| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Haven- en industrieterrein Wanssum |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0984.TAM2025004-ON01 |
De gemeente Venray heeft het voornemen om het Haven- en industrieterrein Wanssum aan de oostzijde uit te breiden met industrieterrein Wanssum-Oost. De economische ontwikkeling van het haven- en industrieterrein en daarmee van Wanssum is van groot belang voor de economische ontwikkeling van Venray, de regio en van de provincie.
Met de beoogde uitbreiding speelt Venray met name in op het faciliteren van bedrijven in Wanssum die niet kunnen uitbreiden maar mogelijk wel die behoefte hebben. Ook zijn er bedrijven die nu op een minder gewenste of ongewenste plek zitten, maar geen nieuwe locatie kunnen vinden. De beoogde ontwikkeling aan de oostzijde van Wanssum is goed in te passen in de gemengde omgeving, zowel qua landschappelijke inpassing als qua verkeersbelasting. Hierdoor is de beoogde locatie een logische ontwikkeling. De afwikkeling van (vracht)verkeer past op de reeds nieuw aangelegde wegen en wordt rechtstreeks ontsloten op de rondweg N270 (Boomkensweg).
Om de realisatie van de beoogde uitbreiding Wanssum-Oost planologisch-juridisch mogelijk te maken, is voorliggende wijziging van het omgevingsplan opgesteld. In deze wijziging van het omgevingsplan wordt het bestaande haven- en industrieterrein conserverend meegenomen, waarbij de regels van het inpassingsplan zijn overgenomen conform de Omgevingswet.
De instructieregel in artikel 12.1.4 van de provinciale omgevingsverordening bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van een bedrijven-/industrieterrein een beschrijving bevat van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding.
In het kader van de Regionale visie bedrijventerreinen is in 2017 binnen de gemeentegrenzen van Venray gezocht naar potentiële locaties voor bedrijventerreinen in Venray. Gezocht is naar locaties die zoveel mogelijk aansluiten op bestaand stedelijk gebied (bestaande bedrijventerreinen) zodat gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen.
Bestaande bedrijventerreinen kennen milieueffecten zoals geluidseffecten, landschappelijke effecten en effecten op de luchtkwaliteit. Het aansluiten op bestaande bedrijventerreinen zorgt ervoor dat deze bestaande effecten worden gebundeld met de toekomstige effecten van het nieuwe bedrijventerrein. Dit is in de geest van de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 5.5). Door deze bundeling worden er zo min mogelijk 'nieuwe' omwonenden belast met mogelijke effecten. Daarbij hebben bestaande bedrijventerreinen een infrastructuur die erop is gericht de bedrijventerreinen zo goed als mogelijk te bedienen en het bestemmingsverkeer goed af te wikkelen.
In eerste instantie is gezocht naar geschikte locaties in de nabijheid van bedrijventerreinen die qua schaalniveau vergelijkbaar zijn met de ambitie van 30 ha bedrijventerrein.
Ten tijde van het onderzoek waren er vijf grootschalige (>30 ha) bestaande bedrijventerreinen binnen of grenzend aan de gemeente Venray:
Voor deze grootschalige bedrijventerreinen is gekeken of er rond die terreinen ruimte is voor een nieuw bedrijventerrein binnen de gemeente Venray. Hierop zijn de vijf locaties bepaald voor een eventueel nieuw bedrijventerrein:
Voor de vijf genoemde locaties is gekeken of het op voorhand mogelijk is om hier 30 ha netto bedrijventerrein te ontwikkelen. Uit de analyse die daarvoor is gedaan kwam naar voren dat locaties 4 en 5 niet de mogelijkheid bieden om 30 ha netto bedrijventerrein te ontwikkelen. Binnen dit onderzoek is de keuze uiteindelijk gevallen op locatie 3, een uitbreiding ten noorden van Smakterheide.
Locatie 4, ten oosten van bedrijventerrein Wanssum bleek echter uitermate geschikt voor een kleinere uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein, met ca. 7 ha, uitgeefbaar. Deze beoogde uitbreiding is goed in te passen in de gemengde omgeving, zowel qua landschappelijke inpassing als qua verkeersbelasting. De toename van het vrachtverkeer is beperkt en sluit aan op de bestaande wegen. Waaronder de nieuwe rondweg – mogelijk gemaakt in de Gebiedsontwikkeling Ooijen Wanssum – waar deze locatie rechtstreeks op ontsloten wordt. Ten aanzien van andere functies in het gebied levert de ontwikkeling geen nieuwe beperkingen op.
Gebiedsontwikkeling Ooijen Wanssum
Doel van de gebiedsontwikkeling Ooijen Wanssum is meer ruimte geven aan de rivier waardoor het risico op overstromingen en schade daardoor drastisch wordt teruggedrongen. Tegelijkertijd met deze ingrijpende herinrichting van het grote gebied is langs het dorp Wanssum de rondweg aangelegd. Het dorp Wanssum heeft van oudsher een sterke industriële omgeving met de voor Noord-Limburg belangrijke haven voor containers en bulk. Deze haven met aanliggend bedrijventerrein is in het kader van de gebiedsontwikkeling ook flink uitgebreid.
Bij het maken van de plannen voor de gebiedsontwikkeling Ooijen Wanssum is rekening gehouden met het afronden van de 'achterkantsituatie' aan de oostzijde van het bedrijventerrein. Deze is alleen niet ingepast in het Provinciale inpassingsplan wat de gebiedsontwikkeling Ooijen Wanssum mogelijk heeft gemaakt.
De beoogde uitbreidingslocatie lag tot maart 2024 in het watervoerend winterbed van de Maas waardoor ruimtelijke ontwikkelingen moeilijk tot stand konden komen. Bij besluit van de Minister van Infrastructuur en waterstaat van 20 maart 2024 tot wijziging van de Beleidsregels grote rivieren is deze beperking op de uitbreidingslocatie vervallen waardoor de uitbreidingslocatie tot ontwikkeling gebracht kan worden.
Behoefte
Binnen Wanssum zijn er diverse bedrijven die momenteel 'op slot' zitten qua uitbreidingsmogelijkheden terwijl de behoeft er wel is. Marktonderzoek heeft uitgewezen dat de marktvraag voor 25% ziet op kavels kleiner dan 0.5 ha en voor 75 % groter dan 0.5 ha.
De geplande uitbreiding van het industrieterrein beslaat een totale oppervlakte van ongeveer 8 hectare, waarvan ongeveer 7 hectare uitgeefbaar terrein is. Dit gebied krijgt een vaste kavelstructuur en zal een kleinschalig gemengd bedrijventerrein worden, specifiek gericht op het midden- en kleinbedrijf, met ruimte voor hoogwaardige en innovatieve bedrijvigheid. De kavels variëren in grootte, met een minimale oppervlakte van 3.000 m² en een maximale omvang van 9.000 m2, zodat bedrijven van verschillende schaal zich kunnen vestigen. Het terrein wordt onderdeel van het al gezoneerd industrie- en haventerrein, met duidelijke richtlijnen voor het gebruik.
De geplande uitbreiding voldoet daarmee aan de behoefte.
De voorgenomen ontwikkeling van Wanssum-Oost ligt ten oosten van het bestaande haven- en industrieterrein Wanssum en is circa 8 ha groot waarvan circa 7 ha uitgeefbaar. Het wijzigingsgebied ligt ten oosten van de kern Wanssum.
Het projectgebied Wanssum-Oost ligt ten oosten van het bestaande Haven- en industrieterrein Wanssum en is gelegen tussen de nieuwe verbindingsweg van de N270 naar de Brugstraat en het bestaande industrieterrein. Iets exacter wordt het gebied in het westen begrensd door de achterzijden van de bedrijven aan de Stayerhofweg, in het noorden door De Kooy/Venkelpad/Kamillepad, aan de oostzijde door de Driesstraat en aan de zuidzijde door de Brugstraat.
Dit TAM-omgevingsplan omvat het bestaande haven- en industrieterrein Wanssum en de oostelijke uitbreiding Wanssum-Oost. In onderstaande afbeelding is de begrenzing van het TAM-omgevingsplan en de beoogde uitbreiding Wanssum-Oost weergegeven.
De uitbreiding Wanssum-Oost is voorzien op de percelen kadastraal bekend als Wanssum, sectie C 277, 278, 279, 1827, 1736, 2205, 2235, 2236, 2084, 1923, 1743, 1927, 1926, 1917 en 1921.
Wijzigingsgebied TAM-omgevingsplan Haven- en industrieterrein Wanssum en de voorgenomen uitbreiding Wanssum-Oost (paarse arcering).
Huidige situatie
De haven van Wanssum vervult een belangrijke (boven-)regionale functie voor de aan-en afvoer van goederen via de binnenvaart en samen met de veranderde situatie vormt dit aanleiding tot het aanvullend ontwikkelen van Wanssum-Oost om Wanssum verder te verbeteren. De oorspronkelljke haven is in de jaren 30 van de 20e eeuw aangelegd en de zijarm/insteekhaven is In de jaren 70 van de 20e eeuw gegraven. In 2020 is deze uitgebreid. Het haven-en industrieterrein Wanssum heeft een belangrijke functie voor de gevestigde bedrijven alsmede voor de directe regio, waarbij Venray de belangrijkste kern is. Aan de haven zijn verschillende bedrijven gelegen die goederen via de binnenvaart aan-en afvoeren. De binnenhaven wordt getypeerd als een regionaal overslagcentrum voor containers, bulk-en stukgoederen en heeft een directe relatie met de logistieke sector in de regio. Het haven- en industrieterrein Wanssum heeft een totale oppervlakte van 56 hectare en is geheel uitgegeven.
Het gebied voor de beoogde ontwikkeling van Wanssum-Oost heeft momenteel een agrarisch karakter.
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Venray (/akn/nl/act/gm0984/2020/omgevingsplan, 7 augustus 2024). Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt onder andere de geldende bestemmingsplannen binnen het wijzigingsgebied die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege.
Het betreft de volgende bestemmingsplannen:
Naast de vigerende gemeentelijke bestemmingsplan geldt tevens het inpassingsplan van de provincie Limburg:
De voorgenomen uitbreiding van het bestaande Haven- en industrieterrein met Wanssum-Oost is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan.
Deze wijziging van het omgevingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen:
Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Deze wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld met een motivering waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording zijn opgenomen.
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van deze wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen wijziging. Hoofdstuk 3 beschrijft het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 besteed aandacht aan de relevante beperkingengebieden. Hoofdstuk 5 schetst de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid van deze wijziging uiteengezet. Hoofdstuk 8 biedt een artikelsgewijze toelichting van de in de wijziging van dit omgevingsplan opgenomen regels.
Voor de uitbreiding van industrieterrein Wanssum-Oost is een inrichtingsplan vervaardigd dat zowel invulling geeft aan de opgave voor de ontwikkeling van een industrieterrein, alsook optimaal rekening houdt met de aanwezige kenmerken en omgevingswaarden in en om het wijzigingsgebied.
Dit inrichtingsvoorstel vormt de basis van voorliggende wijziging van het omgevingsplan. Het inrichtingsvoorstel is opgenomen in onderstaande figuur en in Bijlage 1.
Inrichtingsvoorstel Wanssum-Oost
Groen en water
In het zuidelijk deel van het wijzigingsgebied worden de bedrijven gesitueerd aan een nieuwe ontsluitingsweg (7 meter breed) rond een groengebied met een wadi. Deze wadi heeft een inhoud van 3.040 m3. Daarnaast wordt aan de noordzijde een groengebied met wadi (1.149 m3) gerealiseerd. Dit groengebied is gelegen in het bestaande haven-industrieterrein.
Verkeer en parkeren
Bij een nieuwe bedrijventerreinontwikkeling is een duurzame en toekomstbestendige infrastructuur en ontsluiting een voorwaarde voor een goed vestigingsklimaat. Wanssum-Oost wordt ontsloten op de reeds aanwezige wegen en vervolgens via de rondweg N270 (Boomkensweg). De wegstructuur en dimensionering voldoen aan zowel de eisen van veiligheid als de eisen van functionaliteit.
Op Wanssum-Oost wordt uitgegaan van parkeren op eigen terrein. Dit geldt ook voor het laden en lossen van goederen.
Bedrijfskavels
De geplande uitbreiding van het industrieterrein beslaat een totale oppervlakte van circa 8 hectare, waarvan ongeveer 7 hectare uitgeefbaar terrein is. Dit gebied krijgt een bindende verkavelingsstructuur en zal een kleinschalig gemengd bedrijventerrein worden, specifiek gericht op het midden- en kleinbedrijf, met ruimte voor hoogwaardige en innovatieve bedrijvigheid. De kavels variëren in grootte, met een minimale oppervlakte van 3.000 m² en een maximale omvang van 9.000 m2, zodat bedrijven van verschillende schaal zich kunnen vestigen.
De uitbreiding wordt ontwikkeld voor bedrijven die vallen binnen de milieucategorieën 2 tot en met 3.2. Het terrein wordt onderdeel van het reeds gezoneerd industrie- en haventerrein, met duidelijke richtlijnen voor het gebruik. Zo is de vestiging van zelfstandige reguliere, volumineuze en grootschalige detailhandel en grote logistieke bedrijven niet toegestaan. Detailhandel is enkel toegestaan indien deze ondergeschikt is aan de bedrijfsactiviteiten, bijvoorbeeld wanneer het gaat om ter plaatse vervaardigde producten of essentiële bewerkingen. Kantooractiviteiten mogen alleen plaatsvinden als deze ondersteunend zijn aan de bedrijfsfunctie, met een maximum van 30% van het bruto vloeroppervlak.
In lijn met de duurzaamheidsdoelstellingen worden bedrijven niet aangesloten op het gasnetwerk. Daarnaast dienen de daken van de gebouwen geschikt te zijn voor de plaatsing van zonnepanelen. De maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter, met een mogelijke afwijking tot maximaal 12 meter. Het bebouwingspercentage mag niet hoger zijn dan 70%, wat ruimte biedt voor een aantrekkelijke en functionele inrichting van het terrein. Bij de ontwikkeling van het gebied wordt bovendien nadrukkelijk aandacht besteed aan het creëren van een prettige werkomgeving voor medewerkers.
Het bouwrijp maken van het terrein staat gepland voor 2027, waarna de kavels gefaseerd worden uitgegeven in de periode 2030 tot 2035. Deze uitbreiding biedt een toekomstbestendige locatie voor bedrijven die willen bijdragen aan een innovatieve en duurzame werkomgeving.
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het project toegelicht en wordt het project hieraan getoetst.
Op 11 september 2020 is, als opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan het inrichten van de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten:
ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbetert het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig. Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen.
ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken
Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet stedelijk gebied moet plaatvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht.
ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen
Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem. Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid. Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast. Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermd en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut. Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt.
Voor deze prioriteiten geldt steeds dat er zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Het kernbegrip bij deze maatregelen is omgevingskwaliteit: dat wil zeggen dat ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit centraal staan.
Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten
Relatie met het omgevingsplan
Met de voorgenomen uitbreiding wordt ruimte gecreëerd voor kleinschalig gemengd bedrijventerrein gericht op het midden- en kleinbedrijf en hoogwaardige/innovatieve bedrijvigheid. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bedrijven niet worden aangesloten op het gasnetwerk en dat de daken van de bedrijven geschikt dienen te zijn voor de plaatsing van zonnepanelen. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan het duurzaam economisch groeipotentieel van Venray en de omliggende regio. Door te kiezen voor de uitbreiding van het bestaand haven- en industrieterrein in plaats van het creëren van nieuwe bedrijfsruimte elders in Venray wordt bovendien aangesloten bij de voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van werklocaties geclusterd in of nabij het stedelijk gebied. Ook wordt in het plan rekening gehouden met een goed leefklimaat voor de werknemers door de openbare ruimte zo in te richten dat er een prettige werkomgeving ontstaat die klimaatadaptief is. Voor de wijziging van het omgevingsplan kent de Nationale Omgevingsvisie geen relevante bepalingen. Het voorliggend plan past daarmee binnen het beleid uit de Nationale Omgevingsvisie.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's:
In de volgende paragrafen zijn de voor deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.
Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises.
In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid, die met deze activiteiten binnen het wijzigingsgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd.
Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen (artikelen 5.7 en 5.11 Bkl). Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen.
Relatie met het omgevingsplan
Voor het aspect omgevingsveiligheid wordt verwezen naar paragraaf 6.9.
Op grond van artikel 5.37 Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken.
Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. Op Europees niveau is dit de Kaderrichtlijn Water (KRW), op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet.
Het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt, is opgenomen in de waterschapsverordening.
Relatie met het omgevingsplan
Door de toenemende verstedelijking en klimaatverandering dient steeds meer rekening te worden gehouden met water binnen ruimtelijke plannen. De toename van verhard oppervlak zorgt naast hitte en verdroging ook voor een vergrote kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten alle waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het wijzigingsgebied expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Vroegtijdig overleg en afstemming met de waterbeheerders is daarom van groot belang.
Voor de weging van het waterbelang wordt verwezen naar paragraaf 6.2.
Het Bkl geeft in hoofdstuk 5 (paragraaf 5.1) instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten (artikel 5.51 Bkl):
Relatie met het omgevingsplan
Voor het onderzoek luchtkwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 6.7.
Het Bkl beoogt de burger te beschermen tegen hoge geluidbelastingen. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen omtrent geluid als gevolg van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor geluid op bedrijventerreinen bepaalt de gemeente in haar omgevingsplan zelf het beschermingsniveau, op basis van de instructieregels uit het Bkl. Er is in het Bkl wel een standaardwaarde voor bedrijventerreinen opgenomen (artikel 5.65 Bkl). Als een omgevingsplan een activiteit toelaat op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kan het omgevingsplan, voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van geluid en het maximaal geluidniveau LAmax door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen op dat bedrijventerrein als waarden de standaardwaarden verhoogd met 5 dB(A), bevatten.
Relatie met het omgevingsplan
In deze wijziging van het omgevingsplan gaat het om het mogelijk maken van de uitbreiding van een industrieterrein. In dit kader is een geluidsonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 6.6).
Op basis van de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (oktober 2024) zijn in de regeling regels opgenomen voor de gebruiksruimte geluid op het industrieterrein. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.8.
het Bkl is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (artikel 5.129g). Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Relatie met het omgevingsplan
In paragraaf 5.5 is de Ladderonderbouwing voor duurzame verstedelijking opgenomen.
Paragraaf 5.1.8 van dit besluit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte in dat plan rekening gehouden wordt met het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
In artikel 5.162 Bkl zijn instructieregels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Dit artikel brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder. Zo kan bij regels in het omgevingsplan over de inrichting expliciet aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid voor mensen in een rolstoel en mensen met bijvoorbeeld visuele beperkingen. Als maatregelen nodig zijn kunnen deze geborgd worden in de regels van het omgevingsplan.
Door bij nieuwe ontwikkelingen vroegtijdig, dat wil zeggen bij inrichting en ontwerp, met toegankelijkheid van openbare ruimten rekening te houden, leidt deze instructieregel naar verwachting niet tot hogere kosten en bestuurslasten. De "Integrale toegankelijkheidsstandaard" (ITS) wordt hierbij betrokken voor zover die gaat over de openbare buitenruimte. In de ITS zijn algemene toegankelijkheidsrichtlijnen en normen omgewerkt naar bouwtechnische eisen die kunnen worden toegepast bij ontwerp en realisatie van integraal toegankelijke projecten. Het gaat er in de openbare buitenruimte, die heel divers is, niet om dat de ITS naar de letter wordt toegepast, maar dat deze behulpzaam is bij het maken van een afweging welke onderdelen van de openbare ruimte voor een ieder toegankelijk moeten zijn en tot welke regels dit in het omgevingsplan leidt. Daarnaast heeft bijvoorbeeld ook het kennisplatform CROW-richtlijnen voor integrale toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.
Relatie met het omgevingsplan
Bij de uitwerking van het industrieterrein wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid van de buitenruimte en de bedrijven zelf voor rolstoelgebruikers en slechtzienden.
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft de Beleidslijn rote rivieren gewijzigd. Hierdoor verandert het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed van de grote rivieren. De nieuwe beleidslijn die op 1 februari 2025 is ingegaan, heeft als doel om beter voorbereid te zijn op de gevolgen van klimaatverandering, zoals hogere waterstanden en grotere afvoeren in de Nederlandse rivieren. In dit kader zijn tevens de Beleidsregels grote rivieren (Bgr2025) opnieuw vastgesteld.
Nederland krijgt in de toekomst vaker te maken met hoge afvoeren en waterstanden in de rivieren, als gevolg van klimaatverandering. Daarom is er meer ruimte nodig voor het bergen en afvoeren van water. Activiteiten in het rivierbed mogen het opslaan en afvoeren van water niet belemmeren. Ook mogen activiteiten niet in de weg staan van maatregelen die in de toekomst nodig zijn om de waterveiligheid te vergroten. Ten slotte moet voorkomen worden dat de schade als gevolg van hoogwater in het rivierbed toeneemt.
De Beleidslijn grote rivieren bevat een kader voor de beoordeling van wat vanuit rivierkundig oogpunt wel en niet in het beperkingengebied van het rivierbed is toegestaan. Het doel is om voldoende ruimte te houden voor afvoer en berging van hoogwater en daarmee strijdige ruimtelijke ontwikkelingen te voorkomen.
De Beleidslijn grote rivieren bestaat uit een beleidsbrief en beleidsregels. De Beleidsregels grote rivieren (Bgr) vormen het beoordelingskader voor activiteiten waarvoor een vergunning van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat nodig is. De Beleidsregels hangen nauw samen met regels voor ruimtelijke plannen die zijn vastgelegd onder de Omgevingswet. Dit gaat dan over het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de de Omgevingsregeling. Beoogd is het Bkl, Bal en de Omgevingsregelin begin 2026 in werking te laten treden.
Een deel van het wijzigingsgebied is gelegen binnen het toepassingsgebied van de Bgr2025.
|
|
Uitsnede Toepassingsgebied Bgr
Met de aanpassing van de Beleidslijn wil het ministerie van IenW garanderen dat er nu en in de toekomst voldoende ruimte in het rivierbed blijft voor het bergen en afvoeren van water. Buitendijkse plannen mogen het waterbergend vermogen en de afvoercapaciteit van de rivieren niet aantasten, toekomstige rivierbeheermaatregelen niet belemmeren en het risico op overstromingsschade niet vergroten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat nieuwe activiteiten die binnendijks mogelijk zijn ook zoveel mogelijk binnendijks moeten plaatsvinden, zoals woningbouw en andere activiteiten die niet riviergebonden zijn.
Relatie met het omgevingsplan
Wanssum ligt aan de Maas en is een gebied dat in het verleden al te maken had met hoogwaterproblematiek. In 2021 trad de Maas buiten haar oevers, wat leidde tot aanzienlijke schade. Sindsdien zijn er maatregelen genomen, zoals rivierverruiming en dijkversterking. Met de nieuwe beleidslijn worden ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed strenger beoordeeld. Nieuwbouw is in het rivierbed in principe niet toegestaan, tenzij het aantoonbaar geen negatieve invloed heeft op waterveiligheid. Riviergebonden activiteiten, zoals scheepvaart, visserij of natuurontwikkeling, blijven mogelijk mits ze passen binnen het afwegingskader.
De Omgevingsvisie Limburg fungeert als de leidraad voor de opgestelde ambities van de provincie Limburg om de kwaliteiten van Limburg in de toekomst te versterken. De provincie streeft ernaar om Limburg zo toekomstbestendig mogelijk te ontwikkelen waarbij steeds de balans gezocht wordt tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is vastgesteld op 1 oktober 2021 en bevat de belangrijkste ambities voor de periode 2021 tot 2030 en 2050. De Omgevingsvisie is opgedeeld in verschillende thema's, waarbij tevens ingegaan wordt op een gebiedsgericht onderdeel. Centraal binnen de Omgevingsvisie staan een drietal hoofdopgaven.
1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving
Ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, energie en economie hebben een grote impact op de samenleving. Uit prognosecijfers blijkt dat de samenstelling van de bevolking van Limburg verandert. Voor het jaar 2050 zal er een daling zijn ten opzichte van 2020 van ongeveer 45.000 - 115.000 inwoners. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op de fysieke leefomgeving, zowel in landelijk als stedelijk gebied. In stedelijke gebieden heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid en de bereikbaarheid en/of toegankelijkheid van voorzieningen.
2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie
Limburg kent een economie waarbij innovatieve bedrijven en MKB goed gerepresenteerd zijn. Tot 2020 groeide het aantal banen in Limburg, waarbij de welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau toenamen. Echter is gebleken dat de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag is. De provincie Limburg wil de arbeidsparticipatiegraad verhogen, waarbij tevens ingezet wordt op het aantrekken van internationale werknemers. Op deze manier kunnen ontwikkelingen zoals digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten tegengaan. Daarnaast kan het harmoniseren van sociaal-economische spelregels, het verbeteren van (grensoverschrijdende) bereikbaarheid en de aansluiting op de (inter)nationale energiehoofdstructuur en/of digitale netwerken veel kansen bieden voor de provincie Limburg. Het is daarom uiterst belangrijk dat er geïnvesteerd wordt in infrastructuur en bereikbaarheid via de weg, het spoor, water, lucht, buis of digitaal.
3. Klimaatadaptatie en energietransitie
Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Ook voor de provincie Limburg zal er in de komende jaren een grote verandering in de energievoorzieningen ontstaan. Energiebesparing en het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie zal een grote impact hebben op de leefomgeving in Limburg.
Limburgse principes
Elke afweging die gemaakt wordt binnen de thema's wordt gedaan op basis van de Limburgse principes:
Algemene zonering
Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Ontwikkelingen dienen te passen binnen deze zonering. De algemene zonering van Limburg bestaat uit:
Economie
In hoofdstuk 8 van de Omgevingsvisie zijn de opgave en ambities van de provincie op het gebied van economie opgenomen.
Limburg heeft te maken met mondiale opgaven en transities op het gebied van energie, duurzaamheid, voedsel, gezondheid en digitalisering. Deze transities hangen samen en wijzen in de richting van een circulaire economie. Deze opgave biedt kansen voor innovatie en groei van de Limburgse bedrijvigheid, het vraagt echter ook om een sterk adaptief vermogen van ondernemers en ondernemingen. Vooral omdat de Limburgse economie met onder meer haar (maak-)industrie, agrofoodcomplex, logistiek, vrijetijdseconomie en zorg extra gevoelig is voor de grote technologische en digitale veranderingen.
Bij een toekomstbestendige economische structuur hoort ook een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor ondernemers, werknemers en studenten. Een goede infrastructuur en bereikbaarheid - zowel via weg, spoor, water, lucht en buis als digitaal - is hiervoor essentieel.
Naast de campussen zijn grote economische dragers zoals, Maastricht-Aachen Airport, Chemelot Industrial Park, Greenport Venlo, de centra van de grote steden, maar ook de mogelijke vestiging van de Einstein Telescoop in Zuid-Limburg van belang voor de economische structuur en werkgelegenheid in Limburg.
Ook de vrijetijdseconomie vormt een belangrijke economische pijler in Limburg. Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn de kwaliteit van landschap en natuur, aantrekkelijke steden en een goede bereikbaarheid van belang.
Voor de economische ontwikkeling van Limburg blijft versterking van de regionale economische structuur binnen een excellent vestigingsklimaat het uitgangspunt. De ruimtelijke mogelijkheden zijn rand voorwaardelijk voor deze ambitie.
Limburg werkt aan een circulaire economie waarin energie, grondstoffen, materialen en componenten zo lang mogelijk en weloverwogen van waarde blijven voor productie en consumptie. Daarbij is het belangrijk om spaarzaam om te gaan met natuurlijke en vaak eindige grondstofbronnen.
Werklocaties
In hoofdstuk 9 van de Omgevingsvisie zijn de opgave en ambities van de provincie op het gebied van werklocaties opgenomen.
Voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven is geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet hij niet aan de eisen van de gebruikers. Die eisen kunnen bovendien in de toekomst veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen. In Noord-Limburg ontstaat druk op grootschalige kavels die met name gebruikt worden door logistieke bedrijven. Dit vraagt om het maken van keuzes.
Het is de ambitie om ook in de toekomst te beschikken over genoeg werklocaties en goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven: bedrijventerreinen, kantoorlocaties en winkelgebieden. Samen met gemeenten en/of eigenaren werkt de provincie de komende jaren toe naar werklocaties die zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht aan de maat zijn. Daarbij dient zo efficiënt mogelijk te worden omgaan met het ruimtebeslag.
Relatie met het omgevingsplan
De voorgenomen ontwikkeling heeft voornamelijk een raakvlak met de tweede hoofdopgave, een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt ruimte gecreëerd voor lokale, hoogwaardige bedrijvigheid. Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de Limburgse principes. Zo wordt bij de inrichting van het industrieterrein rekening gehouden met een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, door gezondheidsoverlast op gebied van geluid en luchtkwaliteit zo veel als mogelijk te voorkomen, rekening te houden met omgevingsveiligheid en door de openbare ruimte zo in te richten dat een aantrekkelijk gebied ontstaat. Daarnaast wordt gekozen voor een goede landschappelijke inpassing die recht doet aan de kenmerken en identiteit van het gebied. De ontwikkeling sluit ook aan bij het principe 'meer stad, meer land' omdat de bedrijfslocaties worden ontwikkeld direct grenzend aan het bestaande haven- en industrieterrein in plaats van op een nieuwe locatie in het buitengebied. De voorgenomen ontwikkeling past ook binnen de ambities op het gebied van economie en werklocaties. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de Omgevingsvisie van Limburg.
In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Provinciale Staten hebben deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021 en gewijzigd op 16 december 2022.
De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:
Met de Omgevingsverordening Limburg wordt beoogd om de doorwerking van het provinciaal beleid naar gemeenten en andere partners te borgen. De instructies die in de omgevingsverordening staan, moeten door de gemeenten in acht worden genomen bij het opstellen (of wijzigen) van het omgevingsplan.
In de volgende paragrafen zijn de van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.
In artikel 2.1 is de Instructieregel Reserveringszone provinciale weg opgenomen. In deze instructieregel wordt gesteld dat een omgevingsplan de functie reserveringszone provinciale weg aan de zone van 15 meter aan weerszijden grenzend aan de buitenste kantstreep van een op de kaart aangeduide provinciale weg moet aangeven. Daarnaast laat het omgevingsplan in de reserveringszone geen bouwwerken toe. Het eerste lid van artikel 2.1 geldt niet voor tijdelijke bouwwerken, en bouwwerken als bedoeld in artikel 2.15f van het Bbl.
Relatie met het voorliggend plan
In voorliggend plan wordt rekening gehouden met de reserveringszone van 15 meter aan weerszijden van de provinciale weg.
In artikel 3.5 is de Instructieregel Klimaatadaptatie opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
In de beschrijving worden in ieder geval de risico's wateroverlast, overstroming en droogte betrokken. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten.
Relatie met het voorliggend plan
In paragraaf 6.3 van deze motivering is de beschrijving van het aspect klimaatadaptatie opgenomen.
In artikel 7.6 is de Instructieregel Groenblauwe mantel opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel een beschrijving bevat van:
Relatie met het voorliggend plan
Een klein deel van het wijzigingsgebied aan de noordzijde is gelegen binnen de Groenblauwe mantel. Dit gebied is echter ingericht als parkeerterrein waardoor er op deze plek geen groenblauw-karakter aanwezig is.
De Groenblauwe mantel status zoals die is opgenomen in de omgevingsverordening is, bij navraag bij de provincie, afkomstig van oude POL-kaarten. Op deze plek waren onder andere gronden opgenomen die tot het rivierbed van de Maas behoren. Deze zijn telkens overgenomen in de nieuwe kaarten, eerst als bronsgroen en nu als Groenblauwe mantel. Vanwege het project Ooijen-Wanssum zijn sommige begrenzingen achterhaald, maar is dit door de provincie nog niet verwerkt.
De voorgenomen ontwikkeling is gelegen binnen de gebiedsaanwijzing 'bedrijventerreinen'. In artikel 12.5 is de Instructieregel Bedrijventerreinen opgenomen. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.
Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van een bedrijven/industrieterrein een verantwoording bevat van de wijze waarop invulling is gegeven aan bovenstaande, en een beschrijving bevat van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Verder bepaalt artikel 12.5 lid 4 dat een omgevingsplan geen bedrijfskavel toestaat met een oppervlakte van meer dan 5 hectare. Daarnaast staat het omgevingsplan niet toe dat bedrijfskavels worden samengevoegd, waardoor een bedrijfskavel groter dan 5 hectare ontstaat. Ook verbiedt het omgevingsplan dat gebouwen zo worden gerealiseerd of verbonden dat zij de grenzen van een bedrijfskavel overschrijden.
Doorwerking in het omgevingsplan
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor een industrieterrein. Deze ontwikkeling sluit aan bij de Limburgse principes, zoals is toegelicht in paragraaf 3.2.1. De voorgenomen ontwikkeling voldoet ook aan de algemene zonering. Het beoogde industrieterrein is grotendeels gelegen binnen de in de Omgevingsverordening opgenomen zonering 'bedrijventerreinen', met uitzonering van een klein deel dat is gelegen in de zonering 'Groenblauwe mantel'. Tevens wordt in de voorgenomen wijziging voorzien in losse bedrijfskavels van minder van 5 hectare, waardoor het voldoet aan de instructieregel Bedrijventerreinen. Tevens is een regeling opgenomen die een afstand van 5 meter tot de perceelsgrenzen voorschrijft. De ontwikkeling draagt bij aan de versterking van de regionale economische structuur en is niet strijdig met de ambities die zijn opgenomen in hoofdstuk 8 uit de provinciale omgevingsvisie. De uitbreiding van het bedrijventerrein past ook binnen de ambities uit hoofdstuk 9 om genoeg en kwalitatief goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven te creeëren. Daarbij wordt nadrukkelijk niet ingezet op grote logistieke bedrijven maar op ruimte voor lokale en regionale bedrijven van maximaal 9.000 m2, hetgeen aansluit bij de vraag en voorkomt dat er te veel druk op de omgeving komt.
De beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding, is opgenomen in paragraaf 1.2.
In artikel 13.2 is de Instructieregel Zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen opgenomen. Hierin wordt gesteld dat de motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfsgebouw, beschrijft op welke wijze gebruik is gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2.3 van het Bbl tot het stellen van maatwerkregels gericht op het maximaal benutten van het dakoppervlak van bedrijfsgebouwen voor het plaatsen van zonnepanelen.
Relatie met het voorliggend plan
Het realiseren van zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen worden in dit TAM-omgevingsplan niet onmogelijk gemaakt.
In 2012 hebben de besturen van de acht regiogemeenten gezamenlij k de strategische visie ‘Regio in Balans’ vastgesteld. Dit was het eerste regionale visiedocument voor de regio Venlo. De aanleiding destij ds om een dergelijk document te maken was de behoefte om als Noord-Limburgse gemeenten gezamenlijk te komen tot een coherent regionaal toekomstperspectief, een afwegingskader, waarbinnen beleidskeuzes en investeringsbeslissingen op Noord-Limburgse schaal voor de middellange termijn konden worden afgewogen. In de periode 2018 - 2020 is deze visie geactualiseerd.
De regionale samenwerking Noord Limburg is het platform voor samenwerking en afstemming tussen gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray. Deze acht gemeenten bundelen hun krachten om een impuls te geven aan de verdere ontwikkeling van de regio en het oplossen van urgente maatschappelijke vraagstukken. Onlangs hebben de acht gemeenten in Noord-Limburg hebben de ambitie uitgesproken de gezondste regio van Nederland te worden.
De gezondheid van de regio wordt gedragen door zes pijlers:
Relatie met het omgevingsplan
Met de inrichting van de uitbreiding van het haven- en industrieterrein Wanssum is nadrukkelijk rekening gehouden met een gezonde werkomgeving door een werklandschap van de toekomst te creëren. Een werklandschap van de toekomst betekent een groen, gezond en klimaatbestendig bedrijventerrein. Zo wordt aan de noordzijde een grone buffer gecreëerd waar ruimte aanwezig is om een ommetje te maken en duurzaam watersysteem te realiseren. Ook wordt er een goede ontsluiting voor fietsers gerealiseerd, zodat werknemers met de fiets naar het bedrijventerrein kunnen komen. Verder wordt ook ruimte gecreëerd voor duurzame vormen van energie-opwekking, zoals daken die geschikt zijn voor zonnepanelen.
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen.
De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. In de waterschapsverordening staan regels voor verschillende soorten activiteiten met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving in samenhang met water. De regels zijn nodig om het watersysteembeheer en de zuiveringstaak, en eventueel het wegenbeheer, goed te kunnen vervullen. Ze gaan over:
In de waterschapsverordening staan niet alleen regels voor het waterschap. Er gelden ook verplichtingen voor een initiatiefnemer. Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen. Het gaat om de volgende activiteiten:
Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de lozing uit een gebied niet toe mag nemen. Een ontwikkeling waar bestaande verharding wordt vervangen voor nieuwe verharding wordt ook gezien als een toename aan verharding. Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. Waterschap Limburg hanteert geen ondergrens. Dynamische bergings- en infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op met een inhoud van 100 mm in het (noordelijk) beheergebied van Waterschap Limburg.
Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/ infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Limburg maximaal 2 l/s/ha geloosd worden. Er dient boven de inhoud van de dynamische berging een waking gehanteerd te worden van minimaal 25 cm. Geadviseerd wordt een waking van 50 cm te hanteren.
Relatie met het voorliggend plan
In paragraaf 6.2 van deze motivering wordt ingegaan op de weging van het waterbelang.
De Omgevingsvisie Venray 2023 is op 21 december 2023 vastgesteld. In de omgevingsvisie wordt getoond voor welke uitdagingen de Gemeente Venray staat en waar de gemeente naar toe wil in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de Toekomstvisie 2030 'Venray loopt voorop'. In de omgevingsvisie komen de verschillende opgaven samen in vier integrale hoofdambities voor de komende 10 à 20 jaar.
Groen wonen voor iedereen
In Venray is het fijn wonen in een groene omgeving. De komende jaren vinden er grote ontwikkelingen in de samenleving plaats. Venray krijgt te maken met een groeiende bevolking en een sterke vergrijzing. De groeiende en veranderende bevolking woont in 2030 groen, gezond en veilig in Venray. Er is voldoende groen en ruimte om te sporten, te bewegen en te spelen. Sociale contacten zijn onmisbaar in een fijne woonomgeving. De gemeente zorgt voor toegankelijke ontmoetingsplekken in de wijken. Wanneer inwoners van Venray samen met elkaar optrekken ontstaan er waardevolle verbindingen.
Een gezond Venray heeft de toekomst
Venray bereidt zich voor op de toekomst. Er zijn grote opgaven als klimaatadaptatie, energietransitie en een circulaire economie. Dit vraagt om bewustwording binnen de gemeente, maar ook om een actieve aanpak. De gemeente zet in op een goede milieukwaliteit, duurzame energiebronnen, kringlooplandbouw en het stimuleren van innovatie in de agrarische sector. De gemeente heeft een voorbeeldfunctie op het gebied van duurzame maatregelen. Woningen en bedrijven worden duurzamer en de leefomgeving wordt gezonder. Deze ambitie gaat over het verbeteren van de milieukwaliteit en het gezond zijn van de leefomgeving.
Venray bloeit, bruist en boeit
De gemeente richt zich op een toekomstig Venray waar het aantrekkelijk is voor inwoners en bedrijven om zich te vestigen en te ontwikkelen. Bedrijventerreinen worden aantrekkelijk gemaakt door het versterken van de samenwerking tussen ondernemers, een groene uitstraling en een betere bereikbaarheid (niet alleen met de auto, maar ook met openbaar vervoer en de fiets). Het centrum is goed bereikbaar en aantrekkelijk, waarbij elk pand gevuld is met een leuke winkel, horeca of cultuur en het is er prettig om te wonen. Ook wordt in de gehele gemeente ingezet op een sterk en onderscheidend toeristisch-recreatief aanbod. Hiermee biedt Venray een aantrekkelijk woon-, werk- en verblijfsklimaat voor (huidige en toekomstige) inwoners, ondernemers en bezoekers.
Natuurlijk Venray
De natuur en groene omgeving is een belangrijke kwaliteit van de gemeente. De gemeente wil de kwaliteiten op het gebied van landschap, natuur, water, bodem en cultureel erfgoed zoveel mogelijk versterken en de belevingswaarde hiervan verhogen. Zo wordt ervoor gezorgd dat dat ook toekomstige generaties van Venray kunnen genieten.
Relatie met het omgevingsplan
De ontwikkeling van het industrieterrein sluit aan bij de ambities van de gemeente Venray om een aantrekkelijke gemeente te zijn voor bedrijven om zich verder te ontwikkelen. Met de ontwikkeling van het industrieterrein wordt bewust gekozen om ruimte te bieden aan lokale bedrijvigheid. Het industrieterrein wordt zo ingericht dat het een aantrekkelijke werklocatie is. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee passend binnen de ambities uit de Omgevingsvisie Venray 2023.
We leven op het moment in een overwegend lineaire economie. Dat betekent dat we grondstoffen vermaken tot een product en uiteindelijk afstoten als het product geen doel meer heeft en afval is geworden. Hierdoor verliezen we veel van onze kostbare grondstoffen en we richten tevens milieuschade aan. Om welvaart en welzijn ook in de toekomst te waarborgen, is er steeds meer behoefte aan een duurzame, circulaire economie. In deze visie wordt de richting verwoord die Venray de komende jaren gaat volgen om circulaire economie na te streven. Een circulaire economie gaat dus over het zo hoogwaardig mogelijk in de kringloop houden van grondstoffen. Hiervoor wordt de Venrayse circulaire ladder gehanteerd:
Grondstof en productiefase
Gebruikersfase
Recyclefase
Het hoogste niveau van circulaire economie verdient de voorkeur; het is het niveau waarin de meeste grondstoffen bespaard worden en daarom is het ook de meest efficiënte interventie.
Relatie met het omgevingsplan
In paragraaf 6.12 wordt ingegaan op het aspect duurzaamheid en hoe in het bouwproces onder meer rekening wordt gehouden met circulariteit.
In de visie klimaatadaptatie met bijbehorend uitvoeringsprogramma wordt een koers uiteengezet die zicht geeft op de effecten van klimaatverandering op de samenleving en richting geeft aan oplossingen. Er zijn 4 belangrijke thema's uiteengezet te weten:
Een belangrijke maatregel om negatieve effecten van klimaatverandering te voorkomen is het vergroenen van de leefomgeving. Een groene omgeving met planten draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast na hevige regenbuien, maar de planten zorgen ook voor verkoeling in de zomer bij hoge temperaturen en het voorkomen van droogte doordat regenwater nog de bodem in kan trekken. Daarnaast biedt het leefgebied voor tal van planten en dieren en draagt het bij aan onze eigen gezondheid en welzijn. Kortom: Bij nieuwe plannen en renovatie beoogt Venray dus meer groen en minder verharding.
Relatie met het omgevingsplan
In paragraaf 6.3 wordt ingegaan op het aspect Klimaatadaptatie.
De gemeente Venray zet zich actief in voor de energietransitie, met als doel om in 2030 energieneutraal te zijn. De strategie richt zich op het verminderen van het gebruik van fossiele energiebronnen zoals aardgas en kolen, en het overstappen naar duurzame alternatieven. Dit is noodzakelijk vanwege klimaatverandering, de uitputting van aardgasvoorraden en de afhankelijkheid van buitenlandse energie. De gemeente Venray stimuleert het gebruik van zonne-energie, windenergie, biomassa en andere hernieuwbare bronnen en zet in op lokale energeopwekking onder andere via zonnedaken.
Bedrijven zijn verplicht om energiebesparende maatregelen te implementeren met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar en zoveel mogelijk gebruik te maken van geschikte daken voor zonnepanelen. Nieuwe kavels kunnen duurzaam worden ontwikkeld, met een focus op energie-effici?ntie en eigen opwekking van hernieuwbare energie.
De energiestrategie stelt dat er ruimte moet worden gemaakt voor energie-infrastructuur, zoals de realisatie van energiehubs waarbij bedrijven energie uitwisselen en en gezamenlijk opslaan. Ook benadrukt het beleid de verduurzaming van industrieel vervoer door elektrificatie en het gebruik van waterstof.
Relatie met het omgevingsplan
De Venray Energiestrategie 2030 biedt handvatten en houvast om de ontwikkeling in Smakterheide Noord voor te bereiden op de toekomst. Het biedt richtlijnen en kansen om het terrein, maar ook de bedrijven, toekomstbestendig en duurzaam te ontwikkelen. Door te focussen op energiebesparing, duurzame energieopwekking en slimme netwerken, kan Smakterheide Noord een voorbeeld worden van een modern en duurzaam industrieterrein dat aansluit bij nationale en lokale klimaatdoelen.
Op 4 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray het Omgevingsprogramma Economie 2025-2028 vastgesteld. Het omgevingsprogramma benadrukt de aanpak van Venray: niet méér, maar béter. Het gaat om duurzame economische groei die de kwaliteit van leven verbetert. Het omgevingsprogramma benadrukt de transitie naar een circulaire economie en duurzame energie. Wanssum-Oost kan hier een cruciale rol in spelen door ruimte te bieden aan circulaire processen en bedrijven die bijdragen aan deze transitie. Het omgevingsprogramma stelt dat nieuwe bedrijventerreinen zich moeten richten op specifieke typen bedrijven die binnen het economisch profiel passen en maatschappelijke meerwaarde leveren. Dit betekent dat Wanssum-Oost zich moet richten op maakindustrie, circulaire economie en duurzame logistiek. De gemeente Venray stimuleert kennisdeling en samenwerking tussen bedrijven en regionale initiatieven. Wanssum-Oost biedt kansen om ondernemers te verbinden en innovatieve projecten te ontwikkelen, bijvoorbeeld rondom verduurzaming en energietransitie. Het omgevingsprogramma benoemt de uitdagingen rondom netcongestie en benadrukt het belang van slimme oplossingen. Wanssum-Oost moet hier rekening mee houden bij het aantrekken van bedrijven en het ontwikkelen van infrastructuur. De focus op groene bedrijventerreinen en klimaatadaptieve maatregelen in het omgevingsprogramma biedt een duidelijke richtlijn voor de inrichting van Wanssum-Oost. Dit maakt het terrein aantrekkelijker voor bedrijven en werknemers en draagt bij aan duurzaamheid.
Relatie met het omgevingsplan
De ontwikkeling van Wanssum-Oost biedt een strategische kans om de economische positie van Venray te versterken, met een duidelijke focus op duurzaamheid, circulariteit, en een innovatieve samenwerking tussen bedrijven. Door te handelen in lijn met het Omgevingsprogramma Economie 2025-2028, kan Wanssum-Oost een voorbeeld worden van een toekomstbestendig bedrijventerrein dat zowel economische als maatschappelijke meerwaarde levert.
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.
De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt het Rijk of de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen.
Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones.
Relatie met het omgevingsplan
De provinciale weg N270 loopt door het wijzigingsgebied heen. In de provinciale omgevingsverordening is voor deze provinciale weg een reserveringszone van 15 meter aan weerszijden van de weg opgenomen.
Tevens is voor het wijzigingsgebied sprake van het beperkingengebied van het rivierbed van de Maas (zie paragraaf 3.1.3). De Beleidslijn geldt voor beperkingsgebieden binnen het rivierbed van de door het Rijk beheerde oppervlaktewaterlichamen, met uitzondering van kanalen.
In dit hoofdstuk worden de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden van het voornemen weergegeven.
Ten behoeve van de beoordeling van de aspecten Landschap, Cultuurhistorie en Archeologie is een bureauonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2). In dit onderzoek zijn de aspecten nader getoetst en vergeleken met het voornemen en in de onderstaande paragrafen 5.2 Landschap, 5.3 Cultuurhistorie en 5.4 Archeologie verwerkt. Het onderzoek ziet enkel toe op de voorgenomen uitbreiding van het haven- en industrieterrein.
Een goede stedenbouwkundig-landschappelijke inpassing van industrieterreinen staat steeds hoger op de agenda. Hierbij zijn o.a. kleur- en materiaalgebruik, vorm en inpassingsmogelijkheden van belang. Het is van belang om rekening te houden met de karakteristieke kenmerken en kwaliteiten van het landschap. Dit kan gedaan worden met de architectuur van een bedrijfspand en/of het realiseren van gebiedseigen beplanting. Dit vraagt om stedenbouwkundige en landschappelijke inpassingseisen. Daarnaast is het belangrijk dat er een goede overgang van de uitbreiding van Wanssum-Oost naar het omringende landschap wordt gerealiseerd.
Voor de uitbreiding Wanssum-Oost (functie Bedrijventerrein - 3) wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld.
Om een beeld van het historisch landschap te krijgen, is de kaart Groen Erfgoed van het RCE geraadpleegd. Deze kaart omvat o.a. rijksbeschermde groenaanleg, landschappelijk groen erfgoed, monumentale bomen en eendenkooien. Op deze kaart zijn geen elementen aangegeven in het projectgebied. Direct ten noorden van het projectgebied ligt wel een kansrijk gebied voor groen erfgoed, de Kooische Berg. Tevens is de kaart Leven met Water geraadpleegd. Deze kaart toont voormalige dijken, molens en inundatiegebieden, maar er zijn geen elementen aanwezig in het projectgebied.
Landschappelijke en cultuurhistorische elementen in het plangebied.
Het projectgebied ligt ter plaatse van twee aardkundige/landschappelijke vlakelementen: het rivierdal en een rivierduinencomplex. Het rivierdal is samen met de beekdalen de belangrijkste structuurdrager van het landschap in Noord- en Midden-Limburg en wordt o.a. gekenmerkt door een half open karakter en de verschillen in reliëf. Niet alleen de ontstaansgeschiedenis van het gebied, maar ook het gebruik van het landschap door de mens hangen samen met de kenmerken van het rivierdal. Langs de zuidelijke grens van het plangebied is het rivierduinencomplex Heijen-Velden aanwezig. Dit betreft een gebied met aardkundige waarde wegens de gaafheid en representativiteit van het rivierduinencomplex. Rivierduinen zijn gevormd tijdens het Weichselien en hangen samen met de ontstaansgeschiedenis van het Maasdal. Langs de wegen die het plangebied omgrenzen, is ook sprake van bomenrijen. Terwijl dit geen historische beplanting betreft, is het wel kenmerkend voor oude ontginningsgebieden dat perceelsgrenzen en wegen begrensd worden door bomenlanen of houtwallen. In onderstaande tabel worden adviezen ten aanzien van aanwezige elementen gegeven.
Advies landschap en cultuurhistorie.
Relatie met het omgevingsplan
Er wordt geadviseerd om de kenmerken van het rivierdal te behouden en/of te versterken door de aanwezige hoogteverschillen (het reliëf) zo veel mogelijk te behouden en te versterken en door het aanbrengen van groenelementen langs de rand van het bebouwde gebied. Zo bestaat er een zichtbare overgang van bebouwd naar open. Ook wordt geadviseerd om waar mogelijk (gebiedseigen) erfrandbeplanting aan te brengen, om de kleinschaligheid en de variatie tussen open en gesloten terug te brengen.
Ter plaatse van het rivierduinencomplex in het zuiden van het plangebied wordt geadviseerd zo min mogelijk te ontgraven, om zo de bodemopbouw van het complex alsmede het reliëf intact te houden. Tevens wordt geadviseerd het bestaande reliëf waar mogelijk te versterken. Verder wordt aanbevolen de bestaande bomenrijen langs de wegen te behouden, en waar mogelijk, gebiedseigen beplanting in te passen langs eventuele toekomstige wegen en perceelsgrenzen in het gebied.
Voor het aspect cultuurhistorie is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Onder de pijler gebouwd erfgoed is gekeken naar het Rijksmonumentenregister, beschermde stads- of dorpsgezichten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Er zijn geen Rijksmonumenten aanwezig en het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Er liggen ook geen provinciale of gemeentelijke monumenten in het projectgebied.
In het projectgebied zijn twee cultuurhistorische elementen aanwezig: een weg ouder dan 1806 en een Mariakapel. De weg betreft de huidige weg De Kooy, in het noordwesten van het projectgebied. Deze weg is duidelijk zichtbaar op de kadastrale minuutplannen uit 1811-1832 en hangt samen met het gebruik van het gebied. Zo leidde de weg in het noorden naar de veerpont, waar ook de Maasweg de uiterwaarden in liep, en in het zuiden naar Wanssum. De loop van de weg in zijn geheel is gewijzigd, maar langs het plangebied richting de Maas is de oorspronkelijke loop behouden. De Mariakapel betreft een kleine kapel net buiten de grens van het projectgebied in het noordwesten. De kapel stamt uit de 19de eeuw en is verplaatst, maar stond oorspronkelijk (ook) langs de weg naar de veerpont. Mariakapellen en andere religieuze monumenten zijn kenmerkend voor het Maasdal.
Relatie met het omgevingsplan
Er wordt geadviseerd de oorspronkelijke loop van de weg De Kooy te behouden. Aangezien deze weg de grens vormt voor het projectgebied, wordt echter niet verwacht dat er aanpassingen aan de weg worden gedaan. Daarnaast wordt geadviseerd kenmerken van oude wegen waar mogelijk terug te brengen. Tevens wordt aanbevolen de Mariakapel op de huidige locatie te behouden. Ook hier geldt dat aangezien de kapel net buiten het projectgebied ligt, er niet verwacht wordt dat de kapel wordt verplaatst.
Om inzicht te krijgen in de aanwezigheid en het karakter van de archeologische en historische resten heeft de gemeente Venray een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart door RAAP laten opstellen (2007, actualisatie 2011). De verwachtingskaart geeft zones aan die op grond van landschapsaspecten en vindplaatsdichtheden een middelhoge tot zeer hoge trefkans hebben op het aantreffen van archeologische resten. Het bestaande haven- en industrieterrein is gelegen in zones met de archeologische waardecategorieën 2, 3, 4 en 5.
Bij de totstandkoming van dit omgevingsplan is zorgvuldig rekening gehouden met alle relevante milieu- en omgevingsaspecten, waaronder ook het aspect archeologie (zie Bijlage 2). Archeologische waarden en verwachtingen spelen een belangrijke rol bij ruimtelijke ontwikkelingen, omdat zij bijdragen aan de bescherming van cultureel erfgoed en de historische identiteit van het gebied. Het aspect archeologie kan van invloed zijn op de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het omgevingsplan, aangezien de aanwezigheid van archeologische resten beperkingen kan opleggen aan grondroerende werkzaamheden of specifieke aanpassingen in het ontwerp kan vereisen.
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
De gemeente Venray beschikt over archeologische verwachtingskaarten opgesteld door RAAP in 2007 (actualisatie 2011). Er zijn vier verschillende kaarten opgesteld: jager-verzamelaars in droge landschappen, landbouwers in droge landschappen, jager-verzamelaars en landbouwers in natte en droge gebieden en jager-verzamelaars en landbouwers in natte landschappen.
Het plan- en onderzoeksgebied op de verwachtingenkaart jager-verzamelaars en landbouwers in natte en droge gebieden van de gemeente
Venray.
AMK-terreinen en vindplaatsen
Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) zijn bekende, gewaardeerde, archeologische vindplaatsen weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen terreinen van waarde, hoge waarde, zeer hoge waarde, en zeer hoge waarde – beschermd. In het laatste geval is het terrein een beschermd Rijksmonument. Het uitgangspunt bij AMK-terreinen is in principe behoud van archeologische resten in situ. In het onderzoeksgebied liggen twee AMK-terreinen. Het gaat om een terrein van archeologische waarde (monumentnummer 11143) direct ten oosten van het plangebied en een terrein van hoge archeologische waarden ten zuiden van het plangebied (monumentnummer 16264).
Vindplaatsen zijn alle bekende archeologische vindplaatsen die geregistreerd zijn in Archis, zijn aangeleverd vanuit amateur archeologen en gemeenten en/of zichtbaar zijn op historische kaarten. De helft van de vondstmeldingen in het onderzoeksgebied liggen binnen de contouren van het AMK-terrein 11143. De overige vondstmeldingen liggen verspreid rondom het projectgebied en betreffen vondsten met dateringen uit alle perioden. In het projectgebied is sprake van twee vondstmeldingen. De eerste betreft een vuurstenen afslag uit het Paleolithicum en mestaardewerk uit de periode Neolithicum-Nieuwe Tijd, waarbij het mestaardewerk in een boring net buiten het plangebied is aangetroffen. De vondsten zijn niet gerelateerd aan een vindplaats. De tweede vondstmelding is aangeduid bij de noordelijke grens van het plangebied en is een beschrijving uit literatuur van de jaren '50. Het gaat hier om aardewerk uit de Romeinse Tijd, echter is het ook mogelijk dat deze vondsten ter plaatse van het AMK-terrein zijn aangetroffen. In ieder geval zijn ze waarschijnlijk gerelateerd aan de Romeinse nederzetting in het gebied.
Tweede Wereldoorlog
Op de Indicatieve Kaart van Militair Erfgoed liggen geen elementen uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied. Langs de Maas lag de Maaslinie, die diende om een eventuele Duitse aanval en opmars richting het westen tegen te houden. De linie bestond uit een lange reeks kazematten verbonden door prikkeldraadversperringen een eerder gebouwde rivierkazematten bij bruggen, vanuit waar de bruggen opgeblazen konden worden. Een klein deel van de kazematten langs de Maas bestaat nog. Op de ruimingskaart van Beobom zijn wel enkele elementen aangegeven (zie onderstaand figuur). In het noorden van het wijzigingsgebied, tussen de N270 en De Kooy, is sprake van een eventueel mijnenveld. De ligging hiervan is indicatief. Ook ligt dit deel van het gebied binnen een kaartvak waar luchtaanvallen door de Britse Second Tactical Airforce hebben plaatsgevonden tussen september 1944 en mei 1945. Langs de Brugstraat is een munitieruiming aangegeven.
Uitsnede BeoBOM Ruimingskaart
Verstoringen
Op de kaart van Vergraven Gronden is het projectgebied aangegeven als nagenoeg onverstoord. Het industrieterrein ten westen van het projectgebied is aangegeven als bebouwd, alsmede de Brugstraat en een klein deel van de parkeerplaats in het noorden. Het projectgebied kan echter verstoord zijn geraakt door agrarische activiteiten in het verleden en bij de aanleg van de N270. Uit de eerder uitgevoerde onderzoeken in het gebied blijkt wel dat de bodemopbouw grotendeels intact is, met uitzondering van de bouwvoor.
Het plangebied op de kaart Vergraven Gronden.
Relatie met het omgevingsplan
Aangezien het projectgebied voor alle perioden een verwachting heeft op archeologische resten, bestaat er een grote kans op het verstoren van eventuele resten uit verschillende perioden. De aanwezigheid van een akkerdek kan tot goede conservering van de eventuele resten hebben geleid. Dit is echter afhankelijk van de mate van verstoring door agrarische activiteiten zoals ploegen, aangezien in een klein deel van het projectgebied is aangetoond dat ploegwerkzaamheden het akkerdek en de top van het oorspronkelijke maaiveld hebben verstoord.
Voor het grootste deel van het projectgebied wordt vervolgonderzoek in de vorm van verkennend booronderzoek geadviseerd, indien werkzaamheden dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld. Het doel van het verkennend booronderzoek is om de intactheid van de bodem vast te stellen en na te gaan of er sprake is van een archeologisch niveau. Ook kan door middel van het onderzoek worden vastgesteld of het Allerød-terras tot de noordelijke grens van het plangebied aanwezig is en of de restgeul de verwachte omvang heeft. In het zuiden kan door middel van het booronderzoek de intactheid van het rivierduinencomplex in beeld worden gebracht.
In aanvulling op bovenstaande methode wordt geadviseerd extra boorraaien te plaatsen om het eventuele Romeinse wegtracé op te sporen.
In aanvulling op bovenstaand heeft het bevoegd gezag aangegeven dat er minstens één profielputje per hectare gegraven dient te worden, om zo beter inzicht in de bodemopbouw te verkrijgen.
Daar waar al eerder booronderzoek is uitgevoerd, is geen vervolgonderzoek nodig. Omdat de exacte ingrepen die bij de herinrichting van het gebied komen kijken nog niet bekend zijn, geldt het advies tot vervolg wel voor het overige deel van het projectgebied. Indien er delen zijn waar geen bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden, is hier geen vervolgonderzoek nodig.
Doorwerking in het omgevingsplan
De archeologische waarden (gebieden met zeer hoge, hoge en middelhoge verwachtingswaarde) worden beschermd door middel van meerdere functies Waarde-Archelogie en het bijbehorende 'aanleg'vergunningstelsel. Afhankelijk van de verwachtingswaarde mag tot een bepaalde oppervlakte worden gebouwd. Bij een grotere omvang bebouwing dient een archeologisch onderzoek te worden overlegd waaruit blijkt dat de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. De ladder bestaat uit "twee treden":
Middels de te doorlopen procedure wordt een wijziging van het omgevingsplan gerealiseerd. Hiermee wordt naast de consolidatie van het bestaande Haven- en industrieterrein ook de realisatie van de uitbreiding van Haven- en industrieterrein Wanssum mogelijk gemaakt. Alvorens het onderhavige plan te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dient eerst bepaald te worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het onderhavige plan is sprake van de uitbreiding van het industrieterrein Wanssum-Oost met ca. 7 hectare uitgeefbaar industrieterrein. Gesteld kan worden dat een bouwplan met een dergelijke omvang beschouwd moet worden als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Behoefte
De gemeente Venray heeft in samenwerking met Buck Consultants International een onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de lokale vraag naar bedrijventerreinen voor de periode 2022-2031 (zie Bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat de verwachte vraag naar bedrijventerreinen in deze periode groter is dan het nog beschikbare harde en zachte aanbod. Dit betekent dat er nieuwe ruimte voor bedrijventerreinen nodig is om de groeiende behoefte te kunnen accommoderen. De verwachte lokale marktbehoefte komt uit op 20 tot 27 hectare.
Om zorgvuldig en duurzaam om te gaan met de beschikbare ruimte, heeft een uitbreiding die aansluit op een bestaand bedrijventerrein de voorkeur. Dit sluit aan bij het streven naar efficiënt ruimtegebruik. Daarnaast is een locatie dicht bij de kern van Venray wenselijk, omdat hier het grootste deel van de bedrijvigheid is geconcentreerd. Deze uitbreiding kan worden gerealiseerd op één centrale locatie of verspreid over meerdere kleinere locaties.
Voor veel bedrijven, zoals logistieke, industriële en bouwbedrijven, is een goede verbinding met hoofdwegen en snelwegen van groot belang. Een goede ontsluiting minimaliseert verkeersoverlast in de woonkernen en is zowel economisch als leefbaarheidsgericht gunstig. Bij toekomstige uitbreidingen kunnen hoge eisen worden gesteld aan duurzaamheid en landschappelijke inpassing. Dat betreft niet alleen de inrichting van het terrein en het vastgoed, maar ook aspecten als energieprofiel, circulariteit en klimaatadaptatie. Nieuwe bedrijven die zich willen vestigen op het bedrijventerrein moeten daarom bijdragen aan duurzame energieoplossingen en milieuvriendelijke investeringen.
Naast de fysieke ruimte is er aandacht nodig voor zachte randvoorwaarden, zoals veiligheid en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Uitdagingen zoals een dalende beroepsbevolking, vergrijzing, de instroom van internationale werknemers en inclusiviteit vragen om een strategische aanpak. Om de Venrayse economie en haar sterke sectoren toekomstbestendig te maken, is investeren in hoogwaardige en duurzame vestigingslocaties essentieel. Dit is niet alleen belangrijk om de regionale economische functie te behouden, maar ook om jongeren aan Venray te binden en lokale bedrijven te ondersteunen bij het benutten van economische kansen.
De verwachte vraag naar bedrijventerreinen in Venray overstijgt het huidige aanbod voor de komende tien jaar. Om deze vraag op te vangen, is het noodzakelijk om nieuwe ruimte te creëren. De gemeente Venray zal op basis van de verhouding tussen vraag en aanbod een additionele ontwikkelopgave moeten aangaan voor de periode 2022-2031. Deze uitbreiding is cruciaal om de economische positie van Venray te versterken en toekomstbestendig te maken.
De beperkte beschikbare ruimte aan grote kavels heeft als gevolg dat bedrijven die willen uitbreiden Venray verlaten. Dit zorgt vervolgens voor verlies van werkgelegenheid. De insteek van voorliggend plan is om deze uitbreidingsbehoefte en werkgelegenheid te waarborgen.
Mogelijkheden in het bestaand stedelijk gebied zijn zeer sporadisch. Leegstand van bedrijfsruimte in Noord-Limburg is beperkt (circa 3%). Grootschalig aanbod van bedrijfsvastgoed in het primaire verzorgingsgebied is beperkt. Verder zijn mogelijkheden voor herinvulling van verouderde of braakliggende kavels niet beschikbaar. De realisatie van Wanssum-Oost leidt niet tot onaanvaardbare leegstand in het verzorgingsgebied.
Binnen- of buiten bestaand stedelijk gebied
Met bestaand stedelijk gebied wordt een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca bedoeld, inclusief de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
De voorgenomen uitbreiding bevindt zich buiten het bestaand stedelijk gebied van de kern Wanssum. Voor een onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 1.2 waarin de planvoorbereiding nader wordt
toegelicht.
In dit hoofdstuk wordt het voornemen getoetst aan de aspecten van de fysieke leefomgeving middels verschillende onderzoeken. De onderzoeken zien enkel toe op de voorgenomen uitbreiding van het haven- en industrieterrein.
Voor de beoogde uitbreiding Wanssum-Oost is een quickscan ecologie uitgevoerd (zie Bijlage 4) De quickscan heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het plangebied voor de beoogde uitbreiding Wanssum-Oost ligt op 2 km afstand van de Natura 2000-gebieden Maasduinen en op 4,5 km afstand van Boschhuizerbergen. Natura 2000-gebieden op minder dan 20 km afstand zijn Deurnsche Peel & Mariapeel (15 km) en Zeldersche Driessen (17 km). Overige Natura 2000-gebieden liggen verder dan 20 km.
Ligging van Natura 2000 gebieden ten opzichte van het plangebied.
Aangezien het project niet plaatsvindt binnen de grenzen van Natura 2000 zijn directe effecten op deze beschermde gebieden uitgesloten. Wel is mogelijk sprake van een toename van stikstofdepositie op gevoelige en overbelaste natuurwaarden van Natura 2000-gebieden. Hiervoor moeten AERIUS-berekeningen worden uitgevoerd (zie paragraaf 6.1.4), tenzij de werkzaamheden en transport volledig emissieloos plaatsvinden. Mogelijk zijn op grond van de resultaten van deze berekening vervolgstappen als een voortoets en/of passende beoordeling vereist.
Natuurnetwerk Nederland
Onder de Omgevingswet valt de bescherming van Natuurnetwerk Nederland (NNN), in Limburg bekend onder de naam Natuurnetwerk Limburg (NNL). Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van NNL en daarnaast de aard van de ingreep, is door bureaustudie bepaald of mogelijk sprake is van significant negatieve effecten als gevolg van het voornemen. In de provincie Limburg is externe werking niet van toepassing.
Ligging van Natuurnetwerk Limburg gebieden ten opzichtte van het voornemen.
Aangezien de werkzaamheden niet binnen het NNL plaatsvinden zijn negatieve effecten op Natuurnetwerk Nederland uitgesloten.
Soortenbescherming
Voor deze quickscan zijn een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de periode 2010-2025. Het veldbezoek betreft het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.
Uit het bureauonderzoek en veldbezoek blijkt dat beschermde soorten (mogelijk) voorkomen in het plangebied. Door de werkzaamheden in het gebied (graafwerkzaamheden, realiseren bebouwing) is kans op overtreding van de volgende verbodsbepalingen:
Voor een deel van de mogelijk aanwezige beschermde soorten zijn ontwerpaanpassingen mogelijk die negatieve effecten op deze soorten kunnen voorkomen (zoals algemene broedvogels). Voor de tengere distel, grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart zal gericht onderzoek eerst moeten uitwijzen of en waar beschermde soorten gebruikmaken van de locaties. Het gerichte ecologische onderzoek kan plaatsvinden in de periode juni t/m augustus. Als tijdens de gerichte onderzoeken beschermde soorten worden aangetroffen waarbij negatieve effecten niet uit te sluiten zijn is een omgevingsvergunning noodzakelijk.
Hieronder staan de vervolgstappen per soort of soortgroep weergegeven. Aangegeven is hoe overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door ontwerpaanpassingen te doen. Als dit niet mogelijk is, is aangegeven of soortgericht onderzoek noodzakelijk is, of er maatregelen mogelijk zijn en wanneer een omgevingsvergunning noodzakelijk is.
Tengere distel en grote leeuwenklauw
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Teunisbloempijlstaart
Relatie met het omgevingsplan
Directe negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Indirecte effecten als gevolg van stikstofdepositie moeten worden uitgesloten op basis van AERIUS-berekeningen. Op basis van deze uitkomst wordt bepaald of een nadere beoordeling benodigd is. Wanneer er geen effecten zijn, is er geen omgevingsvergunning benodigd in het kader van Natura 2000-gebieden.
Voor de tengere distel, grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart is gericht onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 6.1.3).
Nadelige gevolgen op Natuurnetwerk Limburg zijn uitgesloten, er zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
Er worden geen bomen gekapt bij de ontwikkeling, dus er zijn geen effecten op houtopstanden.
In het wijzigingsgebied en de directe omgeving zijn meerdere waarnemingen bekend van Rodelijstsoorten. De Rodelijstsoorten die ook beschermd zijn volgens de Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en Andere soorten zijn al meegenomen in de quickscan en worden niet meer meegenomen in de memo Rodelijstsoorten (zie Bijlage 5). De overige Rodelijstsoorten zijn in onderstaande tabel weergegeven per soortgroep. Het betreffen enkel de Rodelijstsoorten waarvan op basis van ecologische expertise is beoordeeld dat deze niet tot weinig mobiel zijn en een 'belangrijk voorkomen' (in substantiële aantallen of in grotere gebieden) hebben.
Tabel: Overzicht van Rodelijstsoorten die binnen en/of nabij het plangebied voorkomen die een 'belangrijk voorkomen' hebben, niet tot weinig mobiel zijn en die niet opgenomen zijn in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of lijst met Andere soorten. Let op. Deze lijst is naar alle waarschijnlijkheid niet volledig, gezien het gebrek aan kennis (voorkomen en verspreiding) over enkele soorten/soortgroepen en het gebrek aan inventarisatieprotocollen. Dit betekent dat niet uitgesloten kan worden dat er Rodelijstsoorten in het wijzigingsgebied voorkomen die niet in deze tabel zijn genoemd.
Om te bepalen of de Rodelijstsoorten, die op basis van het bureauonderzoek niet zijn uitgesloten (zie voorstaande tabel), ook daadwerkelijk kunnen worden verwacht (of kunnen worden uitgesloten) binnen het wijzigingsgebied, is per soort beoordeeld of het geprefereerde leefgebied/habitat binnen het wijzigingsgebied aanwezig is en zo ja, of er (mogelijk) sprake is van substantieel leefgebied/habitat binnen het wijzigingsgebied.
Als gevolg van het ontbreken van geschikt habitat binnen het wijzigingsgebied zijn Rodelijstsoorten uitgesloten in het wijzigingsgebied. Hierdoor zijn negatieve effecten uitgesloten als gevolg van de voorgenomen ingreep op Rodelijstsoorten.
Relatie met het omgevingsplan
In het wijzigingsgebied zijn Rodelijstsoorten uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd.
Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de Omgevingswet. Op basis van de conclusies van de quickscan is in 2025 nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar tengere distel, grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart (Bijlage 6). Hiervoor zijn verschillende veldbezoeken uitgevoerd in de periode juni tot en met augustus 2025.
Resultaten
Tengere distel
Deze soort is niet waargenomen in het plangebied.
Grote Leeuwenklauw
Deze soort is niet waargenomen in het plangebied.
Teunisbloempijlstaart
Tijdens het eerste bezoek zijn op verschillende plekken waardplanten aangetroffen van teunisbloempijlstaart. Het betrof tientallen teunisbloemen en 1 grote kattenstaart (zie onderstaand figuur). Tijdens het bezoek van 22 juli bleken de randen van het noordelijke grasperceel gemaaid en hierbij is één teunisbloem verloren gegaan. De waardplanten zijn op drie momenten onderzocht op de aanwezigheid van rupsen van teunisbloempijlstaart. Hierbij zijn geen rupsen aangetroffen.
Overige waarnemingen
Tijdens de veldbezoeken zijn verschillende andere soorten waargenomen, waaronder twee keer een haas in de greppel ten zuiden van de N270. De kruiden rondom de percelen bestaan voornamelijk uit algemene soorten, zoals grote brandnetel, melganzevoet, ridderzuring en smalle weegbree. Verder is op 3 juni een zwarte specht overvliegend over het gebied waargenomen en zijn tijdens de bezoeken voor teunisbloempijlstaart imago's van koninginnenpage en hooibeestje waargenomen.
Groeiplaatsen van waardplanten van teunisbloempijlstaart (groen rondje met zwarte stip) in en direct rondom het plangebied (rood kader). De grote kattenstaart is met een paarse cirkel aangegeven en de teunisbloem die op 22 juli is weggemaaid is met een rode cirkel aangegeven. Eén punt geeft een groeiplaats van één tot tientallen exemplaren aan.
Relatie met het omgevingsplan
De onderzochte soorten tengere distel, grote leeuwenklauw en teunisbloempijlstaart zijn niet aangetroffen in het plangebied. Overige soorten die zijn waargenomen, betreffen geen streng beschermde soorten. De haas is een soort die is vrijgesteld in Limburg. De werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden zonder het aanvragen van een omgevingsvergunning.
Wel moeten maatregelen genomen worden om nieuwe vestiging van waardplanten van teunisbloempijlstaart te voorkomen en effecten op algemene soorten en broedvogels te voorkomen. Daarnaast moet gewerkt worden conform de zorgplicht in relatie tot soorten.
Bij de aanleg en het gebruik van de toekomstige uitbreiding Wanssum-Oost treedt stikstofdepositie op vanwege de inzet van mobiele werktuigen en voertuigen. Dit leidt tot toenames van de depositie van stikstof in omliggende Natura 2000-gebieden. Toenames van stikstofdepositie in daarvoor gevoelige natuurgebieden kunnen in beginsel leiden tot negatieve gevolgen voor de daar aanwezige habitattypen en leefgebieden (verder 'habitats' genoemd).
Het is volgens de Omgevingswet verboden een plan vast te stellen dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. In een zogenaamde passende beoordeling moet worden beoordeeld of uitgesloten kan worden dat de ontwikkeling en het gebruik van het bedrijventerrein leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en of daarmee het plan kan worden vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de Omgevingswet.
De aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden worden uitgesloten wanneer op basis van een ecologisch onderzoek vaststaat dat de berekende depositietoename niet leidt tot een zodanig ecologisch effect op de betrokken habitattypen in de Natura 2000-gebieden dat sprake is van een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie waarin deze habitattypen verkeren.
De passende beoordeling (zie Bijlage 7) gaat uit van de juridische kaders die de Omgevingswet en recente jurisprudentie stellen. De depositietoenames in Natura 2000-gebieden zijn berekend met AERIUS Calculator versie 2025 op basis van een analyse van de ligging en uitvoering van het plan, de daarbij ingezette emissiebronnen en eventuele emissiebeperkende maatregelen. De resultaten van deze berekening bepalen de scope voor de passende beoordeling: de Natura 2000-gebieden, habitattypen en leefgebieden die in de passende beoordeling moeten worden betrokken.
Het doel van de passende beoordeling is om vast te stellen of kan worden uitgesloten dat depositietoename door de aanleg en de exploitatie van Wanssum-Oost de natuurlijke kenmerken van omliggende Natura 2000-gebieden aantast. Dit is het geval wanneer op voorhand op grond van objectieve gegevens vaststaat dat deze toename niet leidt tot een zodanig effect op de betrokken habitats dat sprake is van een significant effect ten opzichte van de huidige situatie waarin deze habitats verkeren (en daarmee niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied).
AERIUS-berekeningen
De emissietoenames van stikstof zijn afkomstig van de bij de uitvoering van het plan gebruikte mobiele werktuigen en voertuigen, zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase. De uitgangspunten voor de AERIUS-berekeningen en de berekeningen zelf zijn vastgelegd in een notitie (zie Bijlage 8). In de berekeningen is rekening gehouden met interne saldering met het wegvallen van de emissies van het huidige agrarische gebruik van het wijzigingsgebied.
Realisatiefase
De werkzaamheden starten in 2026. In de realisatiefase wordt stikstofdepositie veroorzaakt vanwege het gebruik van dieselmaterieel tijdens de werkzaamheden en de uitstoot van het bouwverkeer. Bij het gebruik van dieselmaterieel komt NOx en NH3 vrij. De uitstoot is afhankelijk van het brandstofverbruik, het aantal draaiuren, het motorische vermogen en de stageklasse van het materieel. Hierin zijn het aantal draaiuren en het motorische vermogen van het materieel projectafhankelijk.
Daarnaast worden gedurende de realisatie voertuigen ingezet voor het transport van materieel van en naar de bouwlocatie.
Met ingang van Aerius 2024 moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen. Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stilgestaan heeft en kan gelden voor:
Als gevolg van het plan vinden in de realisatiefase tijdelijke depositietoenames plaats in de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Boschhuizerbergen, Zeldersche Driessen van maximaal 0,02 mol/ha/jaar.
Gebruiksfase
In de gebruiksfase van dit project wordt mogelijk NOx en NH3 uitgestoten vanwege het verkeer dat over de omliggende wegen rijdt. Een verschilberekening is gemaakt tussen de beoogde plansituatie en de autonome situatie. De intensiteit neemt in de beoogde situatie toe door het extra verkeer van de nieuwe bedrijven op de ontwikkellocatie. Ook in de gebruiksfase dient rekening te worden gehouden met de koude start van motorvoertuigen.
In de gebruiksfase treden geen depositietoenames op. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Maasduinen na toepassing van interne saldering een afname van de stikstof depositie van 0,41 mol/ha/jr. wordt berekend.
Hersteldoelhexagonen
Op 17 juni 2024 heeft de Raad van de EU de Natuurherstelwet goedgekeurd. Hiermee geldt een natuurherstelverplichting in alle Europese landen. In de afgelopen jaren zijn in Nederland habitats verdwenen - en niet op een andere locatie voor hetzelfde oppervlak teruggekomen. Nederland moet deze natuur dus herstellen. Hierom wordt sinds de release van Aerius 2024 bij elke Aeriusrapportage ook een rapportage met hersteldoelhexagonen meegestuurd.
Uit deze rapportages blijkt dat het project geen hersteldoelhexagonen raakt.
Relatie met het omgevingsplan
De stikstofemissie als gevolg van de aanleg van Wanssum-Oost leidt tot een tijdelijke toename van de stikstofdepositie op habitats in de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Boschhuizerbergen en Zeldersche Driessen van maximaal 0,02 mol/ha/jaar. In de gebruiksfase is er geen sprake van depositietoename als gevolg van het plan.
De tijdelijke en geringe toenames van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg en het gebruik van Wanssum-Oost leiden niet tot meetbare gevolgen voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot stikstofgevoelige habitats in deze Natura 2000-gebieden. De hoeveelheid stikstof die als gevolg van de het plan aan de habitattypen wordt toegevoegd is dermate gering dat meetbare veranderingen in biomassa van planten niet op zullen treden. Ook effecten van verzuring die kunnen leiden tot veranderingen in de groei van planten zijn uitgesloten. De soortensamenstelling en structuur van habitattypen zal daardoor niet wijzigen. Daarom zullen er geen veranderingen optreden in de oppervlakte en kwaliteit van de habitats, en voor de daarvan afhankelijke soorten.
Gezien het voorstaande is uitgesloten dat de aanleg en het gebruik van Wanssum-Oost leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Boschhuizerbergen en Zeldersche Driessen, ook niet in cumulatie met andere projecten. Het plan kan worden vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de Omgevingswet.
Voor de ontwikkeling van het industrieterrein Wanssum-Oost is een weging van het waterbelang uitgevoerd (zie Bijlage 9). De weging van het waterbelang heeft als doel de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit aandacht te geven bij ruimtelijke plannen.
Inzicht in de huidige geohydrologische situatie is van belang om de effecten van de ontwikkeling in beeld te krijgen en voor de uitwerking van de waterhuishouding van de toekomstige situatie. Navolgend zijn de huidige bodemopbouw, grondwaterhuishouding en oppervlaktewatersituatie beschreven.
Hoogteligging en bodemopbouw
In onderstaand figuur is de hoogteligging van het projectgebied weergegeven. De zuidwestelijke zijde van het projectgebied ligt hoger dan de rest van het gebied, met een hoogte van circa 16 meter NAP. Op het laagste punt, ten zuidwesten van de rotonde, bereikt het maaiveld een hoogte van ongeveer 14 meter NAP. Dit hoogteverschil vormt een aandachtspunt, aangezien overtollig regenwater zich kan ophopen in dit laagstgelegen deel van het gebied.
Uitsnede hoogtekaart
Op basis van de beschikbare bodemdata kan een inschatting worden gemaakt van de bodemopbouw binnen het projectgebied. De bijbehorende boorprofielen zijn opgenomen in de rapportage. Uit de boorprofielen blijkt dat de ondergrond voornamelijk uit zand bestaat, met op enkele locaties leemlagen.
Grondwater
In de omgeving van het projectgebied is een peilbuis gelegen, naast de Stayerhofweg. Deze peilbuis ligt niet in het gebied zelf. Voor de peilbuis nabij de Stayerhofweg geldt dat het grondwater in 2024 op ongeveer 3 meter onder maaiveld stond.
Op basis van de Klimaateffectatlas is de verwachting dat het grondwater grotendeels onder 2 meter onder maaiveld ligt. In de praktijk kan dit natuurlijk wel verschillen vanwege locatiespecifieke grondwaterstanden.
Oppervlaktewater
De leggerkaart van Waterschap Limburg geeft een overzicht van de belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen en kunstwerken in de omgeving van het projectgebied. Uit deze kaart blijkt dat er geen oppervlaktewateren binnen of direct grenzend aan het projectgebied aanwezig zijn. De Maas en de haven zijn de dichtstbijzijnde grotere oppervlaktewateren, deze zijn in het beheer van Rijkswaterstaat. Op basis van luchtfoto's zijn wel mogelijke wegsloten te zien in het projectgebied. Wat niet te zien is op de leggerkaart is een gemaal dat zich net ten noorden van het projectgebied bevindt.
Toekomstige situatie
De totale omvang van de uitbreiding van het bedrijventerrein beslaat ongeveer 8 hectare, waarvan circa 7 hectare als uitgeefbaar terrein beschikbaar is met een flexibele kavelstructuur. De uitbreiding krijgt karakter van kleinschalig gemengd bedrijventerrein gericht op het midden- en kleinbedrijf en hoogwaardige/innovatieve bedrijvigheid. De maximale kavelgrootte is 9.000 m2. Bedrijven in milieucategorieën 2 tot en met 3.2 zijn toegestaan. Vestiging van zelfstandige reguliere, volumineuze en grootschalige detailhandel of grote logistieke bedrijvigheid is niet toegestaan. Het terrein wordt gasloos ingericht en de daken van gebouwen moeten geschikt zijn voor zonnepanelen. De maximale bouwhoogte bedraagt 12 meter. Het maximale bebouwingspercentage is vastgesteld op 70%. De focus ligt op het creëren van een prettige werkomgeving voor medewerkers.
Voor de toename aan verharding is uitgegaan van 8 hectare. Het verhardingspercentage van de uitgeefbaar terrein is 100%, dit is een worst case benadering. Hoeveel verharding er daadwerkelijk komt wordt op een later punt verder uitgewerkt. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Hierom dient de toename in verharding gecompenseerd te worden. De waterbergingsnorm van Waterschap Limburg voor lozing op oppervlaktewater is 100mm. Er is voor het projectgebied nog geen plan gemaakt voor waterberging op het terrein.
De rekenregel voor compenserende waterberging volgens het waterschap is als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x 0,1 (in m). Dit komt neer op een bergingsnorm van 100 mm voor het gebied dat toegenomen is in verhard oppervlak. Zie hiervoor ook onderstaande tabel.
Berekening bergingsopgave uitbreiding industrieterrein Wanssum-Oost.
Een toename in verharding van ca. 80.000 m² en de bergingseis van 100 mm resulteert in een waterbergingsopgave van ca. 8.000 m3. Dit is een grote bergingsopgave en dient nader uitgewerkt te worden in overleg met de gemeente en het waterschap. Gezien de diepe grondwaterstand en de ondergrond zijn er kansen voor infiltratie. Het is echter belangrijk om rekening te houden met lokaal verstorende leemlagen die zijn aangetoond in de bodemprofielen in het projectgebied. Deze kunnen de infiltratie belemmeren en leiden tot zogenoemde hoge(re) schijngrondwaterstanden.
Het Waterschap eist dat 10% van het projectgebied gereserveerd moet worden voor de wateropgave. Aangezien 10% een grote opgave is, en de bergingsopgave als compensatie ook groot is, is in het ontwerp hier aandacht voor nodig.
Het waterschap hanteert een voorkeursvolgorde voor waterkwantiteit: hergebruiken (denk aan bijvoorbeeld regentonnen voor het wateren van planten), vasthouden in de bodem, tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater en afvoeren naar gemengd of DWA-riool. De gemeente heeft ook als eis dat het hemelwater afgekoppeld is van het vuilwater. Er zou gekoppeld kunnen worden aan het hemelwaterafvoersysteem van het bestaande bedrijventerrein dat afvoert naar het haventerrein. Hiervoor is ook toestemming van Rijkswaterstaat nodig, voor bijvoorbeeld eisen waterkwaliteit.
In het ontwerp voor de waterberging moet ook het beheer en onderhoud in kaart gebracht worden. Het is belangrijk dat de berging goed bereikbaar is voor controle en beheer, en ook dient er vastgelegd te worden wie daarvoor verantwoordelijk is. De gemeente zorgt voor de verwerking van het hemelwater dat valt op openbaar terrein. De eigenaren van de percelen zorgen voor de verwerking van hun eigen hemelwater. In overleg kunnen daar andere afspraken over worden gemaakt.
Voor infiltratie is het van belang dat er meer bodemonderzoek uitgevoerd wordt om de infiltratiemogelijkheden te kunnen controleren. De bestaande boringen zijn niet voldoende om dit in te kunnen schatten.
Waterkwaliteit
Waterschap Limburg hanteert een voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden, zuiveren. Met betrekking tot schoonhouden adviseren wij gebruik te maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Het scheiden van de waterstromen volgt uit de keuze voor een gescheiden rioleringssysteem. De bodem heeft een zuiverende werking op het infiltrerende hemelwater.
Bedrijven in milieucategorieën 2 tot en met 3.2 zijn toegestaan op het nieuwe bedrijventerrein. De bedrijfsvoering van bedrijven in milieucategorieën 2 t/m 3.2 kan risico's met zich meebrengen voor de waterkwaliteit door mogelijke lozingen, emissies of lekkages van stoffen die het oppervlakte- en grondwater kunnen verontreinigen. Het is van belang dat deze risico's worden geïdentificeerd, geminimaliseerd en gemitigeerd.
Doorwerking in het omgevingsplan
De geplande uitbreiding van bedrijventerrein Wanssum-Oost beslaat ca. 8 hectare, waarvan 7 hectare als uitgeefbaar terrein kan worden bestempeld. De toename in verhard oppervlak (7 ha) leidt tot een bergingsopgave van circa 7.000 m3, waarvoor 10% van het projectgebied moet worden gereserveerd. Dit kan het beste worden gerealiseerd aan de zuidwestzijde van de rotonde omdat dit het laagste punt is van het projectgebied. Bij het ontwerp kan gedacht worden aan mogelijkheden voor natuur en groen voor als de waterberging leegstaat. Infiltratie van hemelwater lijkt mogelijk door de diepe grondwaterstand, maar lokale leemlagen kunnen dit limiteren. Het ontwerp moet voldoen aan de voorkeursvolgorde van het waterschap: water hergebruiken, vasthouden, tijdelijk bergen en pas in laatste instantie afvoeren. Het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen is essentieel om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen. Daarnaast dient het beheer en onderhoud van de waterberging goed te worden vastgelegd en praktisch uitvoerbaar te zijn. Hiertoe zijn twee wadi's opgenomen in dit omgevingsplan, die samen 4.189 m3 kunnen bergen. De overige waterberging dient plaats te vinden op het bedrijfsperceel zelf. Met deze maatregelen kan het bedrijventerrein duurzaam worden ontwikkeld met minimale impact op de waterhuishouding en -kwaliteit.
Voor de ontwikkeling van het industrieterrein Wanssum-Oost is een klimaatscan uitgevoerd (zie Bijlage 10). De klimaatscan heeft als doel het inbedden van klimaatadaptatie in een toekomstbestendig ontwerp (en beheer) van de ontwikkeling van het bedrijventerrein Wanssum-Oost in de gemeente Venray. De focus van deze scan ligt op overstromingen, droogte en hitte. De weging van het waterbelang zal aanvullend onderzoek doen naar de gevolgen op het gebied van hemelwater voor deze ontwikkeling.
Werkwijze
Met behulp van de Klimaateffectatlas is voor verschillende thema's een identificatie en beoordeling van klimatologische bedreigingen verwerkt. In de Klimaateffectatlas zijn klimaateffecten uitgewerkt voor de huidige situatie en in de meeste gevallen voor scenario's in 2050. Voor de beoordeling van klimatologische bedreigingen wordt gekeken naar beide uitwerkingen - indien beschikbaar - waarbij voor het toekomstscenario is uitgegaan van een mondiale temperatuurstijging in 2050 van 2°C (= '2050 Hoog') ten opzichte van het huidige klimaat. Beide scenario's zijn toegevoegd, indien er een verandering in klimaateffecten wordt verwacht over tijd; wordt er geen verandering verwacht, dan is alleen de huidige situatie toegevoegd.
Ter beoordeling van de verschillende klimaatrisico's worden de indicatoren overstroming, droogte en hitte gebruikt. Deze indicatoren zijn ieders individueel beoordeeld via de Klimaateffectatlas. In deze paragraaf wordt op elke indicator individueel ingegaan.
Overstroming
Onderstaand figuur toont dat er een grote, plaatsgebonden overstromingskans (> 1/30 jaar) voor een overstroming >0 cm binnen het projectgebied bestaat. Dit betekent dat de kans dat het projectgebied in één jaar te maken krijgt met een overstroming 1/30 is.
Plaatsgebonden Overstromingskans > 0 cm | Norm 2050 | Huidig (Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO), 2024 (Klimaateffectatlas)) .
Onderstaand figuur laat echter zien dat de plaatsgebonden overstromingskans voor een overstroming >20 cm alweer afneemt naar 1/300 - 1/3000. Dit betekent dat er ondanks een grote kans op een overstroming überhaupt, de kans op een overstroming van >20 cm klein is.
Plaatsgebonden Overstromingskans > 20 cm | Norm 2050 | Huidig (Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO), 2024 (Klimaateffectatlas)).
Het mogelijke effect van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling op de plaatsgebonden overstromingskans en overstromingsdiepte hangt sterk af van de uiteindelijke inrichting. Met de huidige uitwerking is het daarmee vooralsnog te complex om hierop een eenduidig antwoord te geven.
Het is dus van belang rekening te houden met de mogelijk negatieve effecten op de plaatsgebonden overstromingskans en overstromingsdiepte in de uitwerking van het ontwerp. Daarnaast dienen in dit ontwerp ook maatregelen te worden genomen voor gevolgbeperking van een overstroming tot minstens 20 centimeter. Bijvoorbeeld door gelaagdheid in het ontwerp van de openbare ruimte te creëren en trottoirs en elektrakasten verhoogd aan te leggen. Ook op perceel- en gebouwniveau dient hier rekening mee gehouden te worden.
Droogte
Volgens de natuurbrandgevoeligheidskaart van Klimaateffectatlas is het risico op natuurbranden binnen het projectgebied middelmatig, zoals te zien is in onderstaand figuur. Deze mate van gevoeligheid is bepaald op basis van de brandgevoeligheid van aanwezige vegetatie; klimaatspecifieke eigenschappen (e.g. oppervlaktewater, grondwaterstand) en locatie specifieke eigenschappen (e.g. recreatiedruk, ecoducten) in de omgeving van het projectgebied.
Natuurbrandgevoeligheid | Huidig (Wageningen Environmental Research (WEnR) & Deltares, 2021 (Klimaateffectatlas)).
Gezien deze relatief middelmatige gevoeligheid voor natuurbrand in zowel het projectgebied als in de (nabije) omgeving, zijn er vooralsnog geen verdere maatregelen vereist. Bovendien is de verwachting dat de natuurbrandgevoeligheid van het gebied in de toekomst niet toeneemt, noch door klimaatverandering noch door de voorgenomen uitbreiding.
Hitte
Onderstaand figuur geeft de gevoelstemperatuur en bijbehorende hittestress voor een tropisch warme zomermiddag weer voor het projectgebied. Hieruit volgt dat het projectgebied behoorlijk warm kan zijn op een zomerdag. Dit is onder meer te verklaren door het grotendeels ontbreken van boomkroondekking en daarmee schaduw. Daar waar dit wel aanwezig is, valt op dat de gevoelstemperatuur circa 10 graden lager ligt (bijv. langs de Brugstraat en het Kamillepad). Het is belangrijk om deze bomen in stand te houden bij de ontwikkeling van het projectgebied om dit verkoelende effect te behouden.
Gevoelstemperatuur 2022 | Huidig (Nelen & Schuurmans, 2024 (Klimaateffectatlas)).
De KNMI'23-klimaatscenario's laten de verwachting zien dat deze tropische temperatuurwaardes in de toekomst vaker voor gaan komen als gevolg van klimaatverandering. Naast deze toename in gevoelstemperatuur als gevolg van klimaatverandering, heeft ook de voorziene nieuwe inrichting van het projectgebied effect op de gevoelstemperatuur. Het is te verwachten dat de gevoelstemperatuur in de toekomstige situatie vaker voorkomt en bovendien nog meer toeneemt dan bovenstaand figuur laat zien, door de toename in hoeveelheid verharding en donkere oppervlakten als gevolg van de nieuwe inrichting van het gebied. Het totale effect op de gevoelstemperatuur hangt daarmee nog sterk af van de uiteindelijke inrichting. Hier dient in de verdere uitwerking en invulling van het ontwerp van het projectgebied rekening mee te worden gehouden. Bijvoorbeeld door het creëren van groen- en blauw- structuren over het gehele terrein door middel van groene daken en gevels en het realiseren van voldoende schaduwplekken op wandel- en fietsroutes.
Relatie met het omgevingsplan
Deze Klimaatscan heeft de voorgenomen uitbreiding aan de oostzijde van het bestaande industrie- en haventerrein Wanssum, zijnde Wanssum-Oost, getoetst op de vier DPRA-thema's:
Deze Klimaatscan toont aan dat de voorgenomen uitbreiding aan de oostzijde van het bestaande Haven- en industrieterrein Wanssum waarschijnlijk geen verwachte negatieve klimaateffecten met zich meebrengt. Het effect op overstromingsgevoelig (= plaatsgebonden overstromingskans + overstromingsdiepte) en hitte in de buitenruimte (= gevoelstemperatuur) zijn echter sterk afhankelijk van de concretere uitwerking en invulling van het ontwerp van het projectgebied, en is dus nog onzeker. Het is daarom van belang hier rekening mee te houden in de uitwerking van het ontwerp.
Ten behoeve van de ontwikkeling van de uitbreiding van het Haven- en industrieterrein Wanssum is een verkeerstoets opgesteld (zie Bijlage 11). Het ontwikkelen van een bestaande of nieuwe locatie vraagt naast een goede ruimtelijke afweging over functie , vormgeving en inpassing, ook om het in beeld brengen van de verkeerseffecten. Bij een nieuwe ontwikkeling voor het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het omgevingsplan, is het van belang dat de effecten van de ontwikkeling voor verkeer goed worden onderbouwd. De onderbouwing van de verkeersaspecten speelt mee bij de beoordeling van het plan/initiatief. Hierbinnen ligt nadruk op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).
Wegenstructuur
Het gebied wordt in het westen begrensd door achterzijden van de bedrijven aan de Stayerhofweg, in het noorden door De Kooy/Venkelpad/Kamillepad, aan de oostzijde door de Driesstraat en aan de zuidzijde door de Brugstraat. De beoogde ontsluiting van Wanssum-Oost loopt via de N270. Oorspronkelijk liep de N270 door de kern van Wanssum. Om doorgaand verkeer buiten de kern te houden en de haven-gerelateerde bedrijvigheid van Wanssum beter bereikbaar te maken is een noordelijke rondweg aangelegd. In 2020 werd deze nieuwe rondweg opengesteld. De N270 is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/u.
Openbaar vervoer
Het projectgebied is in de huidige situatie niet goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Het projectgebied ligt op 7 km afstand van het treinstation van Venray. Station Venray is gelegen op de spoorlijn Nijmegen-Venlo. Een groot deel van de dag rijden zowel richting Nijmegen als richting Venlo 4 treinen per uur (waarvan 2 doorrijden naar Roermond). De bereikbaarheid van het projectgebied met de trein is vanwege de grote afstand niet goed te noemen.
De dichtstbij gelegen bushalte is de halte Wanssum, Stayerhofweg. Deze halte ligt 680 meter van het noordelijke deel van het projectgebied en 320 meter van het zuidelijke deel van het projectgebied.
Deze halte is gelegen aan rotonde Stayerhofweg - Brugstraat - Burgemeester Ponjeestraat. Deze bushalte wordt aangedaan door lijn 81 (Well - Venray, 2x/u), 88 (Blitterswijck - Venray, 1x/u) en 298 (Merselo - Blitterswijck, 1x/u).
De acceptabele loopafstand vanaf een bushalte naar een werklocatie ligt tussen de 200 en 500 meter. Het projectgebied is dus redelijk te bereiken met het openbaar vervoer.
Langzaam verkeer
Voor een duurzaam bereikbaar bedrijventerrein is van belang dat het projectgebied goed bereikbaar is voor langzaam verkeer en met name de fietser. Langs zowel de N270 als de Driestraat (verboden voor fietsers en voetgangers) en de Parakkerweg liggen geen fietspaden of trottoirs. Langs de Kooy liggen fietssuggestiestroken en op de Stayerhofweg ligt een trottoir en twee vrijliggende fietspaden. De voorzieningen voor langzaam verkeer op de Stayerhofweg zijn recent (2023) aangelegd en hebben de aansluiting voor fietsers en wandelaars tussen het bedrijventerrein en de kern van Wanssum aanzienlijk verbeterd. De bereikbaarheid van het projectgebied per fiets is dan ook goed.
Hulpdiensten
Het projectgebied is van meerdere kanten (Driestraat, Stayerhofweg en de N270) aan te rijden door hulpdiensten. De bereikbaarheid van het projectgebied voor nood- en hulpdiensten is dan ook goed. Bij de nadere uitwerking van het projectgebied is het van belang dat ook alle afzonderlijke bedrijfspercelen goed bereikbaar zijn voor nood- en hulpdiensten.
Parkeren
Op het moment van uitvoeren van het onderzoek is nog geen concrete inrichtingsschets beschikbaar voor het projectgebied. Ook is nog niet voldoende zicht op de invulling van het bedrijventerrein. Het feit dat het plan het mogelijk maakt voor bedrijven in milieucategorie 2 t/m 3.2 om zich hier te vestigen geeft onvoldoende beeld van de toekomstige functies die zich gaan vestigen op het bedrijventerrein om een passende berekening van de benodigde parkeercapaciteit op te stellen. Om deze reden wordt in deze verkeerstoets een dergelijke berekening niet uitgevoerd.
Bedrijven die zich in de toekomst op Wanssum-Oost willen vestigen zullen zich echter wel aan het geldende parkeerbeleid van de gemeente Venray moeten houden. Op het moment van schrijven is dit de 'Beleidsnota Parkeernormen, gemeente Venray', vastgesteld in december 2013.
Uitgangspunt in het vigerende parkeerbeleid van de gemeente Venray is dat een bouwinitiatief op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen moet realiseren om te voldoen aan de parkeernormen.
Mocht tussen het moment van schrijven en de aanvraag van een omgevingsvergunning door een bedrijf dat zich op Wanssum-Oost wil vestigen nieuw parkeerbeleid worden opgesteld door de gemeente Venray, dan zal het bedrijf zich aan deze nieuwe parkeernormen moeten conformeren.
Verkeersafwikkeling en verkeersintensiteiten
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van Wanssum-Oost zijn de kencijfers van het CROW (bron: Publicatie Parkeerkencijfers 2024) gehanteerd. Deze kencijfers zijn bepaald op basis van het netto oppervlakte van het bedrijventerrein. De omrekenfactor om van bruto naar netto oppervlakte van een bedrijventerrein te komen is x0,77. Het totale netto oppervlakte van Wanssum-Oost bedraagt 5,39 ha.
Voor Wanssum-Oost zijn de kengetallen gehanteerd voor een "Gemengd terrein". Per netto hectare genereert dit type bedrijventerrein 158 motorvoertuigen per weekdag. Toepassing van deze kengetallen op het totale netto oppervlakte van Wanssum-Oost resulteert in een verkeersgeneratie van 850 mvt/weekdag. Het aspect "verkeer" wordt beschouwd per werkdag. Om van de cijfers van week- naar werkdag te komen, wordt voor bedrijventerreinen een omrekenfactor van 1,33 gehanteerd. De totale verkeersgeneratie van Wanssum-Oost bedraagt 1.130 mvt/werkdag.
In onderstaande tabel zijn de verkeersintensiteiten in de huidige situatie en autonome situatie 2040 conform het RMO Noord-Limburg scenario 'Hoog' weergegeven.
Verkeersintensiteiten in de huidige situatie en autonome situatie 2040
De verkeersgeneratie van de beoogde planontwikkeling bedraagt 1.130 mvt/werkdag. Dit verkeer verdeelt zich over het omliggende wegennet. De gevolgen voor het omliggende wegennet zijn weergegeven in de volgende tabel. De verkeersintensiteiten blijven op alle wegen binnen de acceptabele bandbreedte voor het type weg. Aanvullende maatregelen hierop zijn niet nodig.
Verkeersintensiteiten in zowel autonome als plansituatie voor prognosejaar 2040
Relatie met het omgevingsplan
De totale verkeersgeneratie van de ontwikkeling van Wanssum-Oost bedraagt 1.130 mvt/werkdag. Alle wegen op het omliggende wegennet zijn dusdanig ingericht dat deze de toename van de verkeersintensiteiten kunnen verwerken.
Het projectgebied is goed bereikbaar per fiets en voor nood- en hulpdiensten. Het projectgebied is redelijk bereikbaar met het openbaar vervoer. Het is aan te bevelen om Wanssum-Oost voor langzaam verkeer te ontsluiten op de Stayerhofweg,zodat fietsers en voetgangers direct aansluiten op de reeds aangelegde infrastructuur.
Gezien het feit dat momenteel nog geen inrichtingsschets voor Wanssum-Oost beschikbaar is en alleen inzichtelijk is hoeveel grond uitgeefbaar is, is het niet mogelijk een reële berekening te maken van de benodigde parkeercapaciteit in het gebied. Het is van belang dat bedrijven bij vestiging zich houden aan het geldende parkeerbeleid van de gemeente Venray en dat alle benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd dienen te worden.
Ten behoeve van het voornemen is een voorafgaand bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 12). Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen binnen het voorgenomen uitbreidingsgebied Wanssum-Oost.
De voorschriften voor het voorafgaand bodemonderzoek staan in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het voorafgaand bodemonderzoek kent een trapsgewijze benadering, waarbij het volgend onderzoek alleen nodig is als de noodzaak daartoe blijkt uit een eerder onderzoek. De eerste fase betreft het vooronderzoek volgens NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN, 2023). Indien uit vooronderzoek is gebleken dat voldoende informatie over de locatie beschikbaar is, en/of door de gemeente in het omgevingsplan is vastgelegd dat de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgelegd, kan verkennend bodemonderzoek achterwege worden gelaten.
Onderzoek
Tussen 2000 en 2010 wordt het haven- en industrieterrein ten westen van het onderzoeksgebied aangelegd. In 2019 is begonnen aan de aanleg van de Rijksweg N270, Driesstraat en Parakkerweg, evenals het parkeerterrein in het noorden van het onderzoeksgebied. Deze zijn in 2020 in gebruik genomen. Het parkeerterrein bestaat uit een open halfverharding (>50% bodemvreemd materiaal). Van het toegepaste materiaal zijn geen gegevens bekend met betrekking tot de kwaliteit en het jaar van toepassen.
Het onderzoeksgebied zelf is voor zover bekend nooit bebouwd of anders in gebruik geweest dan bouwland. Bij het raadplegen van de gebruikte bronnen zijn er geen historisch relevante gegevens naar voren gekomen die van belang zijn voor het verrichten van bodemonderzoek. Op 4 maart 2025 heeft een terreinverkenning plaatsgevonden. Tijdens de terreinverkenning zijn aan het oppervlak van de locatie geen indicaties verkregen die in verband kunnen worden gebracht met een mogelijke verontreiniging van de bodem. Voor zover zintuiglijk waarneembaar zijn er bij de indicatieve inspectie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.
Algemene gegevens bodemkwaliteit
Regionaal komen er in het grondwater verhoogde concentraties aan zware metalen voor (specifiek zink, cadmium, chroom, lood, nikkel en koper). Deze concentratiewaarden lopen sterk uiteen en variëren door de tijd heen. De provincie Limburg heeft specifieke bedrijfslijnen geformuleerd met betrekking tot deze regionaal verhoogde gehalten metalen in het grondwater.
Lokaal komen er in de provincie Limburg van nature verhoogde concentraties van arseen voor. Deze gebieden zijn opgenomen in de overzichtskaart 'Arseengebieden – Bodemkwaliteitskaart Limburg Noord'. Hieruit blijkt dat het plangebied niet in of nabij een gebied ligt aangemerkt als verhoogde arseenconcentraties. Het plangebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied 'Mijnsteengebieden'.
Uitgevoerde bodemonderzoeken
In het verleden is ter plaatse van het onderzoeksgebied één bodemonderzoek uitgevoerd: Verkennend bodemonderzoek locatie Kamillepad (ong.) te Wanssum, HMB B.V., kenmerk: 15243301A, d.d. 20 juli 2015. Dit betreft een verkennend bodemonderzoek op de percelen ten zuiden van Kamillepad, inclusief de huidige Rijksweg (N270, Boomkensweg) en de Driesstraat. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van een voorgenomen onroerende zaak transactie. Bij het veldonderzoek zijn destijds geen bijzonderheden of bijmengingen aangetroffen, die kunnen duiden op aanwezigheid van bodemverontreiniging. Op het maaiveld en in de opgeboorde grond zijn ook geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bovengrond is destijds een licht verhoogd gehalte nikkel gemeten (overschrijding van de destijds geldende Maximale Waarde Wonen (MWW)). Er is geen duidelijke bron of oorzaak bekend voor het licht verhoogde gehalte aan nikkel in de bovengrond. In de ondergrond is destijds een licht verhoogd gehalte kobalt gemeten (overschrijding van de achtergrondwaarden (AW2000). Ook voor het licht verhoogd gehalte aan kobalt in de ondergrond is geen specifieke bron of oorzaak bekend. Het grondwater bevatte licht verhoogde concentraties barium, zink en minerale olie. Een aanvullend onderzoek werd destijds niet noodzakelijk geacht.
Relatie met het omgevingsplan
Op basis van het uitgevoerde milieuhygiënische vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat in het grondwater regionaal verhoogde concentraties aan zware metalen aanwezig zijn. De provincie Limburg heeft specifieke beleidslijnen geformuleerd met betrekking tot deze regionaal verhoogde gehalten metalen in het grondwater. Verder blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gebied met verhoogde concentraties arseen en ook niet aangemerkt is als 'Mijnsteengebied'. Ten noorden van het Kamillepad is een parkeerterrein aanwezig, bestaande uit een open halfverharding (>50% bodemvreemd materiaal). Van het toegepaste materiaal zijn geen gegevens bekend met betrekking tot de kwaliteit en jaar van toepassen.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek bestaan geen concrete aanwijzingen voor potentieel bodembelastende activiteiten en/of waaruit blijkt dat op het maaiveld of in de bodem substantiële hoeveelheden asbestverdacht puin en/of asbesthoudend materiaal aanwezig is. Tevens blijkt dat er geen sprake is van PFAS-puntbronnen binnen het onderzoeksgebied. De PFAS-bodemkwaliteit van zowel boven- als ondergrond is aangemerkt als 'achtergrondwaarden'.
De bodemfuntie van het plangebied is aangemerkt als zijnde 'industrie'. De bodemkwaliteit van zowel boven- als ondergrond is aangemerkt als 'achtergrondwaarden'.
De exacte aard van de toekomstige ontwikkelingen zijn momenteel nog niet bekend. Het terrein wordt ten eerste bouwrijp gemaakt, waarna bedrijven zich hier zullen vestigen en verder zelf richting zullen geven aan de ontwikkelingen van hun kavels. Doordat de exacte terreininrichting met bijbehorende werkzaamheden nog niet vaststaan, is ook nog niet bekend waar grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden en wat de maximale diepte van bodemingrepen is.
Bij een aantal activiteiten (zoals het graven in bodem of het bouwen op een bodemgevoelige locatie) is voorafgaand aan de activiteit bodemonderzoek van de landbodem nodig. Afhankelijk van de terreininrichting en de locatie van de grondroerende werkzaamheden, dient een verkennend bodemonderzoek (fase 2) te worden uitgevoerd. Geadviseerd wordt om de percelen te onderzoeken conform de NEN 5740, strategie voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde bodembedreigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL). Tevens wordt geadviseerd om het standaard stoffenpakket conform de NEN 5740 uit te breiden met de parameter PFAS (28 stoffen, waarvan 2 lineair en vertakt, conform de ‘Advieslijst te meten PFAS’ van Bodem+).
In het kader van de milieubelastende activiteit ‘Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ of ‘Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt geadviseerd om de resultaten te toetsen aan de SRCarbo-waarden uit de richtlijn CROW 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’. Dit in verband met de regelgeving voor arbeidsomstandigheden.
Indien bij een veldonderzoek puin in de bodem wordt aangetroffen, kan een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 alsnog noodzakelijk zijn. De aanwezigheid van puin kan een aanwijzing zijn dat de bodem asbesthoudend materiaal bevat. De NEN 5707 is alleen van toepassing op asbest in bodem en grond met minder dan 50% (V/V) bodemvreemd materiaal (puin en dergelijke). Voor de bepaling van het gehalte aan asbest in lagen met meer dan 50% (V/V) bodemvreemd materiaal, moet de NEN 5897 worden gebruikt.
Het haven- en industrieterrein Wanssum is geluidgezoneerd ingevolge de Wet geluidhinder. De vigerende geluidzone en hogere waarden zijn vastgesteld het Provinciaal inpassingsplan (PIP) "Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum" van 2016.
In oktober 2025 is een akoestisch onderzoek uitgeoverd met betrekking tot het Haven- en industrieterrein Wanssum (zie Bijlage 13).
Toetsingskader onderzoek
Omgevingswet
Met de Omgevingswet die in 2024 in werking is getreden, wijzigt op termijn de beoordelingssystematiek voor geluid van industrieterreinen. Industrieterreinen die voorzien zijn van een geluidzone gaan over naar een systeem van geluidproductieplafonds en krijgen een geluidsaandachtsgebied. Binnen dit geluidaandachtsgebied moet het geluid van het industrieterrein worden betrokken bij de afweging of woningbouw mogelijk is en welke voorwaarden daaraan verbonden zijn.
In artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid is opgenomen dat voor industrieterreinen die nog niet zijn omgezet naar het nieuwe systeem en waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, het beoordelingskader van de Wet geluidhinder blijft gelden. Voor Haven- en industrieterrein Wanssum zijn en worden nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld. De uitbreiding van het industrieterrein wordt derhalve getoetst in relatie tot het beoordelingskader van de Wet geluidhinder.
Wet geluidhinder
Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij het wijzigen van een zone, zoals het geval kan zijn bij een uitbreiding van een industrieterrein, een akoestisch onderzoek te worden ingesteld naar de toekomstige geluidbelasting op de gevels van woningen die binnen de te wijzigen zone liggen of komen te liggen. Dit geldt ook voor andere geluidgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen, ziekenhuizen) en geluidgevoelige terreinen (bijvoorbeeld standplaatsen voor woonwagens) binnen de zone.
Bij wijziging van een bestaande geluidzone mag buiten de zone geen sprake zijn van een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Voor binnen de zone gelegen woningen kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot 55 dB(A) voor nieuwe woningen en 60 dB(A) voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen. De verhoging van de bestaande ten hoogste toelaatbare geluidbelasting mag maximaal 5 dB(A) bedragen (waarbij geldt dat als de bestaande geluidbelasting lager is dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A), deze waarde van 50 dB(A) als basiswaarde gehanteerd wordt). Daarbij geldt tevens dat voor woningen gelegen binnen de bestaande geluidzone die zijn gebouwd nadat de zone is ontstaan of vastgelegd, de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting na verhoging niet meer dan 55 dB(A) mag bedragen.
Cumulatie en gezamenlijk geluid
Bij het vaststellen van een hogere grenswaarde voor een geluidgevoelig object moet op grond van art. 110f Wgh aandacht geschonken worden aan de eventuele cumulatie met andere gezoneerde geluidbronnen, indien de woning binnen de geluidzone van een of meer van deze geluidbronnen ligt. Hierbij wordt de geluidbelasting gecumuleerd met de andere gezoneerde geluidbronnen waarbij sprake is van een geluidbelasting hoger dan de zogenaamde voorkeurswaarden.
Ook binnen de beleidsregels inzake hogere waarden van de gemeente Venray speelt die cumulatie een rol.
De geluidbelastingen van verschillende bronnen kunnen echter niet eenvoudigweg gesommeerd worden tot één totaalniveau. Verschillende soorten geluid leveren bij dezelfde geluidbelasting in dB namelijk in verschillende mate van hinder op.
Voor de cumulatie is aangesloten op de systematiek zoals die is gaan gelden vanaf 1 januari 2024 hetgeen enigszins afwijkt van de systematiek van de Wgh.
De gemeente Venray bezit nog geen geactualiseerd hogerewaardenbeleid. Bij de beoordeling is aangenomen dat de omzetting milieuneutraal geschiedt met als enige nuancering dat de gecumuleerde waarden nu zijn bepaald conform het systeem van na 1 januari 2024.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In aanvulling op de toets aan de wettelijke grenswaarden in de Wet geluidhinder wordt tevens beoordeeld of sprake is van een Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), verder worden de effecten op de fysieke leefomgeving onderbouwd waarbij beoordeeld wordt of sprake blijft van een (akoestisch) aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het onderzoeksgebied.
Hoewel de betreffende ze woningen buiten toetsing aan de randvoorwaarden van de Wgh blijven (geen te toetsen geluidgevoelige bestemmingen) zijn woningen op het gezoneerde terrein alsmede een aantal in de omgeving gelegen recreatiewoningen, wel beoordeeld in het kader van goede ruimtelijke ordening. Dit betreft een tweetal woningen op het industrieterrein (Brugstraat 29 en Stayerhofweg 5) en recreatiewoningen nabij het Kamillepad ten noord-oosten van het industrieterrein.
Beleidsregel hogere waarden
Onder de omgevingswet is het zogenaamde hogere waarden besluit vervallen.
Door de gemeente Venray is geluidbeleid in het kader van hogere waarden vastgesteld (Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder van 5 april 2016) waarin een aantal randvoorwaarden voor het vaststellen van een hogere waarde zijn opgenomen. Dit geluidbeleid dateert van vóór de invoering van de omgevingswet. Navolgend is zoals ook aangegeven door de gemeente uitgegaan van een milieuneutrale omzetting van het eerdere beleid.
Uitgangspunten
Het zonebeheer voor Haven- en industrieterrein Wanssum is vastgelegd in het PIP "Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum" van 2016. Bij de implementatie van de nieuwe uitbreiding Wanssum-Oost is zoveel mogelijk aangesloten bij het systeem van dit zonebeheer.
De toedeling van de geluidruimte op het gezoneerde industrieterrein wordt geregeld middels een geluidverkaveling. Het industrieterrein is onderverdeeld in een gebied met kavels van bestaande bedrijven en een aantal deelgebieden met nieuwe kavels. De verdeling van de geluidruimte is vastgelegd in toetsingstabellen. In deze toetsingstabel staat per bestaand kavel (aangeduid met naam en adres) en deelgebied aangegeven hoeveel geluidruimte beschikbaar is voor de bedrijven die op het industrieterrein liggen of zich hier willen vestigen. Geluidruimte die niet wordt gebruikt door een bedrijf blijft beschikbaar voor een kavel (behoud van geluidruimte).
Voor de deelgebieden met nieuwe kavels is in het PIP uitgegaan van een budgettering op basis van een passend akoestisch bronvermogen per vierkante meter, uitgedrukt in een emissiekental in dB(A)/m2. Deze werkwijze van het PIP wordt ook gehanteerd voor Wanssum-Oost. De uitbreiding wordt gezien als een nieuw deelgebied. Hieraan is een emissiegetal toegekend om de geluidruimte voor dit nieuwe deelgebied te bepalen. Deze geluidruimte wordt vervolgens vastgelegd in nieuwe toetsingstabellen.
Verkaveling Haven- en industrieterrein
In het zonebeheer is voor de bestaande bedrijven een 'reservebudget' van 1 dB aangehouden. Bedrijven kunnen de geluidruimte met een omgevingsvergunning onder voorwaarden vergroten onder gebruikmaking van een deel van de reserveruimte. Dit geldt niet voor bedrijven binnen het deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII).
Ook voor de deelgebieden met nieuwe kavels wordt een (eigen) reservebudget van 1 dB aangehouden. Als voor de bepaling van de geluidzone is gerekend met een emissiekental van bijv. 60 dB(A)/m2 (etmaalwaarde), dan wordt voor de geluidbudgettering voor een concreet nieuw bedrijf uitgegaan van een emissiekental van 59 dB(A)/m2. Dit systeem met reservebudget is ook toegepast voor het nieuwe deelgebied VIII Wanssum-Oost.
Om te voorkomen dat met één aanvraag alle resterende reserve ruimte wordt opgebruikt is in de planregels een gefaseerde uitgave van de reserve geluidruimte opgenomen (artikel 26.5 van het PIP).
Bij de implementatie van Wanssum-Oost is ook rekening gehouden met (toekomstige) ontwikkelingen in Wanssum die van invloed kunnen zijn in relatie tot de zonering van het industrieterrein. In het zuidoostelijke deel van Wanssum wordt het nieuwbouwproject 'Krekelscoul' gerealiseerd. Dit project omvat o.a. de nieuwbouw van 69 woningen.
Onderzoek
In de planregels van het PIP (artikel 2) zijn de rekenregels voor het zonebeheer van Haven-en industrieterrein Wanssum vastgelegd. De berekening voor de nieuwe uitbreiding Wanssum-Oost is conform deze rekenregels uitgevoerd. De basis voor de berekeningen wordt gevormd door het voor Haven- en industrieterrein Wanssum gebruikte zonebeheersmodel. Aan dit zonemodel is de nieuwe uitbreiding toegevoegd.
De berekeningen zijn uitgevoerd conform de methode II van de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" d.d. april 1999 (HMRI 1999). Het te hanteren rekenprogramma is eveneens voorgeschreven en betreft Geomilieu, versie 3.11.
De berekeningen om de geluidcontour van 50 dB(A) vanwege het industrieterrein, inclusief uitbreiding Wanssum Oost, te bepalen zijn verricht op een rekenhoogte van 5 m boven maaiveld.
De geluidbelasting bij de woningen is berekend voor alle bouwlagen. De rekenhoogte bedraagt 1,5 meter, 5 meter, 7,5 meter en 10,5 meter boven maaiveld voor respectievelijk de begane grond, 1e verdieping, 2e verdieping en 3e verdieping (voor zover van toepassing).
Beoordeling
Het onderzoek toont aan dat de verhoging van de bestaande ten hoogste toelaatbare geluidbelasting maximaal 5 dB(A) bedraagt (waarbij geldt dat als de bestaande geluidbelasting lager is dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A), deze waarde van 50 dB(A) als basiswaarde gehanteerd wordt). Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Wgh voor het kunnen wijzigen van een bestaande geluidzone.
Met waarden die nergens hoger zijn dan 55 dB(A) wordt verder voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting die voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen 60 dB(A) en voor geprojecteerde woningen 55 dB(A) bedraagt.
Voor een 37-tal woningen is sprake van vast te stellen nieuwe hogere waarden. Deze hogere waarden worden opgenomen in de regeling bij het TAM-omgevingsplan Haven-en industrieterrein Wanssum. Ook op het punt van deze hogere waarden wordt voldaan aan de randvoorwaarden van de Wgh en het geldende gemeentelijke hogere waardenbeleid.
Binnen de systematiek van de Wgh en het eventueel verlenen van hogere waarden worden hogere waarden dan de voorkeursgrenswaarde in principe alleen toegestaan indien toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Voor de ontwikkeling van een industrieterrein zoals in dit geval met de omvang van Wanssum-Oost geldt dat in principe geen realistische maatregelen beschikbaar zijn om de geluidbelasting bij de woningen te reduceren. De bij de berekeningen gehanteerde geluidemissie is inherent aan de aldaar beoogde bedrijvigheid. Verder is ook gezien de uitgestrektheid van enerzijds het industrieterrein en anderzijds de woonwijk ten zuiden daarvan, geen geluidreducerende maatregelen in de overdrachtsweg mogelijk, denk aan wallen of schermen e.d.
Gezien de constatering dat voor de relevante woningen blijft worden voldaan aan de randvoorwaarden van de Wgh, de geluidbelasting industrielawaai als gevolg van Wanssum-Oost bij die woningen slechts marginaal toeneemt (ten hoogste 1 dB(A)), en daarnaast de gecumuleerde geluidbelasting (inclusief wegverkeer) ruim voldoet aan de randvoorwaarden van het gemeentelijk hogere waardenbeleid, mag worden gesteld dat uit akoestisch oogpunt sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Ook voor de geluidgevoelige bestemmingen die binnen de systematiek van de Wgh en andere reguliere geluidregelgeving normaliter niet worden meegenomen, denk aan aanwezige recreatiewoningen en woningen die liggen op het gezoneerde terrein, kan worden geconcludeerd dat inclusief Wanssum-Oost sprake blijft van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat.
Doorwerking in het omgevingsplan
Zonegrens
Op basis van de berekende 50 dB(A)-contour is de vast te stellen nieuwe zonegrens van het industrieterrein bepaald. De 50 dB(A)-contour is berekend inclusief geluidreserve.Onderstaande figuur toont de ligging van de nieuwe zonegrens (rode lijn), alsmede de 'oude' zonegrens van het PIP (zwarte lijn). De zonegrens schuift op in oostelijke richting hetgeen te verwachten is bij de beschouwde uitbreiding. De nieuwe zonegrens is opgenomen in de verbeelding en vastgelegd in artikel 26.1 van de regeling bij dit TAM-omgevingsplan.
Nieuwe zonegrens (rode lijn)
Hogere waarden
Met het zonemodel zijn verder de bij woningen optredende geluidbelastingen vanwege het industrieterrein inclusief uitbreiding berekend. De berekening van de geluidbelasting is wederom inclusief geluidreserve.
Op basis van deze resultaten is vervolgens bepaald bij welke woningen een hogere waarde vastgesteld moet worden (geluidbelasting hoger dan 50 dB(A)), danwel de eerder vastgestelde hogere waarde aangepast moet worden (geluidbelasting hoger dan vigerende hogere waarde). Hieruit volgt dat voor in totaal 50 posities, verdeeld over 37 woningen, een (nieuwe) hogere waarde moet worden vastgesteld.
Zoals aangegeven is het hogere waarden besluit onder de omgevingswet vervallen. De hogere waarden worden nu vastgelegd in de regeling van het TAM-omgevingsplan voor de uitbreiding van het industrieterrein (zie artikel 26.1.4).
Wanneer de uitbreiding Wanssum-Oost in gebruik wordt genomen zal lokaal een toename optreden van verkeer. De functies bedrijventerrein - 1 en bedrijventerrein - 2 betreffen het bestaande haven- en industrieterrein. De functie Bedrijventerrein - 3 betreft de uitbreiding Wanssum-Oost en hier zijn emissies van bedrijven niet toegestaan. De scheepvaartemissies wijzigen niet als gevolg van de voorgenomen uitbreiding Wanssum-Oost (bedrijventerrein - 3).
Met de beoogde uitbreiding speelt Venray met name in op het faciliteren van bedrijven in Wanssum die niet kunnen uitbreiden maar mogelijk wel die behoefte hebben. Ook zijn er bedrijven die nu op een minder gewenste of ongewenste plek zitten, maar geen nieuwe locatie kunnen vinden. De beoogde ontwikkeling aan de oostzijde van Wanssum is goed in te passen in de gemengde omgeving, zowel qua landschappelijke inpassing als qua verkeersbelasting. Hierdoor is de beoogde locatie een logische ontwikkeling. De afwikkeling van (vracht)verkeer past op de reeds nieuw aangelegde wegen en wordt rechtstreeks ontsloten op de rondweg N270 (Boomkensweg).
De toename van het verkeer vanwege het projkect zal voor een toename zorgen van luchtverontreinigende stoffen in de lucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), omdat deze stoffen het dichtst bij de vigerende omgevingswaarden liggen. Wanneer voldaan wordt aan de omgevingswaarden voor deze stoffen, zal ook voldaan worden aan de omgevingswaarden voor andere luchtverontreinigende stoffen.
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Op grond van artikel 2.15 van de Omgevingswet zijn in het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Dit betreft onder meer de stoffen stikstofdioxide, fijn stof (PM10 en PM2.5), lood, ozon en zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). De luchtkwaliteitsnormen in het Bkl zijn opgenomen in artikel 2.1 tot en met 2.8.
Wanneer een project 'Niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de concentraties NO2 en PM10, vervalt toetsing aan de omgevingswaarden. Een project draagt NIBM bij wanneer de toename als gevolg van het project op toetslocaties lager is dan 1,2 µg/m³ NO2 en PM10.
Voor kleine projecten is een tool ontwikkeld om eenvoudig te kunnen toetsen of een project NIBM bijdraagt. Deze tool, de NIBM-tool, rekent conform Standaardrekenmethode 1 uit de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007, met een aantal worstcase aannames.
PM10- en PM2,5-concentraties zijn sterk gerelateerd. In de analyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (Uitgevoerd in het kader van de jaarlijkse bepaling van de grootschalige concentratiekaarten, PBL, 2010) is opgenomen dat, uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM10 en PM2,5 kan worden gesteld dat wanneer aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de norm voor PM2,5 wordt voldaan. Daarmee is de kans zeer klein dat de norm voor PM2,5 wordt overschreden op locaties waar de PM10-norm wordt gehaald.
Op basis van het voorstaande kan worden geconcludeerd dat in het kader van de uitibreiding Wanssum-Oost uitgangspunt is dat de conclusies voor PM10 ook gelden voor PM2,5.
Een berekening met de NIBM tool laat zien dat de realisatie van onderliggend project 'Niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat door onderliggende ontwikkeling vanwege de uitbreiding Wanssum-Oost een maximale bijdrage van 1.09 µg/m3 NO2 en een maximale toename van 0.12 µg/m3 PM10 is te verwachten. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de grens van 1,2 µg/m³ NO2 en PM10. Bij de berekeningen is uitgegaan van het totaal aantal verkeersbewegingen zoals opgenomen in de verkeerstoets.
Hierbij wordt opgemerkt dat in de NIBM-tool geen verder toekomstjaar gekozen kan worden dan 2030, vandaar dat voor Wanssum-Oost gerekend is voor het jaar 2030, met de verkeerscijfers voor 2032.
Relatie met het omgevingsplan
Vanuit het aspect luchtkwaliteit gelden er geen bezwaren tegen de uitbreiding van het Haven- en industrieterrein Wanssum met Wanssum-Oost.
De Omgevingswet stimuleert een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daarbij worden ruimtelijke thema's en milieuthema's verder geïntegreerd. Op gemeentelijk niveau vindt deze integratie vooral plaats in het omgevingsplan. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Een gezonde en veilige leefomgeving voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies, zoals woningen.
Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van woningen en andere milieugevoelige gebouwen. Milieuzonering wordt enerzijds toegepast met het oog op de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en anderzijds met het oog op het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving.
Het doel van een bedrijventerrein is het bieden van fysieke ruimte aan milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten die substantiële milieuhinder kunnen voorzaken. Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor het ondernemersklimaat in een gemeente. Ongereguleerde vestiging van bedrijven op bedrijventerreinen is echter vrijwel nergens mogelijk. De bedrijven op een bedrijventerrein moeten milieuhinder buiten het bedrijventerrein beperken, zeker wanneer nabij het bedrijventerrein (geprojecteerde) milieugevoelige functies aanwezig zijn.
In deze wijziging van het omgevingsplan is het bestaande haven- en industrieterrein conserverend meegenomen, hetgeen tot gevolg heeft dat de regels van het inpassingsplan eveneens zijn overgenomen, maar wel passend binnen de kaders van de Omgevingswet. Vanuit eenduidigheid is er tevens voor gekozen om deze opzet ook op de uitbreiding Wanssum-Oost toe te passen.
In de Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (verder: Handreiking) beschreven hoe bij ruimtelijke planvorming moet worden omgegaan met nieuwe bedrijvigheid in relatie tot bestaande woningen en andere bestaande situaties. Alhoewel de Handreiking niet bedoeld is om de aanvaardbaarheid van bestaande situaties (inhoudende bestaande woningen in de nabijheid van bestaande bedrijven) te beoordelen, geeft de Handreiking wel een stappenplan voor de aanpak van bestaande situaties. De Handreiking verdeelt bedrijven en bedrijfsactiviteiten in verschillende typen (milieubelastende) bedrijvigheid en koppelt zogenaamde richtafstanden (uiteenlopend van 10 tot 1.500 meter) aan de verwachte milieubelasting. Bij de indeling in bedrijvigheid/milieucategorie wordt gebruik gemaakt van de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Inwaartse zonering
Dit omgevingsplan gaat, net als het provinciaal inpassingsplan, uit van een inwaartse zonering. Daarbij wordt voor het bestaande haven- en industrieterrein uitgegaan van de milieucategorieën 2, 3.1. en 3.2. ten zuiden van de rondweg, waarbij de richtafstanden tot (geclusterde) woonfuncties conform de Handreiking respectievelijk 30, 50 en 100 meter bedragen. Ten noorden van de rondweg worden bedrijven in de milieucategorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 en eventueel, via een binnenplanse afwijking en onder voorwaarden, bedrijven in de milieucategorieën 5.1 en 5.2, toegestaan. De richtafstanden die hier volgens de Handreiking bij horen bedragen 50 meter (categorie 3.1), 100 meter (categorie 3.2), 200 meter (categorie 4.1), 300 meter (categorie 4.2), 500 meter (categorie 5.1) en 700 meter (categorie 5.2). Voor bestaande bedrijven die afwijken van deze indeling, is een specifieke aanduiding opgenomen.
Voor de uitbreiding Wanssum-Oost geldt dat hier uitsluitend bedrijven in de milieucategorieën 2, 3.1. en 3.2. zijn toegelaten.
Geluid
Het bestaande haven- en industrieterrein is een gezoneerd industrieterrein waarvoor een geluidzone geldt. De beoogde uitbreiding Wanssum-Oost wordt eveneens onderdeel van het gezoneerd industrieterein.
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterreinen niet meteen omgezet naar industrieterreinen met de wettelijke verplichte geluidproductieplafonds als omgevingswaarden (gpp's). Voor deze situatie gelden overgangsbepalingen. Het bevoegd gezag kan onder het overgangsrecht een geluidzone rond een gezoneerd industrieterrein nog op basis van de Wgh aanpassen. De gewijzigde geluidzone moet in het omgevingsplan worden opgenomen. De Wgh en de onderliggende regelgeving blijven van toepassing op het geluid door het industrieterrein tot het moment waarop het bevoegd gezag gpp's als omgevingswaarde vaststelt op basis van de Omgevingswet.
Voor dit TAM-omgevingsplan wordt de geluidzone uit het provinciaal inpassingsplan aangepast. Omdat hierbij gebruik is gemaakt van de milieucategorieen uit de voormalige VNG handreiking 'Bedrijven en miliezonering' (2009) wordt conform het provinciaal inpassingsplan voor dit TAM-omgevingsplan gekozen voor het opnemen van een bedrijvenlijst voor de toegestane bedrijven. Deze is echter niet langer voorzien van richtafstanden. De reden daarvoor is erin gelegen dat de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009), waarop de milieuzonering door middel van richtafstanden gebaseerd is, inmiddels vervangen door de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' (2024). Deze nieuwe uitgave kent niet langer richtafstanden, maar is ook niet bedoeld voor industrieterreinen.
Doorwerking in het omgevingsplan
Het bestaande haven- en industrieterrein en de beoogde uitbreiding Wanssum-Oost is een geluidzone opgenomen en een bedrijvenlijst opgenomen als Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten bij de regeling. Voor het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 6.6.
Voor het voornemen is een onderzoek naar omgevingsveiligheid uitgevoerd (zie Bijlage 14). Het doel van dit onderzoek omgevingsveiligheid is het inventariseren van de milieubelastende activiteiten in de omgeving van de beoogde uitbreiding industrieterrein Wanssum-Oost en het kwalitatief beschouwen van de effecten van het voornemen op omgevingsveiligheid.
Inventarisatie van milieubelastende activiteiten
In de omgeving van het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost is sprake van de volgende milieubelastende activiteiten:
De milieubelastende activiteit die valt onder deel A.7 van Bijlage VII van het Bkl (opslaan van propaan of propeen in opslagtanks) betreft het opslaan van propaan in een opslagtank bij Residentie De Kooy (ten noorden van Wanssum-Oost). De kleinste afstand tussen Wanssum-Oost en Residentie De Kooy is ongeveer 415 m.
De milieubelastende activiteit die valt onder deel C van Bijlage VII van het Bkl (basisnet) betreft de Maas (ten noorden en ten oosten van Wanssum-Oost). De kleinste afstand tussen Wanssum-Oost en de Maas is ongeveer 520 m.
De milieubelastende activiteit die valt onder deel E.6 van Bijlage VII van het Bkl (Seveso-inrichting) betreft Jewa Gas B.V. aan de Stayerhofweg (ten westen van Wanssum- Oost). De kleinste afstand tussen Wanssum-Oost en Jewa Gas B.V. is ongeveer 175 m.
Dwars door het nieuwe industrieterrein Wanssum Oost loopt de N270. Over de N270 (een provinciale weg) worden gevaarlijke stoffen vervoerd (onder andere van en naar Jewa Gas B.V.). Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N270 is echter geen milieubelastende activiteit die valt onder Bijlage VII van het Bkl. De N270 is geen basisnet wegroute. De N270 heeft daarom ook geen aandachtsgebieden.
Kwalitatieve beschouwing van effecten van het voornemen op omgevingsveiligheid
Opslaan van propaan of propeen in opslagtanks
Residentie De Kooy heeft PR 10-6 per jaar contouren (zie artikel 4.899, eerste lid, aanhef en onder b, tweede en derde lid, van het Bal). Het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt buiten deze PR 10-6 per jaar contouren. Wat betreft de milieubelastende activiteit die valt onder deel A.7 van Bijlage VII van het Bkl (opslaan van propaan of propeen in opslagtanks) wordt voldaan aan artikel 5.7 van het Bkl en artikel 5.11 van het Bkl.
Residentie De Kooy heeft brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden (zie Bijlage VII van het Bkl). Het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt buiten deze brandaandachtsgebieden en buiten deze explosieaandachtsgebieden. Residentie De Kooy heeft geen gifwolkaandachtsgebied.
Wat betreft de milieubelastende activiteiten die vallen onder deel A.7 van Bijlage VII van het Bkl (opslaan van propaan of propeen in opslagtanks) heeft het voornemen geen effecten op omgevingsveiligheid.
Basisnet
Voor basisnetroutes zijn de afstanden tot de plaatsgebonden risicocontouren vastgelegd in de Rbn. Voor een basisnet binnenvaartroute worden conform de Wvgs en de Rbn de afstanden tot de plaatsgebonden risicocontouren gemeten vanaf het midden van het binnenwater (het midden tussen de begrenzing van de vaarweg of de oever).
Conform de Rbn heeft de Maas een PR 10-6 per jaar contour van 0 m. Het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt buiten de PR 10-6 per jaar contour van de Maas. Wat betreft de Maas wordt er voldaan aan artikel 5.7 van het Bkl en artikel 5.11 van het Bkl.
Voor basisnetroutes zijn de afstanden tot de aandachtsgebieden vastgelegd in Bijlage VII van het Bkl. Voor een basisnet binnenvaartroute worden conform de Or de afstanden tot de aandachtsgebieden gemeten vanaf de begrenzing van de vaarweg of de oever.
Conform Bijlage VII van het Bkl heeft de Maas een brandaandachtsgebied van 30 m en een explosieaandachtsgebied van 200 m. Het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt buiten het brandaandachtsgebied en het explosieaandachtsgebied van de Maas. De Maas heeft geen gifwolkaandachtsgebied. Wat betreft de Maas heeft het voornemen geen effecten op omgevingsveiligheid.
Voor de Maas zijn vervoerscijfers van Rijkswaterstaat beschikbaar. Over de Maas worden onder andere brandbare vloeistoffen (stoffen in stofcategorie LF1 en stoffen in stofcategorie LF2), brandbare gassen (stoffen in stofcategorie GF3) en giftige gassen (stoffen in stofcategorie GT3) vervoerd. Conform de door het RIVM opgestelde Handleiding risicoanalyse transport is:
Het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt binnen het invloedsgebied van stoffen in stofcategorie GT3. Daarom wordt bij de ontwikkeling van het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost aanbevolen om rekening te houden met het scenario gifwolk.
Seveso-inrichting
Jewa Gas B.V. heeft een PR 10-6 per jaar contour. Het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt buiten deze PR 10-6 per jaar contour. Wat betreft de milieubelastende activiteit die valt onder deel E.6 van Bijlage VII van het Bkl (Seveso-inrichting) wordt er voldaan aan artikel 5.7 van het Bkl en artikel 5.11 van het Bkl.
Jewa Gas B.V. heeft een brandaandachtsgebied en een explosieaandachtsgebied. Een klein deel van het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt binnen dit brandaandachtsgebied en een groot deel van het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt binnen dit explosieaandachtsgebied. Jewa Gas B.V. heeft geen gifwolkaandachtsgebied.
Wat betreft de milieubelastende activiteiten die vallen onder deel E.6 van Bijlage VII van het Bkl (Seveso-inrichting) heeft het voornemen effecten op omgevingsveiligheid.
N270
De N270 tussen de A73 en de N271 heeft geen PR 10-6 per jaar contour. Ook is gebleken dat het hoogste GR per kilometer hier tussen 0,1 x de oriëntatiewaarde en 1,0 x de oriëntatiewaarde ligt.
Zoals al beschreven worden op het nieuwe industrieterrein Wanssum Oost gebouwen met een industriefunctie als bedoeld in Bijlage I van het Bbl ontwikkeld. Gebouwen met een industriefunctie als bedoeld in Bijlage I van het Bbl zijn beperkt kwetsbare gebouwen. Het gaat niet om gebouwen met een industriefunctie als bedoeld in Bijlage I van het Bbl waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is. Op basis hiervan en op basis van de resultaten van de gevoeligheidsanalyse die Arcadis Nederland B.V. in 2010 heeft uitgevoerd, wordt verwacht dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden als gevolg van het voornemen.
Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord
De gemeente Venray heeft Veiligheidsregio Limburg-Noord om advies gevraagd op het gebied van omgevingsveiligheid. Het advies is opgenomen als Bijlage A van Bijlage 14 Onderzoek omgevingsveiligheid. In deze adviesbrief staat dat de bestaande gebouwen tussen Jewa Gas B.V. en de nieuwe gebiouwen op Wanssum-Oost een afschermende werking hebben waardoor effect- en gevolgbeperkende maatregelen niet nodig zijn. Conform de adviesbrief van Veiligheidsregio Limburg-Noord moet zowel aan de primaire bluswatervoorziening op Wanssum-Oost als aan de secundaire bluswatervoorziening op Wanssum-Oost invulling worden gegeven in overleg met Brandweer Limburg-Noord. Conform de adviesbrief van Veiligheidsregio Limburg-Noord is het nieuwe industrieterrein Wanssum Oost goed bereikbaar voor de hulpdiensten.
Doorwerking in het omgevingsplan
Het voornemen heeft effecten op omgevingsveiligheid. Een klein deel van het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt binnen het brandaandachtsgebied van Jewa Gas B.V. en een groot deel van het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt binnen het explosieaandachtsgtebied van Jewa Gas B.V.
Omdat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in nieuwe gebouwen op het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost niet beperkt is, moeten conform artikel 5.15, tweede lid van het Bkl maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in nieuwe gebouwen op het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost.
In het omgevingsplan van de gemeente Venray zijn aandachtsgebieden nog niet aangewezen als voorschriftengebieden. Voor nieuwe gebouwen op het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost geldt hierdoor de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Bbl (een bouwwerk in een brandvoorschriftengebied of in een explosievoorschriftengebied is zodanig dat de gevolgen voor personen van het aan het voorschriftengebied verbonden risico op brand of explosie worden beperkt) niet. Echter kan worden overwogen om nieuwe gebouwen op het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost toch te laten voldoen aan de eis van artikel 4.90, eerste lid van het Bbl. Hiertoe moeten dan bouwkundige maatregelen (wat betreft brandwerendheid, brandklasse gevel en vloeren, brandklasse dak, vluchtroute en sterkte bij brand) worden getroffen.
Voor meer mogelijke maatregelen wordt verwezen naar het door het RIVM opgestelde Handboek Omgevingsveiligheid, de door het NIPV opgestelde Scenarioboeken Omgevingsveiligheid en de door het RIVM opgestelde Maatregelenwiki.
De uitbreiding Wanssum-Oost ligt binnen het invloedsgebied van stoffen in stofcategorie GT3. Daarom wordt bij de ontwikkeling van Wanssum-Oost ook aanbevolen om rekening te houden met het scenario gifwolk. Rekening houden met het scenario gifwolk kan bijvoorbeeld door:
Bij het scenario gifwolk is het advies namelijk om ramen en deuren te sluiten en om binnen te blijven. Door nieuwe gebouwen op het nieuwe industrieterrein Wanssum Oost te voorzien van afsluitbare ventilatieopeningen, afsluitbare mechanische ventilatie en een toegankelijk bedieningssysteem kunnen nieuwe gebouwen in Wanssum-Oost gebruikt worden als schuilplaats. Aanbevolen wordt om afsluitbare ventilatieopeningen van de Maas af te richten en een hoge plaatsing te verkiezen boven een lage plaatsing.
In het kader van het voornemen is een oriënterend onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd (zie Bijlage 15). Het oriënterend onderzoek betreft een bureaustudie die in twee delen wordt uitgevoerd. Het eerste deel betreft een controle of de betreffende te onderzoeken locatie in het verleden al is onderzocht in een bureaustudie die als voldoende basis voor de voorgenomen bodemingrepen of aanvullende OO-maatregelen beschouwd kan worden. Indien er geen (bruikbare) bureaustudie beschikbaar is, wordt het tweede deel van het oriënterend onderzoek uitgevoerd. Dit betreft een bureaustudie waarin op basis van een groot aantal bronnen wordt onderzocht of er in het te onderzoeken gebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor mogelijk OO in de bodem zijn achtergebleven.
Eerder uitgevoerd onderzoek
Ter plaatse van het projectgebied zijn in het verleden meerdere bureaustudies in de vorm van een Vooronderzoek OO uitgevoerd die overlap hebben met het onderzoeksgebied en die enigszins binnen de grenzen van het onderzoeksgebied vallen. Deze onderzoeken zijn opgesteld conform het BRL-OCE en het WSCS-OCE, de voorlopers van de huidige richtlijnen. Vandaag de dag wordt gebruik gemaakt van het CS-OOO/CS-VROO. Dit betekent dat de conclusies uit deze rapporten niet zonder meer overgenomen worden in het oriënterend onderzoek. Tevens is er een bodembelastingkaart gevonden die is opgesteld naar de huidige CS-OOO en CS-VROO richtlijnen (REASeuro, Risicokaart Gemeente Venray (kenmerk: RO-220157 d.d. 24-05-2022).
Het volledige projectgebied en onderzoeksgebied vallen binnen de Risicokaart gemeente Venray (RO-220157). Hierdoor wordt deze geschikt geacht voor het Fase 1 onderzoek.
Onderzoek
Uit de resultaten van de Risicokaart gemeente Venray (RO-220157) blijkt dat het projectgebied en het onderzoeksgebied binnen verdachte gebieden vallen, zoals weergegeven in onderstaand figuur. Het gehele projectgebied valt binnen verdacht gebied naar artilleriebeschietingen en grondgevechten rond Wanssum en Blitterswijck. De verwachte OO voor het gehele projectgebied:
In het noorden en noordoosten valt een gedeelte van het projectgebied en het onderzoeksgebied binnen een gebied dat is afgebakend naar landmijnen.
Uitsnede van de Risicokaart gemeente Venray. Rood is verdacht naar artilleriebeschietingen en grondgevechten rond Wanssum en Blitterswijck. Paars gearceerd is verdacht naar mijnen.
Relatie met het omgevingsplan
Op basis van het in Fase I uitgevoerde onderzoek is gebleken dat er voor zover bekend één bruikbaar Vooronderzoek OO beschikbaar is dat volledig overlapt met het projectgebied. Het projectgebied is volgens dit onderzoek verdacht op meerdere OO. Het is wettelijk verplicht om te zorgen voor een veilige werkplek tijdens het uitvoeren van de bodemroerende werkzaamheden. Dit betekent dat indien in het verdachte gebied grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd, er voorafgaande aan het uitvoeren van deze grondroerende werkzaamheden OO-beheersmaatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn verschillende OO-maatregelen denkbaar, bijvoorbeeld het uitvoeren van een aanvullende bureaustudie naar naoorlogse ontwikkelingen of het uitvoeren van een opsporingsproces. Het is afhankelijk van de aard van de voorgenomen werkzaamheden (wijze van uitvoeren, locatie en dimensies van de roering), het soort verdachte gebied en eventuele naoorlogse ontwikkelingen in het gebied welke OO-maatregelen het meest geschikt zijn.
Geadviseerd wordt deze aspecten in kaart te laten brengen zodat een maatwerkadvies kan worden opgesteld.
Het bereiken en in stand houden van een (sociaal) veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Ow).
De beoogde uitbreiding Wanssum-Oost wordt aan de noord-, oost- en zuidzijde omgeven door groen / agrarisch gebied. Een groene omgeving is niet alleen heel belangrijk voor het algehele welbevinden van medewerkers maar draagt ook bij aan het welzijn van werknemers. Dit karakter moet behouden blijven. Dit in combinatie met voldoende groen op de bedrijfspercelen de verkoelende groene inrichting van de openbare ruimte zorgt voor een prettig, groen en rustig beeld. In het inrichtingsvoorstel wordt dan ook rekening gehouden met het optimaal benutten van de ruimte en wordt voor de werknemers een omgeving gecreëerd waar zijkunnen ontspannen, ontmoeten, bewegen en/of tot rust kunnen komen.
Naast een productiviteitsstijging en de stress verlagende werking heeft een groene omgeving nog op meer manieren impact op het welzijn en de gezondheid van medewerkers. Vaak hoor je over de mentale gezondheidseffecten, maar het groen heeft zowel direct als indirect ook effect op de fysieke gezondheid. De temperaturen op bedrijventerreinen lopen hoog op, dit is niet alleen onprettig voor de werknemers maar ook voor de bedrijven en de terreinen. Dit zal de komende jaren blijven toenemen als er geen maatregelen worden genomen. Groen draagt bij aan het reduceren van hitte, door deze vast te houden en af te voeren. Daarnaast zorgen bomen voor schaduw wat bescherming biedt tegen overmatige blootstelling aan zonlicht. Groen vormt tevens een belangrijke fysieke barrière waarmee geluid gedempt wordt. Naast het verminderen van gezondheidsschade draagt het groen ook bij aan het bevorderen van gezond gedrag. Een groene buitenomgeving bevorderd namelijk de fysieke activiteit en sociale contacten wanneer het groen op bedrijventerreinen zo is aangelegd dat het verleidt tot meer beweging. Een korte wandeling tijdens de pauze of alleen al even naar buiten lopen voor de lunch heeft al impact op de gezondheid.
Groen heeft verder ook effect op het fysiek en mentaal herstel van werknemers. Dit gebeurt op verschillende manieren. Als eerste leidt alleen al het uitzicht op groen en het gebruik ervan tot positieve fysieke gezondheidseffecten. Daarnaast draagt een groene omgeving en het uitzicht op een groene omgeving bij aan de mentale gezondheid.
Binnen het bouwplan wordt rekening gehouden met een goede toegankelijkheid (rolstoelvriendelijk, geschikt voor slechtziende etc) van de openbare ruimte en de bedrijven. Om daarnaast de (sociale) veiligheid te garanderen, wordt gewerkt aan een lichtplan. Zo worden donkere en afgelegen plekken in de buitenruimte voorkomen en creëren we een gevoel van veiligheid in de directe omgeving van de werknemers.
Relatie met het omgevingsplan
De beoogde ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt niet tot ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid van inwoners en werknemers. Met deze ontwikkeling wordt een (sociaal) veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit gerealiseerd en gegarandeerd.
Vanuit het aspect gezondheid is er binnen het planvoornemen sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
Duurzaam bouwen (DuBo) staat in de belangstelling en milieuaspecten krijgen een volwaardige plaats in het ontwerpen, bouwen en beheren van bebouwing. In de praktijk betekent duurzaam bouwen dat met onder meer de volgende aspecten rekening gehouden wordt: het materiaalgebruik, de vormgeving van het bouwblok, gebruik maken van wind- en/of zonne-energie, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen. Bij deze laatste moeten gebouwen op eenvoudige wijze geschikt gemaakt kunnen worden voor hergebruik, zodat de levensduur wordt verlengd. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ziet onder andere toe op bepaalde kwaliteitseisen van nieuwbouw.
Met de uitbreiding van het haven- en industrieterrein verandert niet alleen de fysieke omgeving, maar zal ook de energievraag veranderen. Met duurzaamheidsambities in gedachte wordt het haven- en industrieterrein niet op het gas aangesloten waardoor bedrijfspanden op een andere duurzame manier dienen te koelen of verwarmen. De daken van de bedrijven dienen daarbij geschikt te zijn voor de installatie van zonnepanelen. Hiermee biedt de ontwikkeling van het haven- en industrieterrein veel ruimte voor het reduceren van het gebruik van fossiele energie en het opwekken van duurzame energie. Daarnaast wordt in de inrichting rekening gehouden met wateroverlast en hittestress door voldoende waterberging en voldoende groenvoorzieningen te realiseren.
In ons streven naar duurzaamheid en esthetiek, moedigt de gemeente het gebruik van natuurlijke en
biobased materialen aan voor de afwerking van gebouwen. Deze materialen, zoals hout, dragen niet alleen bij aan een verantwoorde ecologische voetafdruk, maar stralen ook een warme en authentieke uitstraling uit. Het kleurgebruik richt zich op natuurlijke tinten die opgaan in de omgeving en een gevoel van rust en samenhang creëren. Hierbij wordt geadviseerd om het kleurenpalet te beperken tot natuurlijke, aardse tinten om een harmonieuze integratie met de omgeving te bevorderen. Vermijd felle of kunstmatige kleuren die visueel storend kunnen zijn. En gebruik materialen die biologisch afbreekbaar zijn of afkomstig zijn van hernieuwbare bronnen, zoals hout met een FSC- of PEFC-certificaat en/of selecteer materialen met een lage ecologische voetafdruk.
De beoogde uitbreiding van haven- en industrieterrein Wanssum met Wanssum-Oost valt als stedelijk ontwikkelingsproject onder categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. In dat kader is voor deze wijziging van het omgevingsplan een aanmeldingsnotitie mer opgesteld (zie Bijlage 16). In deze aanmeldingsnotitie wordt getoetst in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen.
De milieueffectrapportage (MER) is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De MER is geregeld in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. In een project-mer-beoordeling (artikel 16.43 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden, en of er daarmee een noodzaak is tot het opstellen van een MER.
Of een besluit over een project project-mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat in de eerste kolom de omschrijving van projecten. In de vierde kolom staan de besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden, waaronder het omgevingsplan. Om te bepalen of er sprake is van een project-mer-(beoordelings)plicht dienen de volgende stappen worden doorlopen:
In het geval dat een passende beoordeling voor een plan, zoals een TAM-omgevingsplan, noodzakelijk is, is er niet meer automatisch de verplichting om een MER (een plan-MER) op te stellen voor het plan. Deze mogelijkheid geldt voor een plan, waarbij de omvang van het plan klein is in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente. Hierbij wordt het 1%-criterium als een bruikbare maatstaf gehanteerd om te bepalen of een plan onder de kleine gebiedenregeling valt. Dit betekent dat een planMER-beoordeling volstaat als het plan betrekking heeft op een klein gebied (= 1% van het gemeentelijk grondgebied) en er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. De 1%-grens is geen wettelijke norm, maar een juridisch richtsnoer. De Advocaat-Generaal van het Hof van Justitie van de EU noemt zelfs een richtcijfer van 5% als bovengrens in zijn uitleg van de SMB-richtlijn.
De voorgenomen bedrijventerrein ontwikkeling heeft een maximaal oppervlak van 8 hectare, terwijl het grondgebied van de gemeente 16.500 hectare bedraagt. In totaal neemt de 8 hectare slechts 0,05 % van het grondgebied van de gemeente in. Voor dit TAM-omgevingsplan kan worden volstaan met een plan-m.e.r. beoordeling.
In de aanmeldingsnotitie wordt geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het planvoornemen en dat kan worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport en het doorlopen van de formele milieueffectrapportageprocedure.
Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:
Indien de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt, dient het kostenverhaal via een van onderstaande opties te worden verzekerd:
Voor de ontwikkeling van het industrieterrein Wanssum-Oost zijn in dit TAM-omgevingsplan kostenverhaalsregels opgenomen (zie Hoofdstuk 4 van de regeling). De motivering behorende bij de regels voor kostenverhaal is opgenomen in paragraaf 7.2.
De wijziging van het omgevingsplan Haven- en industrieterrein Wanssum voorziet onder meer in de realisatie van een nieuw bedrijventerrein aan de oostzijde (Wanssum-Oost). Dit nieuwe bedrijventerrein kent een netto-oppervlakte van circa 7,1 ha grondgebied met de functie bedrijventerrein - 3. Binnen die functie is de bouw van bedrijfsgebouwen toegestaan.
Binnen het bedrijventerrein is voorts voorzien in circa 1,2 ha aan te leggen c.q. te wijzigen openbare ruimte ten behoeve van de bedrijventerreinontwikkeling. De ontsluiting is voorzien via de in 2020 door de provincie Limburg nieuw aangelegde Driesstraat/Brugstraat (oost), dit op basis van het provinciaal inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. De Driesstraat zorgt voor de ontsluiting naar de N270 en naar de rotonde bij de Stayerhofweg.
Het te ontwikkelen gedeelte van het plangebied kent hiermee een oppervlakte van circa 8,3 ha. Dit gebied wordt in het omgevingsplan aangeduid als 'kostenverhaalsgebied' (zie Bijlage 17).
Op 1 juli 2025 heeft de gemeente binnen het kostenverhaalsgebied een beperkte oppervlakte van circa 3,6 ha in eigendom. De eigendomssituatie per 1 juli 2025 is in onderstaand kaartbeeld weergegeven (de eigendommen van de gemeente zijn opgenomen onder 'eigenaar 1', zie tevens Bijlage 18).
Eigendommenkaart
De indeling van het kostenverhaalsgebied naar het uitgeefbaar gebied en openbare ruimte is op de verbeelding vastgelegd. Binnen het uitgeefbaar gebied zijn de gronden gelegen waarop de in het omgevingsplan opgenomen mogelijkheden tot het bouwen van bedrijfsgebouwen zijn voorzien.
Die indeling is weergegeven in onderstaand kaartbeeld van het ruimtegebruik (zie tevens Bijlage 28).
Ruimtegebruikskaart
De vergelijking tussen het kaartbeeld van het ruimtegebruik en de eigendommenkaart laat zien dat de eigendommen van derden mede gelegen zijn binnen het uitgeefbaar gebied, waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt.
Door de gemeente wordt deels een actieve grondpolitiek gevoerd voor de gronden bestemd tot uitgeefbaar gebied respectievelijk aan te leggen openbare ruimte, die in eigendom zijn van derden. In dat kader is door de gemeente een voorkeursrecht gevestigd op een gedeelte van de eigendommen van derden.
Ingevolge artikel 13.11 Omgevingswet (Ow) geldt een wettelijke kostenverhaalsplicht, indien in een wijziging van een omgevingsplan de bouw van kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals bedoeld in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob), mogelijk wordt gemaakt. De binnen de functie bedrijventerrein - 3 geboden mogelijkheid tot het kunnen bouwen van bedrijfsgebouwen etc. geldt als kostenverhaalsplichtige activiteit zoals bedoeld in artikel 8.13 Ob.
Voor het geheel van de eigendommen van derden, die gelegen zijn binnen het uitgeefbaar gebied, geldt dat het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd door middel van anterieure overeenkomsten over kostenverhaal. Een en ander maakt dat de verplichting ontstaat om in de wijziging van het omgevingsplan regels over kostenverhaal op te nemen.
Bij de invulling van de wettelijke kostenverhaalsplicht via het opnemen van kostenverhaalsregels in een wijziging van een omgevingsplan, staat de gemeente twee methodieken ter beschikking:
In de wijziging van het omgevingsplan dient, per kostenverhaalsgebied, een keuze te worden gemaakt voor de te hanteren kostenverhaalsmethodiek.
Voor de locatieontwikkeling voor het bedrijventerrein Wanssum-Oost is gekozen voor de toepassing van de kostenverhaalsmethodiek met tijdvak. De redenen daarvoor zijn:
Artikel 31. 1 Toepassingsbereik
De regels voor het kostenverhaal zijn van toepassing op de gronden gelegen binnen de functieaanduiding kostenverhaalsgebied. Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder a Ow is in het omgevingsplan het kostenverhaalsgebied aangewezen.
Het kostenverhaalsgebied is zodanig begrensd dat zowel de aanleg/aanpassing van de openbare ruimte als het uitgeefbaar gebied voor het nieuwe bedrijventerrein erbinnen vallen. Een kostenverhaalsgebied mag uit niet-aaneengesloten delen bestaan. Er is sprake van een gedeelte ten noorden van de N270 en een gedeelte ten zuiden van de N270. Er is een ruimtelijke en functionele samenhang tussen deze beide deelgebieden.
In de toekomstvisie Haven Wanssum in 2011 was voorzien in de wens van uitbreiding van het haven- en industrieterrein Wanssum. In de Verkeersvisie Wanssum, Blitterswijck en Geijsteren is voorzien in de komst van een rondweg, die mede was voorzien in de relatie tussen het bestaande en uit te breiden bedrijventerrein en de lokale wegenstructuur. De planologische basis voor deze rondweg is gecreëerd via het provinciale inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (vastgesteld door provinciale staten bij besluit van 13 mei 2016). De Driesstraat en de Brugstraat (oost) zijn vervolgens door de provincie gerealiseerd in 2020.
De rondweg markeert de begrenzing tussen de uitbreiding van de bedrijventerreinontwikkeling en het omliggende buitengebied zichtbaar. Het nieuwe bedrijventerrein wordt doorkruist door de bestaande N270. De ontsluiting van het nieuwe bedrijventerrein vanuit zowel de noord- als zuidzijde vindt plaats via de aangelegde rondweg.
Het binnen het nieuwe bedrijventerrein voorziene uitgeefbaar gebied kent, zowel binnen het noordelijke als zuidelijke deelgebied, de functie bedrijventerrein - 3. Binnen deze gronden is de vestiging van bedrijvigheid voorzien in kavels met een grootte die varieert tussen 3.000 en 9.000 m².
Artikel 31.2 Kostenverhaalsplicht
De kostenverhaalsplicht is van toepassing, indien een kostenverhaalsplichtige activiteit als bedoeld in artikel 8.13 Ob wordt verricht binnen het uitgeefbaar gebied. In de kostenverhaalsregels is uitvoering gegeven aan het bepaalde in afdeling 13.6 Ow, voor de kostenverhaalsmethodiek met tijdvak.
De uitvoering van het kostenverhaal vindt plaats door middel van een door burgemeester en wethouders voorafgaand aan de start van de kostenverhaalsplichtige activiteit af te geven kostenverhaalsbeschikking, zoals bedoeld in artikel 13.18 Ow. Deze toepassing leidt uitzondering, indien het kostenverhaal op dat moment anderszins is verzekerd door middel van:
Artikel 31.3 Omslag van de te verhalen kosten over de gronden waarop de kostenverhaalsplichtige activiteiten zijn voorzien
Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder e.1 Ow zijn in dit artikel de regels over de methodiek van de verdeling van de te verhalen kosten over de kostenverhaalsplichtige activiteiten opgenomen. In artikel 13.16 Ow is voor deze omslagmethodiek bepaald, dat de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage dient te worden berekend door de te verhalen kosten te verdelen naar rato van de opbrengsten van de gronden waarop deze kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht.
Voor de omslagmethodiek is gebruik gemaakt van de wettelijke verdeelsleutel die onder de toepassing van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor het publiekrechtelijk kostenverhaal was vastgelegd in artikel 6.18 Wro.
De gehanteerde omslagmethodiek kan als volgt worden toegelicht:
Kaart uitgiftecategorieën
Kaart fasering gronduitgifte
De omslagmethodiek is nader uitgewerkt in artikel 30.9 Deze wordt hierna in de artikelsgewijze toelichting bij laatstgenoemd artikel nader toegelicht.
Artikel 31.4 Methode raming inbrengwaarde
Ingevolge artikel 8.17 Ob biedt de wetgever de mogelijkheid om voor de raming van de inbrengwaarde te kiezen uit twee waarderingsmethodieken:
Voor het kostenverhaal is gebruik gemaakt van de waarderingsmethodiek onder 1. Zie voorts de toelichting bij artikel 32.5.
Artikel 31.5 Aanvraagvereisten kostenverhaalsbeschikking
Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden een kostenverhaalsplichtige activiteit te verrichten voordat de verplichte kostenverhaalsbijdrage aan de gemeente is betaald. Dit staat daarmee los van een voor de oprichting van bebouwing benodigde omgevingsvergunning voor het bouwen.
De toepassing van publiekrechtelijk kostenverhaal vindt plaats via een door burgemeester en wethouders vast te stellen kostenverhaalsbeschikking. Uit de Ow volgt dat daarvoor een aanvraag bij burgemeester en wethouders dient te worden ingediend.
In de Omgevingsregeling (Or) zijn geen regels over vereisten voor de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking opgenomen. Deze aanvraagvereisten zijn in artikel 29.5 van de wijziging van het omgevingsplan vastgelegd:
In de kostenverhaalsbeschikking wordt onder meer opgenomen:
De aftrek voor door de aanvrager gemaakte kosten voor zelf verrichte en voor eigen rekening uitgevoerde werken en/of werkzaamheden ziet niet op het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen binnen het uitgeefbaar gebied en/of het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied. Denk aan de kosten van grondwerken (egaliseren, ophogen etc.). Deze kosten maken onderdeel uit van de inbrengwaarde onder b, die in aftrek wordt gebracht op de brutokostenverhaalsbijdrage.
Artikel 31.6 Aanvraag voor vergoeding uitvoering van de tot de te verhalen kosten behorende werken en werkzaamheden, anders dan bedoeld in artikel 31.5 sub c
De vergoeding van voor rekening van de aanvrager van de kostenverhaalsbeschikking gemaakte kosten voor werken en werkzaamheden, waarvoor geldt dat de kosten van die werken en werkzaamheden onderdeel zijn van de te verhalen kosten, gebeurt op twee manieren:
De vergoeding wordt, evenals in de regeling van artikel 29.5, uitgekeerd aan de houder van een kostenverhaalsbeschikking.
Voor een vergoeding komt in aanmerking de door de houder van de kostenverhaalsbeschikking na de indiening van de aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking gemaakte kosten voor werken en/of werkzaamheden die onderdeel uitmaken van de te verhalen kosten. Ook hier geldt de voorwaarde dat deze werken en werkzaamheden overeenkomstig de in het omgevingsplan opgenomen regels, waaronder de regels over (kwaliteits)eisen, zijn uitgevoerd.
De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de door de aanvrager gemaakte kosten, voor zover die kosten lager of gelijk zijn aan de raming die voor deze werken en/of werkzaamheden is opgenomen in de raming van de te verhalen kosten.
De vaststelling van de uit te keren vergoeding vindt plaats via een door burgemeester en wethouders vast te stellen beschikking, op basis van een aanvraag.
In artikel 29.6 van het omgevingsplan is vastgelegd welke vereisten gelden voor een in te dienen aanvraag. Deze aanvraagvereisten komen voor een deel overeen met de eisen om in aanmerking te komen voor een aftrek op de kostenverhaalsbijdrage voor door een aanvrager voor eigen rekening verrichte werken/werkzaamheden, zoals die voor een aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking zijn opgenomen in artikel 29.5 sub c van de regels.
Ook voor deze toepassing is aangegeven dat indien de aanvraag voor een vergoeding ziet op kosten van werken en/of werkzaamheden betreffende het bouwrijp maken van de openbare ruimte en/of het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, een afschrift van de op de voet van artikel 24 verleende omgevingsvergunning dient te worden overgelegd.
Voorts dienen gegevens te worden overgelegd, waaruit blijkt dat de uitvoering van de werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels van het omgevingsplan (denk aan de regels over (kwaliteits)eisen) en de voorschriften van de verleende omgevingsvergunning (bijvoorbeeld voorschriften inzake een voltooiingsverklaring en de uitvoering van de in de vergunning opgenomen regels over aanbesteding) heeft plaatsgevonden.
Artikel 4.7 Eindafrekening
Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder e.2 juncto 13.20 Ow zijn in het omgevingsplan regels over de eindafrekening opgenomen. De opgenomen regels vallen uiteen in twee uitvoeringsvormen:
Door burgemeester en wethouders wordt bij beschikking een (ambtshalve) eindafrekening vastgesteld, binnen drie maanden nadat de uitvoering van de in het kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen is voltooid.
Bij deze eindafrekening vindt een herberekening plaats van de bruto- en nettokostenverhaalsbijdragen voor die gronden waarvoor eerder een kostenverhaalsbeschikking is gegeven. De eerder via kostenverhaalsbeschikkingen betaalde kostenverhaalsbijdragen zijn gebaseerd op de ramingen van de te verhalen kosten, die waren opgenomen in de kostenverhaalsregels zoals deze van toepassing waren ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking.
Bij de herberekening worden deze ramingen geactualiseerd naar werkelijk gemaakte kosten, met inachtneming van de daarbij behorende uitvoeringscriteria. Deze criteria, deels ontstaan op basis van jurisprudentie, laten zien dat voor sommige kostensoorten niet dient te worden uitgegaan van werkelijk 'betaalde' kosten maar van andere uitgangspunten.
Bij de eindafrekening vindt daarmee allereerst een herberekening plaats van de te verhalen kosten. Voorts worden de ramingen voor subsidies en bijdragen van derden geactualiseerd.
Ook de grondopbrengsten worden geactualiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met zowel gerealiseerde als ten tijde van de eindafrekening nog te realiseren grondopbrengsten. De vaststelling van een eindafrekening binnen een periode van drie maanden na voltooiing van de werken, werkzaamheden en maatregelen betekent niet, dat op dat moment ook alle grondopbrengsten zijn gerealiseerd (lees: het kostenverhaal ook daadwerkelijk is toegepast). Voor die situaties waarvoor de grondopbrengst nog dient te worden gerealiseerd, wordt een geactualiseerde raming van de opbrengsten opgenomen in de eindafrekening.
Bij de eindafrekening vindt opnieuw een toets plaats naar de macroaftopping (zie de toelichting bij artikel 31.3 en artikel 32.8).
Op basis van de vast te stellen te verhalen kosten wordt opnieuw toepassing gegeven aan de omslagmethodiek zoals opgenomen in artikel 29.3 van de regels van het omgevingsplan. Hierbij wordt voor de gronden waarvoor tevoren een kostenverhaalsbeschikking is afgegeven, uitgegaan van de basiseenheden en gewichtsfactoren die in die beschikking zijn gehanteerd.
Op deze wijze vindt herberekening plaats van de brutokostenverhaalsbijdragen voor de gronden binnen het uitgeefbaar gebied (i.c. het gebied waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten op dat moment zijn of nog kunnen worden verricht). Op deze herberekende brutokostenverhaalsbijdrage worden vervolgens de aftrekposten zoals bedoeld in artikel 13.18 lid 2 Ow, in mindering gebracht. Aldus ontstaat een herberekende nettokostenverhaalsbijdrage.
De regeling voor de eindafrekening betekent dat een houder van een kostenverhaalsbeschikking niet kan worden geconfronteerd met een aanvullende geldsom.
In artikel 13.20 lid 2 Ow is bepaald dat indien een herberekende nettokostenverhaalsbijdrage meer dan 5% lager is dan de op grond van de eerder afgegeven kostenverhaalsbeschikking betaalde nettokostenverhaalsbijdrage, het gemeentebestuur binnen vier weken na de vaststelling van de eindafrekening het verschil, voor zover het groter is dan 5%, terugbetaalt aan de houder van de beschikking.
Over het bedrag van de terugbetaling is een rente door de gemeente verschuldigd, waarbij wordt uitgegaan van het rentepercentage zoals dat is opgenomen in de eindafrekening.
Indien na de vaststelling van de eindafrekening een kostenverhaalsbeschikking wordt aangevraagd, wordt voor de bepaling van de daarin op te nemen brutokostenverhaalsbijdrage uitgegaan van de te verhalen kosten zoals deze luidden op basis van de eindafrekening.
De regels voor de eindafrekening zijn verbonden aan de toepassing van kostenverhaal via een kostenverhaalsbeschikking. Zij zijn niet van toepassing op gesloten kostenverhaalsovereenkomsten.
Artikel 31.8 Eindafrekening op verzoek
Ingevolge artikel 13.20 lid 4 Ow dient de in een omgevingsplan op te nemen regeling voor de eindafrekening ook te voorzien in de mogelijkheid dat een houder van een kostenverhaalsbeschikking een verzoek daartoe indient. Een dergelijk verzoek kan eerst worden ingediend, nadat ten minste vijf jaar is verstreken vanaf de betaling van een ingevolge een afgegeven kostenverhaalsbeschikking verschuldigde nettokostenverhaalsbijdrage.
Het is denkbaar dat, afhankelijk van het aantal kostenverhaalsbeschikkingen, meerdere houders van kostenverhaalsbeschikkingen een dergelijk verzoek indienen. In dat geval kunnen verzoeken door het gemeentebestuur worden gebundeld en kan er worden gekomen tot één besluit tot eindafrekening op verzoek. Daarvoor is bepaald dat verzoeken jaarlijks kunnen worden ingediend tot uiterlijk 15 oktober van het kalenderjaar. In dat geval zal op of zo spoedig mogelijk na 1 december van dat kalenderjaar een eindafrekening op verzoek worden vastgesteld.
Afhankelijk van de looptijd van de uitvoering van de werken, werkzaamheden en maatregelen kan een tussentijdse afrekening plaatsvinden op een moment dat nog niet alle werken, werkzaamheden en maatregelen zijn gerealiseerd. Dit betekent dat voor de alsdan nog niet uitgevoerde werken etc. niet kan worden uitgegaan van gerealiseerde kosten, maar dat daarvoor wordt uitgegaan van geactualiseerde ramingen (zie artikel 8.19 Ob).
Een eindafrekening op verzoek vindt plaats op basis van een verzoek. Bij het verzoek dienen te worden overgelegd:
Een eindafrekening op verzoek wordt vervolgens vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de regels voor de ambtshalve eindafrekening (artikel 29.7).
Artikel 31.9 Peildatum en te hanteren parameters voor rente, discontering en indexering van kosten en opbrengsten
Voor de ramingen van de te verhalen kosten wordt uitgegaan van de volgende parameters:
Tabel 1 Parameters
Voor de ramingen van kosten en van de grondopbrengsten is uitgegaan van het prijspeil 1 juli 2025.
Omdat de kosten die betrokken zijn in de te verhalen kosten, gespreid zijn in de tijd, dient rekening te worden gehouden met een indexering van deze kosten vanaf 1 juli 2025. Dit geldt eveneens voor de in de tijd gespreide grondopbrengsten.
Voor kosten en opbrengsten die in enig kalenderjaar gefaseerd worden gemaakt, wordt voor de berekening van indexering en de netto contante waarde ervan uitgegaan dat die kosten worden gemaakt en die opbrengsten worden ontvangen op 1 juli van dat jaar.
Voor de bepaling van de te verhalen kosten, grondopbrengsten, macroaftopping, eenheden en bijdragen dient uit te worden gegaan een netto contante waarde. In de kostenverhaalsregels is uitgegaan van een nettocontantewaardedatum van 1 juli 2025. Hierbij wordt uitgegaan van de disconteringsvoet zoals opgenomen in tabel 1.
De bepaling van de netto contante waarde van een bruto- en nettokostenverhaalsbijdrage op 1 juli 2025 betekent dat deze bijdragen vanaf die datum rentedragend zijn, overeenkomstig het rentepercentage dat voor de betreffende periode is opgenomen in tabel 1.
Artikel 31.10 Bedragen exclusief omzetbelasting
Voor alle in de kostenverhaalsregels en bijbehorende motivering opgenomen bedragen geldt dat deze zijn opgenomen exclusief de eventueel daarover verschuldigde omzetbelasting. Dit tenzij dat anders is aangegeven.
Artikel 32.1 Tijdvak voor het kostenverhaal
In paragraaf 7.2.2 is de gemaakte keuze voor de toepassing van de kostenverhaalsmethodiek met tijdvak toegelicht.
Voor de omvang van het tijdvak wordt uitgegaan van een periode van 10,5 jaar, te rekenen vanaf de peildatum 1 juli 2025. Het einde van het tijdvak is voorzien op 31 december 2035.
Het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte zal gefaseerd in de tijd plaatsvinden
De uitvoering van de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte vindt gespreid plaats binnen het tijdvak. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende indicatieve fasering (zie tevens Bijlage 21).
Kaart fasering bouwrijpmaken
Hierbij is ervan uitgegaan dat, met de vaststelling van het omgevingsplan in 2026, in het kalenderjaar 2027 kan worden gestart met het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied en openbare ruimte. Rekening is gehouden met een procedure van beroep. De laatste fase van het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte is voorzien in 2035.
Voor de geplande gronduitgifte is uitgegaan van een indicatieve fasering, waarbij de start van de uitgifte in plaatsvindt in 2030 en de laatste gronduitgifte is voorzien in 2035. Dit is nader toegelicht in het volgende kaartbeeld (zie tevens Bijlage 22).
Kaart fasering gronduitgifte
In of krachtens de Ow gelden er geen regels voor de start respectievelijk de omvang van de periode van het kostenverhaalstijdvak.
Voor de start van het tijdvak is uitgegaan van de peildatum van 1 juli 2025. Deze ligt enkele maanden vóór de tervisielegging van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan. De inbrengwaardetaxatie is gebaseerd op de eigendomssituatie op deze peildatum.
Artikel 32.2 Kostensoorten die ten dele aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend
Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder b Ow dient in het omgevingsplan te worden aangegeven van welke werken, werkzaamheden of maatregelen betreffende kostensoorten van de kostensoortenlijst (bijlage IV Ob) het kostenverhaalsgebied ten dele profijt heeft, en waarvan de kosten dan op basis van proportionaliteit aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend.
Het betreft hier de toepassing van de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit, zoals bedoeld in artikel 13.11 lid 1 Ow. Er zijn geen voorzieningen waarvoor geldt dat de kosten van realisatie ten dele aan het kostenverhaalsgebied kunnen worden toegerekend. Voor alle werken en werkzaamheden geldt dat de daaraan verbonden kosten volledig aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend.
Artikel 32.3 Eigendomsindeling en ruimtegebruik per eigendom
Het kostenverhaalsgebied kent een oppervlakte van circa 8,3 ha. In het kostenverhaalsgebied worden, uitgaande van de kadastrale situatie op de peildatum (1 juli 2025), tien eigendommen onderscheiden. De ligging van de verschillende eigendommen is toegelicht in paragraaf 7.2.1.
Het kostenverhaalsgebied is ingedeeld naar uitgeefbaar gebied (waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden gerealiseerd) en de openbare ruimte. De indeling is opgenomen op de verbeelding van het omgevingsplan. Zie voorts voor de toelichting op het ruimtegebruik paragraaf 8.2.2.
In het tweede lid is de tabel opgenomen waarin de indeling per eigendom naar uitgeefbaar gebied en openbare ruimte is opgenomen. In de tabel is een nadere indeling van de openbare ruimte opgenomen per eigendom als volgt:
Tabel 2 Overzicht ruimtegebruik per eigendom
Artikel 32.4 Programma gronduitgifte uitgeefbaar gebied
Het uitgeefbaar gebied, als onderdeel van het kostenverhaalsgebied, kent een oppervlakte van circa 7,1 ha. Het uitgeefbaar gebied is ingedeeld in elf kavels, overeenkomstig de functieaanduiding kavel-A tot en met kavel-K. Er geldt een bindende kavelindeling (zie artikel 8.5.1 sub a van de regels).
Uit het door Stec Groep te Arnhem uitgebrachte prijsadvies voor de te hanteren grondopbrengsten (zie Bijlage 19) volgt dat bij de indeling naar uitgiftecategorieën rekening wordt gehouden met de ligging, omvang en indeling van de kavels.
Uitgaande van de indicatieve fasering van de gronduitgifte over de periode 2030-2035, kan het programma voor de gronduitgifte per uitgiftecategorie, uitgedrukt in aantal m² grondoppervlakte (aantal basiseenheden), als volgt worden weergegeven.
Tabel 3 Programma gronduitgifte
Artikel 32.5 Inbrengwaarde per eigendom
De inbrengwaarden bestaat conform de opgenomen begripsbepaling uit de volgende bestanddelen (kostensoorten):
In artikel 29.4 van de regels is vastgelegd dat de raming van de inbrengwaarde geschiedt overeenkomstig de artikelen 15.21 tot en met 15.24 Ow. Met dien verstande dat voor gronden die zijn onteigend of waarvoor een onteigeningsbeschikking is genomen of die op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, de inbrengwaarde gelijk is aan de schadeloosstelling op basis van paragraaf 15.3.1 Ow.
Daarvoor is een taxatie van de inbrengwaarden verricht door mr. ing. C. Habben Jansen, registertaxateur en werkzaam bij Steenhuijs Grondzaken B.V., gevestigd te Utrecht, naar de peildatum 1 juli 2025. Het taxatierapport is als Bijlage 23 bij deze motivering opgenomen.
In de kostensoortenlijst is de inbrengwaarde onderscheiden naar:
In Bijlage 11 bij de regels is per eigendom de inbrengwaarde voor respectievelijk het totale eigendom, voor het gedeelte van het eigendom dat betrekking heeft op de openbare ruimte, en voor het gedeelte dat betrekking heeft op het uitgeefbaar gebied, opgenomen.
De totale inbrengwaarde van de eigendommen bedraagt op de peildatum € 5.456.307.
Tot de inbrengwaarde behoren voorts de kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden van het uitgeefbaar gebied (kostensoort B4 van de kostensoortenlijst). Deze kosten hebben betrekking op werken en werkzaamheden die onderdeel uitmaken van het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied. Voor de raming van deze groep kosten is door de taxateur gebruik gemaakt van de laatstgenoemde civieltechnische raming, opgesteld door civieltechnisch adviesbureau Nimas, gevestigd te Hilvarenbeek.
Verder is bij de raming van de inbrengwaarde rekening gehouden met de kostensoort voorbereiding en toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden van het uitgeefbaar gebied. Dit is aangeduid als kostensoort B5. Hiermee wordt vooruitgelopen op de komende wijziging van de kostensoortenlijst (zie consultatieversie Verzamelbesluit Omgevingswet 2026).
Artikel 32.6 Totale te verhalen kosten (vóór macroaftopping)
De op grond van de kostenverhaalsregels met tijdvak te verhalen kostensoorten zijn limitatief omschreven in bijlage A en B van de kostensoortenlijst (bijlage IV Ob). De omvang van de te verhalen kosten wordt vervolgens bepaald door de toepassing van de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit (zie artikel 13.11 Ow).
In artikel 30.2 is aangegeven dat er geen sprake is van werken, werkzaamheden en maatregelen, waarbij de toepassing van de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit ertoe leidt dat de aan die investeringen verbonden kosten ten dele aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend. Voor alle werken, werkzaamheden en maatregelen geldt dat de daaraan verbonden kosten ingevolge genoemde criteria volledig aan het kostenverhaalsgebied dienen te worden toegerekend.
De kosten zijn gespreid over het tijdvak.
In Bijlage 30 zijn de te verhalen kosten (vóór toepassing van de macroaftopping) gespreid in de tijd op nominale waarde aangegeven.
In deze bijlage zijn de nominale kosten in de tijd geïndexeerd. Vervolgens is de netto contante waarde per kostensoort weergegeven.
Een nadere specificatie van de te verhalen kosten, per kostensoort, op nominale waarde is opgenomen in het overzicht detailuitwerking raming kosten, zoals dat is opgenomen als Bijlage 25 bij deze motivering. De te verhalen kosten (vóór macroaftopping) kunnen als volgt worden toegelicht.
a. Inbrengwaarde openbare ruimte (kostensoorten A2, A3 en A5 van de kostensoortenlijst) en uitgeefbaar gebied (kostensoorten B1 tot en met B5 kostensoortenlijst)
Verwezen wordt naar de toelichting bij de artikelen 31.4 en 32.5.
b. Onderzoekskosten (kostensoort A1 kostensoortenlijst)
De kosten voor onderzoeken die nodig zijn in het kader van de wijziging van het omgevingsplan en het realiseren van het kostenverhaalsgebied, bedragen in totaal € 64.937 (nominaal). De onderzoekskosten hebben betrekking op onder andere:
Per 1 juli 2025 is sprake van een bedrag van € 5.200 aan gemaakte onderzoekskosten. De nog uit te voeren onderzoekskosten worden geraamd op € 59.737.
c. De kosten van bodemsanering, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op gronden in de openbare ruimte (kostensoort A6 kostensoortenlijst) en de kosten van de aanleg of wijziging van werken en voorzieningen, zoals wegen, riolering etc. (kostensoort A8 kostensoortenlijst)
De raming van de kosten voor deze werkzaamheden zijn gebaseerd op een civieltechnische raming opgesteld door civieltechnisch adviesbureau Nimas, gevestigd te Hilvarenbeek. Voor een nadere specificatie en technische omschrijvingen wordt verwezen naar Bijlage 24 en Bijlage 25 bij deze motivering. De totale geraamde kosten bedragen € 1.852.957 (nominaal).
De werken en werkzaamheden binnen de openbare ruimte maken onderdeel uit van respectievelijk het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. De nadere omschrijving van het bouwrijp respectievelijk gebruiksgereed maken van de openbare ruimte is opgenomen in paragraaf 8.2.2 van de motivering regels voor locatie-eisen.
De uitvoering van deze werken geschiedt conform de (kwaliteits)eisen die zijn opgenomen in de kwaliteitsomschrijving (Bijlage 5 bij de regels).
d. Kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (kostensoort A9 kostensoortenlijst)
Uit onderzoek is gebleken dat binnen het kostenverhaalsgebied rekening moet worden gehouden met in de gronden gelegen niet-gesprongen explosieven. Opgenomen is een stelpost van € 37.500 voor de te verwachten voor rekening van de gemeente (i.c. na aftrek van te verwachten rijkssubsidie) komende kosten voor het detecteren en verwijderen van niet-gesprongen explosieven.
e. Plankosten (kostensoort A1, A10 en A14 kostensoortenlijst)
Onder de plankosten vallen de kosten voor het opstellen van omgevingsplannen (kostensoort A1), gemeentelijke apparaatskosten (kostensoort A14) en voorbereiding, directievoering en toezicht (VTU, kostensoort A10) op de werken voor het bouwrijp maken uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. Zie bijlage 1 Or (begripsomschrijving 'plankosten').
In artikel 13.21 Ow is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over de hoogte en begrenzing van een of meer kostensoorten. Voor de plankosten zijn deze regels vastgelegd in hoofdstuk 13 Or.
Voor de raming van de plankosten is gebruik gemaakt van de op basis van de Or beschikbare 'plankostenscan' (versie 2025-1). Verwezen wordt naar Bijlage 26, waarin de vragen- en productenlijst en het resultaatoverzicht van de toepassing van de ministeriële regeling zijn opgenomen.
De uitkomsten van de plankostenscan geven een forfaitair bedrag aan van de raming van de plankosten. De totale te verhalen plankosten bedragen op basis van de plankostenscan € 688.035, en is opgebouwd uit de volgende onderdelen:
Ingevolge artikel 13.6 Or dienen de plankosten in de exploitatieopzet te worden opgenomen in het jaar van vaststelling van het omgevingsplanplan.
Het samenvattende overzicht van de resultaatsheet uit de plankostenscan is hieronder in tabel 4 opgenomen.
Tabel 4 Resultaten plankostenscan
Uit het overzicht volgt dat de totale te verhalen kosten voor voorbereiding en toezicht € 411.991 bedragen. Deze post heeft betrekking op zowel de kosten van bouwrijp maken uitgeefbaar gebied als het bouwrijp en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. De VTU is om deze reden verdeeld over de kostenposten:
De post onder 2 is opgenomen bij de inbrengwaarde (zie hiervoor onder a, inbrengwaarde openbare ruimte en uitgeefbaar gebied).
f. Kosten tijdelijk beheer (kostensoort A4 kostensoortenlijst)
De kosten bestaan uit de tijdelijke voorzieningen en tijdelijke werkzaamheden tijdens de fase van uitvoering van de ontwikkeling. Dit zijn onder meer beheerkosten en kosten van onderhoud van gronden (zoals maaiwerkzaamheden) gedurende de realisatie van de planontwikkeling binnen het tijdvak. Op het bedrag zijn in mindering gebracht de opbrengsten uit tijdelijke pacht/verhuur van verworven gronden. De totale kosten voor tijdelijk beheer bedragen € 3.572.
g. Kosten nadeelcompensatie (kostensoort A11 kostensoortenlijst)
Op basis van een door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) te Rotterdam uitgevoerde risicoanalyse nadeelcompensatie is een kostenraming opgenomen van € 60.000 voor indirecte schade. De rapportage van de uitgevoerde risicoanalyse is opgenomen als Bijlage 27 bij de motivering van het omgevingsplan.
h. Rentekosten (kostensoort A13 kostensoortenlijst)
De totale te verhalen kosten in de periode voorafgaand aan de peildatum bedragen € 5.200. De daarover berekende verhaalbare rentekosten tot de peildatum bedragen € 141. Voor de geraamde kosten vanaf de peildatum geldt dat de verhaalbare kosten op de peildatum zijn berekend op basis van netto contante waarde.
De totale te verhalen kosten vóór macroaftopping bedragen € 8.265.423 (netto contante waarde peildatum).
Artikel 32.7 De raming van de grondopbrengsten
Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder c Ow dient in het omgevingsplan een raming van de opbrengsten van de gronden waarop de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht, te worden opgenomen.
De raming van de grondopbrengsten zien op de opbrengsten uit (fictieve) uitgifte van de gronden die gelegen zijn binnen het uitgeefbaar gebied.
De raming van de uitgifteopbrengsten dient plaats te vinden op basis van objectief bepaalbare maatstaven. De uitgifteprijzen zijn gebaseerd op een prijsadvies voor marktconforme gronduitgifteopbrengsten, uitgebracht door Stec Groep te Arnhem, gebaseerd op het prijspeil van de peildatum 1 juli 2025. Dit prijsadvies is opgenomen als Bijlage 19 bij deze motivering.
In het prijsadvies zijn de grondopbrengsten onderverdeeld naar uitgiftecategorieën. In totaal worden drie uitgiftecategorieën onderscheiden, waarbij rekening is gehouden met de in het omgevingsplan opgenomen regel voor de kavelindeling. Dit is weergegeven in onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 20).
Kaart uitgiftecategorieën
Bij de raming van de opbrengsten wordt uitgegaan van een gefaseerde uitgifte in de tijd, gespreid over de periode 2030 tot en met 2035. De uitwerking van de gronduitgiftefasering is opgenomen in onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 22).
Kaart fasering gronduitgifte
Er is rekening gehouden met een indexering van de grondopbrengsten, te rekenen vanaf de peildatum, dit conform de indexering zoals opgenomen in tabel 1. Zie artikel 29.9.
In onderstaande tabel 5 is de nominale waarde van de grondopbrengsten per eigendom weergegeven.
Tabel 5 Overzicht grondopbrengsten per eigendom
De netto contante waarde per 1 juli 2025 van de totale grondopbrengsten bedraagt € 10.280.079 (zie de tabel in artikel 30.7).
Artikel 32.8 Totale te verhalen kosten (ná macroaftopping)
De maximaal te verhalen kosten zijn wettelijk begrensd (zie artikel 13.14 lid 2 Ow). Als de totale netto contante waarde van de te verhalen kosten, na aftrek van bijdragen van subsidies en bijdragen van derden, lager zijn dan de netto contante waarde van de geraamde grondopbrengsten, dan is de omvang van de te verhalen kosten begrensd tot niveau van de te verhalen kosten, na aftrek van de genoemde subsidies en bijdragen van derden.
Als de netto contante verhaalbare waarde van de te verhalen kosten, na aftrek van subsidies/bijdragen van derden, hoger is dan de netto contante waarde van de geraamde grondopbrengsten, dan is de omvang van de totale te verhalen kosten gemaximeerd tot het niveau van de netto contante waarde van de grondopbrengsten. Dit wordt de macroaftopping genoemd.
Hierbij wordt uitgegaan van de netto contante waarde op de peildatum 1 juli 2025.
De toepassing van de macroaftopping is in onderstaande tabel 6 nader uitgewerkt.
Tabel 6 Te verhalen kosten na macroaftopping
Uit de tabel volgt dat de netto contante waarde van de totale te verhalen kosten, verminderd met subsidies en bijdragen van derden, lager is dan de netto contante waarde van de grondopbrengsten. De omvang van de netto contante waarde van de te verhalen kosten ná macroaftopping bedraagt op de peildatum € 8.265.423.
Artikel 32.9 De omslag van de totale te verhalen kosten (ná macroaftopping) over de eigendommen waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht.
De omslag van de totale te verhalen kosten ná macroaftopping over de eigendommen waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht, vindt plaats overeenkomstig de regeling voor de omslagmethodiek, zoals opgenomen in artikel 29.3.
De regeling van de omslagmethodiek is nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 29.3.
De uitwerking van de omslagmethodiek wordt hieronder nader toegelicht.
In Bijlage 6 bij de regels is, voor het totale uitgeefbaar gebied, per kavel en per uitgiftecategorie een overzicht opgenomen van het aantal basiseenheden, de gewichtsfactor en het aantal gewogen eenheden. Het overzicht is daarbij als volgt ingedeeld:
De netto contante waarde van het totale aantal gewogen eenheden op de peildatum bedraagt € 93.455.
De netto contante waarde van de te verhalen kosten (ná macroaftopping) per gewogen eenheid bedraagt € 88,44. Dit is uitgewerkt in de onderstaande tabel 7.
Tabel 7 Overzicht te verhalen kosten per gewogen eenheid
In Bijlage 10 bij de regels is het overzicht opgenomen van het aantal gewogen eenheden per eigendom.
De brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom wordt berekend door het aantal gewogen eenheden van een eigendom te vermenigvuldigen met de te verhalen kosten per gewogen eenheid. De netto contante waarde per 1 juli 2025 van de brutokostenverhaalsbijdragen per eigendom is in onderstaande tabel 8 nader uitgewerkt.
Tabel 8 Overzicht brutokostenverhaalsbijdragen per eigendom
Artikel 32.10 Bruto- en nettokostenverhaalsbijdrage
Ter uitwerking van artikel 13.18 lid 2 Ow wordt bij de afgifte van een kostenverhaalsbeschikking de nettokostenverhaalsbijdrage berekend door de brutokostenverhaalsbijdrage te verminderen met:
In artikel 30.10 van de regels is dit allereerst uitgewerkt in de bepaling van de nettokostenverhaalsbijdrage per eigendom.
De netto contante waarde per 1 juli 2025 van de brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom volgt uit de toepassing van artikel 30.9 van de regels.
De inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied per eigendom per 1 juli 2025 is opgenomen in de overzichten zoals bedoeld in artikel 30.5 van de regels.
De brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom alsmede de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied per eigendom worden verhoogd met de daarover verschuldigde rente, overeenkomstig de rentepercentages zoals opgenomen in de in artikel 29.9 van de regels opgenomen tabel vanaf de peildatum tot de datum van afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.
Of, en zo ja, tot welke omvang de aftrek onder b dient plaats te vinden, is ten tijde van de vaststelling van het omgevingsplan niet bekend. Dit volgt uit de toepassing ten tijde van de behandeling van een aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking. Zie voor dit onderdeel de aanvraagvereisten voor de kostenverhaalsbeschikking, zoals opgenomen in artikel 29.5 van de regels.
Indien een kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft op een gedeelte van het uitgeefbaar gebied van een eigendom, wordt de brutokostenverhaalsbijdrage voor het gedeelte van het uitgeefbaar gebied van dat eigendom bepaald met toepassing van artikel 29.3 sub f (regels omslagmethodiek). In dat geval wordt op basis van het aantal basiseenheden met bijbehorende gewichtsfactoren van dat gedeelte van het uitgeefbaar gebied van het eigendom vermenigvuldigd met de te verhalen kosten (ná macroaftopping) per gewogen eenheid (ad € 88,44). Zie tabel 8 bij de toelichting bij artikel 32.9.
In dat geval ziet de aftrek van de inbrengwaarde op de inbrengwaarde bij het betreffende gedeelte van het uitgeefbaar gebied, dit op basis van de tabel inbrengwaarde zoals opgenomen in artikel 30.5 van de regels.
Voor de toepassing geldt dat de in het tweede lid opgenomen renteregeling van overeenkomstige toepassing is.
Indien een kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft op een samenstel van (delen van) uitgeefbaar gebied van meerdere eigendommen, wordt de brutokostenverhaalsbijdrage voor dat samenstel van meerdere eigendommen bepaald door de optelsom van de brutokostenverhaalsbijdragen per eigendom respectievelijk delen van een eigendom.
In dat geval ziet de aftrek van de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied op (delen van) het uitgeefbaar gebied van het samenstel van de meerdere eigendommen waarop de kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft, dit op basis van het overzicht inbrengwaarde zoals opgenomen in de in artikel 30.5 van de regels genoemde bijlage.
Voor de toepassing geldt dat de in het tweede lid opgenomen renteregeling van overeenkomstige toepassing is.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.
Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) worden de 'oude' bestemmingsplannen samen met de gedecentraliseerde rijksregels (de 'Bruidsschat') van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan voorziet in een wijziging van het omgevingsplan voor de locatie ten oosten van het bestaande Haven- en industrieterrein Wanssum.
Voor het bestaande deel van het industrieterrein is voor de regeling aangesloten bij het vigerende provinciale inpassingsplan. In dat inpassingsplan is voor de opgenomen enkelbestemmingen geen kortere termijn bepaald waarbinnen de gemeenteraad bevoegd is om een bestemmingsplan vast te stellen. Op basis van het ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan geldende artikel 3.26, lid 5 van de Wet ruimtelijke ordening gold dan van rechtswege een termijn van 10 jaren. Echter per 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening komen te vervallen. In artikel 4.105 van de Invoeringswet Omgevingswet is voor deze situatie overgangsrecht opgenomen. Die regeling houdt in dat de gemeenteraad gedurende een periode van 10 jaren na vaststelling van het inpassingsplan geen regels mag opnemen in het omgevingsplan die in strijd zijn met dat inpassingsplan. De voorliggende wijziging van het gemeentelijk inpassingsplan is opgesteld met inachtneming van deze voorwaarde.
Préambule
De regeling vangt aan met een préambule. Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. In de préambule wordt ook aangegeven welk hoofdstuk van het omgevingsplan het voorliggende TAM-omgevingsplan betreft.
Artikel 1 Begrippen
In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Met het geven van een omschrijving wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het begrip. Dit komt de uitleg van de regeling ten goede.
Artikel 2 Toepassingsbereik
Doordat een TAM-omgevingsplan er niet automatisch voor zorgt dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen, moet een toepassingsbereikbepaling in het plan worden opgenomen waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels. Deze regeling is opgenomen in het eerste lid van dit artikel.
In het tweede lid is geregeld dat de regels van de bruidsschat niet van toepassing zijn op de TAM-omgevingsplanlocatie als zij strijdig zijn met de regels van het TAM-omgevingsplan. De uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 ziet op de regels over het vergunningvrij bouwen zoals die in artikel 22.36 van het omgevingsplan zijn opgenomen. Deze blijven dus wel in stand.
Het derde lid zorgt ervoor dat de plankaart van het wijzigingsgebied deel uitmaakt van het omgevingsplan. Dit is immers niet automatisch het geval onder de Omgevingswet.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt uiteengezet hoe bij de toepassing van de regeling wordt gemeten.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Wanneer een dergelijk verbod niet is opgenomen dan betekent dit dat activiteiten zonder meer mogen worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies is namelijk onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningplichtig te maken.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel. Door de in dit artikel opgenomen regeling worden de relevante aanvraagvereisten uit de paragraaf van de bruidsschat van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan.
Verder zijn er nog algemene bepalingen in het derde en vijfde hoofdstuk opgenomen. In hoofdstuk 4 zijn de regels voor het kostenverhaal opgenomen.
Artikel 6 Bedrijventerrein - 1
Dit artikel ziet toe op een deel van het bestaande industrieterrein, zijnde de bedrijfsgronden die niet aan de bestaande havenkom zijn gesitueerd. Op dit deel van het bedrijventerrein mogen in beginsel alleen bedrijven worden gevestigd die genoemd worden in milieucategorieën 2 tot en met 4.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Ten zuiden van de rondweg zijn bedrijven in de milieucategorieën 2 tot en met 3.2 toegestaan en ten noorden van de rondweg zijn bedrijven in de milieucategorieën 3.1 tot en met 4.2 toegestaan. Enkele bestaande bedrijven die niet rechtstreeks passen binnen de op die locatie toegestane milieucategorieën zijn specifiek benoemd door middel van een specifieke aanduiding waardoor ze eveneens zijn toegelaten. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om metaalverwerkingsbedrijven en een gassenhandel. Risicovolle bedrijven zijn onder voorwaarden toegestaan. Daarnaast zijn volumineuze detailhandel, dienstverlening, een tankstation zonder verkooppunt van LPG en een rioolgemaal toegestaan op de daarvoor aangewezen locaties. Kantooractiviteiten ten dienste van de toegestane bedrijvigheid en ondergeschikte detailhandel zijn eveneens toegestaan.
Behalve bouwregels voor gebouwen zijn er ook bouwregels opgenomen voor specifieke bouwwerken, zoals (portaal-)kranen, reclame-uitingen en lichtmasten. Verder zijn er specifieke gebruiksregels opgenomen voor containers, mobiele kranen en overige buitenopslag. In het geval en voor zover bestaande bedrijven in strijd met de nieuwe bouw- en/of gebruiksregels aanwezig zijn, is de bestaande vergunde situatie als uitgangspunt genomen en specifiek toegelaten.
Conform het (voorheen) geldende provinciaal inpassingsplan is ook hier gekozen voor het opnemen van een Staat van bedrijfsactiviteiten voor de toegestane bedrijven. Deze is echter niet langer voorzien van richtafstanden. De reden daarvoor is erin gelegen dat de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009), waarop de milieuzonering door middel van richtafstanden gebaseerd is, inmiddels vervangen door de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' (2024). Deze nieuwe uitgave kent niet langer richtafstanden, maar is ook niet bedoeld voor industrieterreinen. Ter voorkoming van onaanvaardbare effecten vanwege het industrieterrein is een aantal regelingen van toepassing:
Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 7 Bedrijventerrein - 2
Dit artikel ziet toe op een deel van het reeds bestaande industrieterrein dat aan de bestaande havenkom gesitueerd is. Op dit deel van het industrieterrein mogen zich alleen havengebonden en havengerelateerde bedrijven in de milieucategorieën 2 tot en met 4.2 vestigen. Hiermee verschilt dit gedeelte van het industrieterrein van het industrieterrein met de benaming Bedrijventerrein - 1. Ten zuiden van de rondweg zijn bedrijven in de milieucategorieën 2 tot en met 3.2 toegestaan en ten noorden van de rondweg zijn bedrijven in de milieucategorieën 3.1 tot en met 4.2 toegestaan.
Enkele bestaande bedrijven die niet rechtstreeks passen binnen de milieucategorisering of die niet zijn genoemd op de Staat van Bedrijfsactiviteiten en bestaande bedrijven die niet havengebonden of havengerelateerd zijn specifiek benoemd door middel van een specifieke aanduiding.
Het gaat daarbij om metaalverwerkingsbedrijven, mengvoederbedrijven, een betonwarenfabriek, eenbouw- en grondstoffenbedrijf en een betonmortelcentrale. Daarnaast zijn binnen deze functie havengebonden en havengerelateerde risicovolle bedrijven, alsmede een dekaardeproductiebedrijf onder voorwaarden toegestaan. Tevens zijn kantooractiviteiten ten dienste van de toegestane bedrijvigheid en ondergeschikte detailhandel toegestaan.
Behalve bouwregels voor gebouwen zijn er ook bouwregels opgenomen voor specifieke bouwwerken, zoals (portaal-)kranen, silo's, reclame-uitingen en lichtmasten. Verder zijn er specifieke gebruiksregels opgenomen voor containers, mobiele kranen, zand en grind, betonelementen en overige buitenopslag. In het geval en voor zover bestaande bedrijven in strijd met de nieuwe bouw- en/of gebruiksregels aanwezig zijn, is de bestaande vergunde situatie als uitgangspunt genomen en specifiek bestemd.
Voor het hanteren van de Staat van bedrijfsactiviteiten wordt verwezen naar hetgeen hierover staat bij Bedrijventerrein - 1.
Artikel 8 Bedrijventerrein - 3
Dit artikel ziet toe op een uitbreiding van het bedrijventerrein aan de oostelijke zijnde. Op dit deel van het bedrijventerrein mogen in beginsel alleen bedrijven worden gevestigd die genoemd worden in milieucategorieën 2 tot en met 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Daarnaast zijn toegestaan kantooractiviteiten ten dienste van de toegestane bedrijvigheid en ondergeschikte detailhandel.
Behalve bouwregels voor gebouwen zijn er ook bouwregels opgenomen voor specifieke bouwwerken, zoals (portaal-)kranen, reclame-uitingen en lichtmasten. Verder zijn er specifieke gebruiksregels opgenomen voor containers, mobiele kranen en overige buitenopslag. In het geval en voor zover bestaande bedrijven in strijd met de nieuwe bouw- en/of gebruiksregels aanwezig zijn, is de bestaande vergunde situatie als uitgangspunt genomen en specifiek toegelaten.
Artikel 9 Groen
De functie Groen rust op het openbare groen in het wijzigingsgebied. Dit betreft de groenstroken in en langs het bedrijventerrein, welke gelegen zijn langs de diverse bedrijventoegangswegen. In de bestemmingsomschrijving staat de groenvoorzieningsfunctie voorop, maar worden andere (ondergeschikte) functies ook mogelijk gemaak.
Artikel 10 Groen - wadi
Binnen deze functie is de belangrijkste waterberging geregeld in de vorm van een wadi.
Artikel 11 Verkeer
Binnen dit artikel zijn de belangrijkste verkeersfuncties toegestaan. Zowel bestaande wegen als te verleggen wegen zijn met deze bestemming geregeld. Tevens is er ruimte voor onder meer groenvoorzieningen, water, voorzieningen van openbaar nut, geluidwerende voorzieningen en faunapassages. Voor alle wegen geldt dat deze maximaal twee rijstroken mogen hebben. Binnen deze bestemming zijn tevens bruggen gelegen.
Artikel 12 Water
Het water en alle havenvoorzieningen (voorzieningen ten behoeve van overslag, verkeersvoorzieningen, kades en aanmeerpalen) behorende bij de bestaande havenkom en het uitbreidingsgedeelte van de havenkom van Wanssum zijn bestemd als Water. Voor het bouwen van aanmeerpalen dient schriftelijk advies ingewonnen te worden bij de waterbeheerder. De gronden en wateren binnen de bestemming mogen niet gebruikt worden voor onder meer woonschepen.
Artikel 13 Leiding - Riool
Met deze bestemming is de juridisch-planologische bescherming van een rioolleiding geregeld. Ter bescherming van de waarden van de rioolleiding is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Artikel 14 tot en met artikel 17 Waarde - Archeologie 2, 3, 4 en 5
Deze artikelen regelen de bescherming van de archeologische waarden die in het gebied aanwezig kunnen zijn. De verschillende functies zijn gebaseerd op de beleidsadviezen op basis van de archeologische verwachtingskaart en het daaraan ten grondslag liggende archeologisch rapport voor het gebied. In de regels zijn, afhankelijk van de omvang en diepte van de activiteit, specifieke bouwregels opgenomen en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Afwijken van de specifieke regels en verlening van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is mogelijk, na voorafgaand archeologisch onderzoek en eventueel onder het stellen van voorschriften. Het archeologisch onderzoek kan bestaan uit bureaustudies, inventariserend veldonderzoek of opgravingen.
Artikel 20 Waterstaat - Rivierbed
De gronden met deze functie zijn bedoeld voor het behoud en de versterking van de waterstaatkundige werking van het rivierbed, in het kader van de bescherming tegen overstromingen, de afvoer van rivierwater, en het behoud van ruimte voor toekomstige rivierverruiming. Aangesloten is bij de regeling van de Beleidsregels grote rivieren 2025.
Artikel 21 Waterstaat - waterkering
De gronden met de functie 'Waterstaat - Waterkering' zijn bedoeld voor de aanleg, het onderhoud en de instandhouding van waterkeringen en voorzieningen ten behoeve van de waterkering. Tevens worden hierbinnen wegen voor langzaam verkeer, ontsluitingswegen voor agrarische percelen en calamiteitenwegen, waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Geregeld is wat de maximum hoogte van groene en harde keringen mag zijn.
De wijziging van het omgevingsplan voor het Haven- en industrieterrein Wanssum (hierna: omgevingsplan) voorziet onder meer in de realisatie van een nieuw bedrijventerrein aan de oostzijde met een totale bruto-oppervlakte van circa 8,3 ha (op basis van digitale inmeting). Dit nieuwe bedrijventerrein kent een oppervlakte van circa 7,1 ha uitgeefbaar gebied, dat bestaat uit kavels waarbinnen de bedrijfsbebouwing kan worden opgericht. Binnen dit nieuwe bedrijventerrein is verder voorzien in 1,2 ha aan te leggen c.q. te wijzigen openbare ruimte.
Het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein in het oostelijke gedeelte van het plangebied kent hiermee een oppervlakte van circa 8,3 ha. Dit gebied wordt in het omgevingsplan aangeduid als 'overige zone - kostenverhaalsgebied'.
Op 1 juli 2025 heeft de gemeente binnen het kostenverhaalsgebied een oppervlakte van circa 3,6 ha in eigendom. De eigendomssituatie per 1 juli 2025 is in onderstaande kaartbeeld weergegeven (de eigendommen van de gemeente zijn opgenomen onder 'eigenaar 1', zie tevens Bijlage 18):
Eigendommenkaart
Het kostenverhaalsgebied is onderverdeeld in uitgeefbaar gebied en openbare ruimte. Binnen het uitgeefbare gebied zijn de gronden gelegen waarop de in het omgevingsplan opgenomen mogelijkheden tot het bouwen van bedrijfsgebouwen zijn voorzien. De openbare ruimte is ingedeeld in de volgende functies:
De indeling van de openbare ruimte naar deze functies is opgenomen in de verbeelding van het omgevingsplan. Dit is weergegeven in onderstaand kaartbeeld van het ruimtegebruik (zie tevens Bijlage 28).
Ruimtegebruikskaart
De vergelijking tussen het kaartbeeld van het ruimtegebruik en de eigendommenkaart laat zien dat de eigendommen van derden zowel betrekking hebben op het uitgeefbaar gebied als op de verschillende functies binnen de openbare ruimte.
Door de gemeente wordt deels een actieve grondpolitiek gevoerd voor de gronden bestemd tot uitgeefbaar gebied respectievelijk aan te leggen openbare ruimte, die in eigendom zijn van derden. In dat kader is door de gemeente een voorkeursrecht gevestigd ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten op een gedeelte van de eigendommen van derden binnen het kostenverhaalsgebied.
Ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpomgevingsplan was door de gemeente niet met alle particuliere eigenaren een overeenkomst gericht op zelfrealisatie, met daarin onder meer afspraken over de wijze van uitvoering van het omgevingsplan en, indien er op deze eigendommen de mogelijkheid bestaat om kostenverhaalsplichtige activiteiten te verrichten, over de toepassing van het wettelijk verplichte kostenverhaal, gesloten. Dit maakt dat voor de gemeente de wettelijke plicht is ontstaan om kostenverhaalsregels in het omgevingsplan op te nemen. Dit is vastgelegd in Hoofdstuk 4 van de regels van het omgevingsplan.
De omvang en indeling van de eigendomspositie maakt dat er voorts noodzaak is regels te stellen over de uitvoering van de functieregeling in het omgevingsplan (zgn. locatie-eisen).
Voor zover wordt geopteerd voor zelfrealisatie door particuliere eigenaren, wil de gemeente deze sturing ook via haar publiekrechtelijke bevoegdheden uitoefenen. Daarvoor zijn in het omgevingsplan voor verschillende onderwerpen regels over locatie-eisen opgenomen. Ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpomgevingsplan heeft de gemeente de gronden van de overige eigenaren niet verworven en/of zijn er door de gemeente niet met alle eigenaren (anterieure) overeenkomsten over zelfrealisatie/kostenverhaal met deze eigenaren gesloten. Het wettelijk beginsel van zelfrealisatie brengt met zich dat particuliere eigenaren de gelegenheid krijgen de op hun gronden toegedachte functie te realiseren, mits voldaan wordt aan de door de gemeente in het kader van het publieke belang meest aangewezen vorm van uitvoering.
Er zijn regels opgenomen over de volgende onderwerpen van locatie-eisen:
Wet ruimtelijke ordening (regeling tot 1-1-2024)
Onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) maakten de onderwerpen kostenverhaal en locatie-eisen geen onderdeel uit van de regels van het bestemmingsplan, maar van een separaat vast te stellen exploitatieplan. Ingevolge artikel 6.12 Wro diende de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen, indien, onder meer, het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het bestemmingsplan begrepen gronden waarop aangewezen bouwplannen waren voorzien, niet anderszins was verzekerd.
Daarnaast bestond de verplichting een exploitatieplan vast te stellen, indien er een noodzaak was tot onder meer:
Daarnaast bestond er op grond van artikel 6.13 lid 2 Wro de bevoegdheid in een exploitatieplan regels op te nemen over ruimtegebruik (waaronder regels over een bindende verkaveling).
Indien de start van de planprocedure zou hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2024, dan zou gelijktijdig met een ontwerp bestemmingsplan een ontwerpexploitatieplan in procedure zijn gebracht. In dit exploitatieplan zou dan uitvoering zijn gegeven aan de wettelijke kostenverhaalsplicht alsmede aan de noodzaak daarin regels over onderwerpen van locatie-eisen op te nemen.
Omgevingswet (vanaf 1 januari 2024)
Met de invoering van de Omgevingswet (Ow) per 1 januari 2024 zijn de in de Wro opgenomen onderwerpen van locatie-eisen waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als onderwerpen die zien op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow). Regels over deze onderwerpen kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, indien regels hierover noodzakelijk zijn in het belang van de fysieke leefomgeving en met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Inleiding
Het kostenverhaalsgebied is onderverdeeld naar de functie openbare ruimte en uitgeefbaar gebied.
Binnen de openbare ruimte is voorzien in de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor de functies:
Wat betreft de uit te voeren werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kan onderscheid worden gemaakt naar de volgende groepen:
De ontwikkeling van het bedrijventerrein beslaat naar verwachting een tijdsperiode van circa 10,5 jaren (vanaf 1 juli 2025 tot en met eind 2035).
Het uitgeefbaar gebied wordt:
Binnen de openbare ruimte ten noorden van de N270 is verder voorzien in de realisatie van de functies groen, en groen - wadi. Binnen de openbare ruimte ten zuiden van de N270 en ten zuiden van de Parakkerweg is eveneens voorzien in de realisatie van de functies groen, en groen - wadi.
Wat betreft het 'bouwrijp maken' is er sprake van werken en werkzaamheden verbonden aan het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied en werken en werkzaamheden verbonden aan het bouwrijp maken van de openbare ruimte. Gezien de verschillende functies van de gronden in respectievelijk uitgeefbaar gebied en openbare ruimte, welke functies ook tot uitdrukking komen in de regels in het omgevingsplan, is ervoor gekozen om ook bij de beschrijving van de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken onderscheid te maken tussen het uitgeefbaar gebied en de openbare ruimte.
Het bouwrijp maken van de openbare ruimte kent naar zijn aard werken en werkzaamheden die, zonder nadere verduidelijking en toelichting, ook zouden kunnen worden getypeerd als werken en werkzaamheden voor de 'inrichting van de openbare ruimte'.
Gezien het vorenstaande wordt de beschrijving van werken en werkzaamheden voor de toepassing in dit omgevingsplan als volgt onderverdeeld:
De beide hoofdgroepen worden hierna nader omschreven.
Bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied
Het uitgeefbaar gebied is als zodanig aangeduid op de verbeelding.
Het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied omvat in hoofdlijnen de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Bouwrijp maken van de openbare ruimte
Het gaat hier in hoofdlijnen om de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:
Gebruiksgereed maken van de openbare ruimte
Het betreft hier de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die zien op de verdere inrichting en afwerking van de (eerder bouwrijp gemaakte) openbare ruimte. Deze werken en werkzaamheden kunnen als volgt op hoofdlijnen worden omschreven:
Inleiding
De ontwikkeling van het kostenverhaalsgebied wordt gekenmerkt door een integrale ontwikkeling van een bedrijventerrein voorzien van groen en waterbergingsvoorzieningen.
De inrichtingsstructuur is voor:
Het uitgeefbaar gebied is ingedeeld in elf kavels, die zijn aangeduid op de verbeelding als kavel A tot en met K. Er geldt een bindende kavelindeling. Het uitgeefbaar gebied bestaat uit de gronden met de functie bedrijventerrein - 3.
Er is voorzien in een minimale grootte van een kavel van 3.000 m² en van een maximale grootte van 9.000 m², met dien verstande dat voor kavel K in de planregels is voorzien van een lager minimum. De bindende kavelindeling is vastgelegd op verbeelding. De kavelindeling is weergegeven in onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 29).
Kaart bindende verkaveling
De openbare ruimte wordt onderscheiden naar de functies:
Voor de ontwikkeling van het kostenverhaalsgebied dient onder meer rekening te worden gehouden met de volgende uit te voeren werken, werkzaamheden en maatregelen:
In het omgevingsplan is het noodzakelijk eisen en regels te stellen voor de volgende onderwerpen van locatie-eisen:
De regels over de genoemde onderwerpen van locatie-eisen maken onderdeel uit van de vorm van planuitvoering die de gemeente in het publieke belang nodig acht.
Toelichting regels bindende verkaveling
De omvang van het uitgeefbaar gebied is aanzienlijk. Daarbij komt dat er binnen het uitgeefbaar gebied sprake is van een versnipperde eigendomspositie. Voorts geldt voor de functie bedrijventerrein - 3 ingevolge het omgevingsplan een minimale en maximale kavelgrootte. Dit brengt het risico met zich dat, als gevolg van deze min of meer toevallige eigendomsgrenzen, een willekeurig ingedeelde en niet-doelmatige verkaveling zal ontstaan. Dit is geenszins wenselijk te achten. Ook kan op deze wijze een onaanvaardbare stedenbouwkundige structuur gaan ontstaan.
Dit alles is reden om een bindende verkavelingsregeling in de regels van het omgevingsplan op te nemen. Die bindende verkaveling is opgenomen op de verbeelding.
De bindende verkavelingsstructuur voor de onderscheiden kavels maakt dat bij het bouwrijp maken van de openbare ruimte, het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen, de kavelindeling en daarmee ook de kavelgrenzen in acht dienen te worden genomen.
Toelichting omgevingsplanactiviteit uitvoering werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden bouwrijp maken van de openbare ruimte en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte
De ligging en kenmerken van de openbare ruimte en het uitgeefbaar gebied leiden tot de noodzaak eisen te stellen aan de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, die betrekking hebben op het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte.
In artikel 6.13 lid 2 Wro was een wettelijke basis vastgelegd voor het in een exploitatieplan kunnen vastleggen van eisen voor uit te voeren werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van gronden en de inrichting van de openbare ruimte binnen een exploitatiegebied. Deze bevoegdheid zag daarmee mede op het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. Met de invoering van de Ow per 1 januari 2024 zijn de in de Wro opgenomen onderwerpen van locatie-eisen waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als onderwerpen die zien op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow).
Binnen de openbare ruimte zijn er verschillende functies waarvoor bij de aanleg/wijziging het noodzakelijk is eisen te stellen. Dit betreft, zonder uitputtend te zijn, onder meer:
De omschrijving van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die behoren tot respectievelijk het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte en waarvoor eisen zijn vastgesteld, is vastgelegd in artikel 24.
Kenmerk van de aan te leggen c.q. aan te passen werken en werkzaamheden binnen de openbare ruimte is dat het steeds gaat over openbare voorzieningen: voorzieningen met een openbare functie, die in eigendom en beheer bij de gemeente of een ander overheidslichaam komen.
De uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden voor het bouwrijp maken van de openbare ruimte respectievelijk het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte is in de regels aangemerkt als een omgevingsplanactiviteit. Dit betekent dat het zonder omgevingsvergunning verboden is deze werken en werkzaamheden uit te voeren.
Als (specifieke) aanvraagvereiste voor een vergunning geldt allereerst dat een bestek dat ziet op de in de aanvraag betrokken werken/werkzaamheden, dient te worden overgelegd. Gezien de indeling van het kostenverhaalsgebied geldt de eis dat:
Bij de toetsing van een vergunningaanvraag gelden de eisen, zoals deze voor de onderdelen bouwrijp maken van de openbare ruimte en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte zijn opgenomen in de kwaliteitsomschrijving (Bijlage 5 bij de regeling).
In de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen over de beoordeling of de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden inzake het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte overeenkomstig de eisen in de kwaliteitsomschrijving is uitgevoerd. Dit op basis van een te nemen besluit omtrent het verlenen van een voltooiingsverklaring.
De voltooiingsverklaring is niet alleen relevant voor de beantwoording of de uitvoering van de werken/werkzaamheden overeenkomstig de gestelde eisen heeft plaatsgevonden, maar vormt ook de basis voor het aan een initiatiefnemer uitkeren van een vergoeding voor de uitgevoerde werken/werkzaamheden voor het bouwrijp maken van de openbare ruimte en/of het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, dit overeenkomstig de in het omgevingsplan opgenomen kostenverhaalsregels (zie Hoofdstuk 4 van de regeling).
Als tweede specifieke aanvraagvereiste voor de vergunning geldt dat indien de aanvrager niet geldt als een aanbestedende dienst, een aanbestedingsprotocol dat ziet op de in de aanvraag betrokken werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van de openbare ruimte en/of gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, dient te worden overgelegd. Nu het gaat om werken en werkzaamheden inzake leveringen, diensten en werken in de openbare ruimte, dienen deze werken en werkzaamheden op een juiste wijze te worden aanbesteed. In het aanbestedingsprotocol dient een beschrijving te worden opgenomen van de voorgestelde aanbestedingsvorm en de voorgestelde wijze waarop een levering, werk of dienst voor de inrichting van de openbare ruimte zal worden gegund.
In artikel 6.13 lid 2 onder c Wro juncto artikel 6.2.9 Besluit ruimtelijke ordening was een wettelijke basis vastgelegd voor het in een exploitatieplan kunnen opnemen van regels voor het in overeenstemming met de geldende aanbestedingsregels aanbesteden van uit te voeren werken en werkzaamheden voor de inrichting van de openbare ruimte binnen een exploitatiegebied. Met de invoering van de Ow per 1 januari 2024 is dit in de Wro opgenomen onderwerp van locatie-eisen waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als een onderwerp dat ziet op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow).
De vereiste om een aanbestedingsprotocol voor te leggen in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning is alleen van toepassing indien de aanvrager niet kwalificeert als een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf in de zin van de Aanbestedingswet 2012. Geldt de aanvrager als een aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf, dan zijn op deze instanties rechtstreeks de Europese en nationale regels over aanbestedingen van overheidsopdrachten van toepassing bij het sluiten van schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel tot het verrichten van werken, leveringen of diensten.
Voor zover de aanvrager niet kwalificeert als een aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf, wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dit onderdeel getoetst aan het aanbestedingskader, dat als Bijlage 4 bij de regeling is opgenomen. Het aanbestedingskader bevat het normenkader van de gemeente Venray voor het aanbesteden van leveringen, werken en diensten betreffende respectievelijk het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte.
Op basis van het aanbestedingskader wordt de toepassing van de daarin onderscheiden aanbestedingsprocedures als volgt onderscheiden naar omvang in grootte van werk respectievelijk levering/dienst (bedragen exclusief btw), aangepast naar de situatie per 1-1-2026:
| Aanbestedingsvorm |
Werken (grensbedragen) |
Leveringen
(grensbedragen) |
Diensten (grensbedragen) |
|
| Enkelvoudig onderhandse procedure | = € 0 < € 150.000 | = € 0 < € 75.000 | = € 0 < € 75.000 | |
| Meervoudig onderhandse procedure | = €150.000 en < € 2.000.000 | = € 70.000 en < EU-drempel leveringen | = € 75.000 en < EU-drempel ldiensten | |
| Nationaal openbaar | = € 2.000.000 en < EU-drempel werken | n.v.t. | n.v.t. | |
| Europees openbaar | = EU-drempel werken | = EU-drempel leveringen | = EU-drempel diensten | |
*) De EU-drempel wordt iedere twee jaar door de Europese Commissie opnieuw vastgesteld.
Ingevolge de Europese en nationale regels gaat het bij de EU-drempel in bovenstaande tabel om de drempelwaarden die gelden voor de sector overheidsopdrachten (decentrale overheden).
In de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen over:
Met de toepassing onder b wordt bereikt dat, nadat de aanbestedingsprocedure is gestart, door de vergunninghouder een verslag ter goedkeuring aan het bevoegd gezag dient te worden overgelegd, waaruit volgt dat de in de vergunning voorgeschreven aanbestedingsvorm met de daarbij behorende (procedure)voorschriften is gevolgd. Tevens bevat het aanbestedingsverslag het, op basis van de gevolgde procedure, voorgenomen besluit tot gunning. Op deze wijze kan, voordat een gunning heeft plaatsgevonden, worden getoetst of de aanbesteding heeft plaatsgevonden overeenkomstig de voorschriften in de vergunning.
Toelichting koppelingsregelingen
Algemeen
Ingevolge artikel 6.13 lid 1 onder c sub 5 Wro kon een exploitatieplan regels bevatten over aan te brengen koppelingen tussen de uitvoering van werken, werkzaamheden en maatregelen en de realisatie van bouwplannen (i.c. de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen). Met de invoering van de Ow per 1 januari 2024 is dit in de Wro opgenomen onderwerp van locatie-eisen waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als een onderwerp dat ziet op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow).
In de onderhavige situatie doet zich de noodzaak voor tot het opnemen van regels over koppelingen die betrekking hebben op de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen van gebouwen.
Hierbij is onderscheid gemaakt in het gedeelte van het kostenverhaalsgebied, dat gelegen is ten noorden respectievelijk ten zuiden van de N270.
In het gedeelte van het kostenverhaalsgebied ten noorden van de N270 liggen de kavels A tot en met C. In het gedeelte van het kostenverhaalsgebied ten zuiden van de N270 liggen de kavels D tot en met K.
Toelichting bij koppelingsregeling 1 (toepassing kavels A tot en met C)
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw op kavel A tot en met C is vereist dat:
Onderdeel a ziet op de vereiste dat voordat de bebouwing van de kavels A tot en met C start, eerst de aanleg/aanpassing van de gemeenschappelijke ontsluiting van deze kavels naar de bestaande weg De Kooy, dit met inbegrip van bijbehorende werken, als bouwweg heeft plaatsgevonden. Dit is nodig om te komen tot een adequate ontsluiting van deze kavels voor het autoverkeer op de bestaande weg De Kooy. Voorts ziet onderdeel a op de aanleg van de wadi (binnen de functie groen - wadi) in bouwrijpe staat ten noorden van de N270, dit ten behoeve van de waterberging.
Onderdelen b en c zien op de vereiste dat bij de start van de bouw op een kavel, de kavel beschikt over:
Hiermee wordt bereikt dat de kavels A tot en met C binnen het uitgeefbaar gebied direct bij de start van de bebouwing zijn voorzien van een adequate ontsluiting als bouwweg naar de bestaande weg De Kooy en dat de kavels beschikken over een aansluitpunt op de openbare riolering voor hemelwaterafvoer en droogweerafvoer.
Toelichting bij koppelingsregeling 2 (toepassing kavels D tot en met K)
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw op kavel D tot en met K is vereist dat:
Binnen de gronden met de functie verkeer (functieaanduiding openbare interne weg) ten zuiden van de N270 is, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte, voorzien in:
Onderdeel a ziet op de vereiste dat voordat de bebouwing van de kavels D tot en met K kavel start, eerst zowel de aanpassing van de Parakkerweg als bouwweg als de aanleg van de ontsluitingslus als bouwweg, dit alles met inbegrip van bijbehorende werken, heeft plaatsgevonden. Voor de kavels D tot en met K geldt dat ze, afhankelijk van hun ligging via de ontsluitingslus, worden ontsloten naar de Parakkerweg. Dit is nodig om te komen tot een adequate ontsluiting van deze kavels voor het autoverkeer naar de ten oosten van het kostenverhaalsgebied gelegen Driesstraat. Voorts ziet onderdeel a op de aanleg van de wadi (binnen de functie groen - wadi) in bouwrijpe staat ten zuiden van de N270, dit ten behoeve van de waterberging.
Onderdelen b en c zien op de vereiste dat bij de start van de bouw op een kavel, de kavel beschikt over:
Hiermee wordt bereikt dat de kavels D tot en met K binnen het uitgeefbaar gebied direct bij de start van de bebouwing zijn voorzien van een adequate ontsluiting als bouwweg naar de bestaande Driesstraat en dat de kavels beschikken over een aansluitpunt op de openbare riolering voor hemelwaterafvoer en droogweerafvoer.
Omgeving
Al geruime tijd wordt gewerkt aan de planvorming voor de uitbreiding van het Haven- en industrieterrein Wanssum.
Tijdens de inloopbijeenkomst (13 november 2025) in het gemeenschapshuis van Wanssum zijn omwonenden en geïnteresseerden geïnformeerd over de uitbreiding van Haven- en industrieterrein met Wanssum-Oost aan de hand van de ontwerptekening voor de beoogde uitbreiding. Het verslag is opgenomen in Bijlage 31.
Betrokken overheden en instanties
Het voornemen is voorgelegd aan de provincie Limburg, Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg.
De provincie Limburg heeft op 8 mei 2025 haar reactie gedeeld met de gemeente. Op basis van de quickscan adviseert de provincie om de das, roofvogels en vleermuizen nader te bekijken en indien nodig vervolgonderzoek uit te voeren. Tevens wordt aangegeven dat de N270 niet als bron is meegenomen in het onderzoek omgevingsveiligheid. Deze is gemist omdat provinciale wegen (nog) niet op de risicokaart van Atlas Leefomgeving staan. Verder geeft de provincie aan dat de stikstofberekeningen nog niet waren uitgevoerd en zij een voorbehoud maken ten aanzien van het aspecte stikstofdepositie. Tot slot adviseert de provincie om de verdeling van de afwikkeling van het verkeer en de gehanteerde verkeersintensiteiten opnieuw te bekijken.
Op 25 maart 2025 heeft Rijkswaterstaat haar reactie met de gemeente gedeeld. Uit de reactie blijkt dat dat de functies Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed en Waterstaat – Waterbergend rivierbed binnen het conserverend deel van het omgevingsplan niet aansluiten bij de regels zoals opgenomen in de Beleidsregels grote rivieren (Bgr) en wordt in overweging gegeven om de regels hierop aan te vullen, zodat toetsing in beide sporen meer in overeenstemming met elkaar verloopt. Verder wordt opgemerkt dat de Bgr laatstelijk is gewijzigd op 1 februari 2025. Hiermee is het onderscheid tussen stroomvoerend en waterbergend regime komen te vervallen en geldt een streng regime. De Bgr werkt door in het ruimtelijk spoor via het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl is echter nog niet aangepast aan de meest recente wijziging van de Bgr. Deze is voorzien op 1 januari 2026. In de laatste wijziging van de Bgr zijn het havengebied als onderdeel van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (als vergevorderd project) en Ooijen-Wanssum (maatwerkproject, regeling ontwikkelingsruimte Ooijen-Wanssum) onder het overgangsrecht gebracht.)
Waterschap Limburg heeft op 25 april 2025 haar reactie gedeeld met de gemeente. Het waterschap geeft aan dat het plan er goed uit ziet en voldoet aan de gestelde normeringen vanuit het waterschap.
De reacties zijn, voor zover van toepassing, verwerkt in het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende onderzoeken.
De gemeente legt het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11 Awb). Vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan kan een ieder in deze periode zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling plaatsvinden.
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de uitbreiding van het Haven- en industrieterrein Wanssum met industrieterrein Wanssum-Oost. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan het duurzaam economisch groeipotentieel van Venray en de omliggende regio. Door te kiezen voor de uitbreiding van het bestaand haven- en industrieterrein in plaats van het creëren van nieuwe bedrijfsruimte elders in Venray wordt bovendien aangesloten bij de voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van werklocaties geclusterd in of nabij het stedelijk gebied.
Het doel van een bedrijventerrein is het bieden van fysieke ruimte aan milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten die substantiële milieuhinder kunnen voorzaken. Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor het ondernemersklimaat in een gemeente. Ongereguleerde vestiging van bedrijven op bedrijventerreinen is echter vrijwel nergens mogelijk. De bedrijven op een bedrijventerrein moeten milieuhinder buiten het bedrijventerrein beperken, zeker wanneer nabij het bedrijventerrein (geprojecteerde) milieugevoelige functies aanwezig zijn.
Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. De beoogde uitbreiding Wanssum-Oost gaat deel uitmaken van het gezoneerde haven- en industieterrein.
Het voornemen heeft effecten op omgevingsveiligheid. Een klein deel van de beoogde uitbreiding Wanssum-Oost ligt binnen het brandaandachtsgebied van Jewa Gas B.V. en een groot deel van het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost ligt binnen het explosieaandachtsgtebied van Jewa Gas B.V.
Omdat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in nieuwe gebouwen op het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost niet beperkt is, moeten conform artikel 5.15, tweede lid van het Bkl maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in nieuwe gebouwen op het nieuwe industrieterrein Wanssum-Oost. Tevens ligt de beoogde uitbreiding binnen het invloedsgebied van stoffen in stofcategorie GT3 van transporten over de Maas. Dit betekent dat bij de ontwikkeling van Wanssum-Oost geadviseerd wordt om rekening te houden met het scenario gifwolk. In samenspraak met de Veiligheidsregio Limburg-Noord (Brandweer Limburg-Noord) worden mogelijke maatregelen verder in kaart gebracht en afgewogen.
Tot slot blijkt uit hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6 dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies
aan locaties.
Conclusie
Alles overwegende is de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar. De impact van de beoogde uitbreiding van het bestaande Haven- en industrieterrein met Wanssum-Oost op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.