomen in Bijlage 9.
  • d. Het programma voor de gronduitgifte van het uitgeefbaar gebied per uitgiftecategorie, uitgedrukt in het aantal m² grondoppervlakte (aantal basiseenheden) uitgeefbaar gebied per jaar, is weergegeven in tabel 3 (Programma gronduitgifte).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01_0003.png"

Tabel 3 Programma gronduitgifte

30.5 Inbrengwaarde per eigendom

De inbrengwaarde per eigendom, onderscheiden naar uitgeefbaar gebied en openbare ruimte, is weergegeven in Bijlage 11.

30.6 Totale te verhalen kosten (vóór macroaftopping)
  • a. De netto contante waarde van de totale te verhalen kosten, vóór toepassing van de macroaftopping zoals bedoeld in artikel 30.8, bedraagt op de peildatum € 8.265.423.
  • b. De indeling van de totale te verhalen kosten naar de kostensoorten genoemd in de kostensoortenlijst, is weergegeven in tabel 4 (Overzicht te verhalen kosten vóór macroaftopping).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01_0004.png"

Tabel 4 Overzicht te verhalen kosten vóór macroaftopping

30.7 De raming van de grondopbrengsten
  • a. De grondopbrengsten bestaan uit de opbrengsten door de uitgifte van de gronden binnen het uitgeefbaar gebied.
  • b. De netto contante waarde van de grondopbrengsten zoals bedoeld onder a, bedraagt op de peildatum € 10.280.079.
  • c. De netto contante waarde van de grondopbrengsten per eigendom is weergegeven in tabel 5 (Overzicht grondopbrengsten per eigendom).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01_0005.png" Tabel 5 Overzicht grondopbrengsten per eigendom

30.8 Totale te verhalen kosten (ná macroaftopping)
  • a. De netto contante waarde van de totale te verhalen kosten ná macroaftopping bedraagt op de peildatum € 8.265.423.
  • b. De uitwerking van de macroaftoppingsregeling zoals opgenomen in artikel 13.14, tweede lid Omgevingswet, waarbij de totale te verhalen kosten vóór toepassing van de macroaftopping verminderd met bijdragen en subsidies van derden worden vergeleken met het totaal van de grondopbrengsten, is weergegeven in tabel 6 (Te verhalen kosten na macroaftopping).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01_0006.png"
Tabel 6 Te verhalen kosten na macroaftopping

30.9 De omslag van de totale te verhalen kosten (ná macroaftopping) over de eigendommen waarbinnnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht
  • a. De omslag van de totale te verhalen kosten (ná macroaftopping) over de eigendommen waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht en de daaruit voortvloeiende vaststelling van de brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom, vindt plaats overeenkomstig de methodiek als opgenomen in 29.3 De uitwerking van de bepaling van het aantal basiseenheden, de gewichtsfactoren en de gewogen eenheden is opgenomen in het overzicht gewogen eenheden uitgeefbaar gebied, zoals opgenomen in Bijlage 6, en het overzicht gewogen eenheden per eigendom, zoals opgenomen in Bijlage 10.
  • b. De netto contante waarde van de brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom op de peildatum, berekend overeenkomstig onder a, is opgenomen in tabel 7 (Overzicht brutokostenverhaalsbijdragen).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01_0008.png"

Tabel 7 Overzicht brutokostenverhaalsbijdragen

30.10 Bruto- en nettokostenverhaalsbijdrage
  • a. Voor de bepaling van de netto contante waarde van de nettokostenverhaalsbijdrage per eigendom op de peildatum wordt voor de aftrek van de inbrengwaarde zoals bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, onder a Omgevingswet, uitgegaan van de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied van het betreffende eigendom, zoals opgenomen in artikel 30.5.
  • b. De brutokostenverhaalsbijdrage zoals bedoeld in artikel 30.9, onder b, alsmede het bedrag van de aftrek van de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied zoals bedoeld onder a, worden verhoogd met daarover verschuldigde rente, overeenkomstig de rentepercentages zoals opgenomen in tabel 1 in artikel 29.9, vanaf de peildatum tot de datum van afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.
  • c. Indien de kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft op een gedeelte van het uitgeefbaar gebied van een eigendom, wordt de brutokostenverhaalsbijdrage voor dat gedeelte van het uitgeefbaar gebied van dat eigendom bepaald met toepassing van artikel 29.3, onder f.
    In dat geval ziet de aftrek van de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied, zoals bedoeld in het onder a, op het gedeelte van het uitgeefbaar gebied van het eigendom waarop de kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft. Het bepaalde onder b is van overeenkomstige toepassing.
  • d. Indien de kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft op een samenstel van (delen van) uitgeefbaar gebied van meerdere eigendommen, wordt de brutokostenverhaalsbijdrage voor dat samenstel van meerdere eigendommen bepaald door de optelsom van de brutokostenverhaalsbijdragen per eigendom respectievelijk van de brutokostenverhaalsbijdragen voor de betreffende delen per eigendom.
    In dat geval ziet de aftrek van de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied, zoals bedoeld in het onder a, op (de delen van) het uitgeefbaar gebied van het samenstel van de meerdere eigendommen waarop de kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft. Het bepaalde in onder b en c is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht

Artikel 31 Overgangsrecht

31.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 31.1, onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Lid 31.1, onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
31.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 31.2, onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verklein.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in lid 31.2, onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Lid 31.2, onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.