direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Bedrijventerrein Smakterheide Noord
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Venray heeft het voornemen om het bestaande bedrijventerrein Smakterheide aan de weg Spurkt uit te breiden in noordelijke richting. Met de uitbreiding speelt Venray met name in op het faciliteren van middelgrote bedrijven uit Venray. Het betreft de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein dat ruimte biedt aan kwalitatief hoogwaardige (Venrayse) bedrijven.

Om de realisatie van de beoogde uitbreiding Smakterheide Noord planologisch-juridisch mogelijk te maken, is voorliggende wijziging van het omgevingsplan opgesteld.

1.2 Nut en noodzaak

Afgelopen jaren is hard gewerkt om in de regio Noord-Limburg te komen tot een gezamenlijk bedrijventerreinbeleid. Tevens wordt er samengewerkt in de ontwikkeling van het zogenaamde "Klavertje 4 gebied" en wordt de ontwikkeling van logistieke ruimte en functies in de gehele regio afgestemd. Dit gebeurt om concurrentiestrijd, inefficiency, overaanbod en 'eenheidsworst' aan terreinen terug te dringen.

De gemeente Venray is aandeelhouder van het Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo, maar heeft als enige aangesloten gemeente nog geen ontwikkeling op grondgebied binnen de eigen gemeente. Dit is wel een nadrukkelijke wens van de gemeente Venray. De ontwikkeling van bedrijventerrein Smakterheide-Noord, met een toename van 22 hectare uitgeefbare kavels, wordt ondersteund door verschillende factoren die de noodzaak hiervan benadrukken:

In Venray is er momenteel een tekort aan kavels, vooral in het segment van 0,5 tot 2,0 hectare. Dit tekort belemmert lokale bedrijven, met name uit de industrie, bouw en handel, die behoefte hebben aan panden tussen 3.000 m² en 10.000 m². De bestaande bedrijventerreinen hebben beperkte beschikbaarheid en de leegstand bevindt zich op een frictieniveau. Dit wijst op een zeer beperkte ruimte om aan de vraag te voldoen.

De lokale maakindustrie laat een sterke "revival" zien, wat gepaard gaat met een toename in werkgelegenheid. Het faciliteren van deze groei vraagt om nieuwe bedrijventerreinen, zoals Smakterheide-Noord, om lokale bedrijven te ondersteunen en de economische ontwikkeling van Venray te waarborgen.

Voor een nieuwe ontwikkeling, zoals Smakterheide Noord, is het essentieel dat de ruimtelijke opzet goed wordt doordacht, met aandacht voor de gevraagde kwaliteit. Dit sluit aan bij de behoefte om bedrijventerreinen aantrekkelijker en moderner te maken, gezien de veroudering van bestaande terreinen. Een uitbreiding met 22 hectare kan bijdragen aan het verbeteren van het aanbod en het inspelen op moderne vereisten.

De gemeenteraad stelde eerder vraagtekens bij de geschiktheid van de locatie en de omvang van het terrein. Het recent uitgevoerde marktonderzoek (zie Bijlage 1) toont echter aan dat de uitbreiding noodzakelijk is om het lokale bedrijfsleven op korte (tot 2025) en middellange termijn (tot 2030) te ondersteunen. Dit versterkt de argumentatie voor de ontwikkeling van 22 hectare aan uitgeefbare kavels.
In conclusie benadrukt de combinatie van een structureel tekort aan kavels, de economische groei in de regio en de behoefte aan kwalitatieve bedrijventerreinen de nut en noodzaak van de ontwikkeling van Smakterheide-Noord. Deze uitbreiding is essentieel om Venray’s bedrijfsleven toekomstbestendig te faciliteren.

Gelijktijdig wordt 20 hectare natuurgebied toegevoegd (zie Bijlage 2). Deze natuurontwikkeling is nauw verbonden met de realisatie van het bedrijventerrein Smakterheide-Noord. Hiermee wordt een forse bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van natuurwaarden en ecologische verbindingen richting het Loobeekdal, speelt het ook een belangrijke rol in de klimaatadaptatie, maar wordt ook een duidelijk signaal afgegeven dat dit bedrijventerrein de uiterste grens vormt van Venray.

Planvoorbereiding

In het kader van de Regionale visie bedrijventerreinen is in 2017 reeds afgesproken maximaal 30 ha netto bedrijventerrein te ontwikkelen in de gemeente Venray. Voor potentiële locaties is vervolgens gezocht binnen de gemeentegrenzen van Venray. Binnen het bestaand stedelijk gebied is een potentiele locatie voor deze omvang niet beschikbaar en is gezocht naar locaties die zoveel mogelijk aansluiten op bestaand stedelijk gebied (bestaande bedrijventerreinen), zodat gebruik kan worden gemaakt van reeds bestaande voorzieningen.

Bestaande bedrijventerreinen kennen al milieueffecten zoals geluidseffecten, landschappelijke effecten en effecten op luchtkwaliteit. Het aansluiten op bestaande bedrijventerreinen zorgt ervoor dat deze bestaande effecten worden gebundeld met de toekomstige effecten van het nieuwe bedrijventerrein. Dit is in de geest van de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 5.5). Door deze bundeling worden er zo min mogelijk 'nieuwe' omwonenden belast met mogelijke effecten. Daarbij hebben bestaande bedrijventerreinen infrastructuur die erop is gericht de bedrijventerreinen zo goed als mogelijk te bedienen en het bestemmingsverkeer goed af te wikkelen.

Er is in de gemeente Venray gekeken naar locaties in de nabijheid van bedrijventerreinen die qua schaalniveau vergelijkbaar zijn met de ambitie van 30 ha netto bedrijventerrein. Bij bestaande bedrijventerreinen van een kleinere schaal zullen de effecten juist flink worden vergroot als er 30 ha nieuw netto bedrijventerrein bij komt.

Ten tijde van het onderzoek waren er vijf grootschalige (>30 ha) bestaande bedrijventerreinen binnen of grenzend aan de gemeente Venray:

  • 1. De Blakt en Witte Vennen. Deze terreinen liggen tegen elkaar aan, aan de oostkant van het knooppunt van de N270 en de A73.
  • 2. De Hulst II. Dit terrein ligt tussen de kernen van Oostrum en Venray ten noordoosten van het knooppunt N270 en A73.
  • 3. Smakterheide en Keizersveld. Deze terreinen liggen aan de noordkant van Venray, ten westen van de A73.
  • 4. Wanssum. Dit terrein ligt ten oosten van Wanssum, aan de noordkant van de N270.
  • 5. Venrayseweg II in Horst aan de Maas. Dit terrein ligt ten westen van de A73 aan weerszijden van de N553 (Venrayseweg). Het terrein zelf ligt net buiten de gemeentegrenzen van Venray, maar aan de noordzijde zou op grondgebied van Venray kunnen worden aangesloten bij dit bedrijventerrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0010.png"

Bedrijventerreinen binnen of grenzend aan de gemeente Venray

Voor deze grootschalige bedrijventerreinen is gekeken of er rond die terreinen ruimte is voor een nieuw bedrijventerrein binnen de gemeente Venray. Hierop zijn vijf locaties bepaald voor een eventueel nieuw bedrijventerrein:

  • 1. Locatie 1 ten zuiden van bedrijventerrein De Blakt.
  • 2. Locatie 2 ten noorden van bedrijventerrein De Hulst.
  • 3. Locatie 3 ten noorden van bedrijventerrein Smakterheide.
  • 4. Locatie 4 ten oosten van bedrijventerrein Wanssum.
  • 5. Locatie 5 ten zuiden van Castenray.

De ambitie van 30 ha netto bedrijventerrein is sterk gekoppeld aan de onderliggende financiële businesscase die voor een dergelijk terrein is opgesteld. Om aan de behoefte voor middelgrote en grootschalige bedrijventerreinen voor de maakindustrie, agrofood en logistiek in Venray te voldoen, is een oppervlakte van 30 ha netto nodig. Dit is nodig om minimaal kostenefficiënt het bedrijventerrein te kunnen uitbaten in een situatie dat het tegen zit.

Voor de vijf genoemde locaties is gekeken of het op voorhand mogelijk is om hier 30 ha netto bedrijventerrein te ontwikkelen. Concreet is er gekeken of er voldoende percelen zijn die op voorhand geen grote planologische en juridische belemmeringen hebben. Belemmeringen komen enerzijds voort uit een gebrek aan fysieke ruimte, in dit geval vanwege de aanwezigheid van woonkernen en/of bestaande bebouwing, en anderzijds door mogelijke grote juridische belemmeringen vanuit huidige weten regelgeving. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid en/of nabijheid van wettelijk en provinciaal beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden NNL). Gebieden met een dergelijke status zijn niet realistisch geacht voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein in het geval er locatiealternatieven zijn, die niet in dit type gebieden zijn gelegen. Uit deze analyse kwam naar voren dat de locaties 1 t/m 3 de mogelijkheid bieden om 30 ha netto bedrijventerrein te ontwikkelen. Van deze locaties is op hoofdlijnen beschouwd in hoeverre er kansen en /of risico's zijn voor inpassing en milieueffecten en of de locatiealternatieven daarin verschillen. Aansluitend op de milieuaspecten zijn de locaties beoordeeld op een aantal andere inhoudelijke criteria. Deze criteria zijn: bestaande eigendomsverhoudingen, ontsluiting en bereikbaarheid, risicoinschatting, en tijd.

Locatie 1 is goed te ontsluiten via de Deurnseweg. De mogelijke locatie aan de oostzijde van de A73 ligt relatief dichtbij de woonkern Oirlo, op een afstand van 350 meter. Hiermee ligt deze locatie maar net buiten de richtafstand van 300 meter van een woonkern, zoals deze voor geluid in de richtafstandenlijst van de VNG wordt gehanteerd. Op kortere afstand ligt een aantal individuele woningen. Er blijft daarmee een risico op effecten op het woon- en leefmilieu. De locatie heeft zeer beperkte ruimte, door de verkavelingstructuur (Oostzijde A73) of aanwezige natuurwaarden (westzijde A73) en is daardoor erg krap bemeten voor het uitwerken van klimaatadaptieve maatregelen (zoals water en groenstructuren) en een duurzame landschappelijke inpassing. Ook kent deze locatie door haar vorm en bestaande verkaveling weinig mogelijkheden voor het inpassen en uitgeven van grootschalige bedrijfskavels. Omwille de flexibiliteit in de uitgeefbaarheid van de (grootschalige) kavels is het niet wenselijk om op twee aparte locaties te ontwikkelen.

Locatie 2 kent zorgen als het gaat om de ontsluiting van het bedrijfsverkeer. De bestaande wegenstructuur sluit niet aan op de A73 en de ontsluitingsweg langs woningen brengt een risico op overlast (geluid en verkeer) met zich mee. De locatie ligt relatief dichtbij de woonkern Oostrum, op een afstand van circa 350 meter. Op kortere afstand liggen individuele woningen. Er blijft een risico op effecten op woon- en leefmilieu. De locatie heeft voldoende ruimte voor het inpassen van klimaatadaptieve maatregelen en het duurzaam landschappelijk inpassen van het terrein. Locatie 2 heeft de mogelijkheid voor het ontwikkelen / uitgeven van grootschalige kavels.

Locatie 3 is goed te ontsluiten via de bestaande uitvalswegen voor bedrijventerrein Smakterheide (Spurkt, Metaalweg). De locatie ligt op relatief grotere afstand van woonkernen (>800 meter). Er liggen wel enkele individuele (bedrijfs)woningen op kortere afstand van de locatie. In zijn algemeenheid is er niet of nauwelijks risico op effecten op woon- en leefmilieu, wanneer dit vergeleken wordt met de afstanden bij locatie 1 en locatie 2. De locatie kent voldoende ruimte voor het nemen van klimaatadaptieve maatregelen en het duurzaam landschappelijk inpassen van het terrein. Locatie 3 heeft de mogelijkheid voor het inpassen / uitgeven van grootschalige kavels.

Op basis van voorstaande analyse is locatie 3 ten noorden van het bestaande bedrijventerrein Smakterheide de voorkeurslocatie. Voor dit gebied is in 2019-2020 reeds een bestemmingsplan opgesteld. Echter dit bestemmingsplan heeft de gemeenteraad in 2020 niet vastgesteld. In 2024 is de planvoorbereiding voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Smakterheide weer ter hand genomen en is voorliggend TAM-omgevingsplan opgesteld..

1.3 Wijzigingsgebied

De voorgenomen ontwikkeling van Smakterheide Noord ligt ten noorden van het bestaande bedrijventerrein Smakterheide en is ca. 48,4 ha groot, waarvan 22 ha uitgeefbaar. Ten oosten van het wijzigingsgebied ligt de Rijksweg A73 en aan de zuidzijde is de weg Spurkt gelegen. Aan de noordzijde grenst het wijzigingsgebied aan het Loobeekdal. Het Loobeekdal is een natuurgebied met bloemrijke vochtige graslanden rond de Loobeek. Aan de westzijde wordt het wijzigingsgebied begrensd door een sloot en agrarisch gebied.

De uitbreiding is voorzien op de percelen kadastraal bekend als Venray, sectie U 91, 92, 93, 94, 103, 104, 107, 155, 157, 158, 159, 160, 161, 225, 226, 242, 243, 244, 246, 253, 289, 291, 292, 300, 322, 333, en deels sectie U 100, 105, 106, 151.
Een deel van de gronden dient nog verworven te worden. Er staan op dit moment nog vier bedrijfswoningen in het wijzigingsgebied (Spurkt 5, 5a t/m c en 8). De agrarische bedrijven die in het gebied gelegen zijn, worden niet ingepast in het plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0011.jpg"

Wijzigingsgebied

Huidige situatie

Het wijzigingsgebied kent een overwegend agrarisch karakter. Het landschap wordt gekenmerkt door rechte wegen met laanbeplanting, regelmatige blokverkaveling en verspreid gelegen boerderijen met erfbeplanting en kent een grote mate van openheid. Opvallend in het gebied is de overgang van het beekdal van de Loobeek naar de hoger gelegen dekzandruggen. Aan de oostzijde van het wijzigingsgebied is een dassenburcht gelegen (in driehoekje bos net buiten de grens van het wijzigingsgebied). Door het wijzigingsgebied loopt de TenneT hoogspanningsverbinding Boxmeer - Venray. TenneT heeft het voornemen om naast dit tracé een ondergrondse hoogspanningsleiding door het gebied aan te leggen.

1.4 Omgevingsplan van rechtswege

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Venray (/akn/nl/act/gm0984/2020/omgevingsplan, 7 augustus 2024). Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt onder andere de geldende bestemmingsplannen binnen het wijzigingsgebied die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege.

Het betreft de volgende bestemmingsplannen:

  • Buitengebied Venray 2010, vastgesteld op 14 december 2010.
  • Buitengebied Venray 2010, herziening regels, vastgesteld op 1 november 2016.
  • Buitengebied Venray 2010, herziening regels, vastgesteld op 20 september 2017.
  • Buitengebied Venray, Herziening regels Ruimtelijk Kwaliteitskader, vastgesteld op 31 oktober 2023.

De voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein Smakterheide is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan.

Tevens is het ontwerp TAM-omgevingsplan 150kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venray op 10 april 2025 gepubliceerd. De regeling voor de ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding is overgenomen in voorliggend TAM-omgevingsplan.

1.5 Planvorm

Deze wijziging van het omgevingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen:

  • 1. een plankaart (NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01) waarop de functies van het wijzigingsgebied zijn weergegeven. Deze functies zijn gerelateerd aan de regeling.
  • 2. de regeling waarin het gebruik van de binnen het wijzigingsgebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch is geregeld. De regeling is conform de Omgevingswet opgesteld.

Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Deze wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld met een motivering waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording zijn opgenomen.

1.6 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van deze wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen wijziging. Hoofdstuk 3 beschrijft het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 besteed aandacht aan de relevante beperkingengebieden. Hoofdstuk 5 schetst de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid van deze wijziging uiteengezet. Hoofdstuk 8 biedt een artikelsgewijze toelichting van de in de wijziging van dit omgevingsplan opgenomen regels.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen wijziging

2.1 Ambitie

Voor Smakterheide Noord heeft de gemeente de volgende ambitie: "een gezonde werk- en leefomgeving waarin we ondernemen met impact".

Het betreft de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein dat ruimte biedt aan kwalitatief hoogwaardige (Venrayse)bedrijven. Het is hierbij belangrijk om te vermelden dat 'kwalitatief hoogwaardige bedrijvigheid' in eerste instantie betrekking heeft op de verschijningsvorm/uitstraling van het vastgoed, in combinatie met de ambitie om nieuwe natuur te realiseren. De gemeente vindt de uitstraling van de bedrijven belangrijk en wil met Smakterheide Noord een werklandschap voor de toekomst ontwikkelen met representatieve bedrijven en een goede landschappelijke inpassing richting het Loobeekdal.

In het omgevingsprogramma economie 2025-2028 heeft de gemeente de doelstelling opgenomen om brede welvaart centraal te stellen bij economische ontwikkelingen in de gemeente. Het programma richt zich op het realiseren van een inclusieve arbeidsmarkt, het ondersteunen van innovatieve ondernemers en het creëren van een gezonde balans tussen bedrijvigheid en leefbaarheid. Het gaat om duurzame economische groei die de kwaliteit van leven verbetert.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0012.jpg"

Doelstelling omgevingsprogramma economie Venray

Een werklandschap van de toekomst betekent een groen, gezond en klimaatbestendig bedrijventerrein. Het gaat om een werklocatie waar mensen graag werken, die de gezondheid van de gebruikers bevordert en die klimaatbestendig, biodivers en natuurinclusief is. Daarnaast gaat het om het realiseren van een lagere voetafdruk (minder uitstoot CO2 en uitputting grondstoffen) en duurzaam ruimtegebruik.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn 6 duurzaamheidsthema's benoemd om voorstaande te kunnen realiseren in Smakerheide Noord.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0013.png"

De 6 duurzaamheidsthema's

Biodiversiteit

Met de ontwikkeling van 20 ha natuurgebied wordt een forse bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van natuurwaarden en ecologische verbindingen. De gemeente streeft er tevens naar om voor de percelen en de openbare ruimte van het bedrijventerrein zelf extra in te zetten op biodiversiteit. Door inzet op nest-, verblijfs- en voedselgelegenheden in gebouwen, op groene daken en in een groene inrichting van de openbare ruimte, kan ook het bedrijventerrein zelf een positieve bijdrage leveren aan biodiversiteit. De gemeente zal dit stimuleren bij de uitgifte van bedrijfskavels.

Klimaatadapatie

De inrichting van een bedrijventerrein brengt risico's met zich mee dat droogte en hittestress de leefkwaliteit op straatniveau negatief beïnvloeden. Het is daarom belangrijk om, ondanks de realisatie van een nieuw natuurgebied rondom, ook op het bedrijventerrein zelf in te zetten op voldoende groen én het vasthouden van water.

Energie

Netcongestie zorgt ervoor dat bedrijven niet altijd direct kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Voor kleinverbruikers blijven nieuwe aansluitingen doorgaans mogelijk, terwijl voor grootverbruikers op dit moment beperkingen gelden. De verwachting is echter dat op langere termijn ook voor grootverbruik weer ruimte ontstaat.

Om toekomstige aansluitingen mogelijk te maken streeft de gemeente ernaar om in nauwe samenwerking met de netbeheerder hieraan een nadere uitwerking te gegeven in de vorm van een energieconcept waarin aspecten als groepstransportovereenkomsten, afstemming tussen vraag- en aanbod van energie, opslag en slimme sturing en een koppeling met slimme laadinfrastructuur aan de orde komen. Samen met de netbeheerder moet worden onderzocht onder welke technische en contractuele randvoorwaarden een collectieve oplossing haalbaar is, waarbij zowel de huidige mogelijkheden voor kleinverbruik als de toekomstige perspectieven voor grootverbruik worden meegenomen.

Circulariteit

Circulair bouwen is kansrijk voor zowel de openbare ruimte als voor de gebouwen zelf. Het gebruik van biobased en hergebruikte materialen kan worden geïntegreerd in het ontwerp van de openbare ruimte en actief worden gestimuleerd bij de uitgifte van kavels.

De gemeente streeft hierbij vooral naar het inzetten op duurzaam ruimte- en materiaalgebruik: door het mogelijk maken van multifunctioneel ruimte- en dakgebruik, het mogelijk maken van het stapelen van functies en het delen van voorzieningen (shared service center).

Een circulaire werkwijze vraagt echter ook om specifieke ruimtelijke voorzieningen. Denk hierbij aan opslaglocaties voor herbruikbare materialen, ruimte voor het sorteren en bewerken van bouwmaterialen en gedeelde faciliteiten voor bijvoorbeeld logistiek en energieopwekking. Deze elementen moeten al in een vroeg stadium worden meegenomen in de planvorming, zodat circulariteit niet alleen een ambitie blijft, maar ook praktisch uitvoerbaar is binnen de beschikbare ruimte.

Mobiliteit

Bedrijventerreinen kenmerken zich over het algemeen door de hoeveelheid verharding en verkeer (auto en logistiek). Lopen en fietsen op bedrijventerreinen is vaak de minder aantrekkelijke optie en vaak zelfs onveilig. De gemeente streeft naar een efficiënter ruimtegebruik dat leidt tot meer ruimte voor langzaam verkeer (lopen en fietsen) en groen waardoor er een aantrekkelijkere werkomgeving ontstaat op het bedrijventerrein. Daarnaast heeft de gemeente aandacht voor eventuele collectieve parkeervoorzieningen, (slimme) laadinfrastructuur en deelmobiliteitsvoorzieningen.

Gezonde leefomgeving

Een toekomstbestendig bedrijventerrein biedt een aantrekkelijke en gezonde werk- en leefomgeving, die innovatie en samenwerking stimuleert en ruimte biedt voor ontspanning en beweging. Het delen van voorzieningen draagt bij aan een interactie- en innovatiemilieu.

Sociale veiligheid is op veel bedrijventerreinen een probleem, doordat deze 's avonds en in het weekend verlaten zijn. Het programmeren van functies zoals sporten en multifunctioneel gebruik van ruimtes en openbare ruimte 's avonds en in het weekend draagt bij aan meer sociale veiligheid gedurende de week.

2.2 Inrichting

Smakterheide Noord voorziet in een ontwikkeling tot een modern, duurzaam en functioneel bedrijventerrein op basis van een goede bereikbaarheid en intensief/meervoudig ruimtegebruik. Het plan gaat voorzien in 22 ha aan uitgeefbare kavels.

Inrichtingsvoorstel

Voor de inrichting van het bedrijventerrein is gezocht naar één integraal inrichtingsvoorstel dat zowel invulling geeft aan de opgave voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein, alsook optimaal rekening houdt met de aanwezige kenmerken en omgevingswaarden in en om het wijzigingsgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0014.png"

Inrichtingsvoorstel

Op basis van een ruimtelijke analyse van de huidige situatie zijn de ontwerpprincipes voor landschap en stedenbouw bepaald die de basis vormen voor de verdere uitwerking van het inrichtingsvoorstel (zie Bijlage 4 bij de regeling). De vier ontwerpprincipes voor landschap zijn:

  • Maximaliseren uitwisseling ecologische biotopen.
  • Vergroten leesbaarheid beekdallandschap.
  • Versterken beleving diversiteit in landschappen.
  • Verweving landschap en bedrijventerrein voor optimale overgang.

Ten aanzien van stedenbouw zijn de volgende vier ontwerpprincipes gedefinieerd:

  • Optisch balanceren: Korrelgrootte als basis voor een harmonieuze overgang tussen bestaand en nieuw op het bedrijventerrein.
  • Dubbele identiteit: Een representatieve zijde voor het bedrijventerrein en een natuurlijke zijde voor aansluiting op het landschap.
  • Van variatie naar structuur: Een strakke rooilijn als contrast met de verspringende rooilijn van de bestaande situatie brengt rust in het wegbeeld.
  • Gelaagde mobiliteit: Een netwerk van routes met een duidelijke hiërarchie voor auto-, fiets- en wandelverkeer.

Stedenbouwkundig-landschappelijk schetsontwerp

Het inrichtingsvoorstel is nader uitgewerkt in een stedenbouwkundig-landschappelijk schetsontwerp (zie Bijlage 4 bij de regeling). In het schetsontwerp wordt een inrichtingsprincipe gegeven voor de vormgeving van de ontsluitingsstructuur en de aansluiting op de weg Spurkt, wordt het groen- en watersysteem geïntegreerd en wordt een stedenbouwkundig flexibele verkaveling voorgesteld. Dit schetsontwerp vormt de basis van voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0015.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0016.png"  

Stedenbouwkunidg-landschappelijk schetsontwerp

Smakterheide Noord gaat uit van een landschappelijke inpassing en krijgt een nadrukkelijke relatie met het omliggende landschap. De groenstructuur is de drager van Smakterheide Noord. De bedrijfsbebouwing wordt daar op zorgvuldige wijze ingepast. Het bieden van de juiste kavelmaten en vooral de flexibiliteit hierin is van groot belang voor de aantrekkelijkheid van Smakterheide Noord.

Smakterheide Noord wordt een inspirerende plek waar duurzame economische groei en natuur elkaar ontmoeten. Op 22 hectare vormen moderne, flexibele kavels tot maximaal 2 hectare de ideale basis voor lokale ondernemers om te groeien en te innoveren. Met de ontwikkeling van 20 hectare natuurgebied ontstaat een groene, biodiverse buffer die naadloos aansluit op het Loobeekdal.

Dit gebied vormt niet alleen een belangrijke stap richting klimaat- en natuurdoelstellingen, maar ook een aantrekkelijke stadsrand waar inwoners van Venray kunnen genieten van rust, recreatie en natuur. Smakterheide Noord is een toekomstbestendig bedrijventerrein waar bedrijvigheid, duurzaamheid en leefbaarheid samenkomen.

Het nieuwe bedrijventerrein sluit qua verkaveling, en bouwhoogtes aan op het bestaande bedrijventerrein. Zo wordt de Spurkt een centrale groen as die de entree vormt vanaf deze zijde van het gebied. De bedrijfspanden zijn hier representatief, maar stralen ook rust en eenheid uit in positionering, gevelhoogte, materiaalgebruik en reclame. Opslag en parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken door deze aan de zij- of achterkanten te positioneren.

Het bedrijventerrein heeft een groene uitstraling en draagt bij aan de klimaat- en natuurdoelstellingen. Biodiversiteit wordt versterkt, energie wordt zoveel mogelijk zelf opgewekt, regenwater wordt zo lang mogelijk vastgehouden en reststromen worden zo goed mogelijk hergebruikt. De groene zoom biedt verschillende wandelrondjes en ervaringen voor de werknemers van het bedrijventerrein.

De inrichting van de buitenruimte versterkt de beleving van de overgang van het natte beekdal naar de droge dekzandrug. Deze overgang komt tot stand in de vijf landschappelijke inprikkers die de bouwkavels van elkaar scheiden (zie paragraaf 5.2.2).

Bij een nieuwe bedrijventerreinontwikkeling is een duurzame en toekomstbestendige infrastructuur en ontsluiting een voorwaarde voor een goed vestigingsklimaat. Smakterheide Noord wordt centraal ontsloten via de weg Spurkt. Voor het nieuwe bedrijventerrein ten westen van de Metaalweg wordt een interne ontsluitingslus gerealiseerd. De wegstructuur en dimensionering voldoen hierbij aan zowel de eisen van veiligheid als de eisen van functionaliteit. Verder wordt er een goede ontsluiting gerealiseerd voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers), waarbij wordt aangehaakt op het reeds bestaande netwerk en de landwegen in het buitengebied.

Op Smakterheide Noord wordt uitgegaan van parkeren op eigen terrein. Dit geldt ook voor het laden en lossen van goederen.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het project toegelicht en wordt het project hieraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en Rijksregels

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken.

In Nederland zijn er een aantal dringende maatschappelijke opgaven, die niet apart van elkaar kunnen worden opgelost, maar in samenhang bekeken moeten worden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving van Nederland. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie.
  • 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden.
  • 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken.
  • 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.


ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbetert het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig. Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen.


ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken

Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet stedelijk gebied moet plaatvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht.


ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen

Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem. Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid. Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast. Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermd en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut. Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt.

Om beleidskeuzes op een voorspelbare en heldere wijze te maken, worden er door de NOVI drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen bij het prioriteren van de diverse opgaven en belangen:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • Afwentelen wordt voorkomen.

De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende, brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten:

  • We werken als één overheid, samen met de samenleving.
  • We stellen de opgave(n) centraal.
  • We werken gebiedsgericht.
  • We werken permanent en adaptief aan de opgaven.

Relatie met het omgevingsplan

Met de voorgenomen uitbreiding wordt ruimte gecreëerd voor lokale en regionaal gebonden bedrijven. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bedrijven niet worden aangesloten op het gasnetwerk en dat de daken van de bedrijven geschikt dienen te zijn voor de plaatsing van zonnepanelen. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan het duurzaam economisch groeipotentieel van Venray en de omliggende regio. Door te kiezen voor de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein in plaats van het creeëren van nieuwe bedrijfsruimte elders in Venray wordt bovendien aangesloten bij de voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van werklocaties geclusterd in of nabij het stedelijk gebied.

Door voldoende ruimte te bieden aan groen, met de ontwikkeling van 20 ha aan (natte) natuur, draagt dit omgevingsplan ook bij aan de nationale doelstellingen omtrent klimaatadaptatie en bodem en water sturend. Daarnaast brengt het ontwikkeling van groen in combinatie met het beschermen van landschappelijke kwaliteit een positieve toevoegen aan de ambitie bodem en water sturend.

Ook wordt in het plan rekening gehouden met een goed leefklimaat voor de werknemers door de openbare ruimte zo in te richten dat er een prettige werkomgeving ontstaat die klimaatadaptief is. Voor de wijziging van het omgevingsplan kent de Nationale Omgevingsvisie geen relevante bepalingen. Het voorliggend plan past daarmee binnen het beleid uit de Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2 Instructieregels Rijk

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's:

  • Voldoen aan de Dienstenrichtlijn (paragraaf 5.1.1).
  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2).
  • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3).
  • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit.
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking.
  • Behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) zoals autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden.
  • Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouw categorieën.
  • Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
  • De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving (paragraaf 5.2).


In de volgende paragrafen zijn de voor deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.

3.1.2.1 Omgevingsveiligheid

Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises.

In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid, die met deze activiteiten binnen het wijzigingsgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd.

Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen (artikelen 5.7 en 5.11 Bkl). Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen.

Relatie met het omgevingsplan

Voor het aspect omgevingsveiligheid wordt verwezen naar paragraaf 6.9.

3.1.2.2 Water

Op grond van artikel 5.37 Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken.

Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. Op Europees niveau is dit de Kaderrichtlijn Water (KRW), op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet.

Het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt, is opgenomen in de waterschapsverordening.

Relatie met het omgevingsplan

Door de toenemende verstedelijking en klimaatverandering dient steeds meer rekening te worden gehouden met water binnen ruimtelijke plannen. De toename van verhard oppervlak zorgt naast hitte en verdroging ook voor een vergrote kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten alle waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het wijzigingsgebied expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Vroegtijdig overleg en afstemming met de waterbeheerders is daarom van groot belang.

Voor de weging van het waterbelang wordt verwezen naar paragraaf 6.2.

3.1.2.3 Luchtkwaliteit

Het Bkl geeft in hoofdstuk 5 (paragraaf 5.1) instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten (artikel 5.51 Bkl):

  • die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of
  • waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Relatie met het omgevingsplan

Voor het onderzoek luchtkwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 6.7.

3.1.2.4 Geluid

Het Bkl beoogt de burger te beschermen tegen hoge geluidbelastingen. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen omtrent geluid als gevolg van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor geluid op bedrijventerreinen bepaalt de gemeente in haar omgevingsplan zelf het beschermingsniveau, op basis van de instructieregels uit het Bkl. Er is in het Bkl wel een standaardwaarde voor bedrijventerreinen opgenomen (artikel 5.65 Bkl). Als een omgevingsplan een activiteit toelaat op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kan het omgevingsplan, voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van geluid en het maximaal geluidniveau LAmax door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen op dat bedrijventerrein als waarden de standaardwaarden verhoogd met 5 dB(A), bevatten.

Relatie met het voorliggend plan

In deze wijziging van het omgevingsplan gaat het om het mogelijk maken van de uitbreiding van een bedrijventerrein. In dit kader is een geluidsonderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie paragraaf 6.6).

Op basis van de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (oktober 2024) zijn in de regeling regels opgenomen voor de gebruiksruimte geluid op het bedrijventerrein. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf Milieuzonering.

3.1.2.5 Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand (Ladder voor duurzame verstedelijking)

In het Bkl is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (artikel 5.129g). Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Relatie met het omgevingsplan

In paragraaf 5.5 is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen.

3.1.2.6 Toegankelijkheid openbare ruimte

Paragraaf 5.1.8 van dit besluit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte in dat plan rekening gehouden wordt met het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

In artikel 5.162 Bkl zijn instructieregels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Dit artikel brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder. Zo kan bij regels in het omgevingsplan over de inrichting expliciet aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid voor mensen in een rolstoel en mensen met bijvoorbeeld visuele beperkingen. Als maatregelen nodig zijn kunnen deze geborgd worden in de regels van het omgevingsplan.

Door bij nieuwe ontwikkelingen vroegtijdig, dat wil zeggen bij inrichting en ontwerp, met toegankelijkheid van openbare ruimten rekening te houden, leidt deze instructieregel naar verwachting niet tot hogere kosten en bestuurslasten. De "Integrale toegankelijkheidsstandaard" (ITS) wordt hierbij betrokken voor zover die gaat over de openbare buitenruimte. In de ITS zijn algemene toegankelijkheidsrichtlijnen en normen omgewerkt naar bouwtechnische eisen die kunnen worden toegepast bij ontwerp en realisatie van integraal toegankelijke projecten. Het gaat er in de openbare buitenruimte, die heel divers is, niet om dat de ITS naar de letter wordt toegepast, maar dat deze behulpzaam is bij het maken van een afweging welke onderdelen van de openbare ruimte voor een ieder toegankelijk moeten zijn en tot welke regels dit in het omgevingsplan leidt. Daarnaast heeft bijvoorbeeld ook het kennisplatform CROW-richtlijnen voor integrale toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.

Relatie met het omgevingsplan

In de verdere uitwerking van het inrichtingsvoorstel van het bedrijventerrein wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid van de buitenruimte en de bedrijven zelf voor rolstoelgebruikers en slechtzienden.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Limburg fungeert als de leidraad voor de opgestelde ambities van de provincie Limburg om de kwaliteiten van Limburg in de toekomst te versterken. De provincie streeft ernaar om Limburg zo toekomstbestendig mogelijk te ontwikkelen waarbij steeds de balans gezocht wordt tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is vastgesteld op 1 oktober 2021 en bevat de belangrijkste ambities voor de periode 2021 tot 2030 en 2050. De Omgevingsvisie is opgedeeld in verschillende thema's, waarbij tevens ingegaan wordt op een gebiedsgericht onderdeel. Centraal binnen de Omgevingsvisie staan een drietal hoofdopgaven.

1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving 

Ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, energie en economie hebben een grote impact op de samenleving. Uit prognosecijfers blijkt dat de samenstelling van de bevolking van Limburg verandert. Voor het jaar 2050 zal er een daling zijn ten opzichte van 2020 van ongeveer 45.000 - 115.000 inwoners. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op de fysieke leefomgeving, zowel in landelijk als stedelijk gebied. In stedelijke gebieden heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid en de bereikbaarheid en/of toegankelijkheid van voorzieningen.

2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie 

Limburg kent een economie waarbij innovatieve bedrijven en MKB goed gerepresenteerd zijn. Tot 2020 groeide het aantal banen in Limburg, waarbij de welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau toenamen. Echter is gebleken dat de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag is. De provincie Limburg wil de arbeidsparticipatiegraad verhogen, waarbij tevens ingezet wordt op het aantrekken van internationale werknemers. Op deze manier kunnen ontwikkelingen zoals digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten tegengaan. Daarnaast kan het harmoniseren van sociaal-economische spelregels, het verbeteren van (grensoverschrijdende) bereikbaarheid en de aansluiting op de (inter)nationale energiehoofdstructuur en/of digitale netwerken veel kansen bieden voor de provincie Limburg. Het is daarom uiterst belangrijk dat er geïnvesteerd wordt in infrastructuur en bereikbaarheid via de weg, het spoor, water, lucht, buis of digitaal.

3. Klimaatadaptatie en energietransitie

Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Ook voor de provincie Limburg zal er in de komende jaren een grote verandering in de energievoorzieningen ontstaan. Energiebesparing en het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie zal een grote impact hebben op de leefomgeving in Limburg.

Limburgse principes

Elke afweging die gemaakt wordt binnen de thema's wordt gedaan op basis van de Limburgse principes:

  • 1. We streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving
  • 2. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal
  • 3. Meer stad, meer land
  • 4. We gaan zorgvuldig om met onze ruimte en voorraden; boven- en ondergronds
  • 5. Procesmatige uitgangspunten zoals gebiedsgericht en adaptief werken.

Algemene zonering

Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Ontwikkelingen dienen te passen binnen deze zonering. De algemene zonering van Limburg bestaat uit:

  • 1. Landelijke gebieden: waaronder de groenblauwe mantel, het Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura 2000-gebieden) en het buitengebied.
  • 2. Bebouwde gebieden: waaronder het stedelijk gebied, stedelijk centra, landelijke kernen en werklocaties.
  • 3. Infrastructuren: waaronder (inter)nationale wegen, provinciale wegen, (inter)nationale spoorwegen en waterwegen, (lucht)haven en (inter)nationale leidingstroken.

Economie

In hoofdstuk 8 van de Omgevingsvisie zijn de opgave en ambities van de Provincie op het gebied van economie opgenomen.

Limburg heeft te maken met mondiale opgaven en transities op het gebied van energie, duurzaamheid, voedsel, gezondheid en digitalisering. Deze transities hangen samen en wijzen in de richting van een circulaire economie. Deze opgave biedt kansen voor innovatie en groei van de Limburgse bedrijvigheid, het vraagt echter ook om een sterk adaptief vermogen van ondernemers en ondernemingen. Vooral omdat de Limburgse economie met onder meer haar (maak-)industrie, agrofoodcomplex, logistiek, vrijetijdseconomie en zorg extra gevoelig is voor de grote technologische en digitale veranderingen.

Bij een toekomstbestendige economische structuur hoort ook een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor ondernemers, werknemers en studenten. Een goede infrastructuur en bereikbaarheid – zowel via weg, spoor, water, lucht en buis als digitaal – is hiervoor essentieel.

Naast de campussen zijn grote economische dragers zoals, Maastricht-Aachen Airport, Chemelot Industrial Park, Greenport Venlo, de centra van de grote steden, maar ook de mogelijke vestiging van de Einstein Telescoop in Zuid-Limburg van belang voor de economische structuur en werkgelegenheid in Limburg.

Ook de vrijetijdseconomie vormt een belangrijke economische pijler in Limburg. Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn de kwaliteit van landschap en natuur, aantrekkelijke steden en een goede bereikbaarheid van belang.

Voor de economische ontwikkeling van Limburg blijft versterking van de regionale economische structuur binnen een excellent vestigingsklimaat het uitgangspunt. De ruimtelijke mogelijkheden zijn rand voorwaardelijk voor deze ambitie.

Limburg werkt aan een circulaire economie waarin energie, grondstoffen, materialen en componenten zo lang mogelijk en weloverwogen van waarde blijven voor productie en consumptie. Daarbij is het belangrijk om spaarzaam om te gaan met natuurlijke en vaak eindige grondstofbronnen.

Werklocaties

In hoofdstuk 9 van de Omgevingsvisie zijn de opgave en ambities van de Provincie op het gebied van werklocaties opgenomen.

Voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven is geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet hij niet aan de eisen van de gebruikers. Die eisen kunnen bovendien in de toekomst veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen. In Noord-Limburg ontstaat druk op grootschalige kavels die met name gebruikt worden door logistieke bedrijven. Dit vraagt om het maken van keuzes.

Het is de ambitie om ook in de toekomst te beschikken over genoeg werklocaties en goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven: bedrijventerreinen, kantoorlocaties en winkelgebieden. Samen met gemeenten en/of eigenaren werkt de Provincie de komende jaren toe naar werklocaties die zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht aan de maat zijn. Daarbij dient zo efficiënt mogelijk te worden omgaan met het ruimtebeslag.

Relatie met het omgevingsplan

De voorgenomen ontwikkeling heeft voornamelijk een raakvlak met de tweede hoofdopgave, een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt ruimte gecreëerd voor lokale en regionaal gebonden bedrijven. Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de Limburgse principes. Zo wordt bij de inrichting van het bedrijventerrein rekening gehouden met een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, door gezondheidsoverlast op gebied van geluid en luchtkwaliteit zo veel als mogelijk te voorkomen, rekening te houden met omgevingsveiligheid en door de openbare ruimte zo in te richten dat een aantrekkelijk gebied ontstaat. Daarnaast wordt gekozen voor een goede landschappelijke inpassing die recht doet aan de kenmerken en identiteit van het gebied. De ontwikkeling sluit ook aan bij het principe 'meer stad, meer land' omdat de bedrijfslocaties worden ontwikkeld direct grenzend aan het bestaande bedrijventerrein in plaats van op een nieuwe locatie in het buitengebied. Tevens wordt ook rekening gehouden met een openbare ruimte die klimaatadaptief is en bijdraagt aan de verduurzaming en biodiversiteit, door het toevoegen van kwalitatief en divers groen en voorzieningen voor waterberging. De voorgenomen ontwikkeling past ook binnen de ambities op het gebied van economie en werklocaties. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de Omgevingsvisie van Limburg.

3.2.2 Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Provinciale Staten hebben deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021 en gewijzigd op 16 december 2022.

De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:

  • instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven;
  • regels voor activiteiten die voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen.

Met de Omgevingsverordening Limburg wordt beoogd om de doorwerking van het provinciaal beleid naar gemeenten en andere partners te borgen. De instructies die in de omgevingsverordening staan, moeten door de gemeenten in acht worden genomen bij het opstellen (of wijzigen) van het omgevingsplan.

In de volgende paragrafen zijn de van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.

3.2.2.1 Instructieregel Klimaatadaptatie

In artikel 3.5 is de Instructieregel Klimaatadaptatie opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

In de beschrijving worden in ieder geval de risico’s wateroverlast, overstroming en droogte betrokken. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten.

Relatie met het voorliggend plan

In paragraaf 6.3 van deze motivering is de beschrijving van het aspect klimaatadaptatie opgenomen.

3.2.2.2 Instructieregel Groenblauwe mantel

In artikel 7.6 is de Instructieregel Groenblauwe mantel opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel een beschrijving bevat van:

  • a. de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel;
  • b. de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg in het bijzonder met het oog op de impact voor de in het aanwijzingsbesluit aangewezen habitattypen en soorten in de Natura 2000-gebieden (inclusief Natura 2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven) en overige bedreigde soorten die er hun leefgebied hebben;
  • c. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg;
  • d. de waarde van het plangebied voor het bieden van ruimte voor water en als waterberging in laagten en beekdalen
  • e. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a tot en met d;
  • f. hoe op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van de waarden onder a t/m d.
  • g. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “het groene karakter” worden de regels opgenomen in bijlage IX van de omgevingsverordening gevolgd.

Relatie met het voorliggend plan

In paragraaf 5.2 van deze motivering is de beschrijving van het aspect Groenblauwe mantel opgenomen.

3.2.2.3 Instructieregel Bedrijventerreinen

De voorgenomen ontwikkeling is gelegen binnen de gebiedsaanwijzing 'bedrijventerreinen'. In artikel 12.5 is de Instructieregel Bedrijventerreinen opgenomen. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.

Deze instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan geen bedrijfskavel toelaat met een oppervlakte van meer dan 5 hectare, dat er ook geen bedrijfskavels mogen worden samengevoegd indien hierdoor bedrijfskavels groter dan 5 hectare ontstaan en dat er geen gebouwen worden gerealiseerd of met elkaar worden verbonden waarbij de grens van een bedrijfskavel wordt overschreden.

Tevens bepaalt de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van een bedrijventerrein een verantwoording bevat van de wijze waarop invulling is gegeven aan bovenstaande, en een beschrijving bevat van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Doorwerking met het omgevingsplan

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bedrijfskavels tussen de 0,5 en 2,75 hectare. Dit is vastgelegd in artikel 6 van de regeling. Tevens is de verkaveling vastgelegd in het kostenverhaal.

Relatie met het omgevingsplan

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor een bedrijventerrein. Deze ontwikkeling sluit aan bij de Limburgse principes, zoals is toegelicht in paragraaf 3.2.1. De voorgenomen ontwikkeling voldoet ook aan de algemene zonering. Het beoogde bedrijventerrein is grotendeels gelegen binnen de in de Omgevingsverordening opgenomen zonering 'bedrijventerreinen', met uitzonering van het noordelijke deel dat is gelegen in de zonering 'Groenblauwe mantel'. In dit noordelijke deel worden echter geen bedrijfspercelen voorzien, maar wordt ruimte geboden voor een groene buffer en is daarmee passend binnen de zonering 'Groenblauwe mantel'. De ontwikkeling draagt bij aan de versterking van de regionale economische structuur en is niet strijdig met de ambities die zijn opgenomen in hoofdstuk 8 uit de provinciale omgevingsvisie. De uitbreiding van het bedrijventerrein past ook binnen de ambities uit hoofdstuk 9 om genoeg en kwalitatief goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven te creeëren. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet op ruimte voor lokale en regionale bedrijven van maximaal 2 ha, hetgeen aansluit bij de vraag en voorkomt dat er te veel druk op de omgeving komt.

De beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding, is opgenomen in paragraaf 1.2.

3.2.2.4 Instructieregel Zonnepanelen op de daken van bedrijfsgebouwen

In artikel 13.2 is de Instructieregel Zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen opgenomen. Hierin wordt gesteld dat de motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfsgebouw, beschrijft op welke wijze gebruik is gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2.3 van het Bbl tot het stellen van maatwerkregels gericht op het maximaal benutten van het dakoppervlak van bedrijfsgebouwen voor het plaatsen van zonnepanelen.

Relatie met het voorliggend plan

Het realiseren van zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen worden in dit TAM-omgevingsplan niet onmogelijk gemaakt.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regiovisie Noord-Limburg (2020)

In 2012 hebben de besturen van de acht regiogemeenten gezamenlijk de strategische visie ‘Regio in Balans’ vastgesteld. Dit was het eerste regionale visiedocument voor de regio Venlo. De aanleiding destijds om een dergelijk document te maken was de behoefte om als Noord-Limburgse gemeenten gezamenlijk te komen tot een coherent regionaal toekomstperspectief, een afwegingskader, waarbinnen beleidskeuzes en investeringsbeslissingen op Noord-Limburgse schaal voor de middellange termijn konden worden afgewogen. In de periode 2018 - 2020 is deze visie geactualiseerd.

De regionale samenwerking Noord Limburg is het platform voor samenwerking en afstemming tussen gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray. Deze acht gemeenten bundelen hun krachten om een impuls te geven aan de verdere ontwikkeling van de regio en het oplossen van urgente maatschappelijke vraagstukken. Onlangs hebben de acht gemeenten in Noord-Limburg de ambitie uitgesproken de gezondste regio van Nederland te worden.

De gezondheid van de regio wordt gedragen door zes pijlers:

  • 1. Ondernemen en innoveren: Gezond ondernemen
  • 2. Vitaal en gezond: Gezond zijn en gezond blijven
  • 3. Toerisme en Leisure: Gezond leven
  • 4. Landelijk gebied: Gezonde leefomgeving
  • 5. Mobiliteit en logistiek: Gezond verbinden
  • 6. Energie en klimaat: Gezond leefklimaat

Relatie met het omgevingsplan

Met de inrichting van het bedrijventerrein Smakterheide Noord is nadrukkelijk rekening gehouden met een gezonde werkomgeving door een werklandschap van de toekomst te creëren. Een werklandschap van de toekomst betekent een groen, gezond en klimaatbestendig bedrijventerrein. Zo wordt aan de noordzijde een groene buffer gecreëerd waar ruimte aanwezig is om een ommetje te maken en duurzaam watersysteem te realiseren. Ook wordt er een goede ontsluiting voor fietsers gerealiseerd, zodat werknemers met de fiets naar het bedrijventerrein kunnen komen. Verder wordt ook ruimte gecreëerd voor duurzame vormen van energie-opwekking, zoals daken die geschikt zijn voor zonnepanelen.

3.4 Beleid Waterschap

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen.

3.4.1 Waterschapsverordening

De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. In de waterschapsverordening staan regels voor verschillende soorten activiteiten met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving in samenhang met water.

De regels zijn nodig om het watersysteembeheer en de zuiveringstaak, en eventueel het wegenbeheer, goed te kunnen vervullen. Ze gaan over:

  • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste
  • veilig en doelmatig gebruik, in overeenstemming met de functies die volgens de wet aan het watersysteem toegedeeld zijn. Denk aan drinkwatervoorziening, voedselvoorziening, industrie, landbouw, visserij, transport, recreatie, enzovoorts
  • de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de chemische grondwaterkwaliteit.

In de waterschapsverordening staan niet alleen regels voor het waterschap. Er gelden ook verplichtingen voor een initiatiefnemer. Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen. Het gaat om de volgende activiteiten:

  • lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam
  • lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie)
  • activiteiten in of nabij het oppervlaktewater
  • activiteiten in, op of nabij waterkeringen
  • het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem
  • activiteiten aan, op of nabij wegen in het beheer van het waterschap.

Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de lozing uit een gebied niet toe mag nemen. Een ontwikkeling waar bestaande verharding wordt vervangen voor nieuwe verharding wordt ook gezien als een toename aan verharding. Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. Waterschap Limburg hanteert geen ondergrens. Dynamische bergings- en infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op met een inhoud van 100 mm in het (noordelijk) beheergebied van Waterschap Limburg.

Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/ infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Limburg maximaal 2 l/s/ha geloosd worden. Er dient boven de inhoud van de dynamische berging een waking gehanteerd te worden van minimaal 25 cm. Geadviseerd wordt een waking van 50 cm te hanteren.

Relatie met het voorliggend plan

In paragraaf 6.2 van deze motivering wordt ingegaan op de weging van het waterbelang.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Omgevingsvisie Venray 2023

De Omgevingsvisie Venray 2023 is op 21 december 2023 vastgesteld. In de omgevingsvisie wordt getoond voor welke uitdagingen de Gemeente Venray staat en waar de gemeente naar toe wil in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’. In de omgevingsvisie komen de verschillende opgaven samen in vier integrale hoofdambities voor de komende 10 à 20 jaar.

Groen wonen voor iedereen

In Venray is het fijn wonen in een groene omgeving. De komende jaren vinden er grote ontwikkelingen in de samenleving plaats. Venray krijgt te maken met een groeiende bevolking en een sterke vergrijzing. De groeiende en veranderende bevolking woont in 2030 groen, gezond en veilig in Venray. Er is voldoende groen en ruimte om te sporten, te bewegen en te spelen. Sociale contacten zijn onmisbaar in een fijne woonomgeving. De gemeente zorgt voor toegankelijke ontmoetingsplekken in de wijken. Wanneer inwoners van Venray samen met elkaar optrekken ontstaan er waardevolle verbindingen.

Een gezond Venray heeft de toekomst

Venray bereidt zich voor op de toekomst. Er zijn grote opgaven als klimaatadaptatie, energietransitie en een circulaire economie. Dit vraagt om bewustwording binnen de gemeente, maar ook om een actieve aanpak. De gemeente zet in op een goede milieukwaliteit, duurzame energiebronnen, kringlooplandbouw en het stimuleren van innovatie in de agrarische sector. De gemeente heeft een voorbeeldfunctie op het gebied van duurzame maatregelen. Woningen en bedrijven worden duurzamer en de leefomgeving wordt gezonder. Deze ambitie gaat over het verbeteren van de milieukwaliteit en het gezond zijn van de leefomgeving.

Venray bloeit, bruist en boeit

De gemeente richt zich op een toekomstig Venray waar het aantrekkelijk is voor inwoners en bedrijven om zich te vestigen en te ontwikkelen. Bedrijventerreinen worden aantrekkelijk gemaakt door het versterken van de samenwerking tussen ondernemers, een groene uitstraling en een betere bereikbaarheid (niet alleen met de auto, maar ook met openbaar vervoer en de fiets). Het centrum is goed bereikbaar en aantrekkelijk, waarbij elk pand gevuld is met een leuke winkel, horeca of cultuur en het is er prettig om te wonen. Ook wordt in de gehele gemeente ingezet op een sterk en onderscheidend toeristisch-recreatief aanbod. Hiermee biedt Venray een aantrekkelijk woon-, werk- en verblijfsklimaat voor (huidige en toekomstige) inwoners, ondernemers en bezoekers.

Natuurlijk Venray

De natuur en groene omgeving is een belangrijke kwaliteit van de gemeente. De gemeente wil de kwaliteiten op het gebied van landschap, natuur, water, bodem en cultureel erfgoed zoveel mogelijk versterken en de belevingswaarde hiervan verhogen. Zo wordt ervoor gezorgd dat ook toekomstige generaties van Venray kunnen genieten.

Relatie met het omgevingsplan

De ontwikkeling van het bedrijventerrein sluit aan bij de ambities van de gemeent Venray om een aantrekkelijke gemeente te zijn voor bedrijven om zich te vestigen en te ontwikkelen. Met de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt bewust gekozen om ruimte te bieden aan lokale en regionale bedrijvigheid. Het plan draagt ook bij aan de ambitie Natuurlijk Venray om nieuwe natuur te ontwikkelen. Het bedrijventerrein wordt zo ingericht dat het een aantrekkelijke werklocatie is, met een groene uitrstraling en ruimte voor ontspanning. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee passend binnen de ambities uit de Omgevingsvisie Venray 2023.

3.5.2 Visie circulaire economie

We leven op het moment in een overwegend lineaire economie. Dat betekent dat we grondstoffen
vermaken tot een product en uiteindelijk afstoten als het product geen doel meer heeft en afval is geworden. Hierdoor verliezen we veel van onze kostbare grondstoffen en we richten tevens milieuschade aan. Om welvaart en welzijn ook in de toekomst te waarborgen, is er steeds meer behoefte aan een duurzame, circulaire economie. In deze visie wordt de richting verwoord die Venray de komende jaren gaat volgen om circulaire economie na te streven. Een circulaire economie gaat dus over het zo hoogwaardig mogelijk in de kringloop houden van grondstoffen. Hiervoor wordt de Venrayse circulaire ladder gehanteerd:

Grondstof en productiefase

  • 1. Voorkomen van gebruik van grondstoffen
  • 2. Verminderen van grondstoffen in product

Gebruikersfase

  • 3. Onderhouden en gebruik van product op duurzame wijze
  • 4. Hergebruiken van producten (tweedehands, delen van producten)
  • 5. Repareren en product opknappen
  • 6. Herbestemmen van product en onderdelen door hergebruik met ander doel

Recyclefase

  • 7. Recyclen: demontage, verwerking en hergebruik materialen

Het hoogste niveau van circulaire economie verdient de voorkeur; het is het niveau waarin de meeste grondstoffen bespaard worden en daarom is het ook de meest efficiënte interventie.

Relatie met het omgevingsplan

In paragraaf 6.12 wordt ingegaan op het aspect duurzaamheid en hoe in het bouwproces onder meer rekening wordt gehouden met circulariteit.

3.5.3 Visie klimaatadaptatie

In de visie klimaatadaptatie met bijbehorend uitvoeringsprogramma wordt een koers uiteengezet die zicht geeft op de effecten van klimaatverandering op de samenleving en richting geeft aan oplossingen. Er zijn 4 belangrijke thema's uiteengezet te weten:

  • Overstromingen
  • Wateroverlast
  • Hitte en Droogte
  • Biodiversiteit

Een belangrijke maatregel om negatieve effecten van klimaatverandering te voorkomen is het vergroenen van de leefomgeving. Een groene omgeving met planten draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast na hevige regenbuien, maar de planten zorgen ook voor verkoeling in de zomer bij hoge temperaturen en het voorkomen van droogte doordat regenwater nog de bodem in kan trekken. Daarnaast biedt het leefgebied voor tal van planten en dieren en draagt het bij aan onze eigen gezondheid en welzijn. Kortom: Bij nieuwe plannen en renovatie beoogt Venray dus meer groen en minder verharding.

Relatie met het omgevingsplan

In paragraaf 6.3 wordt ingegaan op het aspect klimaatadaptatie. Tevens wordt in het beeldkwaliteitplan (zie paragraaf 5.1) rekening gehouden met klimaatadaptieve maatregelen bij de inrichting van het bedrijventerrein.

3.5.4 Venray Energiestrategie 2030

De gemeente Venray zet zich actief in voor de energietransitie, met als doel om in 2030 energieneutraal te zijn. De strategie richt zich op het verminderen van het gebruik van fossiele energiebronnen zoals aardgas en kolen, en het overstappen naar duurzame alternatieven. Dit is noodzakelijk vanwege klimaatverandering, de uitputting van aardgasvoorraden en de afhankelijkheid van buitenlandse energie. De gemeente Venray stimuleert het gebruik van zonne-energie, windenergie, biomassa en andere hernieuwbare bronnen en zet in op lokale energeopwekking onder andere via zonnedaken.

Bedrijven zijn verplicht om energiebesparende maatregelen te implementeren met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar en zoveel mogelijk gebruik te maken van geschikte daken voor zonnepanelen. Nieuwe kavels kunnen duurzaam worden ontwikkeld, met een focus op energie-efficiëntie en eigen opwekking van hernieuwbare energie.

De energiestrategie stelt dat er ruimte moet worden gemaakt voor energie-infrastructuur, zoals de realisatie van energiehubs waarbij bedrijven energie uitwisselen en en gezamenlijk opslaan. Ook benadrukt het beleid de verduurzaming van industrieel vervoer door elektrificatie en het gebruik van waterstof.

Relatie met het omgevingsplan

De Venray Energiestrategie 2030 biedt handvatten en houvast om de ontwikkeling in Smakterheide Noord voor te bereiden op de toekomst. Het biedt richtlijnen en kansen om het terrein, maar ook de bedrijven, toekomstbestendig en duurzaam te ontwikkelen. Door te focussen op energiebesparing, duurzame energieopwekking en slimme netwerken, kan Smakterheide Noord een voorbeeld worden van een modern en duurzaam industrieterrein dat aansluit bij nationale en lokale klimaatdoelen.

Hoofdstuk 4 Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt het Rijk of de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones.

Uit het Besluit kwalteit leefomgeving (Bkl) bijkt dat het wijzigingsgebied is gelegen in een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verhinderen.

Relatie met het omgevingsplan

Er gelden geen beperkingengebieden voor het voorliggende plan en maakt deze wijziging van het omgevingsplan de realisatie van windturbines niet mogelijk.

Hoofdstuk 5 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden

In dit hoofdstuk worden de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden van het voornemen weergegeven.

5.1 Ruimtelijke kwaliteit

Een goede landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen staat steeds hoger op de agenda. Hierbij zijn o.a. kleur- en materiaalgebruik, vorm en inpassingsmogelijkheden van belang. Het is van belang om rekening te houden met de karakteristieke kenmerken en kwaliteiten van het landschap. Dit kan gedaan worden met de architectuur van een bedrijfspand en/of het realiseren van gebiedseigen beplanting. Dit vraagt om stedenbouwkundige en landschappelijke inpassingseisen. Daarnaast is het belangrijk dat er een goede overgang van Smakterheide Noord naar het omringende landschap wordt gerealiseerd.

Tevens worden bedrijven worden steeds selectiever als het gaat om huisvesting en vestigingsplaats. Men heeft behoefte aan goed toegankelijke (zicht)locaties en stelt hogere eisen aan de architectuur en uitstraling van het bedrijfsgebied en tevens aan de inrichting en afwerking van de buitenruimte.

In antwoord op deze behoefte wordt de architectuur van bedrijfsgebouwen steeds expressiever. Behalve voor het functioneren van gebouwen heeft men een vernieuwd oog voor de ruimtelijke betekenis, vorm en uitstraling van het bedrijfsgebouw. Ook de directe omgeving dient zowel efficiënt als esthetisch verantwoord te worden ingericht en vormgegeven. Als context voor het individuele gebouw treedt de behoefte op naar een expressieve, eenduidige structuur voor een bedrijventerrein.

Beeldkwaliteitsplan

De ruimtelijke kwaliteit is nader uitgewerkt in een beeldkwaliteitsplan (zie Bijlage 4 bij de regeling). Het beeldkwaliteitsplan geeft een concrete invulling aan de ruimtelijke aspecten voor het wijzigingsgebied. Het sluit daarbij aan op de mogelijkheden die deze wijziging van het omgevingsplan biedt. Er worden duidelijke criteria gegeven voor de bebouwing en welke ambitie voor de inrichting van de aansluiting op de openbare ruimte wordt nagestreefd. Het document is opgesteld met als doel om:

  • een aantrekkelijk bedrijfsmilieu tot stand te brengen;
  • de ontwikkelende partijen te inspireren en vooraf informatie te geven over de geldende welstandscriteria;
  • de Adviescommissie Omgevingskwalieit (AOK) een passend kader te bieden waarbinnen de toetsing van bouwplannen plaatsvindt.

Een en ander wordt geïllustreerd aan de hand van afbeeldingen en referentiebeelden. De referentiebeelden hebben een puur indicatieve betekenis en dienen niet als concreet, te kopiëren voorbeeld beschouwd te worden.

5.2 Landschap

5.2.1 Inleiding

Aan de noordrand van bedrijventerrein Smakterheide Noord ligt het dal van de Loobeek. De Loobeek en het dal zijn belangrijke landschappelijke en ecologische elementen binnen de gemeente Venray. Beekdalen worden in het algemeen beschouwd als belangrijke elementen in de strijd tegen de negatieve effecten van klimaatverandering. Beekdalen hebben een van oudsher bufferende werking. Hiermee wordt bedoeld dat in de lager gelegen dalen grote hoeveelheden water kan worden vastgehouden: in natte perioden belangrijk om op andere plekken overlast van water te voorkomen door al dat water in het beekdal vast te houden en tijdens droge perioden juist om er water uit te kunnen onttrekken als er elders tekorten ontstaan. In combinatie met deze waterbergende functie zijn ze ook van groot belang als leefgebied van tal van bijzondere planten- en diersoorten. De beekdalen vormen ook een verbinding tussen de hoogveengebieden van de Peel in het westelijke deel van de gemeente en het dal van de Maas in het oosten.

Aan de noordzijde van de kern van Venray ligt het natuurgebied Smakterveld dat in beheer is bij Staatsbosbeheer. Dit natuurgebied loopt grofweg vanaf de imaginaire lijn vanaf de Nijverheidsstraat naar het noorden toe (bestaand zandpad) tot aan de Rijksweg A73. Ten westen van dit zandpad en de Overloonseweg is het grondgebruik agrarisch. De gronden hebben een natuurbestemming in het omgevingsplan en hebben de status van Nationaal Natuur Netwerk in het provinciaal natuurbeheerplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0017.png"

Uitsnede uit het provinciaal natuurbeheerplan (2025) met bestaande natuur uit het Nationaal Natuur Netwerk

In datzelfde natuurbeheerplan heeft de provincie de beheertypen benoemd die met het beheer worden nagestreefd. De beheertypen hier variëren van N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N10.01 Nat schraalland en N14.01 Beek- en rivier begeleidend bos. Met name de beheertypen nat schraalland en beek begeleidend bos zijn typische beheertypen voor vochtige tot natte beekdalen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0018.png"

Uitsnede van het actuele hoogtebestand van Nederland (AHN)

Op het actuele hoogtebestand is goed te zien dat de beekdalgronden van de Loobeek ten noorden van de Spurkt laag liggen ten opzichte van de omgeving. Linksboven in de uitsnede duiden de oranje en rode kleuren op hoge gronden van de Overloonse Duinen, rechtsonder het talud van de A73 over de Maasheseweg. De blauwe en donkerblauwe gebieden vormen het beekdal waarin ook de loop van de Loobeek goed te zien is. Juist deze gronden vormen een belangrijke schakel in een klimaatbestendig beekdal omdat hier de bergingscapaciteit van water ligt. Hoe donkerder het blauw, hoe lager het maaiveld ligt en dus ook hoe eerder deze gronden inunderen (overstromen). Hier liggen vooral natte schraallanden en moerasachtige vegetaties. De overgangen tussen de donkerblauwe delen en de groene delen liggen minder laag en zijn uitermate geschikt voor de ontwikkeling van beek begeleidend bos en vochtige graslanden. Met name in de winter staat het grondwater tot net onder en plaatselijk boven het maaiveld, maar zakt in de zomer wat dieper weg. Dit zijn goede uitgangspunten voor bossen zoals elzenbroek. De groene delen zijn de hoger gelegen gronden en zijn daardoor droger. Hier heeft de ontwikkeling van drogere bossen en kruiden- en faunarijke graslanden meer potentie.

De gronden die in het wijzigingsgebied zijn aangemerkt als natuur zijn de gronden op de overgang van donkerblauw naar groen en daarmee geschikt voor de ontwikkeling van beek begeleidende bossen (N14.02) zoals elzenbroekbos en vochtige graslanden, bijvoorbeeld N10.02 Vochtige hooilanden.

Natuurontwikkeling en bedrijventerrein Smakterheide-Noord

De natuurontwikkeling is nauw verbonden met de realisatie van het bedrijventerrein Smakterheide-Noord. Het bedrijventerrein ligt op de overgang van de hogere gronden van Venray en het lager gelegen beekdal van de Loobeek. Door dit gebied als natuur in te richten kan het belangrijke functies vervullen. Naast versterken van de biodiversiteit vanwege nieuw leefgebied speelt het ook een belangrijke rol in de klimaatadaptatie, namelijk het voorkomen van wateroverlast door hevige regenbuien en voorkomen van verdroging door het hemelwater ter plaatse op te vangen en in de bodem te laten infiltreren. Hemelwater dat op de daken van de bedrijfsgebouwen valt wordt opgevangen in het lager gelegen natuurgebied waar het kan infiltreren in de bodem. Als het hemelwater niet wordt opgevangen maar wordt afgevoerd draagt het in sterke mate bij aan verdroging. Dat wordt met opvangen en infiltreren voorkomen. Daarnaast levert het opvangen van hemelwater in het natuurgebied een bijdrage aan het voorkomen van wateroverlast bij hevige buien, zowel op het bedrijventerrein als in het aangrenzende beekdal. Hiermee zadelen we geen andere partij met het probleem van overtollig water op maar lossen het zelf op. Omdat de Loobeek een relatief kort beektraject kent heeft hevige neerslag direct een effect op de waterstanden in de beek. Dezelfde buien laten ook neerslag vallen op het bedrijventerrein. Dit water moet opgevangen worden in het natuurontwikkelingsgebied. Het natuurgebied heeft daarmee een belangrijke water bufferende functie en voorkomt daarmee wateroverlast verder stroomafwaarts als gevolg van extra hoge afvoeren in de Loobeek. Gronden in landbouwkundig gebruik hebben zo'n buffercapaciteit niet.


Grote delen van het beekdal zijn recentelijk heringericht tot natuur waardoor het beekdal een meer natuurlijk karakter heeft gekregen. Dit is duidelijk zichtbaar in het gebied ten noorden van de kern van Venray. Vanuit het beekdal bekeken is de overgang tussen het beekdal en het huidige bedrijventerrein Smakterheide erg hard. In het beekdal wordt het zicht op Venray gedomineerd door de aanwezige bedrijfsgebouwen die een harde grens vormen. Een dergelijke grens is ongewenst. Een dergelijke beleving nodigt niet uit voor extensieve vormen van recreatie zoals wandelen (positieve gezondheid). De natuurontwikkeling zal zorgen voor een zachte overgang tussen het bedrijventerrein dat op deze manier zo optimaal mogelijk worden ingepast. Tevens biedt het nieuwe natuurgebied mogelijkheden voor een ontspannende lunchwandeling vanuit het bedrijventerrein.

5.2.2 Landschapsplan

Het landschapsplan (zie Bijlage 4 bij de regeling) draagt bij aan meerdere doelstellingen, zoals het creëren van een aantrekkelijk bedrijventerrein, het verbeteren van biodiversiteit en ecologische impact, het bevorderen van een prettige werkomgeving en het ondersteunen van klimaatadaptatie. Samen met het beeldkwaliteitsplan vormt het landschapsplan een solide basis om de ruimtelijke kwaliteit van Smakterheide Noord te waarborgen en verder te ontwikkelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0019.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0020.png"  

Landschapsplan

De inrichting van de buitenruimte versterkt de beleving van de overgang van het natte beekdal naar de droge dekzandrug. Dit komt tot stand door in noord-zuid richting een beekdalzone, flankzone en dekzandzone in te richten met elk een eigen vegetatietype, vormentaal, materiaalgebruik en karakteristieke landschapsstructuren. Deze overgang komt tot stand in de vijf landschappelijke inprikkers die de bouwkavels van elkaar scheiden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0021.png"

Landschappelijke inpassing

Ook in de oost-westrichting in de brede parkzone volgen verschillende landschapskamers elkaar op met bijzondere biotopen. Elke kamer is geïnspireerd op historische structuren die uit het landschap zijn uitgewist. Ze geven de wandelaar een unieke beleving en versterken het gebied als ecologische verbinding tussen de N2000 gebieden en het beekdal. De zones bestaan van west naar oost uit het madelandschap langs de Loobeek, een loofboslandschap, een kwelrandlandschap,een broekboslandschap en een beekmoeraslandschap.

5.3 Cultuurhistorie

De historie van een gebied speelt een grote rol bij het bepalen van de archeologische verwachting. Historische bronnen verschaffen informatie over de ontginning en gebruik van en bewoning in het wijzigingsgebied. In het onderzoek (zie Bijlage 3) naar de cultuurhistorie is onder andere gebruik gemaakt van historische kaarten en de cultuurhistorische en landschappelijke waardenkaarten.

Historische ontwikkeling

In de 6de en 7de eeuw begon het aantal inwoners toe te nemen en groeide aanzienlijk rond de 9de en 10de eeuw. Bewoning vond plaats rondom het veen, vaak op de helling van beekdalen, waarbij er in de loop van de Middeleeuwen een krans van dorpen rondom het uitgebreide veengebied ontstond. Venray maakte onderdeel uit van deze krans en komt voor als 'Rode' in geschreven bronnen rond ca. 1200. Rode verwijst naar een nederzetting die ontstaan is als gevolg van de ontginning van bosgronden. De dorpen lagen vaak als een geïsoleerde strook cultuurland midden in de broekbossen en heidevelden richting de Maas, of tussen de woeste gronden van het veen. Vanaf de 9de en 10de eeuw werd begonnen met de ontginning van de woeste gronden. Het cultuurlandschap bestond uit akkers en graslanden, waarbij de akkers veelal op de hogere beekdalhellingen lagen. Hier was ook sprake van goede ontwatering. Individuele kampontginningen waren omringd door houtwallen of heggen, maar er waren ook aaneengesloten open akkercomplexen (of velden). Deze complexen werden gescheiden door zandpaden en hadden een strookvormige verkaveling. De graslanden lagen lager in het landschap, waarbij de natste delen in gebruik waren als hooiland (zoals de beekdalen) en de beter ontwaterde delen als weidegrond. De graslanden waren eerst in gemeenschappelijk gebruik, maar zijn later verdeeld in lange, smalle percelen, ook bekend als medenverkaveling.

Tot 1850 was het grootste deel van regio nog niet in cultuur gebracht. De woeste gronden werden onder andere gebruikt voor de jacht en het weiden van vee en turfwinning vond op kleine schaal plaats. Op de topografische kaart van 1850 zijn ook kleinschalige veenkuilen zichtbaar ten noorden van het wijzigingsgebied. Om de vruchtbaarheid van de grond te verbeteren, werden plaggen gestoken, vermengd met mest en op de velden aangebracht. Zo kwamen de velden steeds hoger te liggen. Dit betekende wel dat er een balans gezocht moest worden tussen de hoeveelheid bouwland, grasland en heide. Rondom Venray werden de heidevelden ook benut voor de bijenteelt, maar vooral voor het weiden van schapen. Venray genoot aan het einde van de 19de eeuw van een internationale schapenhandel. Een deel van de heidevelden werd vanaf 1900 omgezet tot bouwland en bos en het landschap veranderde ook door de aanleg van watergangen en wegen. In de nieuwe ontginningen stonden de boerderijen vaak in het midden van hun land. Langs de randen van percelen en langs wegen werden loofbomen geplant. De jonge ontginningen zijn rationeler ingedeeld dan de oude cultuurlanden en hebben een rechthoekig verkavelingspatroon.

De grootschalige vervening (turfwinning) van de Peel, ten westen van het wijzigingsgebied, kwam in de 19de eeuw op gang.

In de jaren 1920 en 1930 werd steenkool populair als brandstof en kwam er een einde aan de grootschalige vervening van de Peel, al vonden er nog enkele grote ontginningen plaats na de Tweede Wereldoorlog, deels in het kader van werkgelegenheidsprojecten.

Na de Tweede Wereldoorlog vonden bepaalde landelijke ontwikkelingen plaats die het landschap hebben beïnvloed, zoals de uitbreiding van nederzettingen en infrastructuur en de vergrootte schaal van de landbouw. Ruilverkavelingen zorgde voor grotere kavels, boerderijen werden gebouwd op nieuwe locaties en er werd ingegrepen in de waterhuishouding, o.a. zodat landbouw ook mogelijk werd in de lagere delen van het landschap. Op veel locaties zijn de beken gekanaliseerd. Ter plaatse van het wijzigingsgebied vond de ruilverkaveling Overloon-Merselo plaats tussen 1972 en 1991. Door de verschillende ingrepen zijn de visuele verschillen tussen de oude bouwlanden op open akkercomplexen en het grasland bijna geheel verdwenen, aangezien het grasland net zo open werd. Ook het verschil in grondgebruik is verdwenen, omdat aanpassingen in de waterhuishouding er voor hebben gezorgd dat akkerbouw ook op voormalige natte delen plaats kan vinden. Tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw en het begin van de 21ste is het bedrijventerrein Smakterheide ten zuiden van het wijzigingsgebied ontwikkelt.

Cultuurhistorische en landschappelijke waarden

De provincie Limburg beschikt over een cultuurhistorische waardenkaart. Hierin staan punt-, lijn- en vlakelementen die van cultuurhistorisch belang zijn. In het wijzigingsgebied komen de volgende elementen voor:

  • Vier wegen uit de periode 1806-1890.
  • Enkeerdgrond
  • Cultuurlandschap: grasland, geperceleerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0022.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0023.png"  

Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart

Onderdeel van de historische geografie is ook een inventarisatie van de cultuurlandschappen van Noord- en Midden-Limburg. Hieronder vallen de volgende landschappen in het wijzigingsgebied:

  • Cultuurlandschap Noord- en Midden-Limburg (NML): Nieuw cultuurland 1890-1990.
  • Cultuurlandschap NML: Nieuw cultuurland 1806/1840-1890.
  • Cultuurlandschap NML: Grasland, geperceleerd.

Het wijzigingsgebied betreft voornamelijk nieuw cultuurland uit 1890-1990, met in het noorden een klein deel uit 1806/1840-1890. Ter plaatse van het beekdal gaat het om geperceleerd grasland.

In het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg zijn ook kaarten opgenomen, waaronder de kwaliteitskaart landschap. Deze kaart geeft inzicht in de belangrijkste landschapstypen en bijbehorende landschappelijke kwaliteiten. Op deze kaart komen verschillende landschappelijke elementen voor in het plangebied:

  • Beekdal
  • Groenelementen in dalenlandschap: bomenrij
  • Bos in dalenlandschap
  • Bos in mozaieklandschap
  • Weg uit periode 1806-1890
  • Natte heide-ontginning
  • Droge heide-ontginning
  • Waterlopen

De groenelementen die aanwezig zijn in het wijzigingsgebied maken geen onderdeel uit van de Atlas Historisch Groen, maar betreffen huidige landschapselementen in beek- en rivierdalen. De heide-ontginningen vallen in het landschapskader onder de jonge ontginningen en worden gekenmerkt door een grote, rechtlijnige verkaveling en wegenstructuur. De jonge ontginningen zijn alleen aangegeven in het oosten van het gebied, terwijl de rest van het wijzigingsgebied is weergeven als een beekdal.

Tevens is de kaart Groen Erfgoed van het RCE geraadpleegd. Deze kaart omvat o.a. rijksbeschermde groenaanleg, landschappelijk groen erfgoed, monumentale bomen en eendenkooien. Op deze kaart zijn geen elementen aangegeven in of rondom het wijzigingsgebied. De kaart Leven met Water is ook geraadpleegd en toont voormalige dijken, molens en inundatiegebieden. Ten noorden van het wijzigingsgebied was langs de Loobeek ooit een volmolen aanwezig. Het gaat om de 'Nijemuellen', gebouwd in 1628 en verdwenen in 1796. Verder zijn er geen elementen aanwezig rondom het wijzigingsgebied. Onder de pijler gebouwd erfgoed is gekeken naar het Rijksmonumentenregister, beschermde stads- of dorpsgezichten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Er zijn geen Rijksmonumenten aanwezig en het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Via de Atlas Limburg zijn de provinciale monumenten geraadpleegd. Er liggen geen provinciale monumenten in het plangebied, maar aan de Ambachtsstraat ten zuiden van het plangebied is een voormalig kapel geregistreerd als monument. Er komen ook geen gemeentelijke monumenten voor.

In onderstaand tabel worden de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden beschreven. In deze fase van het onderzoek is nog geen sprake van een waardering van de elementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0024.png"

Relatie met het omgevingsplan

Er wordt aanbevolen de historische wegenstructuur te behouden. Op basis van het concept ontwerp en de landschappelijke visie wordt een deel van de structuur behouden door middel van handhaving van de bestaande wegen en/of de bestaande bomenrijen. Dit geldt echter niet voor alle historische wegen. Om de wegenstructuur verder te behouden, kan de structuur door middel van laanbeplanting (of erfbeplanting indien de loop van een oude weg een perceelsgrens betreft) zichtbaar gehouden worden in het landschap.

5.4 Archeologie

Archeologische verwachting

Om de gespecificeerde archeologische verwachting voor een gebied op te kunnen stellen, is kennis nodig van de reeds bekende archeologische gegevens van het gebied. In het archeologisch bureauonderzoek (zie Bijlage 3) worden de bekende archeologische vindplaatsen, uitgevoerde onderzoeken en verwachtingen aan de hand van verschillende bronnen beschreven.

De gemeente Venray beschikt over archeologische verwachtingskaarten opgesteld door RAAP (2007). Er zijn vier verschillende kaarten opgesteld: jager-verzamelaars in droge landschappen, landbouwers in droge landschappen, jager-verzamelaars en landbouwers in natte en droge gebieden en jager-verzamelaars en landbouwers in natte landschappen. De verwachtingenkaart voor jager-verzamelaars in natte en droge gebieden toont in principe de totale verwachtingen voor het wijzigingsgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0025.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0026.png"  

Uitsnede verwachtingenkaart voor jager-verzamelaars en landbouwers in natte en droge landschappen

AMK-terreinen

Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) zijn bekende, gewaardeerde, archeologische vindplaatsen weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen terreinen van waarde, hoge waarde, zeer hoge waarde, en zeer hoge waarde – beschermd. In het laatste geval is het terrein een beschermd Rijksmonument. Het uitgangspunt bij AMK-terreinen is in principe behoud van archeologische resten in situ. In het wijzigingsgebied zijn geen AMK-terreinen aanwezig.

Vindplaatsen

Vindplaatsen zijn alle bekende archeologische vindplaatsen die geregistreerd zijn in Archis, zijn aangeleverd vanuit amateur archeologen en gemeenten en/of zichtbaar zijn op historische kaarten. Aan de noordelijke grens van het wijzigingsgebied is één vondstlocatie gelegen. De vondst bestaat uit een lanspunt van brons uit de Bronstijd. Het betreft een particuliere vondst gedaan tijdens graafwerkzaamheden in 1923, die volgens de toelichting verloren is gegaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de bredere omgeving van het wijzigingsgebied zijn meerdere vondsten bekend uit de Bronstijd, evenals een veldwerk/loopgraafstelsel uit de Tweede Wereldoorlog ten noorden van het wijzigingsgebied. De vondsten uit de Bronstijd worden veelal geïnterpreteerd als rituele depositites vonden plaats in bepaalde natte contexten, zoals moerassen of beken.

Relatie met het omgevingsplan

Er worden geen bekende archeologische vindplaatsen bedreigd door de beoogde ontwikkeling. Wel heeft het wijzigingsgebied meerdere verwachtingen op archeologische resten. Gezien de ligging op de overgang van de hogere dekzanden naar het beekdal zal de locatie aantrekkelijk zijn geweest voor tijdelijke kampementen en krijgt het Paleolithicum-Mesolithicum een hoge verwachting. Ook kunnen onder het veen in het beekdal dekzandopduikingen voorkomen. Gedurende het Neolithicum breidde het veen zich uit en door de natheid zal het gebied minder aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning. Wel worden vanaf deze periode tot de Romeinse Tijd rituele deposities en water-gerelateerde resten verwacht, zoals voorden of objecten gerelateerd aan visvangst. In het wijzigingsgebied is ook eerder een rituele depositie uit de Bronstijd aangetroffen. Tijdens de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd zal het gebied voornamelijk in gebruik zijn geweest als grasland voor o.a. het weiden van vee. Er kunnen o.a. ontginningssporen, greppels/sloten, resten van infrastructuur zoals oude wegen en watergerelateerde resten, zoals bruggen, voorkomen in het gebied. Tot slot geldt er voor het wijzigingsgebied een hoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. De slag om Overloon-Venray vond in de omgeving plaats en langs de Loobeek is intensief gevochten. Ook is er tijdens een begeleiding nabij het wijzigingsgebied een schuttersnest uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen, terwijl het vooronderzoek Ontplofbare oorlogsresten (zie Bijlage 16) een kans op loopgraven, stellingen en munitie aangeeft.

Aangezien het wijzigingsgebied voor alle perioden een middelhoge of hoge verwachting heeft, bestaat er een grote kans op het verstoren van eventuele aanwezige archeologische resten uit verschillende perioden en van verschillende complextypen (bijvoorbeeld bewoning en rituele deposities), die in algemene zin samenhangen met het dekzandlandschap en (de overgang naar) het beekdal.

Voor het wijzigingsgebied wordt vervolgonderzoek in de vorm van verkennend booronderzoek geadviseerd, om de intactheid van de bodem vast te stellen en na te gaan of er sprake is van een archeologisch niveau. Ook kan door middel van landschappelijk booronderzoek de exacte begrenzing van het beekdal worden vastgesteld. Hiervoor dienen drie boorraaien haaks op het beekdal geplaatst te worden in het noorden van het wijzigingsgebied. Tevens dienen twee profielputjes per raai te worden gegraven, om zo beter inzicht in de bodemopbouw te krijgen.

Daar waar nu bebouwing staat is de bodem al tot bepaalde diepte verstoord. Er wordt geadviseerd deze locaties vrij te geven, aangezien archeologische resten in het algemeen al binnen de verstoringsdieptes verwacht zouden worden.

Vondsten gerelateerd aan het beekdal kunnen zeer klein van omvang zijn en daardoor moeilijk op te sporen door middel van een booronderzoek. Indien er bodemingrepen plaatsvinden in het beekdal, wordt geadviseerd de civieltechnische werkzaamheden archeologisch te begeleiden. De begrenzing van het beekdal, en daarmee de noodzaak voor een eventuele begeleiding, kan nader worden bijgesteld op basis van de resultaten van het booronderzoek.

Tot slot wordt gewezen op de meldingsplicht bij het aantreffen van toevalsvondsten in gebieden die zijn vrijgegeven van archeologisch vervolgonderzoek. Indien deze worden aangetroffen dient het bevoegd gezag ingelicht te worden zoals beschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.

5.5 Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en
overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. De ladder bestaat uit "twee treden":

  • 1. Behoefte: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele behoefte? Het kan zowel om een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte gaan.
  • 2. Binnen- of buitenstedelijk: indien er sprake is van een actuele behoefte, dan moet worden
    beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd,
    eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformatie van bestaande locaties.


Middels de te doorlopen procedure wordt een wijziging van het omgevingsplan gerealiseerd. Hiermee
wordt de realisatie van een nieuw bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Alvorens het onderhavige plan te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dient eerst bepaald te worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het onderhavige plan is sprake van de uitbreiding van het bedrijventerrein Smakterheide met ca. 22 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein. Gesteld kan worden dat een bouwplan met een dergelijke omvang kan worden beschouwd als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking.


Behoefte

De gemeente Venray heeft in samenwerking met Buck Consultants International een onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de lokale vraag naar bedrijventerreinen voor de periode 2022-2031. Uit het onderzoek blijkt dat de verwachte vraag naar bedrijventerreinen in deze periode groter is dan het nog beschikbare harde en zachte aanbod. Dit betekent dat er nieuwe ruimte voor bedrijventerreinen nodig is om de groeiende behoefte te kunnen accommoderen. Om zorgvuldig en duurzaam om te gaan met de beschikbare ruimte, heeft een uitbreiding die aansluit op een bestaand bedrijventerrein de voorkeur. Dit sluit aan bij het streven naar efficiënt ruimtegebruik.

Daarnaast is een locatie dicht bij de kern van Venray wenselijk, omdat hier het grootste deel van de bedrijvigheid is geconcentreerd. Deze uitbreiding kan worden gerealiseerd op één centrale locatie of verspreid over meerdere kleinere locaties. Voor veel bedrijven, zoals logistieke, industriële en bouwbedrijven, is een goede verbinding met hoofdwegen en snelwegen van groot belang. Een goede ontsluiting minimaliseert verkeersoverlast in de woonkernen en is zowel economisch als leefbaarheidsgericht gunstig. Bij toekomstige uitbreidingen kunnen hoge eisen worden gesteld aan duurzaamheid en landschappelijke inpassing. Dat betreft niet alleen de inrichting van het terrein en het vastgoed, maar ook aspecten als energieprofiel, circulariteit en klimaatadaptatie.

Naast de fysieke ruimte is er aandacht nodig voor zachte randvoorwaarden, zoals veiligheid en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Uitdagingen zoals een dalende beroepsbevolking, vergrijzing, de instroom van internationale werknemers en inclusiviteit vragen om een strategische aanpak. Om de Venrayse economie en haar sterke sectoren toekomstbestendig te maken, is investeren in hoogwaardige en duurzame vestigingslocaties essentieel. Dit is niet alleen belangrijk om de regionale economische functie te behouden, maar ook om jongeren aan Venray te binden en lokale bedrijven te ondersteunen bij het benutten van economische kansen.

De verwachte vraag naar bedrijventerreinen in Venray overstijgt het huidige aanbod voor de komende tien jaar. Om deze vraag op te vangen, is het noodzakelijk om nieuwe ruimte te creëren. De gemeente Venray zal op basis van de verhouding tussen vraag en aanbod een additionele ontwikkelopgave moeten aangaan voor de periode 2022-2031. Deze uitbreiding is cruciaal om de economische positie van Venray te versterken en toekomstbestendig te maken. De beperkte beschikbare ruimte aan grote kavels heeft als gevolg dat bedrijven die willen uitbreiden Venray verlaten. Dit zorgt vervolgens voor verlies van werkgelegenheid. De insteek van dit TAM-omgevingsplan is om deze uitbreidingsbehoefte en werkgelegenheid te waarborgen.

Mogelijkheden in het bestaand stedelijk gebied zijn zeer sporadisch. Leegstand van bedrijfsruimte in Noord-Limburg is beperkt (circa 3%). Grootschalig aanbod van bedrijfsvastgoed in het primaire verzorgingsgebied is beperkt. Verder zijn mogelijkheden voor herinvulling van verouderde of braakliggende kavels niet beschikbaar. De realisatie van Smakterheide Noord leidt niet tot onaanvaardbare leegstand in het verzorgingsgebied.

Binnen- of buiten bestaand stedelijk gebied

Met bestaand stedelijk gebied wordt een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca bedoeld, inclusief de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

De voorgenomen uitbreiding bevindt zich buiten het bestaand stedelijk gebied van de kern Venray. Voor een onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 1.2 waarin de planvoorbereiding nader wordt toegelicht.

Hoofdstuk 6 Aspecten van de fysieke leefomgeving

6.1 Natuur

6.1.1 Quickscan natuurwaarden

Voor de beoogde uitbreiding is een quickscan natuurwaarden (zie 15.4) uitgevoerd ten behoeve van de wijziging van het omgevingsplan. De quickscan natuurwaarden is opgesteld om te onderzoeken of de beoogde plannen in strijd kan zijn met natuurregels uit de omgevingswet zoals Natura 2000-gebieden, beschermde soorten of waardevolle houtopstanden. De quickscan heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

Onderzoek gebiedsbescherming

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boschhuizerbergen, bevindt zich op circa 900 meter afstand ten oosten van de onderzoekslocatie .

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0027.png"

Ligging van de onderzoekslocatie (wit omlijnd) ten opzichte van Natura 2000 (geel gemakerkeerd)

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht 'Natura 2000-activiteit' ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening met de AERIUS-calculator (zie paragraaf 6.1.4).

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie ligt circa 50 meter ten zuiden van een gebied dat deel uitmaakt van Natuurnetwerk Limburg. Het betreft een elzenbroekbos. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht.

Houtopstanden

In art. 11.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap.

De te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder Artikel 11.111 (Bal), waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap Artikel 11.126 (Bal). Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand.

Onderzoek soortenbescherming

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 23 april 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van 'expert judgement' nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd.

Broedvogels (nesten jaarrond beschermd, categorie 1-3)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Op basis van de ligging van de onderzoekslocatie in combinatie met verspreidingsgegevens van de NDFF kunnen de volgende soorten potentieel voorkomen op/in de buurt van de onderzoekslocatie: boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, steenuil, torenvalk en wespendief. Raaf kan op voorhand worden uitgesloten aangezien die alleen voorkomen in uitgebreide bosgebieden afgewisseld met heide.

Broedvogels (categorie 4)

Dit zijn de nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt, moet bepaald worden of er voldoende functionaliteit behouden blijft. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen bekend van de volgende categorie 4 vogels: blauwe reiger, buizerd, grauwe klauwier, ijsvogel, kramsvogel, oeverzwaluw, paapje, ringmus, roerdomp, sperwer, spotvogel, wulp, zomertortel en zwarte specht.

Overige broedvogels

De bebouwing/beplanting op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals winterkoning, roodborst en ekster. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet zijn te voorkomen.

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en het cursusdictaat ''Vleermuizen en Planologie'' (Limpens en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, meervleermuis, franjestaart, baardvleermuis, Brandt's vleermuis, bosvleermuis en watervleermuis.

Op de onderzoekslocatie staan gebouwen die geschikt zijn voor gebouwbewonende soorten, hieronder vallen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleemuis en grijze grootoorvleermuis. De bebouwing beschikt over openingen die toegang verlenen tot spouwmuren zoals overhangende dakpannen en spouwgaten. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat vleermuizen de bebouwing als vaste rust- en verblijfplaats gebruiken, mogelijk gaan potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen verloren.

Tijdens het veldbezoek zijn de bomen op de onderzoekslocatie geïnspecteerd op boomholtes, deze zijn niet aangetroffen. De onderzoekslocatie is niet geschikt voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en het omliggende bos in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Er dient bij de toekomstige plannen van Smakterheide wel rekening gehouden te worden met verlichting: deze mag niet uitstralen naar de omgeving.

De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Wel dient er rekening gehouden te worden met de uitstraling van verlichting richting omliggende foerageergebieden. Negatieve effecten ten aanzien van foerageergebieden kan niet worden uitgesloten.

Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen, zoals bomenlanen en watergangen, zijn aanwezig op de onderzoekslocatie. Door de voorgenomen plannen worden dergelijke mogelijke vliegroutes verstoord.

Overige zoogdieren 

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.

Reptielen

Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen jaren in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: ringslang en levendbarende hagedis.

Amfibieën

Volgens de verspreidingsgegevens van NDFF kunnen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde amfibieënsoorten voorkomen: alpenwatersalamander, kamsalamander, boomkikker, heikikker en poelkikker.

Vissen

De onderzoekslocatie bevat twee gescheiden watergangen die in contact staan met het Afleidingskanaal ten noorden de onderzoekslocatie. In het Afleidingskanaal zijn waarnemingen bekend van vissoorten als kleine modderkruiper, bermpje, snoek, riviergrondel, driedoornige- en tiendoornige stekelbaars. Deze soorten kunnen tevens voorkomen in de watergangen binnen de onderzoekslocatie en bij het dempen van genoemde watergangen zal dan ook met deze soorten rekening gehouden moeten worden.

Ongewervelden

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van de streng beschermde beekrombout (libel).

Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF-waarnemingen bekend van bruine eikenpage, grote vos, kleine ijsvogelvlinder.

Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

Planten

De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit agrarisch grondgebied met minimale ruigtestroken. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Tevens zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF geen streng beschermde planten waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie.

In onderstaande tabel is de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor soortgroepen weergegeven en de te nemen vervolgstappen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0028.png"

Specifieke zorgplicht

Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten.

Volgens NDFF zijn de afgelopen vijf jaar op de onderzoekslocatie de volgende rode lijst soorten waargenomen: goudplevier, graspieper, grote lijster, keep, kneu, koekoek, matkop, oeverloper, patrijs, tapuit, veldleeuwerik, watersnip, wielewaal, wilde zwaan, wintertaling, wulp, zwarte mees, bunzing, haas, konijn, wezel, kleine parelmoervlinder, oranjezandoogje, bleke franjehoed, moerashertshooi, rapunzelklokje en slanke mantelanjer. Aangezien de onderzoekslocatie na de voorgenomen plannen van agrarisch gebruik naar natuur gaat, wordt er op de lange termijn geen negatieve invloed verwacht op de bovenstaande rode lijst soorten. Het is echter niet vanzelfsprekend dat het deel natuurontwikkeling de eventuele negatieve effecten als gevolg van het bedrijventerrein op kan lossen. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst.

Relatie met het omgevingsplan

Op basis van de uitgevoerde quickscan dient voor uitvoering van de plannen middels nader onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde broedvogels, das, steenmarter, eekhoorn en waterspitsmuis.

Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door het verwijderen van nesten buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien het verwijderen van nesten niet buiten het broedseizoen kan worden gedaan, is een broedvogelinspectie voorafgaand aan de start van de werkzaamheden benodigd. Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.

Voor de bever geldt dat gedurende de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met het voorkomen van de soort binnen de onderzoekslocatie. De maatregelen die hiervoor benodigd zijn, dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Tevens dient na de werkzaamheden rekening gehouden te worden met verlichting richting de watergangen.

Het kan niet uitgesloten worden dat incidenteel een levendbarende hagedis zich op de onderzoekslocatie ophoudt. In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor incidenteel aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Tevens geldt er in Limburg een vrijstellingsperiode deze loopt van 15 augustus tot 15 oktober. Maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol om negatieve effecten op voorhand te voorkomen.

Voor de alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en boomkikker is de watergang "Venrayse Spurkt" geschikt voorplantingswater op de onderzoekslocatie. Indien verstoring/vernietiging optreedt van de "Venrayse Spurkt" dient aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de bovenstaande soorten. Tevens dient de kwaliteit van het nabijgelegen Natuurnetwerk gebied "Elzenbroekbos" gehandhaafd te worden. Geadviseerd wordt om deze maatregelen vast te leggen in een ecologisch werkprotocol.

Voor beekrombout is de watergang "Venrayse Spurkt" geschikt voorplantingswater op de onderzoekslocatie. Indien verstoring/vernietiging optreedt van de "Venrayse Spurkt" dient er aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de beekrombout.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

De te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder in Artikel 11.111 (Bal), waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap Artikel 11.126 (Bal). Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. De herbeplanting dient op dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand gerealiseerd te worden. Geadviseerd wordt om hierover in overleg te treden met de provincie Limburg als bevoegd gezag.

6.1.2 Soortgericht onderzoek waterspitsmuis

In het wijzigingsgebied heeft op basis van een analyse van het eDNA een onderzoek naar de waterspitsmuis plaatsgevonden (zie Bijlage 5). Er is geen materiaal aangetroffen waardoor de waterspitsmuis op de onderzoekslocatie is uit te sluiten.

6.1.3 Aanvullend natuuronderzoek

Uit de uitgevoerde quickscan (zie paragraaf 6.1.1) blijkt dat voor uitvoering van de plannen een soortgericht onderzoek uittgevoerd dient te worden om meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent de aan- of afwezigheid van vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde broedvogels, das, steenmarter en eekhoorn. Het onderzoek naar de eekhoorn is niet meegenomen omdatt het gebied zich niet leent als leefgebied voor eekhoorns. Het is een agrarisch landschap met een enkele solitaire bomenrij die uiteindelijk met wat lege tussenliggende ruimtes uitkomt op een elzenbroekbos, dat zich eveneens niet leent als leefgebied voor eekhoorns. In 2024-2025 is het aanvullend onderzoek naar soorten uitgevoerd (zie Bijlage 6).

Onderzoek

Huismus

Tijdens de veldbezoeken zijn er in totaal 12 huismusnestlcoaties waargenomen. Het betreft het volgende aantal huismussen per gebouw:

  • Spurkt 5c, vier huismus nestlocaties
  • Spurkt 5, drie huismus nestlocaties
  • Spurkt 3, vier huismus nestlocaties
  • Spurkt 5a, één huismus nestlocatie

Roofvogels (boomvalk, havik, torenvalk en wespendief) en grote gele kwikstaart

Tijdens de veldbezoeken zijn er geen waarnemingen gedaan van roofvogels van de bovenstaande soorten. Tevens zijn er geen sporen zoals ruiveren waargenomen die duiden op het gebruik van de locatie door deze soorten

Gedurende één van de veldbezoeken zijn ter plekke van het afleidingskanaal twee individuen van de grote gele kwikstaart waargenomen. Onder de bruggen leken de nestkasten niet in gebruik en er zijn veder langs de oever geen nesten waargenomen van de grote gele kwikstaart. Het gaat uitsluitend om foeragerende individuen.

Uilen

Tijdens de interne inspectie zijn twee kerkuilkasten waargenomen in de loods ter plekke van de Spurkt 5c. In de betreffende loods en voornamelijk rond de kasten zijn uitwerpselen en grote aantallen braakballen aangetroffen van de kerkuil. Met de veldbezoeken in de avond voor zowel vleermuis als steenuil zijn verschillende malen waarnemingen gedaan van kerkuilen rond en in de nestkasten. Het gaat om twee exemplaren die gebruik maken van de nestkasten in de loods ter plekke van de Spurkt 5c, waarschijnlijk een paartje. Er kan gesteld worden dat een van de kerkuilnestkasten gebruikt wordt als nestlocatie door kerkuilen.

Tijdens de interne inspectie zijn geen sporen aangetroffen die erop wijzen dat de onderzoekslocatie gebruikt wordt door steenuil. Gedurende de avondbezoeken voor de inventarisatie van de steenuil zijn er op 17 maart 2025 op de onderzoekslocatie twee steenuilen waargenomen. Waarvan één van de steenuilen reageerde op de afgespeelde roep. De andere twee avonden zijn er op de onderzoekslocatie geen waarnemingen gedaan van steenuilen. Aangezien het activiteitsgebied van steenuilen zich slechts enkele meters rondom hun nestlocatie bevindt, kan gesteld worden dat op de onderzoekslocatie een steenuil territorium aanwezig is en hoogstwaarschijnlijk tevens een steenuilnestlocatie.

Ten zuidwesten van de onderzoekslocatie zijn meerdere steenuil waarnemingen gedaan. Er zijn op basis van de waarnemingen drie territoria van steenuilen aanwezig rond de onderzoekslocatie.

Huis- en boerenzwaluw

Tijdens de interne inspectie zijn geen nesten van huis- en/of boerenzwaluw aangetroffen op de onderzoekslocatie. Hierbij zijn de bekende nestlocaties uit het hiervoor uitgevoerde aanvullend onderzoek (5585.002, d.d. 06-02-2019) tevens bekeken, deze waren niet meer aanwezig. Wel zijn er foeragerend verschillende individuen van de boerenzwaluw waargenomen, deze hadden geen binding met structuren op de onderzoekslocatie.

Overige beschermde vogels (Limburg categorie 4)

Tijdens de veldbezoeken is meerdere malen een buizerd waargenomen foeragerend op de onderzoekslocatie. Het is echter niet geheel duidelijk waar de nestlocatie zich bevond, wel kan uitgesloten worden dat deze zich op de onderzoekslocatie bevindt. Op basis van de richting waar de buizerd heen bewoog en het vorig aanvullend onderzoek (5585.002, d.d. 06-02-2019) ligt de nestlocatie waarschijnlijk op enkele honderden meters ten noorden van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie maakt deel uit van het foerageergebied van de desbetreffende buizerd.

Vleermuizen

Tijdens de veldbezoeken zijn er in totaal vijf verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Het betreft het de volgende verblijfplaatsen en locaties:

  • Spurkt 5c, twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis
  • Spurkt 8, één kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.

Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke potentiële vliegroutes zijn op de onderzoekslocatie aanwezig. De lijnvormige elementen op de onderzoekslocaties vormen voornamelijk vliegverbindingen tussen oost west en noord en zuid. Voornamelijk aan de oostzijde van de onderzoekslocatie zijn lijnvormige elementen aanwezig waar veel gewone dwergvleermuizen en enkele laatvlieger langsop vliegen om vanuit het zuiden richting het noorden te bewegen. De oostelijke lijnvormige elementen kunnen ook als vliegroute dienen voor boombewonende vleermuissoorten als ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis, deze zijn niet tijdens het onderzoek waargenomen. De lijnvormige elementen aan de westzijde en aan de zuidzijde worden voornamelijk gebruikt als vliegroute door de laatvlieger en gewone dwergvleermuis.

Das

In totaal zijn minstens drie actieve dassenburchten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Hiervan dienen burchten 1 en 3 tevens als burchten met een kraamfunctie. Tijdens het cameraonderzoek dat in het voorjaar is uitgevoerd zijn bij zowel burcht 1 als 3 twee dassenjongen waargenomen. Burcht 4 is waarschijnlijk ook in gebruik maar was volledig omheind waardoor het niet goed onderzocht kon worden, er waren wel actieve wissels aanwezig wat hoogstwaarschijnlijk duidt op gebruik van de burcht.

Op de onderzoekslocatie zelf zijn geen burchten aangetroffen. Wel is er één actieve vluchtpijp waargenomen. Tevens zijn er veel sporen gevonden die duiden dat de onderzoekslocatie gebruikt wordt als foerageergebied van de das. Er zijn tijdens het steenuilenonderzoek met de nachtcamera verschillende dassen foeragerend waargenomen op de onderzoekslocatie.

Steenmarter

Tijdens de interne inspectie van de gebouwen op de onderzoekslocatie zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op gebruik van de onderzoekslocatie door de steenmarter.

Relatie met het omgevingsplan

Op basis van het aanvullend onderzoek zijn op de onderzoekslocatie functies aanwezig van huismus, steenuil, kerkuil, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en das aanwezig. Voor deze soorten zullen de benodigde maatregelen omschreven dienen te worden in een activiteitenplan ten behoeve van een vergunningsaanvraag op Omgevingswet.

Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door het verwijderen van nesten buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien het verwijderen van nesten niet buiten het broedseizoen kan worden gedaan, is een broedvogelinspectie voorafgaand aan de start van de werkzaamheden benodigd. Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.

Voor de bever geldt dat gedurende de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met het voorkomen van de soort binnen de onderzoekslocatie. De maatregelen die hiervoor benodigd zijn dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Tevens dient er na de werkzaamheden rekening gehouden te worden met verlichting richting de watergangen, dit wordt opgenomen in een lichtplan.

Het kan niet uitgesloten worden dat incidenteel een levendbarende hagedis zich op de onderzoekslocatie ophoudt. In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor incidenteel aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Tevens geldt er in Limburg een vrijstellingsperiode (15 augustus - 15 oktober). Maatregelen moeten worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol om negatieve effecten op voorhand te voorkomen.

Voor de alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en boomkikker is de watergang "Venrayse Spurkt" geschikt voorplantingswater op de onderzoekslocatie. Wanneer er geen verstoring/vernietiging is van de betreffende watergang is er met aanvullende maatregelen geen vergunningsplicht noodzakelijk. Indien er toch verstoring/vernietiging optreedt van de "Venrayse Spurkt" dient er aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de bovenstaande soorten. Tevens dient de kwaliteit van het nabijgelegen Natuurnetwerk gebied "Elzenbroekbos" gehandhaafd te worden. Geadviseerd wordt om deze maatregelen vast te leggen in een ecologisch werkprotocol.

Voor beekrombout is de watergang "Venrayse Spurkt" geschikt voorplantingswater op de onderzoekslocatie. Wanneer er geen verstoring/vernietiging is van de betreffende watergang is er met aanvullende maatregelen geen vergunningsplicht noodzakelijk. Indien er toch verstoring/vernietiging optreedt van de "Venrayse Spurkt" dient er aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de beekrombout.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

De te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder in Artikel 11.111 (Bal), waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap Artikel 11.126 (Bal). Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Geadviseerd wordt om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag (provincie Limburg).

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.

 

6.1.4 Stikstofdepositie - Passende beoordeling

Inleiding

Bij de aanleg en het gebruik van het toekomstige bedrijventerrein Smakterheide Noord treedt stikstofdepositie op vanwege de inzet van mobiele werktuigen en voertuigen. Dit leidt tot toenames van de depositie van stikstof in omliggende Natura 2000-gebieden. Toenames van stikstofdepositie in daarvoor gevoelige natuurgebieden kunnen in beginsel leiden tot negatieve gevolgen voor de daar aanwezige habitattypen en leefgebieden (verder 'habitats' genoemd).

Het is volgens de Omgevingswet verboden een plan vast te stellen dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. In een zogenaamde passende beoordeling moet worden beoordeeld of uitgesloten kan worden dat de ontwikkeling en het gebruik van het bedrijventerrein leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en of daarmee het plan kan worden vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de Omgevingswet.

De aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden worden uitgesloten wanneer op basis van een ecologisch onderzoek vaststaat dat de berekende depositietoename niet leidt tot een zodanig ecologisch effect op de betrokken habitattypen in de Natura 2000-gebieden dat sprake is van een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie waarin deze habitattypen verkeren.

De passende beoordeling (zie Bijlage 7) gaat uit van de juridische kaders die de Omgevingswet en recente jurisprudentie stellen. De depositietoenames in Natura 2000-gebieden zijn berekend met AERIUS Calculator versie 2025 op basis van een analyse van de ligging en uitvoering van het plan, de daarbij ingezette emissiebronnen en eventuele emissiebeperkende maatregelen. De resultaten van deze berekening bepalen de scope voor de passende beoordeling: de Natura 2000-gebieden, habitattypen en leefgebieden die in de passende beoordeling moeten worden betrokken.

Het doel van de passende beoordeling is om vast te stellen of kan worden uitgesloten dat depositietoename door de aanleg en de exploitatie van Smakterheide Noord de natuurlijke kenmerken van omliggende Natura 2000-gebieden aantast. Dit is het geval wanneer op voorhand op grond van objectieve gegevens vaststaat dat deze toename niet leidt tot een zodanig effect op de betrokken habitats dat sprake is van een significant effect ten opzichte van de huidige situatie waarin deze habitats verkeren (en daarmee niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied).

AERIUS-berekeningen

De emissietoenames van stikstof zijn afkomstig van de bij de uitvoering van het plan gebruikte mobiele werktuigen en voertuigen, zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase. De uitgangspunten voor de AERIUS-berekeningen en de berekeningen zelf zijn vastgelegd in twee notities (realisatiefase zie Bijlage 8, gebruiksfase zie Bijlage 9). In de berekeningen is rekening gehouden met interne saldering met het wegvallen van de emissies van het huidige agrarische gebruik van het wijzigingsgebied.

Realisatiefase

De werkzaamheden starten in 2026. In de realisatiefase wordt stikstofdepositie veroorzaakt vanwege het gebruik van dieselmaterieel tijdens de werkzaamheden en de uitstoot van het bouwverkeer. Bij het gebruik van dieselmaterieel komt NOx en NH3 vrij. De uitstoot is afhankelijk van het brandstofverbruik, het aantal draaiuren, het motorische vermogen en de stageklasse van het materieel. Hierin zijn het aantal draaiuren en het motorische vermogen van het materieel projectafhankelijk.

Daarnaast worden gedurende de realisatie voertuigen ingezet voor het transport van materieel van en naar de bouwlocatie.

Met ingang van Aerius 2024 moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen. Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stilgestaan heeft en kan gelden voor:

  • Motorvoertuigen van werknemers wanneer deze langer dan 2 uur geparkeerd zijn;
  • Middelzware en zware vrachtwagens die bij laden en lossen de motor afzetten en waarvan de laad- en lostijd meer dan 2 uur bedraagt.

Voor de realisatiefase van bedrijventerrein Smakterheide inclusief interne saldering wordt een afname van 0,79 mol/ha/jaar in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen berekend. Daarnaast worden afnemende deposities berekend in de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Zeldersche Driessen, Deurnsche Peel & Mariapeel, Sint Jansberg, Oeffelter Meent en De Bruuk.

Gebruiksfase

In de gebruiksfase van dit project wordt mogelijk NOx en NH3 uitgestoten vanwege het verkeer dat over de omliggende wegen rijdt. Een verschilberekening is gemaakt tussen de beoogde plansituatie en de autonome situatie. De intensiteit neemt in de beoogde situatie toe door het extra verkeer van de nieuwe bedrijven op de ontwikkellocatie. Ook in de gebruiksfase dient rekening te worden gehouden met de koude start van motorvoertuigen.

Voor de gebruiksfase van bedrijventerrein Smakterheide Noord inclusief interne saldering wordt een afname van 1,05 mol/ha/jaar in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen berekend. Daarnaast worden afnemende deposities berekend in de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Zeldersche Driessen, Deurnsche Peel & Mariapeel, Sint Jansberg, Groote Peel, Oeffelter Meent en De Bruuk.

Hersteldoelhexagonen

Op 17 juni 2024 heeft de Raad van de EU de Natuurherstelwet goedgekeurd. Hiermee geldt een natuurherstelverplichting in alle Europese landen. In de afgelopen jaren zijn in Nederland habitats verdwenen - en niet op een andere locatie voor hetzelfde oppervlak teruggekomen. Nederland moet deze natuur dus herstellen. Hierom wordt sinds de release van Aerius 2024 bij elke Aeriusrapportage ook een rapportage met hersteldoelhexagonen meegestuurd.

Uit deze rapportages blijkt dat het project geen hersteldoelhexagonen raakt.

Relatie met het omgevingsplan

In zowel de aanlegfase als de gebruiksfase vinden als gevolg van het plan geen depositietoenames plaats in Natura 2000-gebieden in de omgeving van het bedrijventerrein Smakterheide Noord. De emissies die verminderen door het beëindigen van bemesting op de gronden binnen het wijzigingsgebied zijn groter dan de emissies die optreden bij de aanleg en de exploitatie van het bedrijventerrein.

Omdat er geen depositietoenames optreden zijn effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Het plan voor Smakterheide Noord leidt daarom niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het wijzigingsgebied.

6.2 Water

Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. De gemeente en/of de initiatiefnemer moet de opvattingen van de waterbeheerders betrekken bij het (wijzigen van het) omgevingsplan.

De aanleiding voor het uitvoeren van de weging van het waterbelang wordt gevormd door de voorgenomen ontwikkeling van een bedrijventerrein in het wijzigingsgebied. Bij het ontwikkelen van nieuwe projecten is het van essentieel belang om water op een expliciete en evenwichtige wijze te integreren. Concreet houdt dit in dat onderzocht moeten worden hoe op een duurzame manier met water kan worden omgegaan in toekomstige plannen. Hierbij is het vasthouden, bergen en afvoeren van water binnen het betreffende gebied van groot belang. Tevens is het van belang om te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is om regenwater te infiltreren en in welke mate bestaande watersystemen, zowel in hun oorspronkelijke vorm als in alternatieve vormen, behouden of hersteld kunnen worden.

Waterhuishoudkundige situatie

Op de leggerkaart van Waterschap Limburg zijn de primaire en secundaire watergangen in de omgeving van het wijzigingsgebied weergegeven. De Venrayse Spurkt is een primaire watergang en loopt door het wijzigingsgebied heen. Andere aangrenzende en nabije watergangen zijn de Zijtak Loonsche Plas, Loobeek en Smakterveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0029.png"

Uitsnede leggerkaart

 

Toekomstige situatie

Verhard oppervlak en demping

Bestaande waterlopen in het gebied worden zoveel als mogelijk gehandhaafd. In het ontwerp wordt in deze fase van het ontwerp niks gedempt aan watergangen. Deze hoeven dan ook niet gecompenseerd te worden. Mocht demping op een later moment wel benodigd zijn in het ontwerp, moet dit gecompenseerd worden.

De primaire watergang Venrayse Spurkt aan de oostzijde, wordt voor een klein deel aan de zuidzijde verlegd. Deze wordt rechtgetrokken voor efficiëntie in het ontwerp voor de aangrenzende kavels. Dit moet samen met Waterschap Limburg uitgewerkt worden omdat het een primaire watergang is, en aan bepaalde eisen moet voldoen. Aanvullend hierop is de Venrays Spurkt ten noorden van het wijzigingsgebied recentelijk door het waterschap voorzien van een aantal meanders, onder andere vanwege de KRW.

Vanwege het rechttrekken van het eind van de Venrayse Spurkt zal ook de watergang langs de weg Spurkt aangepast moeten worden. Hier zijn nog geen concrete plannen voor, aangezien het inrichtingsvoostel nog nader uitgewerkt moet worden. Het waterschap wordt bij de verdere uitwerking van het inrichtingsvoorstel betrokken.

De totale toename aan verharding is gelijk aan 22 ha. Hierbij is uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • Het verhardingspercentage van het uitgeefbaar terrein is 100%, dit is een worst case benadering. Hoe veel verharding er daadwerkelijk komt, is wordt pas duidelijk als het terrein verder uitgewerkt en duidelijk is welke bouwplannen de toekomstige bedrijven hebben.
  • Het overige terrein is volledig onverhard. In het onderdeel "natuur" worden wel paden gelegd maar deze zijn onverhard.
  • De insteekwegen zijn opgenomen in uitgeefbaar terrein en de interne openbare wegen zijn niet in de totale verharding meegenomen, omdat niet bekend is hoeveel verharding hier is toegepast.

Waterberging en infiltratie

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Hierom dient de toename in verharding gecompenseerd te worden. De bergingsnorm van Waterschap Limburg is 100mm, en dat van de gemeente is 60mm. Waterberging vindt bij dit project niet plaats op het eigen terrein van de bedrijven; de waterberging wordt in de groene overgangszone (functie natuur) voorzien aan de noordelijke zijde van het bedrijventerrein. Er is namelijk een hoogteverschil in het terrein, waardoor het water af kan stromen via de buffers in dit deel van het wijzigingsgebied naar het Loobeekdal. Het is op dit moment nog onbekend waar precies de bufferzones komen voor waterberging. Dit wordt meegenonen in de nadere uitwerking van het inrichtingsvoorstel.

De rekenregel voor compensatie bedraagt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,1 (in m). Dit komt neer op een bergingsnorm van 100 mm voor het gebied dat toegenomen is in verhard oppervlak.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0030.png"  

Een toename in verharding van ca. 220.000 m2 en de bergingseis van 100 mm resulteren in een bergingsopgave van ca. 22.000 m3. Dit is een flinke bergingsopgave en dient nader uitgewerkt te worden in overleg met het waterschap.

Gezien de diepe grondwaterstand en de lichte wijziging zijn er kansen voor infiltratie. Het is echter belangrijk om rekening te houden met lokaal verstorende veen- en leemlagen die zijn aangetoond in de bodemprofielen in het wijzigingsgebied.

Aanvullend stelt het Waterschap de eis dat circa 10% van het wijzigingsgebied gereserveerd moet worden voor water. In samenspraak met het waterschap wordt in het inrichtingsvoorstel uitgewerkt en onderzocht of deze hoeveelheid water in de functie Natuur kan worden opgevangen.

Het waterschap hanteert een voorkeursvolgorde voor waterkwantiteit. Eerst willen ze de het water hergebruiken, vasthouden in de bodem, tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater en afvoeren naar gemengd of DWA-riool. In het huidige ontwerp is uitgegaan van tijdelijk bergen in het noordelijke deel van het wijzigingsgebied en dan naar oppervlaktewater af te voeren. Ook dient de berging binnen 24 uur weer beschikbaar zijn voor een volgende regenbui.

In het ontwerp voor de waterberging moet ook het beheer en onderhoud in kaart gebracht worden. Het is belangrijk dat de berging goed bereikbaar is voor controle en beheer, en ook dient vastgelegd te worden wie daarvoor verantwoordelijk is.

Afvalwater

Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is welke bedrijven zich willen vestigen op het bedrijventerrein is er geen informatie bekend over de hoeveelheden afvalwater in het gebied.

Waterkwaliteit

Waterschap Limburg wil graag de voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit hanteren van schoonhouden, scheiden en zuiveren. Wij adviseren gebruik te maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

Doorwerking in het omgevingsplan

Inzicht in de geohydrologische situatie is van belang om de effecten van de ontwikkeling in beeld te krijgen en voor de uitwerking van de waterhuishouding van de toekomstige situatie. Aangezien de bodemprofielen in de omgeving overwegend bestaan uit zand wordt aangenomen dat het mogelijk is om hemelwater in het wijzigingsgebied te infiltreren. Er wordt hierbij wel aanbevolen om aanvullende boringen uit te voeren binnen de grenzen van het wijzigingsgebied om te achterhalen of er dusdanige leemlagen aanwezig zijn die de mogelijkheid tot infiltratie beperken. Er moet 22.000 m3 water geborgen worden in de functie Natuur aan de noordzijde van het wijzigingsgebied. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regeling.

6.3 Klimaatadaptatie

In artikel 3.5 van de omgevingsverordening is de instructieregel opgenomen dat de motivering bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving moet bevatten over de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

Scan

In de klimaatscan (zie Bijlage 11) wordt de instructieregel van de Provincie Limburg inzake klimaatadaptatie beantwoord met behulp van de Klimaateffectatlas. Hittestress is geen onderdeel van de verordening van de provincie Limburg, maar wordt in deze klimaatscan wel als een kwalitatieve beoordeling op hitte in de buitenruimte opgenomen. Op deze manier worden alle traditionele DPRA-thema's (wateroverlast, overstromingen, droogte en hitte) behandeld.

Wateroverlast

In de verordening van de provincie Limburg is opgenomen dat er rekening dient gehouden te worden met de risico's op het gebied van wateroverlast. De 'weging van het waterbelang' onderzoekt de gevolgen op het gebied van hemelwater voor deze ontwikkeling (zie paragraaf 6.2).

Overstroming

Nederland is beschermd tegen hoogwater door waterkeringen. Ons land staat internationaal bekend om onze sterke dijken, maar toch kunnen ook wij te maken krijgen met de gevolgen van het doorbreken van een dijk. Als overstromingen plaatsvinden, zal er economische schade optreden aan bijvoorbeeld gebouwen en infrastructuur en ontstaat grote maatschappelijke ontwrichting. Ook is er een kans dat mensen gewond raken of zelfs overlijden als gevolg van verdrinking, onderkoeling of verminderde bereikbaarheid van hulpdiensten. In werkelijkheid kan de overstromingskans in de toekomst ook kleiner zijn, omdat de sterkte van waterkeringen dan groter kan zijn.

Voor deze scan wordt de volgende indicator gebruikt: plaatsgebonden Overstromingskans > 0 cm (norm 2050). Uit de klimaatscan blijkt dat er geen sprake is van deze plaatsgebonden overstromingskans.

Droogte

Twee van de vier KNMI klimaatscenario's laten zien dat door klimaatverandering langdurig droge en warme perioden in de zomer vaker voor kunnen gaan komen. Bij langdurige droogte neemt onder andere het risico op natuurbrand toe. Het risico op natuurbranden is met name van toepassing op droge zandgronden. Een natuurbrand kan zich in een droge periode snel en onvoorspelbaar ontwikkelen. De bestrijding is lastig, omdat bluswater vaak van elders moet worden aangevoerd en de wind de brand aanwakkert. Soms is er sprake van natuurinvloeden zoals blikseminslag. Hoe klimaatverandering het risico (frequentie, grootte brand etc.) beïnvloedt is onzeker. Echter de weerscondities die 'gunstig' zijn voor bos- en bermbranden, zullen door klimaatverandering vaker voor gaan komen.

Daarnaast kan de bodem zo ver uitdrogen, dat planten niet meer optimaal kunnen verdampen. Ze ondervinden dan droogtestress. Droogtestress komt vooral voor op bodems met een diepe grondwaterstand beneden het maaiveld en met een grove textuur, zoals grof zand. In de landbouw leidt droogtestress tot een afname van de gewasopbrengst.

Door klimaatverandering verandert ook de natuur. Dat gebeurt nu al, en de verwachting is dat die ontwikkeling zich in de toekomst voortzet. Vooral de toenemende droge zomers zorgen voor grote veranderingen en kunnen natuurschade veroorzaken. Maar niet alle vegetaties lijden schade door droogte. De toenemende droogte door klimaatverandering is vooral nadelig voor vegetaties die afhankelijk zijn van ondiep grondwater. Bovendien hebben de steeds extremere schommelingen in (grond)waterstanden, zoals extreem droge jaren gevolgd door langdurige natte perioden, een nog groter negatief effect op de natuur die daar nauwelijks op kan anticiperen.

Volgens de natuurbrandgevoeligheidskaart van de Klimaateffectatlas is het risico op natuurbranden binnen het wijzigingsgebied laag tot middelmatig. Deze mate van gevoeligheid is bepaald op basis van de brandgevoeligheid van aanwezige vegetatie; klimaat specifieke eigenschappen (e.g. oppervlaktewater, grondwaterstand) en locatie specifieke eigenschappen (e.g. recreatiedruk, ecoducten) in de omgeving van het wijzigingsgebied. Gezien deze relatief lage gevoeligheid voor natuurbrand zijn er vooralsnog geen verdere maatregelen vereist. Het is wel belangrijk om alert te blijven op de hoge(re) natuurbrandgevoeligheid in de nabije omgeving van het wijzigingsgebied. De natuurbrandgevoeligheid van het gebied neemt in de toekomst toe.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0031.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0032.png"  
Natuurbrandgevoeligheid | Huidig (Wageningen Environmental Research (WEnR) & Deltares, 2021 (Klimaateffectatlas)).   Natuurbrandgevoeligheid | 2050 Hoog (Wageningen Environmental Research (WEnR) & Deltares, 2021 (Klimaateffectatlas)).  

Het risico op droogtestress is laag binnen het wijzigingsgebied en er is ook geen grondwaterafhankelijke natuur binnen het wijzigingsgebied gelegen. Gezien dit lage risico op droogtestress en lage droogtegevoeligheid zijn er geen verdere maatregelen vereist. Het is wel belangrijk om alert te blijven op de droogtegevoelige en zeer droogtegevoelige grondwaterafhankelijke natuur in de nabije omgeving van het wijzigingsgebied. Hier dient rekening mee gehouden te worden in de verdere uitwerking en invulling van het bedrijventerrein om dit in de toekomst niet te verergeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0033.png"

Risico Droogtestress | Huidig (KWR Water, 2017 (Klimaateffectatlas)).

Hitte

Door klimaatverandering neemt niet alleen de gemiddelde temperatuur toe; het zal ook vaker extreem warm worden. Door hittestress kunnen gezondheidseffecten optreden. Langdurige hitte kan leiden tot vermoeidheid en concentratieproblemen. Hittestress kan effect hebben op het thermisch comfort van de werknemers en bezoekers in kantoren en de omgeving. We gaan in deze handreiking bij thermisch comfort uit van de tevredenheid met de thermische omgeving, inclusief gezondheidsklachten. Thermisch comfort is niet gebonden aan een vast temperatuur bereik, het hangt onder meer af van ervaring, verwachting en context. De temperatuur in het bebouwd en buitengebied kan sterk verschillen. Door het zogenaamde hitte-eiland effect wordt het in stedelijke gebieden aanzienlijk warmer dan in het buitengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0034.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0035.png"  
Hittekaart Gevoelstemperatuur | Huidig (Witteveen + Bos, 2021 (Klimaateffectatlas)).   Hittekaart Gevoelstemperatuur | 2050 Hoog (Witteveen + Bos, 2021 (Klimaateffectatlas))  

Uit de 'Hittekaart-huidig' blijkt dat het wijzigingsgebied relatief warm is op een zomerdag. Dit is onder meer te verklaren door het grotendeels ontbreken van boomkroondekking en daarmee schaduw. Daar waar dit wel aanwezig is valt op dat de gevoelstemperatuur circa 5 – 10 graden lager ligt. Het is belangrijk om deze bomen in stand te houden bij de ontwikkeling van het wijzigingsgebied om dit verkoelende effect te behouden. Uit de 'Hittekaart-2050' blijkt vervolgens dat de gevoelstemperatuur in de toekomst verder toeneemt, zonder wijzigingen in het landgebruik. Naast deze toename in gevoelstemperatuur als gevolg van klimaatverandering, heeft ook de voorziene nieuwe inrichting van het wijzigingsgebied effect op de gevoelstemperatuur.

De verwachting is dat de voorziene natuurzone ten noorden van het bedrijventerrein, zoals in het inrichtingsvoorstel is geschetst, de gevoelstemperatuur kan verlagen. Het is echter te verwachten dat de gevoelstemperatuur in de toekomstige situatie nog meer toeneemt dan de voorstaande 'Hittekaart-2050' laat zien, door de toename in verharding en donkere oppervlakten als gevolg van de nieuwe inrichting van het gebied. Het totale effect op de gevoelstemperatuur hangt daarmee nog sterk af van de uiteindelijke inrichting. Hier dient in de verdere uitwerking en invulling van het ontwerp van het wijzigingsgebied rekening mee te worden gehouden. Bijvoorbeeld door het creëeren van groen- en blauwstructuren over het gehele terrein d.m.v. groene daken en gevels en het realiseren van voldoende schaduwplekken op wandel- en fietsroutes.

Relatie met het omgevingsplan

Deze Klimaatscan toont aan dat de voorgenomen uitbreiding aan de noordzijde van bedrijventerrein Smakterheide Noord waarschijnlijk geen verwachte negatieve klimaateffecten met zich meebrengt.

Het effect op hitte in de buitenruimte (= gevoelstemperatuur) is echter een aandachtspunt en sterk afhankelijk van de concretere uitwerking en invulling van het ontwerp van het wijzigingsgebied.

6.4 Verkeer en parkeren

Ten behoeve van het voornemen is een verkeerstoets (zie Bijlage 12) uitgevoerd om de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer inzichtelijk te maken.

Wegenstructuur

De beoogde ontsluiting van Smakterheide-Noord loopt via de Spurkt. De Spurkt is een gebieds- ontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50km/u. De weg kent een vrijliggend fietspad in twee richtingen.

Een deel van de ontwikkeling wordt ontsloten op het deel van de Spurkt dat gelegen is ten oosten van de Metaalweg (wegvak Metaalweg – Nijverheidstraat). Dit wegvak is geclassificeerd als een erftoegangsweg (type II) buiten de bebouwde kom. Hier geldt een maximumsnelheid van 60km/u. Dit gedeelte van de Spurkt heeft een ander karakter dan het gedeelte ten westen van de Metaalweg. Het betreft een enkele rijloper met een breedte van 3,75 meter.

Het is de verwachting dat het grootste gedeelte van het verkeer van en naar het bedrijventerrein gebruik maakt van de A73. Om hier te komen zal dit verkeer gebruik maken van de Metaalweg. De Metaalweg is een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50km/u.

De infrastructuur op het bedrijventerrein zelf wordt vormgegeven met een ontsluitingslus. De uiterste kavels ontsluiten rechtstreeks op de Spurkt.

Openbaar vervoer

Het wijzigingsgebied is in de huidige situatie niet goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Het wijzigingsgebied ligt op 5 kilometer afstand van het treinstation van Venray, maar ligt op een acceptabele fietsafstand. Station Venray is gelegen aan de spoorlijn Nijmegen-Venlo. Een groot deel van de dag rijden zowel richting Nijmegen als richting Venlo 4 treinen per uur (waarvan 2 doorrijden naar Roermond). De bereikbaarheid van het wijzigingsgebied met de trein is vanwege de grote afstand niet goed te noemen.

De dichtstbij gelegen bushalte is de halte Venray, Kapelletje. Deze halte is gelegen aan het kruispunt Overloonseweg- Spurkt aan de hoek van het wijzigingsgebied. Deze bushalte wordt alleen aangedaan door lijn 82 (Station Boxmeer – Venray Centrum) en rijdt 1x/u gedurende de dag. Vanwege de omvang van het wijzigingsgebied is alleen het westelijke deel van het bedrijventerrein goed te bereiken met de bus. De oostkant van het wijzigingsgebied ligt buiten de acceptabele loopafstand van de bushalte. Met name de lage frequentie van buslijn 82 maakt de bus geen goed reisalternatief voor werknemers van het bedrijventerrein.

Langzaam verkeer

Voor een duurzaam bereikbaar bedrijventerrein is van belang dat het wijzigingsgebied goed bereikbaar is voor langzaam verkeer en met name de fietser. De infrastructuur in het wijzigingsgebied moet nog verder worden uitgewerkt, maar hierbij dient de verkeersveiligheid van de fietser aandacht te krijgen.

Naast de fietsinfrastructuur in het gebied zelf zijn ook verbindingen naar de omgeving van belang. Er liggen verschillende kernen binnen een acceptabele fietsafstand van 5 á 10 kilometer. Met name vanaf Venray en Overloon is het wijzigingsgebied goed te bereiken met de fiets. De bereikbaarheid van het wijzigingsgebied per fiets is dan ook goed te noemen.

Verkeersgeneratie

Het totale oppervlakte aan uitgeefbare gronden op Smakterheide-Noord bedraagt 22 hectare. De beoogde invulling van het bedrijventerrein is een gemengd bedrijventerrein. Het is niet mogelijk voor transport- of distributiebedrijven zich te vestigen op het nieuwe bedrijventerrein.

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van Smakterheide Noord zijn de kencijfers van het CROW (bron: Publicatie Parkeerkencijfers 2024) gehanteerd. Deze kencijfers zijn bepaald op basis van het netto oppervlakte van het bedrijventerrein. De omrekenfactor om van bruto naar netto oppervlakte van een bedrijventerrein te komen is x0,77. Het totale netto oppervlakte van Smakterheide Noord bedraagt 16,94 ha.

Voor Smakterheide Noord zijn de kengetallen gehanteerd voor een 'I Gemengd terrein'. Per netto hectare genereert dit type bedrijventerrein 158 motorvoertuigen per weekdag. Toepassing van deze kengetallen op het totale netto oppervlakte van Smakterheide Noord resulteert in een verkeersgeneratie van 2.677 mvt/weekdag.

Het aspect 'verkeer' wordt beschouwd per werkdag. Om van de cijfers van week- naar werkdag te komen wordt voor bedrijventerreinen een omrekenfactor van 1,33 gehanteerd. De totale verkeersgeneratie van Smakterheide Noord bedraagt 3.560 mvt/werkdag.

Verkeersintensiteiten

In onderstaande tabel zijn de verkeersintensiteiten conform het vigerende verkeersmodel van de gemeente Venray (RMO Noord- Limburg) gepresenteerd voor zowel het basisjaar 2018, als de autonome situatie (de situatie zonder ontwikkeling van Smakterheide Noord) in 2040.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0036.png"

De verkeersgeneratie van de beoogde planontwikkeling bedraagt 3.560 mvt/werkdag. Dit verkeer verdeelt zich over het omliggende wegennet. De gevolgen voor het omliggende wegennet zijn weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0037.png"

Ondanks de relatief grote toenames in de hoeveelheid verkeer op sommige wegen, met name de Spurkt en de Metaalweg, blijven de verkeersintensiteiten op alle wegen binnen de acceptabele bandbreedte voor het type weg. De enige weg waar maatregelen nodig zijn als gevolg van de toename van het verkeer is de Spurkt tussen de Metaalweg en de Nijverheidsweg. Deze is in de huidige situatie te smal voor twee voertuigen om elkaar te passeren zonder de rijloper te verlaten. Door de toename van verkeer op dit wegvak als gevolg van de planontwikkeling neemt de kans op tegemoetkomend verkeer dat elkaar moet passeren toe. De verbreding van dit wegvak is onderdeel van de ontwikkeling van bedrijventerrein Smakterheide Noord. Aanvullende maatregelen hierop zijn niet nodig.

Parkeren

Bedrijven die zich in de toekomst op Smakterheide Noord willen vestigen, dienen zich aan het geldende parkeerbeleid van de gemeente Venray te houden. Uitgangspunt in het vigerende parkeerbeleid van de gemeente Venray is dat een bedrijf op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen moet realiseren om te voldoen aan de parkeernormen.

Doorwerking in het omgevingsplan

De totale verkeersgeneratie van de ontwikkeling van Smakterheide Noord bedraagt 3.560 mvt/werkdag. Dit zorgt voor een sterke toename van verkeer op o.a. de Spurkt en de Metaalweg. Alle wegen op het omliggende wegennet zijn echter dusdanig ingericht dat deze de toename van de verkeersintensiteiten kunnen verwerken. De Spurkt tussen de Metaalweg en de Nijverheidsweg is hierop een uitzondering. Deze weg is in de huidige situatie te smal en zal als onderdeel van de planontwikkeling worden verbreed om het extra verkeer op de weg veilig te kunnen verwerken.

Het is van belang dat bedrijven bij vestiging zich houden aan het geldende parkeerbeleid van de gemeente Venray en dat alle benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd dienen te worden. In de regeling is een artikel opgenomen voor parkeren.

6.5 Bodem

Ten behoeve van het voornemen is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd (zie Bijlage 13). Het milieuhygiënisch vooronderzoek is uitgevoerd conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN, oktober 2023). Hierbij zijn onder andere de in het verleden op de locatie uitgevoerde activiteiten en de resultaten van in het verleden (in de omgeving) uitgevoerde bodemonderzoeken geïnventariseerd.

Onderzoek

Historie

Uit historische kaarten blijkt dat de eerste bebouwing in het gebied vanaf de jaren ’50 is gerealiseerd. Op de locatie Spurkt 5 staat een woonboerderij (335 m²) en een schuur (220 m²) die gebruikt werd voor de opslag van graaf- en landbouwwerktuigen. De woonboerderij heeft dienstgedaan als veehouderij, met name voor varkens, al is niet precies bekend wanneer deze activiteiten zijn beëindigd. Over het terrein liep vroeger een onverhard pad dat naar schatting rond 1990 is verwijderd. In het verleden zijn in de schuur onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd waarbij olieproducten werden gebruikt. In 2018 vond aan de achterzijde van de woning een incident plaats, wat leidde tot bodemverontreiniging met minerale olie.

Historische informatie (van de bewoner) geeft aan dat er op de onderzoekslocatie twee olieopslagtanks aanwezig zijn geweest. Een bovengrondse huisbrandolietank (inhoud 1.200 liter) stond achter het woonhuis, terwijl een bovengrondse dieseltank (inhoud 600 liter) onder de huidige overkapping stond. Bij de gemeente Venray zijn geen gegevens over deze tanks bekend.

Op Spurkt 5A bevond zich in het verleden een ondergrondse huisbrandolietank (HBO/diesel) met een inhoud van 5.000 liter. Deze tank is in 1995 onder certificaat gesaneerd (certificaatnummer 2068), waarbij zintuiglijk geen verontreiniging is vastgesteld.

Op de locatie Spurkt 5B staat een landbouwschuur waar vroeger ook machinereparaties plaatsvonden. Volgens gegevens uit het Bodemloket zijn hier zowel een boven- als ondergrondse brandstoftank aanwezig geweest, al ontbreken nadere details over de inhoud en exacte locatie van deze tanks.

Op Spurkt 8 is een boomkwekerij gevestigd.

Voor het overige deel van het projectgebied zijn geen historisch relevante gegevens gevonden die van belang zijn voor bodemonderzoek. Dit deel van het gebied is, voor zover bekend, nooit bebouwd geweest of anders gebruikt dan als bouwland.

In dit stadium (voorbereidingsfase) is vooralsnog geen fysieke terreinverkenning uitgevoerd. Wel is door middel van digitaal beeldmateriaal een driedimensionaal beeld van de locatie verkregen.

Op basis van het uitgevoerde milieuhygiënisch vooronderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

  • In het grondwater zijn regionaal verhoogde concentraties aan zware metalen in het grondwater aanwezig. De provincie Limburg heeft specifieke beleidslijnen geformuleerd met betrekking tot deze regionaal verhoogde gehalten metalen in het grondwater. Deze beleidslijnen zijn beschreven in het document 'Beleidskader bodem, actualisatie 2016, vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg op 26 juli 2016'.
  • Uit de overzichtskaart 'Arseengebieden - Bodemkwaliteitskaart Limburg Noord' blijkt dat het wijzigingsgebied grenst aan het gebied 'IJzerrijke zandgronden meest lemige gleijgronden'. Ter plaatse van en rondom deze gebieden komen van nature verhoogde arseenconcentraties voor.
  • Binnen het wijzigingsgebied zijn vier woningen met bedrijfsgebouwen aanwezig. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is ter plaatse van drie locaties (gedeeltelijk) onderzocht. In Tabel 4 zijn de resultaten per locatie samengevat en zijn de aanbevelingen voor eventueel actualiserend en/of vervolgonderzoek weergegeven.
  • Op basis van de beschikbare historische gegevens zijn binnen het wijzigingsgebied geen locaties bekend met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  • Plaatselijk zijn binnen het wijzigingsgebied zwakke tot sterke bijmengingen met baksteen, kolengruis, puin, beton en plastic in de grond aanwezig. Diffuus verspreid zijn in het verleden in de grond verhoogde gehalten zware metalen, minerale olie en PAK aangetoond.
  • Aan de achterzijde van de woning ter plaatse van de locatie Spurkt 5, heeft in het verleden een calamiteit (lekkage) met diesel plaatsgevonden. Uit onderzoek bleek dat er sprake was van een verontreiniging met minerale olie in de bovengrond (omvang <25 m3). Ter plaatse heeft in 2020 een bodemsanering plaatsgevonden waarbij de verontreinigde grond is ontgraven en afgevoerd. Geconcludeerd is dat de sanering van de als gevolg van de calamiteit met diesel verontreinigde grond in voldoende mate is uitgevoerd.
  • In het kader van de uitgevoerde sanering (ten behoeve van de afvoer van de verontreinigde grond) is ter plaatse van de verontreinigingsbron een monster genomen en geanalyseerd op de aanwezigheid van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS). In het monster zijn geen PFAS-gehalten aangetroffen boven de achtergrondwaarde. Voor het overige deel van het wijzigingsgebied heeft in het verleden geen onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS plaatsgevonden. Uit het vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van PFAS-puntbronnen binnen het wijzigingsgebied.
  • Ter plaatse van de percelen Spurkt 5 en Spurkt 5C is in 2019 een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. De maximale gehalten aan asbest in de bodem overschreden de interventiewaarde (100 mg/kg ds gewogen) niet. Op het overige deel van het wijzigingsgebied is, voor zover bekend, niet eerder onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek bestaan geen concrete aanwijzingen voor potentieel bodembelastende activiteiten en/of waaruit blijkt dat op het maaiveld of in de bodem substantiële hoeveelheden asbestverdacht puin en/of asbesthoudend materiaal aanwezig is.
  • In het grondwater binnen het wijzigingsgebied zijn in het verleden verhoogde concentraties zware metalen gemeten. Plaatselijk overschreden de concentraties koper en nikkel de interventiewaarden. Geconcludeerd is dat deze licht tot sterk verhoogde gehalten met metalen zijn te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondwaarden.
  • In 2024 zijn enkele watergangen ter plaatse van een tracé van een hoogspanningsverbinding onderzocht. Ter plaatse van deze waterbodems zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen of andere zintuiglijke verontreinigingskenmerken. De onderzochte waterbodems hebben maximaal de klasse 'Wonen'. Gehalten aan PFAS in de waterbodem zijn in het gehele tracé niet groter dan de achtergrondwaarden. Van de overige watergangen in het wijzigingsgebied zijn geen milieuhygiënische kwaliteitsgegevens bekend. Voor zover bekend heeft in het verleden ter plaatse van de overige watergangen geen waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 (Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek) plaatsgevonden.

Relatie met het omgevingsplan

De exacte aard van de toekomstige ontwikkelingen zijn momenteel nog niet bekend. Het terrein wordt ten eerste bouwrijp gemaakt, waarna bedrijven zich hier zullen vestigen en verder zelf richting zullen geven aan de ontwikkeling van hun bedrijfskavels. Bij een aantal activiteiten (zoals het graven in bodem of het bouwen op een bodemgevoelige locatie) is voorafgaand aan de activiteit bodemonderzoek van de landbodem nodig. Afhankelijk van de terreininrichting en locatie van de grondroerende werkzaamheden, dient een actualiserend of verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) te worden uitgevoerd. Geadviseerd wordt om bij het actualiserend of verkennend bodemonderzoek het standaard stoffenpakket conform de NEN 5740 uit te breiden met de parameters arseen en PFAS.

De bestaande waterlopen worden zoveel mogelijk gehandhaafd. De primaire watergang 'Venrayse Spurkt', aan de oostkant van het wijzigingsgebied, wordt deels verlegd. Bij eventuele toekomstige ingrepen in de waterbodem is het uitvoeren van een vooronderzoek conform de NEN 5717 (Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek) en een eventueel waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek) noodzakelijk.

Indien bij het veldonderzoek puin in de bodem wordt aangetroffen (met uitzondering van de percelen Spurkt 5 en Spurkt 5C waar in het verleden al een verkennend asbestonderzoek heeft plaatsgevonden, zie Tabel 4) kan een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 alsnog noodzakelijk zijn. De aanwezigheid van puin kan een aanwijzing zijn dat de bodem asbesthoudend materiaal bevat. De NEN 5707 is alleen van toepassing op asbest in bodem en grond met minder dan 50% (V/V) bodemvreemd materiaal (puin en dergelijke). Voor de bepaling van het gehalte aan asbest in lagen met meer dan 50% (V/V) bodemvreemd materiaal, moet de NEN 5897 worden gebruikt.

Tot slot wordt geadviseerd om voorafgaand aan het veldonderzoek een fysieke terreinverkenning uit te voeren, zoals voorgeschreven in de NEN 5725. Indien bij de terreinverkenning een andere situatie wordt aangetroffen dan op basis van het vooronderzoek werd verwacht, dan kan dit aanleiding zijn om de strategie of de hypothese bij te stellen.

6.6 Geluid

Ten behoeve van het voornemen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 14).

Onderzoek wegverkeerslawaai

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet inwerking getreden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij een fysieke aanpassing van een gemeenteweg onderzocht moet worden of sprake is van een wijziging van weg. Hiervan is sprake als:

  • rijstroken worden verplaatst met meer dan 2 m of;
  • of rijstroken worden verhoogd met meer dan 1 m of;
  • als het aantal rijstroken toeneemt (niet zijnde voorsorteerstroken of in- en uitvoerstroken);
  • een wegdek wordt vervangen door een minder stil wegdek of een geluidbeperkende maatregel wordt verwijderd.

De fysieke aanpassing van de Spurkt en het kruispunt met de Metaalweg voldoet niet aan bovenstaande criteria. Dit betekent dat geen sprake is van een wijziging van een weg.

Als een plan leidt tot een toename van de verkeersintensiteit op een weg in de omgeving, dan moet het plan erin voorzien dat het geluid door die weg op geluidgevoelige gebouwen niet toeneemt met meer dan 1,5 dB. Dit wordt een indirect akoestisch effect genoemd. Uit een analyse van de verkeersintensiteiten, is gebleken dat sprake is van een toename van de verkeersintensiteiten door de ontwikkeling van het bedrijventerrein waardoor de geluidemissie langs wegen in de omgeving toeneemt met meer dan 1,5 dB.

Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het toetsen of het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt met meer dan 1,5 dB, als gevolg van het toegenomen verkeer op een weg in deomgeving door de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Hierbij wordt het verschil in geluid bepaald tussen het maatgevende jaar met plan en datzelfde jaar zonder plan. Voor het maatgevende jaar is de situatie 10 jaar na vaststelling van het plan, het jaar 2036, gehanteerd.

Resultaten

Het geluid is berekend ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen langs de Spurkt, buiten het wijzigingsgebied. De woningen binnen het wijzigingsgebied worden geamoveerd. Er staan geen geluidgevoelige gebouwen langs de Metaalweg. De ligging van de rekenpunten is weergegeven in onderstaand figuur. De rekenresultaten op maatgevende hoogte is weergegeven in onderstaande tabel. Bij het bepalen van het verschil is de standaardwaarde van 53 dB als ondergrens gehanteerd. Een volledig overzicht van de rekenresultaten is opgenomen in bijlage B van de rapportage.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0038.png"

Ligging van de rekenpunten

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0039.png"

Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluid toeneemt met meer dan 1,5 dB bij 1 woning. Het geluid neemt toe met maximaal 2 dB tot maximaal 65 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Bij de woningen Spurkt 11 en 11A neemt het geluid niet toe tot boven de standaardwaarde van 53 dB. Voor deze woningen is geen verder onderzoek naar geluidmaatregelen of geluidwering van de gevels nodig.

De woning Overloonseweg 28 met een toename van meer dan 1,5 dB ligt op circa 40 m afstand van een kruisingsvlak.

Bij het toelaten van een overschrijding van de standaardwaarde is onderzoek noodzakelijk naar:

  • geluidbeperkende maatregelen die noodzakelijk zijn om de geluidbelasting terug te brengen tot de standaardwaarde;
  • indien deze geluidbeperkende maatregelen niet financieel doelmatig zijn, moet beoordeeld worden welke maatregelen wel doelmatig zijn om de geluidbelasting zo ver mogelijk te reduceren.

Voor deze woning stuit het toepassen van een geluidreducerend wegdektype op bezwaren van technische aard, vanwege de grote kans op slijtage van wringend verkeer vanwege het kruispunt. Het plaatsen van een geluidscherm stuit op bezwaren van technische aard, aangezien de woning worden ontsloten via de Spurkt. Het plaatsen van een scherm langs de Spurkt maakt de toegang tot de woning onmogelijk.

Vanwege het feit dat er geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen, dient het gezamenlijk geluid en het gecumuleerd geluid te worden bepaald. Omdat in dit geval alleen sprake is van wegverkeerslawaai, is het gecumuleerde geluid gelijk aan het gezamenlijk geluid.

Gezamenlijk en gecumuleerd geluid

Omdat voor de woning Overloonseweg 28 sprake is van een toename van meer dan 1,5 dB, dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid voor deze woning te worden bepaald. Daarnaast moet voor het bepalen van de geluidwering van de gevels van deze woning het gezamenlijk geluid worden bepaald. Voor het bepalen van het gezamenlijk en gecumuleerd geluid is het geluid van wegverkeerslawaai en industrielawaai relevant.

Er is geen sprake van de geluidbronsoort railverkeerslawaai. Voor het berekenen van het geluid van wegverkeerslawaai is het geluid van de gemeentewegen en de rijkswegen van de belang. Voor het berekenen van het geluid van de rijkswegen is de registerdata van 18 januari 2025 gehanteerd.

Het nieuwe bedrijventerrein Spurkt is niet geluidgezoneerd. Het bestaande bedrijventerrein Smakterheide is wel gezoneerd

Omdat de woning Overloonseweg 28 ver buiten de geluidzone van het bestaande bedrijventerrein Smakterheide ligt (op circa 340 m afstand), zal de geluidbelasting van het industrielawaai bij deze woning beduidend lager zijn dan 50 dB(A). Het geluid van industrielawaai is daarmee niet relevant voor het gezamenlijk en gecumuleerd geluid.

Het gezamenlijk geluid bedraagt 62 dB. De beoordeling van het gecumuleerde geluid kan geclassificeerd worden als ‘tamelijk slecht’.

Relatie met het omgevingsplan

Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluid toeneemt met meer dan 1,5 dB bij de woning Overloonseweg 28. Het geluid neemt toe met maximaal 2 dB tot maximaal 65 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Het gezamenlijk geluid bedraagt 62 dB. De beoordeling van het gezamenlijk geluid kan geclassificeerd worden als ‘tamelijk slecht’.

Bij het bepalen van de geluidwering van de gevels van de woning Overloonseweg 28 moet uitgegaan worden van het gezamenlijk geluid. Het gezamenlijk geluid is het geluid van verschillende bronsoorten op een gevel, energetisch opgeteld zonder rekening te houden met correcties voor verschillen in hinderlijkheid. Uit een nader uit te voeren geluidwering gevelonderzoek moet blijken of gevelmaatregelen nodig zijn om te voldoen aan de van toepassing zijnde binnenwaarde voor deze woning.

6.7 Luchtkwaliteit

Bij het toelaten van bedrijven in het omgevingsplan speelt luchtkwaliteit een rol. Enerzijds dient de luchtkwaliteit bij de nieuwe bedrijven aanvaardbaar te zijn. Anderzijds mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

Omgevingswaarden

Artikel 2.15 van de Omgevingswet schrijft voor dat omgevingswaarden vastgesteld worden om de gezondheid en het milieu te beschermen, de veiligheid te waarborgen en natuurlijke hulpbronnen te beheren. Deze omgevingswaarden zijn vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is de AMvB waarin de omgevingswaarden van het Rijk vastgelegd zijn. Het gaat onder meer om omgevingswaarden voor de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2.5), lood, ozon en gevaarlijke stoffen. Deze omgevingswaarden zijn terug te vinden in met name artikelen 2.1 tot en 2.8 van het Bkl en gelden als maximaal toelaatbare concentratie. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof zijn opgenomen in de volgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0040.png"

Onderzoek

Onder de Omgevingswet is vastgesteld dat de luchtkwaliteit getoetst moet worden aan omgevingswaarden wanneer een project binnen één van de aangewezen aandachtsgebieden ligt. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Bkl artikel 5.51 lid 3. De gemeente Venray ligt niet binnen de vastgestelde aandachtsgebieden voor wegverkeer voor NO2 en PM10 en daarmee is toetsing aan omgevingswaarden niet verplicht.

Wel heeft een berekening met de NIBM-tool plaatsgevonden om inzicht te krijgen op het mogelijke effect op de luchtkwaliteit vanwege het plan.

De berekening heeft plaatsgevonden voor de maximale toename in verkeer die te verwachten is na realisatie en in gebruik name van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Deze maximale toename (ten opzichte van de autonome situatie) vindt plaats op de Metaalweg en bedraagt 3.412 motorvoertuigen per etmaal met een aandeel zwaar vrachtverkeer van 10%, conform de verkeersgegevens die zijn opgesteld voor het jaar 2036.

Met deze gegevens is middels de NIBM-tool een worst-case berekening uitgevoerd voor het jaar 2025.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0041.png"

Vanuit het aspect luchtkwaliteit geldt dat er op basis van de maximale toename van het wegverkeer vanwege het plan, de toename in concentraties luchtkwaliteit mogelijk in betekenende mate kunnen zijn.

Uitgesloten is dat de omgevingswaarden worden overschreden, gezien de heersende concentraties ter plaatse in 2025 (N02 17,5 µg/m3, PM10 14,8 µg/m3 en PM2,5 8,0 µg/m3) en de te verwachten toename (maximale bijdrage NO2 5,1 µg/m3 en maximale bijdrage PM10 0,5 µg/m3) vanuit de NIBM -tool.

Relatie met het omgevingsplan

Vanuit het vigerende wettelijk kader is voor het onderliggende plan toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet verplicht, de planlocatie is niet gesitueerd binnen een vastgesteld aandachtsgebied voor NO2 en PM10 vanwege wegverkeer. Nadere toetsing is daarmee niet noodzakelijk. Gezien de heersende concentraties in 2025, blijven - rekening houdend met de toename vanwege onderliggend plan - de te verwachten concentraties na planrealisatie ruimschoots onder de omgevingswaarden.

Er gelden vanuit het aspect luchtkwaliteit geen verdere bezwaren tegen uitbreiding van het bedrijventerrein.

6.8 Milieuzonering

De Omgevingswet stimuleert een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daarbij worden ruimtelijke thema's en milieuthema's verder geïntegreerd. Op gemeentelijk niveau vindt deze integratie vooral plaats in het omgevingsplan. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Een gezonde en veilige leefomgeving voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies, zoals woningen.

Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van woningen en andere milieugevoelige gebouwen. Milieuzonering wordt enerzijds toegepast met het oog op de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en anderzijds met het oog op het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving.

Aan de hand van de recent verschenen handreiking van de VNG 'Activiteiten en milieuzonering' (oktober 2024) is het mogelijk om regels, in het bijzonder voor geluid en geur, in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten, zodat bij de realisatie van het bedrijventerrein sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt in deze handreiking verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico's of lichthinder kunnen veroorzaken, zijn milieuhinderlijke activiteiten.

Het doel van een bedrijventerrein is het bieden van fysieke ruimte aan milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten die substantiële milieuhinder kunnen voorzaken. Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor het ondernemersklimaat in een gemeente. Ongereguleerde vestiging van bedrijven op bedrijventerreinen is echter vrijwel nergens mogelijk. De bedrijven op een bedrijventerrein moeten milieuhinder buiten het bedrijventerrein beperken, zeker wanneer nabij het bedrijventerrein (geprojecteerde) milieugevoelige functies aanwezig zijn.

6.8.1 Geluid

Inwaartse zonering

Bij inwaartse zonering vindt de zonering plaats vanuit de (bestaande en /of geprojecteerde) woningen of andere milieugevoelige activiteiten nabij een bedrijventerrein of ander werkterrein. Binnen het bedrijventerrein of ander werkterrein zijn op korte afstand van een milieugevoelige activiteit slechts in beperkte mate milieuhinderlijke activiteiten toelaatbaar, dus activiteiten met een beperkte milieugebruiksruimte. Hoe groter de afstand tot de milieugevoelige functie, hoe groter de beschikbare milieugebruiksruimte kan zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0042.png"

Principe van inwaarts zoneren

In het omgevingsplan zijn deze zones opgenomen met milieuwaarden. Deze milieuwaarden met bijbehorende regels gelden voor de toegelaten milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten op bedrijventerrein Smakterheide Noord. Uitgangspunt is functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen het bedrijventerrein. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten meer of minder milieugebruiksruimte. Hiermee wordt duidelijk welke milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten in een gebied op grond van het omgevingsplan rechtstreeks worden toegelaten.

Voorkomen van cumulatie

Op grond van de instructieregels in het Bkl (art. 5.59 geluid, art. 5.92 geur) moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het geluid en de geur door activiteiten op milieugevoelige gebouwen. Uit het gebruik van de meervoudsvorm van activiteit kan worden afgeleid dat rekening dient te worden gehouden met cumulatie van geluid en geur door alle activiteiten tezamen. Wanneer voor activiteiten op een bedrijventerrein of een ander werkterrein in het omgevingsplan alleen een geluidwaarde per activiteit op omringende woningen wordt opgenomen, kunnen de activiteiten op het gehele bedrijventerrein tezamen mogelijk een hoge gecumuleerde geluidbelasting veroorzaken. Dit is ongewenst. Door de inwaartse zonering van gebruiksruimte is de toetsing, bewaking en regulering van cumulatieve milieuhinder van het gehele bedrijventerrein niet nodig. Bij een nieuwe activiteit (of uitbreiding/wijziging van een bestaande activiteit) volstaat een individuele toetsing van de nieuwe activiteit.

Basiswaarde (zone geluid basis)

Uitgangspunt voor de zonering van geluid is de basiswaarde voor een milieuhinderlijke activiteit van 50 dB(A) etmaalwaarde op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0043.png"

Basiswaarde geluid

Deze basis geluidruimte sluit aan bij de in de praktijk bekende 'standaard', die ook is opgenomen in artikel 22.71 van de Bruidsschat, voor de aangewezen milieubelastende activiteiten op een gezoneerd industrieterrein. Voor veel activiteiten zal deze waarde toereikend zal zijn. Deze basiswaarde geldt voor alle activiteiten tezamen die op de locatie van de milieuhinderlijke activiteit worden verricht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0044.png"

Toegestane geluidwaarden (langtijdgemiddeld) per activiteit

Er wordt hierbij gerekend zónder tussenliggende bebouwing en zonder voorgeschreven beoordelingshoogte in de berekening te betrekken: de zogenaamde poldersituatie. Dat zorgt ervoor dat deze geluidruimte passend is voor bedrijven die naar aard en omvang voldoende hebben aan 50 dB(A) op 50 meter. Dit is van belang om cumulatie te beperken. Immers in de praktijk is er vaak wel sprake van afschermende bebouwing en lagere gevelhoogten, waardoor de feitelijke geluidbelasting van de afzonderlijke bedrijven in veel gevallen lager zal zijn. Op deze wijze wordt relevante cumulatie beperkt.

Door de beperking van de geluidruimte tot 50 meter vanaf de terreingrens geldt: hoe groter de afstand tot de woonfunctie hoe minder een milieuhinderlijke activiteit (zoals een bedrijf) bijdraagt aan het cumulatieve geluid op de woonomgeving. Is de afstand tussen de milieuhinderlijke activiteit en de grens van het bedrijventerrein kleiner dan 50 meter dan is de grens de maatgevende afstand voor de 50 dB(A) contour en wordt de contour hier afgekapt. Dit leidt ertoe dat de geluidsruimte in de richting van woonfuncties traploos kleiner wordt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0045.png"

Zone geluid verruimd

De zone 'geluid verruimd' is bedoeld om met name op bedrijventerreinen ook de zwaardere bedrijven te voorzien van voldoende standaard geluidruimte. Deze zone biedt extra geluidruimte ten opzichte van de basiswaarde. Voor zover de standaardafstand van 50 meter rondom een bedrijf/milieuhinderlijke activiteit binnen de zone 'geluid verruimd' ligt, geldt een afstand van maximaal 100 meter, ongeacht of de activiteit wel of niet in de zone 'verruimd' is gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0046.png"

6.8.2 Geur

Basiswaarde (zone geur basis)

Uitgangspunt voor de zonering van geur is een basiswaarde voor geur door een milieuhinderlijke activiteit van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 percentiel op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0047.png"

Basiswaarde geur

Voor veel activiteiten zal deze waarde toereikend zal zijn. Deze waarden gelden voor alle (deel)activiteiten die op de locatie worden verricht tezamen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0048.png"

Toegestane basiswaarden geur per activiteit

Er wordt gerekend zónder tussenliggende bebouwing en voorgeschreven beoordelingshoogte. Dit zorgt ervoor dat deze geurruimte passend is voor bedrijven die naar aard en omvang voldoende hebben aan deze waarde, ook als er hooggelegen geurbronnen zijn zoals via een schoorsteen.

Door de beperking van de geurruimte tot 50 meter vanaf de terreingrens wordt mogelijke cumulatie beperkt. Hoe groter de afstand tot de woonomgeving hoe minder een bedrijf bijdraagt aan de cumulatieve geur op de woonomgeving. Bij geur wordt geen onderscheid gemaakt tussen een rustig woongebied en een gemengd gebied met wonen.

De grens woongebied betreft de grens van het gebied waar geurgevoelige gevels staan of gebouwd mogen worden, al dan niet vergunningsvrij. Ook op de grens van het woongebied worden de geurwaarden bepaald zónder rekening te houden met tussenliggende bebouwing en zónder voorgeschreven beoordelingshoogte. Zo nodig kan gewerkt worden met standaard rekenhoogten van bijv. 5, 10 en 30 meter. Als echter voor een specifiek bedrijf op een andere hoogte een hogere geurbelasting optreedt, wordt die hoogte bepalend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0049.png"

Doorwerking in het omgevingsplan

Voor het zuidelijke deel van het bedrijventerrein is een zone 'geluid basis' op de verbeelding opgenomen. Voor een milieuhinderlijke activiteit op het bedrijventerrein geldt de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

Voor het overige deel van het uitgeefbare terrein van bedrijventerrein Smakterheide Noord is een zone 'geluid verruimd' toegepast.

Voor zowel de zone 'geluid basis' als de zone 'geluid verruimd' zijn in de regeling regels opgenomen voor de gebruiksruimte geluid op het bedrijventerrein.

Voor het gehele wijizigingsgebied is de zone 'geur-basis' opgenomen en gelden de basiswaarden van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 percentiel op 50 meter van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Hiervoor zijn in de regeling regels opgenomen voor de gebruiksruimte geur.

6.8.3 Risicovolle activiteiten

De toelating van activiteiten met externe veiligheidsrisico’s in de zin van Bijlage VII Bkl, onderdelen B tot en met E kent een eigen spoor, op basis van de regels in het Bkl. Echter de regels voor geluid en geur die op basis van deze handreiking in het omgevingsplan zijn opgenomen, zijn ook van toepassing op de risicovolle activiteiten die via dat eigen spoor in het omgevingsplan zijn toegelaten.

De lichtere risicovolle activiteiten in de zin van Bijlage VII onderdeel A van het Bkl kunnen als onderdeel van (bedrijfs-)activiteiten wel rechtstreeks worden toegelaten (met uitzondering van LPG-tankstations). Uitgangspunt is dat in de planregels als voorwaarde wordt opgenomen dat de plaatsgebonden risicocontour en het aandachtgebied van die activiteit niet buiten de grens van de eigen locatie van de milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit mogen liggen. Is dat wel het geval, dan moet hiervoor alsnog een vergunningplicht gelden. Genoemde activiteiten worden niet toegelaten (ook niet als omgevingsplanactiviteit) wanneer binnen het aandachtsgebied kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen van derden zijn toegelaten. In dat geval is een bredere afweging nodig in het kader van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een wijziging van het omgevingsplan.

6.9 Omgevingsveiligheid

Voor het voornemen is een onderzoek naar omgevingsveiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is weergegeven in Bijlage 15. Het doel van het onderzoek is het inventariseren van de risicobronnen in de omgeving van het wijzigingsgebied en het beschouwen van de effecten van het voornemen op omgevingsveiligheid.

Plaatsgebonden risico (PR)

Conform artikel 5.6 van het Bkl is het plaatsgebonden risico de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Conform artikel 5.7, eerste lid van het Bkl wordt in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Conform artikel 5.11, eerste lid van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties.

Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico's overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit. Plaatsen met een gelijk PR worden op een kaart door middel van een PR-contour weergegeven. Binnen de PR 10-6 per jaar contour is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit dus groter dan 1 op de 1.000.000 per jaar

Conform artikel 5.15, eerste lid van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Conform artikel 5.15, tweede lid van het Bkl wordt aan artikel 5.15, eerste lid van het Bkl in ieder geval voldaan als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied:

  • a. geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; of
  • b. waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt:
  • 1. dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of
  • 2. dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico (GR) geeft de kans weer waarbij een groep van tien of meer personen tegelijkertijd om het leven komt door een ongeval bij een activiteit met externe veiligheidsrisico's. De waarde voor het GR wordt in een grafiek weergegeven met een fN-curve. In de grafiek wordt het aantal dodelijke slachtoffers (N) op de horizontale as uitgezet tegen de cumulatieve frequentie per jaar (f) op de verticale as. In de grafiek wordt ook de oriëntatiewaarde (OW) weergegeven. Dit is de waarde voor het GR weergegeven door de lijn (f x N2 = 10-2 per jaar) die de punten met elkaar verbindt waarbij de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers 10-4 per jaar, de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers 10-6 per jaar en de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers 10-8 per jaar is.

Onderzoek

De risicobronnen in de omgeving van het wijzigingsgebied zijn geïnventariseerd aan de hand van de Atlas Leefomgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0050.png"

Uitsnede Altas Leefomgeving

Op het adres Spurkt 5c wordt propeen of propaan opgeslagen in een bovengrondse opslagtank. Het opslaan van propaan of propeen in een opslagtank, bedoeld in artikel 4.896 van het Bal, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.22, eerste lid, van dat besluit is een activiteit die valt onder deel A.7 van Bijlage VII van het Bkl. Omdat de bebouwing op dit adres moet wijken voor het voornemen is deze risicobron niet verder beschouwd in het onderzoek.

Conform de Rbn is wegvak L1 (A73: afrit 7 (Vierlingsbeek) – afrit 9 (Venray)) een basisnet wegroute. Over de bassinet wegroute worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De kleinste afstand tussen het wijzigingsgebied en wegvak L1 is ongeveer 230 meter.

Wegvak L1 heeft een PR 10-6 per jaar contour van 1 meter. Het wijzigingsgebied ligt buiten de PR 10-6 per jaar contour van de basisnet wegroute.

Voor basisnetroutes zijn de afstanden tot de aandachtsgebieden vastgelegd in het Bkl. De afstand tot het brandaandachtsgebied is 30 meter. De afstand tot het explosieaandachtsgebied is 200 meter. Voor een basisnet wegroute worden de afstanden tot de aandachtsgebieden gemeten vanaf de buitenste kantstrepen van de weg.

Benegas B.V. (Spurkt 9c) is een zogenaamde Seveso-inrichting. De kleinste afstand tussen het wijzigingsgebied en Benegas B.V. is ongeveer 10 meter.

De PR 10-6 per jaar contour is weergegeven in de onderstaande afbeelding. Benegas B.V. kent een brandaandachtsgebied en een explosieaandachtsgebied die eveneens in onderstaande afbeelding zijn weergegeven. Een deel van het wijzigingsgebied ligt binnen deze contouren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0051.png"

Ligging Benegas

Relatie met het omgevingsplan

Het wijzigingsgebied ligt buiten het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied van de basisnet wegroute. Wat betreft wegvak L1 wordt er voldaan aan artikel 5.15 van het Bkl en heeft het voornemen geen effecten op omgevingsveiligheid.

Wat betreft Benegas B.V. heeft het voornemen effecten op omgevingsveiligheid.

Binnen de PR 10-6 per jaar contour van Benegas B.V. maakt dit plan de ontwikkeling van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties, beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties niet mogelijk. Daarom wordt voldaan aan artikel 5.7 van het Bkl en artikel 5.11 van het Bkl.

Zowel binnen het brandaandachtsgebied van Benegas B.V. als binnen het explosieaandachtsgebied van Benegas B.V. maakt dit plan de ontwikkeling van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet mogelijk. Zowel binnen het brandaandachtsgebied van Benegas B.V. als binnen het explosieaandachtsgebied van Benegas B.V. maakt dit plan de ontwikkeling van beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties mogelijk. Om wat betreft Benegas B.V. te voldoen aan artikel 5.15 van het Bkl, moet het omgevingsplan waarborgen:

  • dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of
  • dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is;
  • zowel binnen het brandaandachtsgebied van Benegas B.V. als binnen het explosieaandachtsgebied van Benegas B.V. afstand te houden tot Benegas B.V.;
  • aanvullende risicocommunicatie te organiseren;
  • personendichtheden in de omgeving van Benegas B.V. te beperken;
  • vlucht- en schuilmogelijkheden (handelingsperspectieven) te bieden;
  • omgevingsmaatregelen te treffen;
  • aanvullende bouwmaatregelen te treffen.

Doordat dit plan de ontwikkeling van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties, beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties binnen de PR 10-6 per jaar contour van Benegas B.V. (met een diameter van ongeveer 220 m) niet mogelijk maakt, wordt zowel binnen het brandaandachtsgebied van Benegas B.V. (met een diameter van ongeveer 500 m) als binnen het explosieaandachtsgebied van Benegas B.V. (met een diameter van ongeveer 770 m) al afstand gehouden tot Benegas B.V. Ook worden al vluchtmogelijkheden geboden. Personen op bedrijventerrein Smakterheide Noord kunnen van Benegas B.V. af vluchten richting het noordwesten en richting het zuidwesten.

De betreffende zones zijn weergegeven op de verbeelding en voorzien van een regeling.

6.10 Ontplofbare oorlogsresten

Op basis van de resultaten van het Vooronderzoek Conflictperiode Ontplofbare Oorlogsresten (zie Bijlage 16) is vastgesteld dat er indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog ontplofbare oorlogsresten zijn achtergebleven in/op de (water)bodem binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Dit betekent dat er tijdens de uitvoering van de geplande bodemingrepen een kans is op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten en een mogelijke ongecontroleerde werking hiervan. Het soort ontplofbare oorlogsresten dat binnen de grenzen van het onderzoeksgebied aangetroffen kan worden betreft verschoten geschutmunitie (geallieerd en Duits) en verschoten raketten (Duits), gedumpte geschutmunitie, ontstekingsinrichtingen en munitietoebehoren (geallieerd en Duits) en gedumpte kleinkalibermunitie, handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en toebehoren van munitie (geallieerd en Duits). Er is tevens een horizontale en verticale afbakening vastgesteld die het risicogebied en de diepteligging van de mogelijke ontplofbare oorlogsresten weergeeft: het gehele onderzoeksgebied is verdacht op verschoten geschutmunitie en raketten tot ongeveer 1,5 meter onder maaiveld Tweede Wereldoorlog, tot 3 meter onder maaiveld in de geschutopstellingen, wapenopstellingen, loopgraven en mangaten binnen het onderzoeksgebied en tot op de vaste waterbodem ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in de watergangen. De gedumpte munitie kan aangetroffen worden tot een maximale diepte van ongeveer 1,5 meter onder maaiveld Tweede Wereldoorlog in de geschutopstellingen, wapenopstellingen, loopgraven en mangaten binnen het onderzoeksgebied en tot op de vaste waterbodem ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in de watergangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0052.png"

Bodembelastingkaart OO van het onderzoeksgebied

Relatie met het omgevingsplan

Aangezien er tijdens de uitvoering van het Vooronderzoek Conflictperiode Ontplofbare Oorlogsresten indicaties van oorlogshandelingen zijn aangetroffen en het onderzoeksgebied verdacht is, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de voorgenomen bodemingrepen in het onderzoeksgebied vervolgstappen te nemen in de opsporing van ontplofbare oorlogsresten. Omdat er weinig tot geen naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, wordt geadviseerd om direct over te gaan op detectiewerkzaamheden door een CS-OOO gecertificeerd bedrijf.

6.11 Gezondheid

Het bereiken en in stand houden van een (sociaal) veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Ow).

De beoogde uitbreiding van bedrijventerrein Smakterheide wordt omgeven door groen. Een groene omgeving is niet alleen heel belangrijk voor het algehele welbevinden van medewerkers maar draagt ook bij aan het welzijn van werknemers. Dit karakter moet behouden blijven. In het inrichtingsvoorstel is dan ook rekening gehouden met het optimaal benutten van deze groene omgeving en wordt voor de werknemers een omgeving gecreëerd waar zij, door het toevoegen van wandelpaden en banken, kunnen ontspannen, ontmoeten, bewegen en/of tot rust kunnen komen. Dit in combinatie met voldoende groen op de bedrijfspercelen de verkoelende groene inrichting van de openbare ruimte zorgt voor een prettig, groen en rustig beeld.

Naast een productiviteitsstijging en de stress verlagende werking heeft een groene omgeving nog op meer manieren impact op het welzijn en de gezondheid van medewerkers. Vaak hoor je over de mentale gezondheidseffecten, maar het groen heeft zowel direct als indirect ook effect op de fysieke gezondheid. De temperaturen op bedrijventerreinen lopen hoog op, dit is niet alleen onprettig voor de werknemers maar ook voor de bedrijven en de terreinen. Dit zal de komende jaren blijven toenemen als er geen maatregelen worden genomen. Groen draagt bij aan het reduceren van hitte, door deze vast te houden en af te voeren. Daarnaast zorgen bomen voor schaduw wat bescherming biedt tegen overmatige blootstelling aan zonlicht. Groen vormt tevens een belangrijke fysieke barrière waarmee geluid gedempt wordt. Naast het verminderen van gezondheidsschade draagt het groen ook bij aan het bevorderen van gezond gedrag. Een groene buitenomgeving bevorderd namelijk de fysieke activiteit en sociale contacten. Wanneer het groen op bedrijventerreinen zo is aangelegd dat het verleidt tot meer beweging. Denk aan wandel en fietsmogelijkheden zowel op de terreinen als ernaar toe en bankjes in de schaduw om lunch te eten. Een korte wandeling tijdens de pauze of alleen al even naar buiten lopen voor de lunch heeft al impact op de gezondheid.

Groen heeft verder ook effect op het fysiek en mentaal herstel van werknemers. Dit gebeurt op verschillende manieren. Als eerste leidt alleen al het uitzicht op groen en het gebruik ervan tot positieve fysieke gezondheidseffecten. Daarnaast draagt een groene omgeving en het uitzicht op een groene omgeving bij aan de mentale gezondheid.

Binnen het bouwplan wordt rekening gehouden met een goede toegankelijkheid (rolstoelvriendelijk, geschikt voor slechtziende etc) van de openbare ruimte en de bedrijven. Om daarnaast de (sociale) veiligheid te garanderen, wordt gewerkt aan een lichtplan. Zo worden donkere en afgelegen plekken in de buitenruimte voorkomen en creëren we een gevoel van veiligheid in de directe omgeving van de werknemers.

Relatie met het omgevingsplan

De beoogde ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt niet tot ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid van inwoners en werknemers. Met deze ontwikkeling wordt een (sociaal) veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit gerealiseerd en gegarandeerd.

Vanuit het aspect gezondheid is er binnen het planvoornemen sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

6.12 Duurzaamheid

Duurzaam bouwen (DuBo) staat in de belangstelling en milieuaspecten krijgen een volwaardige plaats in het ontwerpen, bouwen en beheren van bebouwing. In de praktijk betekent duurzaam bouwen dat met onder meer de volgende aspecten rekening gehouden wordt: het materiaalgebruik, de vormgeving van het bouwblok, gebruik maken van wind- en/of zonne-energie, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen. Bij deze laatste moeten gebouwen op eenvoudige wijze geschikt gemaakt kunnen worden voor hergebruik, zodat de levensduur wordt verlengd. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ziet onder andere toe op bepaalde kwaliteitseisen van nieuwbouw.

Met de ontwikkeling van het bedrijventerrein verandert niet alleen de fysieke omgeving, maar zal ook de energievraag veranderen. Met de ambities (zie 2.1) voor het bedrijventerrein in gedachte wordt het bedrijventerrein niet op het gas aangesloten met als insteek dat wordt gekozen om de bedrijfspanden op een duurzame manier te koelen of te verwarmen. De daken van de bedrijven dienen daarbij geschikt te zijn voor de installatie van zonnepanelen. Daarnaast wordt in de inrichting rekening gehouden met wateroverlast en hittestress door voldoende waterberging en voldoende groenvoorzieningen te realiseren.

6.13 Mer-beoordeling

De beoogde ontwikkeling van bedrijventerrein Smakterheide Noord valt als stedelijk ontwikkelingsproject onder categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. In dat kader is voor deze wijziging van het omgevingsplan een aanmeldingsnotitie mer opgesteld (zie Bijlage 17). In deze aanmeldingsnotitie wordt getoetst in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen.

De milieueffectrapportage (MER) is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De MER is geregeld in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. In een project-mer-beoordeling (artikel 16.43 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden, en of er daarmee een noodzaak is tot het opstellen van een MER.

Of een besluit over een project project-mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat in de eerste kolom de omschrijving van projecten. In de vierde kolom staan de besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden, waaronder het omgevingsplan. Om te bepalen of er sprake is van een project-mer-(beoordelings)plicht dienen de volgende stappen worden doorlopen:

  • 1. Bekijk of het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1 uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 2. Als dat zo is, kijkt of het besluit in de laatste kolom staat.
  • 3. Kijk of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen:
    • a. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-mer-plicht.
    • b. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-mer- beoordelingsplicht.

In het geval dat een passende beoordeling voor een plan, zoals een TAM-omgevingsplan, noodzakelijk is, is er niet meer automatisch de verplichting om een MER (een plan-MER) op te stellen voor het plan. Deze mogelijkheid geldt voor een plan, waarbij de omvang van het plan klein is in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente. Hierbij wordt het 1%-criterium als een bruikbare maatstaf gehanteerd om te bepalen of een plan onder de kleine gebiedenregeling valt. Dit betekent dat een planMER-beoordeling volstaat als het plan betrekking heeft op een klein gebied (= 1% van het gemeentelijk grondgebied) en er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. De 1%-grens is geen wettelijke norm, maar een juridisch richtsnoer. De Advocaat-Generaal van het Hof van Justitie van de EU noemt zelfs een richtcijfer van 5% als bovengrens in zijn uitleg van de SMB-richtlijn.

De voorgenomen bedrijventerrein ontwikkeling heeft een maximaal oppervlak van 22 hectare, terwijl het grondgebied van de gemeente 16.500 hectare bedraagt. In totaal neemt de 22 hectare slechts 0,0013 % van het grondgebied van de gemeente in. Voor dit TAM-omgevingsplan kan worden volstaan met een plan-m.e.r. beoordeling.

In de aanmeldingsnotitie wordt geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het planvoornemen en dat kan worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport en het doorlopen van de formele milieueffectrapportageprocedure.

Hoofdstuk 7 Kostenverhaal

7.1 Inleiding

Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:

  • a. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;
  • b. de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;
  • d. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of
  • f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.

Indien de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt, dient het kostenverhaal via een van onderstaande opties te worden verzekerd:

  • a. anderszins, via een overeenkomst, bijvoorbeeld:
    • 1. een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van de kostenverhaalplichtige activiteit; of
    • 2. via de gronduitgifte-overeenkomst tussen gemeente en een toekomstige eigenaar, indien de gemeente het volledige kostenverhaalsgebied in eigendom heeft;
  • b. via regels kostenverhaal in het omgevingsplan, waarbij gekozen wordt tussen:
  • 1. een systeem met tijdvak: vergelijkbaar met het systeem uit de Wro, waarbij plannen een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum hebben, zodat kosten en opbrengsten op voorhand goed te berekenen zijn;
  • 2. of zonder tijdvak: een nieuw systeem voor gebiedsontwikkelingen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum, waardoor kosten en opbrengsten op voorhand moeilijker te berekenen zijn en er gewerkt wordt met scenario's.

Voor de ontwikkeling van bedrijventerrein Smakterheide Noord zijn in dit TAM-omgevingsplan kostenverhaalsregels op genomen.

7.2 Kostenverhaal

7.2.1 Wettelijke kostenverhaalsplicht

De wijziging van het omgevingsplan voor de locatie Smakterheide Noord voorziet in onder meer circa 22 ha grondgebied met de functie Bedrijventerrein. Binnen deze functie is de bouw van bedrijfsgebouwen toegestaan.
Binnen het wijzigingsgebied is voorts voorzien in circa 28,3 ha aan te leggen c.q. te wijzigen openbare ruimte ten behoeve van de bedrijventerreinontwikkeling. Verder is binnen het wijzigingsgebied sprake van een beperkte oppervlakte van circa 0,7 ha met de functie Verkeer. Dit ziet op het inpassen van bestaande voorzieningen van openbaar nut, waar geen sprake is van aanpassingen of wijzigingen (conserverende functie).

Het te ontwikkelen gedeelte van het wijziginsgebied kent hiermee een oppervlakte van circa 50,3 ha. Dit gebied wordt in het omgevingsplan aangeduid als 'overige zone - kostenverhaalsgebied' (zie Bijlage 18).

Op 1 juli 2025 heeft de gemeente binnen het kostenverhaalsgebied een beperkte oppervlakte van circa 14,2 ha in eigendom. De eigendomssituatie per 1 juli 2025 kan als volgt worden weergegeven (de eigendommen van de gemeente zijn opgenomen onder 'eigenaar 1', zie tevens Bijlage 19):


afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0053.png"

Eigendommenkaart

De indeling van het kostenverhaalsgebied naar het uitgeefbaar gebied en openbare ruimte is op de verbeelding vastgelegd. Binnen het uitgeefbaar gebied zijn de gronden gelegen waarop de in het omgevingsplan opgenomen mogelijkheden tot het bouwen van bedrijfsgebouwen zijn voorzien.

Die ruimte-indeling kan worden weergegeven via onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 20).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0054.png"

Ruimte-indeling

De vergelijking tussen het kaartbeeld van het ruimtegebruik en de eigendommenkaart laat zien dat de eigendommen van derden mede gelegen zijn binnen uitgeefbaar gebied, waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt.

Door de gemeente wordt een actieve grondpolitiek gevoerd voor de gronden bestemd tot uitgeefbaar gebied respectievelijk aan te leggen openbare ruimte, die in eigendom zijn van derden. In dat kader is door de gemeente een voorkeursrecht gevestigd.

Ingevolge artikel 13.11 Omgevingswet (Ow) geldt een wettelijke kostenverhaalsplicht indien in een wijziging van een omgevingsplan de bouw van kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals bedoeld in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob), mogelijk wordt gemaakt. De binnen de functie Bedrijventerrein geboden mogelijkheid tot het kunnen bouwen van bedrijfsgebouwen etc. geldt als kostenverhaalsplichtige activiteit zoals bedoeld in artikel 8.13 Ob.

Voor het geheel van de eigendommen van derden, die gelegen zijn binnen het uitgeefbaar gebied, geldt dat het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd door middel van anterieure overeenkomsten over kostenverhaal. Een en ander maakt dat de verplichting ontstaat om in de wijziging van het omgevingsplan regels over kostenverhaal op te nemen.

7.2.2 Kostenverhaalsmethodiek met tijdvak

Bij de invulling van de wettelijke kostenverhaalsplicht via het opnemen van kostenverhaalsregels in een wijziging van een omgevingsplan, staat de gemeente twee methodieken ter beschikking:

  • met tijdvak (artikel 13.14 Ow)
  • zonder tijdvak (artikel 13.15 Ow)


In de wijziging van het omgevingsplan dient, per kostenverhaalsgebied, een keuze te worden gemaakt voor de te hanteren kostenverhaalsmethodiek.

Voor de locatieontwikkeling Smakterheide Noord is gekozen voor de toepassing van de kostenverhaalsmethodiek met tijdvak. De redenen daarvoor zijn:

  • a. De gemeente heeft een duidelijk eindbeeld hoe de gewenste ontwikkeling dient plaats te vinden.
  • b. De gemeente streeft naar een integrale ontwikkeling van het gehele kostenverhaalsgebied en niet naar een organische ontwikkeling.
  • c. Er is behoefte aan een duidelijke sturing en regie op onder meer de relatie tussen de aanleg van openbare ruimte en de bebouwing van het uitgeefbaar gebied.

7.2.3 Toelichting kostenverhaalsregels

Artikel 27.1 Toepassingsbereik

De regels voor het kostenverhaal zijn van toepassing op de gronden gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - kostenverhaalsgebied'. Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder a Ow is in het omgevingsplan het kostenverhaalsgebied aangewezen.

Het kostenverhaalsgebied bevat nagenoeg het gehele gebied waarop het omgevingsplan betrekking heeft. Binnen het kostenverhaalsgebied ligt het uitgeefbaar gebied waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten (artikel 8.13 Ob) mogelijk worden gemaakt, alsmede het gedeelte waar sprake is van de daarvoor aan te leggen werken en uit te voeren werkzaamheden voor het bouwrijp maken en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. Het uitgeefbaar gebied en de openbare ruimte zijn aangeduid op de verbeelding.

Voor alle gronden binnen het kostenverhaalsgebied geldt dat er sprake is van nieuwe c.q. te wijzigen functies, waarbij de gronden worden aangewend ofwel voor de aanleg c.q. aanpassing van werken en werkzaamheden in de openbare ruimte dan wel voor de aanleg van werken en werkzaamheden gericht op het creëren van nieuwe kavels voor op te richten kostenverhaalsplichtige activiteiten. Tussen de delen van het kostenverhaalsgebied is er zowel een ruimtelijke als functionele samenhang.

Artikel 27.2 Kostenverhaalsplicht

De kostenverhaalsplicht is van toepassing, indien een kostenverhaalsplichtige activiteit als bedoeld in artikel 8.13 Ob wordt verricht binnen het uitgeefbaar gebied. In de kostenverhaalsregels is uitvoering gegeven aan het bepaalde in afdeling 13.6 Ow, voor de kostenverhaalsmethodiek met tijdvak.

De uitvoering van het kostenverhaal vindt plaats door middel van een door burgemeester en wethouders voorafgaand aan de start van de kostenverhaalsplichtige activiteit af te geven kostenverhaalsbeschikking, zoals bedoeld in artikel 13.18 Ow. Deze toepassing leidt uitzondering, indien het kostenverhaal op dat moment anderszins is verzekerd door middel van:

  • een overeenkomst tot verkoop van uitgeefbaar gebied door de gemeente;
  • een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.13 Ow tussen de gemeente en een particuliere exploitant, waarin afspraken zijn gemaakt over het verschuldigde kostenverhaal (anterieure of posterieure overeenkomst).

Artikel 27.3 Omslag van de te verhalen kosten over de gronden waarop de kostenverhaalsplichtige activiteiten zijn voorzien

Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder e.1 Ow zijn in dit artikel de regels over de methodiek van de verdeling van de te verhalen kosten over de kostenverhaalsplichtige activiteiten opgenomen. In artikel 13.16 Ow is voor deze omslagmethodiek bepaald, dat de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage dient te worden berekend door de te verhalen kosten te verdelen naar rato van de opbrengsten van de gronden waarop deze kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht.

Voor de omslagmethodiek is gebruik gemaakt van de wettelijke verdeelsleutel die onder de toepassing van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor het publiekrechtelijk kostenverhaal was vastgelegd in artikel 6.18 Wro.

De gehanteerde omslagmethodiek kan als volgt worden toegelicht:

  • a. De brutokostenverhaalsbijdrage geldt als uitkomst van de omslagmethodiek. De brutokostenverhaalsbijdrage wordt inzichtelijk gemaakt op basis van de kadastrale eigendomssituatie op de peildatum 1 juli 2025 (zie artikel 27.9 sub c van de regels). De gronden waarop de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht, maken tezamen onderdeel uit van het uitgeefbaar gebied. Een brutokostenverhaalsbijdrage is verschuldigd voor de gronden van een eigendom, voor zover deze gelegen zijn binnen het uitgeefbaar gebied.
  • b. Om te komen tot een verdeling van de te verhalen kosten naar rato van de opbrengsten van de gronden, is het uitgeefbaar gebied ingedeeld naar uitgiftecategorieën. Daarbij is uitgegaan van een prijsadvies, uitgebracht door Stec Groep te Arnhem, gebaseerd op het prijspeil van de peildatum 1 juli 2025. Dit prijsadvies is opgenomen als Bijlage 21 bij deze motivering. Een uitgiftecategorie kent een vaste prijs per m² grondoppervlakte uitgeefbaar gebied. In totaal worden er vijf uitgiftecategorieën binnen het uitgeefbaar gebied onderscheiden. Deze zijn aangeduid in het onderstaande kaartbeeld (zie tevens Bijlage 22).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0055.png"

Uitgiftecategorieën

  • c. Zoals aangegeven kent een uitgiftecategorie een vaste prijs per m² grondoppervlakte uitgeefbaar gebied. Een m² grondoppervlakte uitgeefbaar gebied wordt in de omslagmethodiek aangeduid als 'basiseenheid'.
  • d. Vervolgens wordt de gewichtsfactor per uitgiftecategorie bepaald. Dit is de verhouding tussen de uitgifteprijzen van de verschillende uitgiftecategorieën. Bijvoorbeeld de uitgiftecategorie € 160 en € 200 verhouden zich zal als 1:1,25.
  • e. Vervolgens wordt het aantal gewogen eenheden per uitgiftecategorie bepaald. Dit is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal basiseenheden met de gewichtsfactor per uitgiftecategorie.
  • f. De grondopbrengsten binnen het uitgeefbaar gebied worden gespreid in de tijd gerealiseerd. Uitgegaan wordt van een te verwachten gronduitgifte gespreid over de periode 2030 tot en met 2036. De uitwerking van de fasering is opgenomen in het onderstaande kaartbeeld (zie tevens Bijlage 23).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0056.png"

Fasering gronduitgifte

  • g. Bij de bepaling van het aantal gewogen eenheden per uitgiftecategorie onder e is uitgegaan van de uitgifteprijzen per uitgiftecategorie, zoals deze zijn gebaseerd op het prijspeil per 1 juli 2025 (zgn. nominale waarde). Bij de gefaseerde uitgifte in de tijd dienen deze uitgifteprijzen jaarlijks te worden geïndexeerd. Voor de opbrengsten is uitgegaan van de indexering zoals opgenomen in artikel 27.9 sub d van de regels. Op deze wijze kan het aantal gewogen eenheden met inachtneming van de indexering per uitgiftecategorie worden bepaald (zgn. reële waarde).
  • h. Om te komen tot het totale aantal gewogen eenheden van het totale uitgeefbaar gebied (i.c. voor de gronden van de verschillende uitgiftecategorieën tezamen), zoals bedoeld in artikel 27.3 sub c van deze regels, dienen de in de tijd gespreide geïndexeerde aantallen gewogen eenheden per uitgiftecategorie netto contant te worden gemaakt naar de peildatum 1 juli 2025. Dit gebeurt op basis van de disconteringsvoet, zoals opgenomen in artikel 27.9 sub d van de regels.
  • i. Vervolgens kan de te verhalen bijdrage per gewogen eenheid (i.c. de brutokostenverhaalsbijdrage per gewogen eenheid) als netto contante waarde op de peildatum 1 juli 2025 worden bepaald.
    Dit gebeurt door de netto contante waarde van de totale te verhalen kosten, na de toepassing van de macroaftoppingsregel zoals opgenomen in artikel 28.9, te delen door de netto contante waarde van het totale aantal gewogen eenheden (zie sub h).
  • j. Ten slotte kan de brutokostenverhaalsbijdrage voor een eigendom op de peildatum 1 juli 2025 worden bepaald. Dit gebeurt door vermenigvuldiging van de netto contante waarde van het aantal gewogen eenheden van het betreffende eigendom op de peildatum (zie sub h) met de te verhalen bijdrage per gewogen eenheid op de peildatum (zie sub i).

De omslagmethodiek is nader uitgewerkt in artikel 28.10. Deze wordt hierna in de artikelsgewijze toelichting bij laatstgenoemd artikel nader toegelicht.

Artikel 27.4 Methode raming inbrengwaarde

Ingevolge artikel 8.17 Ob biedt de wetgever de mogelijkheid om voor de raming van de inbrengwaarde te kiezen uit twee waarderingsmethodieken:

  • 1. raming van de inbrengwaarde overeenkomstig de artikelen 15.21 tot en met 15.24 Ow (de verwijzing naar de artikelen 15.21 tot en met 15.24 Ow betreft een omissie. De juiste verwijzing dient te zijn art. 15.22 tot en met 15.25 Ow. Deze omissie is onderkend in de consultatieversie van het Verzamelbesluit Omgevingswet 2026. In de motivering wordt, waar nodig, verwezen naar de artikelnummering zoals gehanteerd in art. 8.17 Ob, zoals dat geldt ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan), met dien verstande dat voor gronden die zijn onteigend of waarvoor een onteigeningsbeschikking is gegeven of die op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, de inbrengwaarde gelijk is aan de schadeloosstelling op basis van paragraaf 15.3.1 Ow;
  • 2. raming van de inbrengwaarde overeenkomstig de waarde die bij beschikking op grond van artikel 22 lid 1 van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor het kalenderjaar waarin de raming wordt vastgesteld.

Voor het kostenverhaal is gebruik gemaakt van de waarderingsmethodiek onder 1. Zie voorts de toelichting bij artikel 28.5.

Artikel 27.5 Aanvraagvereisten kostenverhaalsbeschikking

Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden een kostenverhaalsplichtige activiteit te verrichten voordat de verplichte kostenverhaalsbijdrage aan de gemeente is betaald. Dit staat daarmee los van een voor de oprichting van bebouwing benodigde omgevingsvergunning voor het bouwen.

De toepassing van publiekrechtelijk kostenverhaal vindt plaats via een door burgemeester en wethouders vast te stellen kostenverhaalsbeschikking. Uit de Ow volgt dat daarvoor een aanvraag bij burgemeester en wethouders dient te worden ingediend.

In de Omgevingsregeling (Or) zijn geen regels over vereisten voor de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking opgenomen. Deze aanvraagvereisten zijn in artikel 27.5 van de wijziging van het omgevingsplan vastgelegd:

  • a. Aangegeven dient te worden voor welke gronden binnen het uitgeefbaar gebied de kostenverhaalsbeschikking wordt aangevraagd en wat de daarop betrekking hebbende oppervlakte is.
  • b. Aangegeven dient te worden wat de omvang is van de te verrichten kostenverhaalsplichtige activiteiten. Hierbij gaat het ook om het vermelden van te realiseren aantallen en soorten bouwwerken met bijbehorende gebruiksfuncties. Indien deze informatie is opgenomen in een voorafgaand aan de indiening van de aanvraag reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen, kan ook een afschrift van de vergunning worden verstrekt.
  • c. Indien door de aanvrager van de kostenverhaalsbeschikking voorafgaand aan de aanvraag voor eigen rekening werken en/of werkzaamheden zijn uitgevoerd, waarvan de kosten zijn begrepen in de te verhalen kosten, dan vindt een aftrek plaats voor deze voor eigen rekening uitgevoerde werken/ werkzaamheden van de in de kostenverhaalsbeschikking op te nemen brutokostenverhaalsbijdrage. Ingevolge artikel 13.18 lid 2 onder b Ow is die aftrek gelijk aan de door de aanvrager gemaakte kosten, voor zover die kosten gelijk of lager zijn dan het bedrag dat voor deze werken en/of werkzaamheden is opgenomen in de raming van de te verhalen kosten.
    Indien zich deze situatie voordoet, dient in de aanvraag de volgende aanvullende informatie te worden verstrekt:
    • 1. Een omschrijving van de uitgevoerde werken en/of werkzaamheden;
    • 2. De opdrachtverstrekking, indien sprake is van uitvoering van werken en werkzaamheden in opdracht van de aanvrager. Dit in de situatie dat de uitvoering weliswaar voor rekening van de aanvrager heeft plaatsgevonden, maar niet door de aanvrager zelf maar in opdracht van de aanvrager is uitgevoerd;
    • 3. Indien Indien er sprake is van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22 is vereist (i.c. voor het bouwrijp en/of gebruiksgereed maken van de openbare ruimte), dan dient een afschrift van de verleende vergunning te worden verstrekt;
    • 4. Gegevens waaruit blijkt dat de werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels van het omgevingsplan zijn uitgevoerd. Indien de zelfuitgevoerde werken en werkzaamheden bijvoorbeeld zien op het bouwrijp maken en/of gebruiksgereed maken van (onderdelen van) de openbare ruimte, dienen de in de regels van het omgevingsplan opgenomen regels over (kwaliteits)eisen en de wijze van uitvoering (onder meer aanbestedingsregels) in acht te worden genomen. Voor de toepassing van de aftrek is vereist dat de werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels van het omgevingsplan zijn uitgevoerd;
    • 5. De facturen en betaalbewijzen van de voor rekening van de aanvrager uitgevoerde werken en/of werkzaamheden, voorzien van een accountantsverklaring. De accountantsverklaring is vereist voor de controle dat de kosten daadwerkelijk voor rekening van de aanvrager zijn gekomen, overeenstemmen met verstrekte opdrachten, en voorts wordt voldaan aan eisen ten aanzien van rechtmatigheidscontrole.


In de kostenverhaalsbeschikking wordt onder meer opgenomen:

  • a. de brutokostenverhaalsbijdrage;
  • b. de aftrek van de inbrengwaarde van de gronden van het uitgeefbaar gebied waarop de beschikking betrekking heeft;
  • c. indien van toepassing, de vergoeding van de door de aanvrager gemaakte kosten voor uitgevoerde werken en werkzaamheden;
  • d. de nettokostenverhaalsbijdrage (zijnde het saldo van de brutokostenverhaalsbijdrage na aftrek van de inbrengwaarde (sub b) en de vergoeding voor gemaakte kosten (sub c)).


De aftrek voor door de aanvrager gemaakte kosten voor zelf verrichte en voor eigen rekening uitgevoerde werken en/of werkzaamheden ziet niet op het slopen, verwijderen en/of verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen binnen het uitgeefbaar gebied en/of het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied. Denk aan de kosten van grondwerken (egaliseren, ophogen etc.). Deze kosten maken onderdeel uit van de inbrengwaarde onder b, die in aftrek wordt gebracht op de brutokostenverhaalsbijdrage.

Artikel 27.6 Aanvraag voor vergoeding uitvoering van de tot de te verhalen kosten behorende werken en werkzaamheden, anders dan bedoeld in artikel 27.5 sub c

De vergoeding van voor rekening van de aanvrager van de kostenverhaalsbeschikking gemaakte kosten voor werken en werkzaamheden, waarvoor geldt dat de kosten van die werken en werkzaamheden onderdeel zijn van de te verhalen kosten, gebeurt op twee manieren:

  • 1. Indien het gaat om uitgevoerde werken en werkzaamheden die zijn uitgevoerd voordat een kostenverhaalsbeschikking wordt aangevraagd, vindt de vergoeding plaats via de kostenverhaals- beschikking middels een aftrek op de brutokostenverhaalsbijdrage. Zie artikel 27.5 sub c van de regels van het omgevingsplan. Deze toepassing vloeit voort uit artikel 13.18 lid 2 onder b Ow.
  • 2. Indien de uitvoering van de werken en werkzaamheden plaatsvindt nadat een kostenverhaals- beschikking wordt aangevraagd, is in de regels van het omgevingsplan voorzien in een regeling voor een uit te keren vergoeding. Een expliciete wettelijke basis daarvoor ontbreekt in de Ow. De wetgever gaat ervan uit dat de gemeente ook in dat geval die kosten eveneens dient te vergoeden. Voor deze toepassing zijn de regels in artikel 27.6 van het omgevingsplan opgenomen.


De vergoeding wordt, evenals in de regeling van artikel 27.5, uitgekeerd aan de houder van een kostenverhaalsbeschikking.


Voor een vergoeding komt in aanmerking de door de houder van de kostenverhaalsbeschikking na de indiening van de aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking gemaakte kosten voor werken en/of werkzaamheden die onderdeel uitmaken van de te verhalen kosten. Ook hier geldt de voorwaarde dat deze werken en werkzaamheden overeenkomstig de in het omgevingsplan opgenomen regels, waaronder de regels over (kwaliteits)eisen, zijn uitgevoerd.

De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de door de aanvrager gemaakte kosten, voor zover die kosten lager of gelijk zijn aan de raming die voor deze werken en/of werkzaamheden is opgenomen in de raming van de te verhalen kosten.

De vaststelling van de uit te keren vergoeding vindt plaats via een door burgemeester en wethouders vast te stellen beschikking, op basis van een aanvraag.

In artikel 27.6 van het omgevingsplan is vastgelegd welke vereisten gelden voor een in te dienen aanvraag. Deze aanvraagvereisten komen voor een deel overeen met de eisen om in aanmerking te komen voor een aftrek op de kostenverhaalsbijdrage voor door een aanvrager voor eigen rekening verrichte werken/werkzaamheden, zoals die voor een aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking zijn opgenomen in artikel 27.5 sub c van de regels.

Ook voor deze toepassing is aangegeven dat indien de aanvraag voor een vergoeding ziet op kosten van werken en/of werkzaamheden betreffende het bouwrijp maken van de openbare ruimte en/of het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, een afschrift van de op de voet van artikel 22 van regels verleende omgevingsvergunning dient te worden overgelegd.

Voorts dienen gegevens te worden overgelegd, waaruit blijkt dat de uitvoering van de werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels van het omgevingsplan (denk aan de regels over (kwaliteits)eisen) en de voorschriften van de verleende omgevingsvergunning (bijvoorbeeld voorschriften inzake een voltooiingsverklaring en de uitvoering van de in de vergunning opgenomen regels over aanbesteding) heeft plaatsgevonden.

Artikel 27.7 Eindafrekening

Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder e.2 juncto 13.20 Ow zijn in het omgevingsplan regels over de eindafrekening opgenomen. De opgenomen regels vallen uiteen in twee uitvoeringsvormen:

  • de (ambtshalve) eindafrekening (artikel 27.7);
  • de eindafrekening op verzoek (artikel 27.8).


Door burgemeester en wethouders wordt bij beschikking een (ambtshalve) eindafrekening vastgesteld, binnen drie maanden nadat de uitvoering van de in het kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen is voltooid.

Bij deze eindafrekening vindt een herberekening plaats van de bruto- en nettokostenverhaalsbijdragen voor die gronden waarvoor eerder een kostenverhaalsbeschikking is gegeven. De eerder via kostenverhaalsbeschikkingen betaalde kostenverhaalsbijdragen zijn gebaseerd op de ramingen van de te verhalen kosten, die waren opgenomen in de kostenverhaalsregels zoals deze van toepassing waren ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking.

Bij de herberekening worden deze ramingen geactualiseerd naar werkelijk gemaakte kosten, met inachtneming van de daarbij behorende uitvoeringscriteria. Deze criteria, deels ontstaan op basis van jurisprudentie, laten zien dat voor sommige kostensoorten niet dient te worden uitgegaan van werkelijk 'betaalde' kosten maar van andere uitgangspunten.

Bij de eindafrekening vindt daarmee allereerst een herberekening plaats van de te verhalen kosten. Voorts worden de ramingen voor subsidies en bijdragen van derden geactualiseerd.

Ook de grondopbrengsten worden geactualiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met zowel gerealiseerde als ten tijde van de eindafrekening nog te realiseren grondopbrengsten. De vaststelling van een eindafrekening binnen een periode van drie maanden na voltooiing van de werken, werkzaamheden en maatregelen betekent niet, dat op dat moment ook alle grondopbrengsten zijn gerealiseerd (lees: het kostenverhaal ook daadwerkelijk is toegepast). Voor die situaties waarvoor de grondopbrengst nog dient te worden gerealiseerd, wordt een geactualiseerde raming van de opbrengsten opgenomen in de eindafrekening.

Bij de eindafrekening vindt opnieuw een toets plaats naar de macroaftopping (zie de toelichting bij artikel 27.3 en artikel 28.9).

Op basis van de vast te stellen te verhalen kosten wordt opnieuw toepassing gegeven aan de omslagmethodiek zoals opgenomen in artikel 27.3 van de regels van het omgevingsplan. Hierbij wordt voor de gronden waarvoor tevoren een kostenverhaalsbeschikking is afgegeven, uitgegaan van de basiseenheden en gewichtsfactoren die in die beschikking zijn gehanteerd.

Op deze wijze vindt herberekening plaats van de brutokostenverhaalsbijdragen voor de gronden binnen het uitgeefbaar gebied (i.c. het gebied waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten op dat moment zijn of nog kunnen worden verricht). Op deze herberekende brutokostenverhaalsbijdrage worden vervolgens de aftrekposten zoals bedoeld in artikel 13.18 lid 2 Ow in mindering gebracht. Aldus ontstaat een herberekende nettokostenverhaalsbijdrage.

De regeling voor de eindafrekening betekent dat een houder van een kostenverhaalsbeschikking niet kan worden geconfronteerd met een aanvullende geldsom.

In artikel 13.20 lid 2 Ow is bepaald dat indien een herberekende nettokostenverhaalsbijdrage meer dan 5% lager is dan de op grond van de eerder afgegeven kostenverhaalsbeschikking betaalde nettokostenverhaalsbijdrage, het gemeentebestuur binnen vier weken na de vaststelling van de eindafrekening het verschil, voor zover het groter is dan 5%, terugbetaalt aan de houder van de beschikking.

Over het bedrag van de terugbetaling is een rente door de gemeente verschuldigd, waarbij wordt uitgegaan van het rentepercentage zoals dat is opgenomen in de eindafrekening.

Indien na de vaststelling van de eindafrekening een kostenverhaalsbeschikking wordt aangevraagd, wordt voor de bepaling van de daarin op te nemen brutokostenverhaalsbijdrage uitgegaan van de te verhalen kosten zoals deze luidden op basis van de eindafrekening.

De regels voor de eindafrekening zijn verbonden aan de toepassing van kostenverhaal via een kostenverhaalsbeschikking. Zij zijn niet van toepassing op gesloten kostenverhaalsovereenkomsten.

Artikel 27.8 Eindafrekening op verzoek

Ingevolge artikel 13.20 lid 4 Ow dient de in een omgevingsplan op te nemen regeling voor de eindafrekening ook te voorzien in de mogelijkheid dat een houder van een kostenverhaalsbeschikking een verzoek daartoe indient. Een dergelijk verzoek kan eerst worden ingediend, nadat ten minste vijf jaar is verstreken vanaf de betaling van een ingevolge een afgegeven kostenverhaalsbeschikking verschuldigde nettokostenverhaalsbijdrage.

Het is denkbaar dat, afhankelijk van het aantal kostenverhaalsbeschikkingen, meerdere houders van kostenverhaalsbeschikkingen een dergelijk verzoek indienen. In dat geval kunnen verzoeken door het gemeentebestuur worden gebundeld en kan er worden gekomen tot één besluit tot eindafrekening op verzoek. Daarvoor is bepaald dat verzoeken jaarlijks kunnen worden ingediend tot uiterlijk 15 oktober van het kalenderjaar. In dat geval zal op of zo spoedig mogelijk na 1 december van dat kalenderjaar een eindafrekening op verzoek worden vastgesteld.

Afhankelijk van de looptijd van de uitvoering van de werken, werkzaamheden en maatregelen kan een tussentijdse afrekening plaatsvinden op een moment dat nog niet alle werken, werkzaamheden en maatregelen zijn gerealiseerd. Dit betekent dat voor de alsdan nog niet uitgevoerde werken etc. niet kan worden uitgegaan van gerealiseerde kosten, maar dat daarvoor wordt uitgegaan van geactualiseerde ramingen (zie artikel 8.19 Ob).

Een eindafrekening op verzoek vindt plaats op basis van een verzoek. Bij het verzoek dienen te worden overgelegd:

  • 1. een kopie van de eerder afgegeven kostenverhaalsbeschikking;
  • 2. indien de aanvraag wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam de kostenverhaalsbeschikking is gesteld en de nettokostenverhaalsbijdrage is betaald, een bewijs dat de verzoeker recht heeft op een eventuele terugbetaling;
  • 3. de naam, het adres en bankrekeningnummer van de verzoeker.

Een eindafrekening op verzoek wordt vervolgens vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de regels voor de ambtshalve eindafrekening (artikel 27.7).

Artikel 27.9 Peildatum en te hanteren parameters voor rente, discontering en indexering van kosten en opbrengsten

Voor de ramingen van de te verhalen kosten wordt uitgegaan van de volgende parameters:

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0057.png"

Tabel 1 Parameters

Voor de ramingen van kosten en van de grondopbrengsten is uitgegaan van het prijspeil 1 juli 2025.

Omdat de kosten die betrokken zijn in de te verhalen kosten, gespreid zijn in de tijd, dient rekening te worden gehouden met een indexering van deze kosten vanaf 1 juli 2025. Dit geldt eveneens voor de in de tijd gespreide grondopbrengsten.

Voor kosten en opbrengsten die in enig kalenderjaar gefaseerd worden gemaakt, wordt voor de berekening van indexering en de netto contante waarde ervan uitgegaan dat die kosten worden gemaakt en die opbrengsten worden ontvangen op 1 juli van dat jaar.

Voor de bepaling van de te verhalen kosten, grondopbrengsten, macroaftopping, eenheden en bijdragen dient uit te worden gegaan een netto contante waarde. In de kostenverhaalsregels is uitgegaan van een nettocontantewaardedatum van 1 juli 2025. Hierbij wordt uitgegaan van de disconteringsvoet zoals opgenomen in tabel 1.

De bepaling van de netto contante waarde van een bruto- en nettokostenverhaalsbijdrage op 1 juli 2025 betekent dat deze bijdragen vanaf die datum rentedragend zijn, overeenkomstig het rentepercentage dat voor de betreffende periode is opgenomen in tabel 1.

Artikel 27.10 Bedragen exclusief omzetbelasting

Voor alle in de kostenverhaalsregels en bijbehorende motivering opgenomen bedragen geldt dat deze zijn opgenomen exclusief de eventueel daarover verschuldigde omzetbelasting. Dit tenzij dat anders is aangegeven.

Artikel 28.1 Tijdvak voor het kostenverhaal

In paragraaf 7.2.2 is de gemaakte keuze voor de toepassing van de kostenverhaalsmethodiek met tijdvak toegelicht.

Voor de omvang van het tijdvak wordt uitgegaan van een periode van 11,5 jaar, te rekenen vanaf de peildatum 1 juli 2025. Het einde van het tijdvak is voorzien op 31 december 2036.

Het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte zal gefaseerd in de tijd plaatsvinden. Daarbij wordt uitgegaan van een indeling in twee deelgebieden. De indeling naar deelgebieden is opgenomen op de verbeelding van het omgevingsplan en in onderstaand kaartbeeld nader uitgelicht (zie tevens Bijlage 33):

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0058.png"

Deelgebieden

De indeling naar de beide deelgebieden is voorts nader toegelicht in paragraaf 8.2.2.3 van de motivering.

De uitvoering van de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte vindt gespreid plaats binnen het tijdvak. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende indicatieve fasering (zie tevens Bijlage 24):

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0059.png"

Fasering bouwrijp maken

Hierbij is ervan uitgegaan dat, met de vaststelling van het omgevingsplan in 2026, in het kalenderjaar 2027 kan worden gestart met het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied en openbare ruimte. Rekening is gehouden met de verwerving van gronden en een procedure van beroep. De laatste fase van het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte is voorzien in 2036.

Voor de geplande gronduitgifte is uitgegaan van een indicatieve fasering, waarbij de start van de uitgifte in deelgebied 1 plaatsvindt in 2030 en de laatste gronduitgifte in dat deelgebied is voorzien in 2034. Voor deelgebied 2 wordt uitgegaan van een start in 2035 en de laatste uitgifte in 2036. Dit kan nader worden toegelicht in onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 23).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0060.png"

Fasering gronduitgifte

In of krachtens de Ow gelden er geen regels voor de start respectievelijk de omvang van de periode van het kostenverhaalstijdvak.

Voor de start van het tijdvak is uitgegaan van de peildatum van 1 juli 2025. Deze ligt enkele maanden vóór de tervisielegging van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan. De inbrengwaardetaxatie is gebaseerd op de eigendomssituatie op deze peildatum.

Artikel 28.2 Kostensoorten die ten dele aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend

Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder b Ow dient in het omgevingsplan te worden aangegeven van welke werken, werkzaamheden of maatregelen betreffende kostensoorten van de kostensoortenlijst (bijlage IV Ob) het kostenverhaalsgebied ten dele profijt heeft, en waarvan de kosten dan op basis van proportionaliteit aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend.

Het betreft hier de toepassing van de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit, zoals bedoeld in artikel 13.11 lid 1 Ow. Er zijn twee voorzieningen, waarvoor geldt dat de kosten van realisatie ten dele aan het kostenverhaalsgebied kunnen worden toegerekend.

Er zijn twee werken waarvoor geldt dat de daaraan verbonden kosten ingevolge de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit niet volledig aan het kostenverhaalsgebied kunnen worden toegerekend. Deze zijn opgenomen in onderstaande tabel 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0061.png"

Tabel 2 Ten dele aan kostenverhaalsgebied toe te rekenen kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen

a. Aanpassing/wijziging de weg Spurkt, voor zover gelegen in de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1, met inbegrip van bijbehorende werken
De bestaande weg Spurkt, binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - Spurkt-weggedeelte 1, met inbegrip van bijbehorende voorzieningen dient te worden verlegd en te worden verbreed in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein. De door te voeren aanpassingen houden ook verband met de te verwachten toegenomen wegbelasting.
Voor dit in het verleden aangepaste weggedeelte zou, indien de ontwikkeling van het bedrijventerrein Smakterheide Noord niet zou plaatsvinden, binnen enkele jaren sprake zijn van uit te voeren groot onderhoud/reconstructie. De kosten van dit groot onderhoud zouden in dat geval voor rekening van de gemeente zijn gekomen. Het toe te rekenen aandeel van de investeringskosten bedraagt € 1.749.313 (nominaal), wat als volgt kan worden toegelicht.

omschrijving   oorspronkeljk in raming opgenomen   vermindering voor groot onderhoud/reconstructie   toe te rekenen aan kostenverhaalsgebied  
Inbrengwaarde   € 600.625   € 209.749   € 390.876  
kosten aanleg/aanpassing Spurkt weggedeelte 1   € 2.404.747   € 1.350.000   € 1.054.747  
kosten voorbereiding en toezicht (VTU)   € 692.392   € 388.702   € 303.690  
Totaal   € 3.697.764   € 1.948.451   € 1.749.313  

b. Aanleg van werken en werkzaamheden in de functies groen, natuur - waterberging en natuur
De delen van de openbare ruimte met de functies natuur en natuur en waterberging worden primair ingericht als gebieden voor een natuur en een waterbergingsfunctie.

In het kader van de inrichting van deze deelgebieden worden ook wandelpaden aangelegd ten behoeve van een secundaire recreatieve functie. De kosten verbonden aan de werken en werkzaamheden die verband houden met de inrichting van deze deelgebieden voor deze recreatieve functie, worden niet in het kostenverhaal betrokken. Het toe te rekenen aandeel van deze investering bedraagt € 1.042.947 (nominaal), wat als volgt kan worden toegelicht.

omschrijving   oorspronkeljk in raming opgenomen   vermindering voor groot onderhoud/reconstructie   toe te rekenen aan kostenverhaalsgebied  
Kosten inrichting natuur en waterberging en natuur   € 1.116.872   € 307.085   € 809.787  
Kosten voorbereiding en toezicht (VTU)   € 321.578   € 88.418   € 233.160  
Totaal   € 1.438.450   € 395.503   € 1.042.947  

Artikel 28.3 Eigendomsindeling en ruimtegebruik per eigendom

Het kostenverhaalsgebied kent een oppervlakte van circa 50,3 ha. In het kostenverhaalsgebied worden, uitgaande van de kadastrale situatie op de peildatum (1 juli 2025), veertien eigendommen onderscheiden. De ligging van de verschillende eigendommen is toegelicht in paragraaf 7.2.1.

Het kostenverhaalsgebied is ingedeeld naar uitgeefbaar gebied (waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden gerealiseerd) en de openbare ruimte. De indeling is opgenomen op de verbeelding van het omgevingsplan. Zie voorts voor de toelichting op het ruimtegebruik paragraaf 8.2.2.1.

In het tweede lid is de tabel opgenomen waarin de indeling per eigendom naar uitgeefbaar gebied en openbare ruimte is opgenomen. In de tabel is een nadere indeling van de openbare ruimte opgenomen per eigendom als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0062.png"

Tabel 3 Overzicht ruimtegebruik per eigendom

Artikel 28.4 Programma gronduitgifte uitgeefbaar gebied

Het uitgeefbaar gebied, als onderdeel van het kostenverhaalsgebied, kent een oppervlakte van circa 22,1 ha. Het uitgeefbaar gebied is ingedeeld in vijftien kavels, overeenkomstig de functieaanduiding kavel-A tot en met kavel-O. Er geldt een bindende kavelindeling (zie artikel 6.6.1 sub a van de regels).

Uit het door Stec Groep te Arnhem uitgebrachte prijsadvies voor de te hanteren grondopbrengsten (zie Bijlage 21 bij de motivering) volgt dat bij de indeling naar uitgiftecategorieën rekening wordt gehouden met de ligging, omvang en indeling van de kavels.

Uitgaande van de indicatieve fasering van de gronduitgifte over de periode 2030-2036, kan het programma voor de gronduitgifte per uitgiftecategorie, uitgedrukt in aantal m² grondoppervlakte (aantal basiseenheden), als volgt worden weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0063.png"

Tabel 4 Programma gronduitgifte

Artikel 28.5 Inbrengwaarde per eigendom

De inbrengwaarden bestaat conform de opgenomen begripsbepaling uit de volgende bestanddelen (kostensoorten):

  • 1. de waarde van gronden, inclusief de waarde van de te slopen opstallen, gelegen binnen de openbare ruimte en het uitgeefbaar gebied (kostensoort A2 en B1 kostensoortenlijst);
  • 2. de kosten van het vrijmaken van de gronden bedoeld onder , van persoonlijke rechten en lasten, eigendom en bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten (kostensoort A3 en B2 kostensoortenlijst);
  • 3. de kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden bedoeld onder (kostensoort A5 en B3 kostensoortenlijst);
  • 4. de kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden van het uitgeefbaar gebied (kostensoort B4 kostensoortenlijst);
  • 5. de kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering van de werken en werkzaamheden zoals bedoeld onder B2 tot en met B4 van de kostensoortenlijst, voor zover deze betrekking hebben op uitgeefbaar gebied (kostensoort B5 kostensoortenlijst).

In artikel 27.4 Ow is vastgelegd dat de raming van de inbrengwaarde geschiedt overeenkomstig de artikelen 15.21 tot en met 15.24. Met dien verstande dat voor gronden die zijn onteigend of waarvoor een onteigeningsbeschikking is genomen of die op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, de inbrengwaarde gelijk is aan de schadeloosstelling op basis van paragraaf 15.3.1 Ow.

Daarvoor is een taxatie van de inbrengwaarden verricht door mr. ing. C. Habben Jansen, registertaxateur en werkzaam bij Steenhuijs Grondzaken B.V., gevestigd te Utrecht, naar de peildatum 1 juli 2025. Het taxatierapport is als Bijlage 25 bij deze motivering opgenomen.

In de kostensoortenlijst is de inbrengwaarde onderscheiden naar:

  • inbrengwaarde openbare ruimte (kostensoorten A2, A3 en A5 van de kostensoortenlijst);
  • inbrengwaarde uitgeefbaar gebied (kostensoorten B1 tot en met B5 kostensoortenlijst).

In Bijlage 9 bij de regels is per eigendom de inbrengwaarde voor respectievelijk het totale eigendom, voor het gedeelte van het eigendom dat betrekking heeft op de openbare ruimte, en voor het gedeelte dat betrekking heeft op het uitgeefbaar gebied, opgenomen.

De totale (getaxeerde) inbrengwaarde van de eigendommen bedraagt op de peildatum € 20.616.626.

Voor wat betreft de raming van de kosten van sloop van te verwijderen opstallen etc. (kostensoorten A5 en B3 van de kostensoortenlijst) is door de taxateur gebruik gemaakt van een sloopkostenraming, als onderdeel van een civieltechnische raming, opgesteld door civieltechnisch adviesbureau Nimas, gevestigd te Hilvarenbeek. Deze civieltechnische raming is opgenomen als Bijlage 26 bij deze motivering.

Tot de inbrengwaarde behoren voorts de kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden van het uitgeefbaar gebied (kostensoort B4 van de kostensoortenlijst). Deze kosten hebben betrekking op werken en werkzaamheden die onderdeel uitmaken van het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied. Voor de raming van deze groep kosten is door de taxateur gebruik gemaakt van de laatstgenoemde civieltechnische raming, opgesteld door civieltechnisch adviesbureau Nimas, gevestigd te Hilvarenbeek.

Van de inbrengwaarde is een bedrag van € 209.749, betrekking hebbende op de ondergrond van de bestaande weg Spurkt-weggedeelte 1, niet aan het kostenverhaalsgebied toegerekend. Zie de toelichting bij artikel 28.2. De ten laste van het kostenverhaalsgebied komende inbrengwaarde voor de openbare ruimte en het uitgeefbaar gebied bedraagt daardoor € 20.406.879.

Artikel 28.6 Totale te verhalen kosten (vóór macroaftopping)

De op grond van de kostenverhaalsregels met tijdvak te verhalen kostensoorten zijn limitatief omschreven in bijlage A en B van de kostensoortenlijst (bijlage IV Ob). De omvang van de te verhalen kosten wordt vervolgens bepaald door de toepassing van de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit (zie artikel 13.11 Ow).

In artikel 28.2 is aangegeven voor welke werken, werkzaamheden maatregelen de toepassing van de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit ertoe leidt dat de aan die investeringen verbonden kosten ten dele aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend. Voor de overige werken, werkzaamheden en maatregelen geldt dat de daaraan verbonden kosten ingevolge genoemde criteria volledig aan het kostenverhaalsgebied dienen te worden toegerekend.

De kosten zijn gespreid over het tijdvak.

In Bijlage 36 zijn de te verhalen kosten (vóór toepassing van de macroaftopping) gespreid in de tijd op nominale waarde aangegeven.

In deze bijlage zijn de nominale kosten in de tijd geïndexeerd. Vervolgens is de netto contante waarde per kostensoort weergegeven.

Een nadere specificatie van de te verhalen kosten, per kostensoort, op nominale waarde is opgenomen in het overzicht detailuitwerking raming kosten, zoals dat is opgenomen als Bijlage 27 bij deze motivering. De te verhalen kosten (vóór macroaftopping) kunnen als volgt worden toegelicht.

a. Inbrengwaarde openbare ruimte (kostensoorten A2, A3 en A5 van de kostensoortenlijst) en uitgeefbaar gebied (kostensoorten B1 tot en met B5 kostensoortenlijst)
Verwezen wordt naar de toelichting bij de artikelen 27.4 en 28.5.

In artikel 28.2 is opgenomen dat de kosten in verband met de aanpassing/wijziging van de weg Spurkt, voor zover gelegen in de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1 niet volledig aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend. Tot het niet toe te rekenen gedeelte van de kosten behoort ook een gedeelte van de inbrengwaarde die betrekking heeft op de ondergrond van dit gedeelte van de weg Spurkt. Dit niet toe te rekenen gedeelte van de inbrengwaarde ad € 209.749 kosten is in mindering gebracht in het kostenoverzicht bij onderdeel c op de totale verhaalbare kosten van de inbrengwaarde.

b. Onderzoekskosten (kostensoort A1 kostensoortenlijst)
De kosten voor onderzoeken die nodig zijn in het kader van de wijziging van het omgevingsplan en het realiseren van het kostenverhaalsgebied, bedragen in totaal € 329.110. De onderzoekskosten hebben betrekking op onder andere:

  • ecologisch onderzoek
  • nadeelcompensatierisicoanalyse
  • (verkennende) bodemonderzoek(en)
  • duurzaamheidsonderzoek
  • passende beoordeling
  • asbestonderzoek
  • archeologisch onderzoek

Per 1 juli 2025 is sprake van een bedrag van € 34.650 aan gemaakte onderzoekskosten. De nog uit te voeren onderzoekskosten worden geraamd op € 294.460.

c. De kosten van bodemsanering, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op gronden in de openbare ruimte (kostensoort A6 kostensoortenlijst) en de kosten van de aanleg of wijziging van werken en voorzieningen, zoals wegen, riolering etc. (kostensoort A8 kostensoortenlijst)
De raming van de kosten voor deze werkzaamheden zijn gebaseerd op een civieltechnische raming opgesteld door civieltechnisch adviesbureau Nimas, gevestigd te Hilvarenbeek. Voor een nadere specificatie en technische omschrijvingen wordt verwezen naar Bijlage 26 en Bijlage 27 bij deze motivering.
De werken en werkzaamheden binnen de openbare ruimte maken onderdeel uit van respectievelijk het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. De nadere omschrijving van het bouwrijp respectievelijk gebruiksgereed maken van de openbare ruimte is opgenomen in paragraaf 8.2.2.3 van de motivering regels voor locatie-eisen.
De uitvoering van deze werken geschiedt conform de (kwaliteits)eisen die zijn opgenomen in de kwaliteitsomschrijving (Bijlage 2 bij de regeling).

In de civieltechnische raming (Bijlage 26) zijn de volledige kosten opgenomen van:

  • 1. de aanpassing/wijziging van de weg Spurkt, voor zover gelegen in de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1, met inbegrip van bijbehorende werken, en
  • 2. de aanleg van de werken en werkzaamheden in de functies groen, natuur - waterberging en natuur.

De beide investeringen zijn gelegen binnen het kostenverhaalsgebied.

Ingevolge artikel 28.2 dienen de kosten van deze beide groepen investeringen ten dele aan het kostenverhaalsgebied te worden toegerekend. Dit kan als volgt worden toegelicht.


Ad 1. Aanpassing/wijziging van de weg Spurkt, voor zover gelegen in de functieaaning Spurkt-weggedeelte 1, met inbegrip van bijbehorende werken

De toelichting op het aandeel dat van de realisatiekosten in verband met de aanpassing van de Spurkt-weggedeelte 1 aan het kostenverhaalsgebied dient te worden toegerekend, is opgenomen bij artikel 28.2. Daarbij is aangegeven dat van de geraamde kosten van aanleg/aanpassing van de Spurkt-weggedeelte 1 een bedrag van € 1.350.000 in mindering is gebracht op de verhaalbare kosten.

Ad 2. De aanleg van de werken en werkzaamheden in de functies groen, natuur - waterberging en natuur

De toelichting op het aandeel van de inrichtingskosten van de functies natuur en natuur en waterberging dat aan het kostenverhaalsgebied dient te worden toegerekend, is opgenomen bij artikel 28.2. Daarbij is aangegeven dat van de kosten van aanleg/aanpassing van de Spurkt-weggedeelte 1 een bedrag van € 307.085 voor de aanleg van recreatieve voorzieningen (aanleg wandelpaden) in mindering is gebracht op de verhaalbare kosten.

d. Kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (kostensoort A9 kostensoortenlijst)

Uit onderzoek is gebleken dat binnen het kostenverhaalsgebied rekening moet worden gehouden met in de gronden gelegen niet-gesprongen explosieven. De kosten voor het detecteren en verwijderen van niet-gesprongen explosieven worden geraamd op € 702.675 (zie Bijlage 28).

e. Plankosten (kostensoort A1, A10 en A14 kostensoortenlijst)

Onder de plankosten vallen de kosten voor het opstellen van omgevingsplannen (kostensoort A1), gemeentelijke apparaatskosten (kostensoort A14) en voorbereiding, directievoering en toezicht (VTU, kostensoort A10) op de werken voor het bouwrijp maken uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. Zie bijlage 1 Or (begripsomschrijving 'plankosten').

In artikel 13.21 Ow is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over de hoogte en begrenzing van een of meer kostensoorten. Voor de plankosten zijn deze regels vastgelegd in hoofdstuk 13 Or.

Voor de raming van de plankosten is gebruik gemaakt van de op basis van de Or beschikbare 'plankostenscan' (versie 2025-1). Verwezen wordt naar Bijlage 29 bij de motivering, waarin de vragen- en productenlijst en het resultaatoverzicht van de toepassing van de ministeriële regeling zijn opgenomen.

De uitkomsten van de plankostenscan geven een forfaitair bedrag aan van de raming van de plankosten. De totale te verhalen plankosten bedragen op basis van de plankostenscan €5.700.568, en is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  • a. voorbereiding, directievoering, toezicht op uitvoering werken binnen het kostenverhaalsgebied;
  • b. opstellen omgevingsplan;
  • c. gemeentelijke apparaatskosten.

Ingevolge artikel 13.6 Or dienen de plankosten in de exploitatieopzet te worden opgenomen in het jaar van vaststelling van het omgevingsplanplan.

Het samenvattende overzicht van de resultaatsheet uit de plankostenscan is opgenomen in tabel 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0064.png"

Tabel 5 Resultaten plankostenscan

Uit het overzicht volgt dat de totale verhaalbare kosten voor voorbereiding en toezicht (VTU) € 4.456.743 bedragen. Deze kostenpost heeft betrekking op de sloopkosten in openbare ruimte, de sloopkosten in uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, en het bouwrijp en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. De VTU is om die reden verdeeld over de kostenposten:

  • 1. VTU werken openbare ruimte (kostensoort A10): € 3.881.766
  • 2. VTU werken uitgeefbaar gebied (kostensoort B5): € 574.977

De post onder 2 is opgenomen onder de inbrengwaarde openbare ruimte en uitgeefbaar gebied (zie hiervoor onder a).

Op het bedrag aan plankosten voor het onderdeel voorbereiding, directievoering en toezicht op de uitvoering worden in mindering gebracht de kosten van VTU die betrekking hebben op het aandeel van de niet te verhalen kosten van:

  • 1. aanpassing/wijziging van de weg Spurkt, voor zover gelegen in de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1, met inbegrip van bijbehorende werken;
  • 2. de aanleg van de werken en werkzaamheden in de functies groen, natuur - waterberging en natuur.

Zie de toelichting hiervoor bij artikel 28.2. De totale in mindering te brengen VTU over het gedeelte van de niet te verhalen aanlegkosten van beide investeringen bedraagt € 477.120.

f. Kosten tijdelijk beheer (kostensoort A4 kostensoortenlijst)

De kosten bestaan uit de tijdelijke voorzieningen en tijdelijke werkzaamheden tijdens de fase van uitvoering van de ontwikkeling. Dit zijn onder meer beheerkosten en kosten van onderhoud van gronden (zoals maaiwerkzaamheden) gedurende de realisatie van de planontwikkeling binnen het tijdvak. Op het bedrag zijn in mindering gebracht de opbrengsten uit tijdelijk verhuur van verworven gronden. De totale kosten voor tijdelijk beheer bedragen € 49.426.

g. Kosten nadeelcompensatie (kostensoort A11 kostensoortenlijst)

Op basis van een door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) te Rotterdam uitgevoerde risicoanalyse nadeelcompensatie is een kostenraming opgenomen van € 16.000,-- voor indirecte schade. De rapportage van de uitgevoerde risicoanalyse is opgenomen als Bijlage 30.

h. Kosten niet-terugvorderbare btw, niet-gecompenseerde compensabele btw of andere niet-terugvorderbare belastingen (kostensoort A12 kostensoortenlijst)

Indien door de gemeente op door haar verworven eigendommen werken en werkzaamheden en maatregelen inzake de aanleg van de openbare ruimte (zoals wegen, natuur etc.) worden verricht, dan is de daarover door de gemeente verschuldigde omzetbelasting in beginsel compensabel krachtens de Wet op het BTW-compensatiefonds.

De eigendomssituatie op de peildatum maakt dat niet kan worden uitgesloten dat particuliere eigenaren zullen overgaan tot zelfrealisatie, welke zelfrealisatie ook delen van de openbare ruimte kan betreffen. Indien de particuliere eigenaar geldt als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, dan komt de door deze ondernemer betaalde btw over de aanlegkosten van de openbare ruimte in beginsel in aanmerking voor aftrek. Een uitzondering kan zich voordoen waar sprake is van de aanleg van natuur, waterberging en groen in de openbare ruimte.

Onder de voorwaarden van artikel 27.5 vindt bij de vaststelling van de kostenverhaalsbeschikking een aftrek plaats voor door de aanvrager voor eigen rekening voorafgaand aan de aanvraag uitgevoerde werkzaamheden. In artikel 27.6 is een vergelijkbare regeling opgenomen voor na de indiening van de aanvraag van de kostenverhaalsbeschikking door een houder van de kostenverhaalsbeschikking voor eigen rekening uitgevoerde werken en werkzaamheden.

Indien deze vergoedingen zien op uitgevoerde werken en werkzaamheden inzake het bouwrijp maken respectievelijk gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, dan zal de uitkering van deze vergoeding in de praktijk gepaard gaan met de gelijktijdige levering van de betreffende gronden aan de gemeente. Dit om te bereiken dat, na de voltooiing van de werken in de openbare ruimte, deze door de gemeente in beheer en onderhoud kunnen worden genomen.

In geval van verkoop van de gronden met inbegrip van de daarin/-op gerealiseerde werken voor natuur, waterberging en groen, is het niet uitgesloten dat deze levering niet wordt aangemerkt als een met btw belaste levering.

In deze situatie dient er rekening mee te worden gehouden dat de omzetbelasting over de aanlegkosten van natuur, waterberging en groen, in de situatie dat deze niet in aftrek kan worden gebracht c.q. niet-compensabel is, geldt als een kostenpost. Deze kostenpost behoort tot de te verhalen kosten.

De kostenpost niet-compensabele btw is geraamd op € 750.656, zijnde 21% van de aanlegkosten van natuur, waterberging en groen.

i. Rentekosten (kostensoort A13 kostensoortenlijst)

De totale te verhalen kosten in de periode voorafgaand aan de peildatum bedragen € 34.650. De daarover berekende verhaalbare rentekosten tot de peildatum bedragen € 347. Voor de geraamde kosten vanaf de peildatum geldt dat de verhaalbare kosten op de peildatum zijn berekend op basis van netto contante waarde.

De totale te verhalen kosten vóór macroaftopping bedragen € 39.082.799 (ncw peildatum).

Artikel 28.7 De raming van de grondopbrengsten

Ter uitvoering van artikel 13.14 lid 1 onder c dient in het omgevingsplan een raming van de opbrengsten van de gronden waarop de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht, te worden opgenomen.

De raming van de grondopbrengsten zien op de opbrengsten uit (fictieve) uitgifte van de gronden die gelegen zijn binnen het uitgeefbaar gebied.

De raming van de uitgifteopbrengsten dient plaats te vinden op basis van objectief bepaalbare maatstaven. De uitgifteprijzen zijn gebaseerd op een prijsadvies voor marktconforme gronduitgifteopbrengsten, uitgebracht door Stec Groep te Arnhem, gebaseerd op het prijspeil van de peildatum 1 juli 2025. Dit prijsadvies is opgenomen als Bijlage 21.

In het prijsadvies zijn de grondopbrengsten onderverdeeld naar uitgiftecategorieën. In totaal worden vijf uitgiftecategorieën onderscheiden, waarbij rekening is gehouden met de in het omgevingsplan opgenomen regel voor de kavelindeling. Dit is weergegeven in onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 22).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0065.png"

Uitgiftecategorieën

Bij de raming van de opbrengsten wordt uitgegaan van een gefaseerde uitgifte in de tijd, gespreid over de periode 2030 tot en met 2036. De uitwerking van de gronduitgiftefasering is opgenomen in onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 23).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0066.png"

Fasering gronduitgifte

Er is rekening gehouden met een indexering van de grondopbrengsten, te rekenen vanaf de peildatum, dit conform de indexering zoals opgenomen in tabel 1. Zie artikel 27.9.

In onderstaande tabel 6 is de nominale waarde van de grondopbrengsten per eigendom weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0067.png"

Tabel 6 Grondopbrengsten per eigendom

De netto contante waarde per 1 juli 2025 van de totale grondopbrengsten bedraagt € 44.576.818 (zie de tabel in artikel 28.7).

Artikel 28.8 De raming van de subsidies en bijdragen van derden

Voor de bepaling van de omvang van de te verhalen kosten dienen subsidies en bijdragen van derden in de verhaalbare kosten hierop in mindering te worden gebracht.

Tot de te verhalen kosten behoren de kosten van het detecteren en verwijderen van niet-gesprongen explosieven. De raming van deze kosten is opgenomen onder de kostensoort A9 (kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen die noodzakelijk zijn voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit) en bedragen € 702.675. Zie de nadere toelichting bij artikel 28.6.

De gemeente komt in aanmerking voor een bijdrage van het Rijk op grond van de zogenaamde 'bommenregeling' Gemeentefonds. Het vergoedingspercentage bedraagt 68% van de kosten.

De netto contante waarde van deze rijksvergoeding per 1 juli 2025 bedraagt € 482.780, zoals opgenomen in onderstaande tabel 7.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0068.png"

Tabel 7 Opbrengsten subsidies en bijdragen van derden

Artikel 28.9 Totale te verhalen kosten (ná macroaftopping)

De maximaal te verhalen kosten zijn wettelijk begrensd (zie artikel 13.14 lid 2 Ow). Als de totale netto contante waarde van de te verhalen kosten, na aftrek van bijdragen van subsidies en bijdragen van derden, lager zijn dan de netto contante waarde van de geraamde grondopbrengsten, dan is de omvang van de te verhalen kosten begrensd tot niveau van de te verhalen kosten, na aftrek van de genoemde subsidies en bijdragen van derden.

Als de netto contante verhaalbare waarde van de te verhalen kosten, na aftrek van subsidies/bijdragen van derden, hoger is dan de netto contante waarde van de geraamde grondopbrengsten, dan is de omvang van de totale te verhalen kosten gemaximeerd tot het niveau van de netto contante waarde van de grondopbrengsten. Dit wordt de macroaftopping genoemd.

Hierbij wordt uitgegaan van de netto contante waarde op de peildatum 1 juli 2025.

De toepassing van de macroaftopping is in onderstaande tabel 8 nader uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0069.png"

Tabel 8 Te verhalen kosten na macrotopping

Uit de tabel volgt dat de netto contante waarde van de totale te verhalen kosten, verminderd met subsidies en bijdragen van derden, lager is dan de netto contante waarde van de grondopbrengsten. De omvang van de netto contante waarde van de te verhalen kosten ná macroaftopping bedraagt op de peildatum € 38.600.019.

Artikel 28.10 De omslag van de totale te verhalen kosten (ná macroaftopping) over de eigendommen waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht.

De omslag van de totale te verhalen kosten ná macroaftopping over de eigendommen waarbinnen de kostenverhaalsplichtige activiteiten kunnen worden verricht, vindt plaats overeenkomstig de regeling voor de omslagmethodiek, zoals opgenomen in artikel 27.3.

De regeling van de omslagmethodiek is nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 27.3.

De uitwerking van de omslagmethodiek wordt hieronder nader toegelicht.

In Bijlage 3 bij de regels is, voor het totale uitgeefbaar gebied, per kavel en per uitgiftecategorie een overzicht opgenomen van het aantal basiseenheden, de gewichtsfactor en het aantal gewogen eenheden. Het overzicht is daarbij als volgt ingedeeld:

  • overzicht van de nominale waarden van de gewogen eenheden (gebaseerd op de uitgifteprijzen op 1 juli 2025, gespreid in de tijd),
  • overzicht van de geïndexeerde waarde van de gewogen eenheden (reële waarden), waarbij wordt uitgegaan van de uitgifteprijzen op 1 juli 2025, verhoogd met de opbrengstindexering in de tijd;
  • overzicht van de netto contante waarde van de gewogen eenheden, waarbij wordt uitgegaan van de netto contante waarde van de reële waarden op de peildatum 1 juli 2025.

De netto contante waarde van het totale aantal gewogen eenheden op de peildatum bedraagt

€ 278.605.

De netto contante waarde van de te verhalen kosten (ná macroaftopping) per gewogen eenheid bedraagt € 138,55. Dit is uitgewerkt in de onderstaande tabel 9.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0070.png"

Tabel 9 Overzicht te verhalen kosten per gewogen eenheid

In Bijlage 8 bij de regels is het overzicht opgenomen van het aantal gewogen eenheden per eigendom.

De brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom wordt berekend door het aantal gewogen eenheden van een eigendom te vermenigvuldigen met de te verhalen kosten per gewogen eenheid. De netto contante waarde per 1 juli 2025 van de brutokostenverhaalsbijdragen per eigendom is in onderstaande tabel 10 nader uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0071.png"

Tabel 10 Overzicht kostenverhaalsbijdragen per eigendom

Artikel 28.11 Bruto- en nettokostenverhaalsbijdrage

Ter uitwerking van artikel 13.18 lid 2 Ow wordt bij de afgifte van een kostenverhaalsbeschikking de nettokostenverhaalsbijdrage berekend door de brutokostenverhaalsbijdrage te verminderen met:

  • a. de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, en
  • b. de kosten die door de aanvrager zijn gemaakt , voor zover die kosten gelijk zijn aan of lager zijn dan de raming die voor die kosten in het omgevingsplan is opgenomen.

In artikel 28.11 is dit allereerst uitgewerkt in de bepaling van de nettokostenverhaalsbijdrage per eigendom.

De netto contante waarde per 1 juli 2025 van de brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom volgt uit de toepassing van artikel 28.10.

De inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied per eigendom per 1 juli 2025 is opgenomen in de overzichten zoals bedoeld in artikel 28.5.

De brutokostenverhaalsbijdrage per eigendom alsmede de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied per eigendom worden verhoogd met de daarover verschuldigde rente, overeenkomstig de rentepercentages zoals opgenomen in de in artikel 27.9 opgenomen tabel vanaf de peildatum tot de datum van afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.

Of, en zo ja, tot welke omvang de aftrek onder b dient plaats te vinden, is ten tijde van de vaststelling van het omgevingsplan niet bekend. Dit volgt uit de toepassing ten tijde van de behandeling van een aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking. Zie voor dit onderdeel de aanvraagvereisten voor de kostenverhaalsbeschikking, zoals opgenomen in artikel 27.5.

Indien een kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft op een gedeelte van het uitgeefbaar gebied van een eigendom, wordt de brutokostenverhaalsbijdrage voor het gedeelte van het uitgeefbaar gebied van dat eigendom bepaald met toepassing van artikel 27.3 onder f (regels omslagmethodiek). In dat geval wordt op basis van het aantal basiseenheden met bijbehorende gewichtsfactoren van dat gedeelte van het uitgeefbaar gebied van het eigendom vermenigvuldigd met de te verhalen kosten (ná macroaftopping) per gewogen eenheid (ad € 138,55). Zie tabel 9 bij artikel 28.10.

In dat geval ziet de aftrek van de inbrengwaarde op de inbrengwaarde bij het betreffende gedeelte van het uitgeefbaar gebied, dit op basis van de tabel inbrengwaarde zoals opgenomen in artikel 28.5.

Voor de toepassing geldt dat de in artikel 28.11 onder b opgenomen renteregeling van overeenkomstige toepassing is.

Indien een kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft op een samenstel van (delen van) uitgeefbaar gebied van meerdere eigendommen, wordt de brutokostenverhaalsbijdrage voor dat samenstel van meerdere eigendommen bepaald door de optelsom van de brutokostenverhaalsbijdragen per eigendom respectievelijk delen van een eigendom.

In dat geval ziet de aftrek van de inbrengwaarde van het uitgeefbaar gebied op (delen van) het uitgeefbaar gebied van het samenstel van de meerdere eigendommen waarop de kostenverhaalsbeschikking betrekking heeft, dit op basis van het overzicht de tabel inbrengwaarde zoals opgenomen in de in artikel 28.5 genoemde bijlage.

Voor de toepassing geldt dat de in het tweede lid opgenomen renteregeling van overeenkomstige toepassing is.

Hoofdstuk 8 Artikelsgewijze toelichting

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.

8.1 Uitwerking in de regels

Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) worden de 'oude' bestemmingsplannen samen met de gedecentraliseerde rijksregels (de 'Bruidsschat') van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan voorziet in een wijziging van het omgevingsplan voor de locatie ten noorden van het bestaande bedrijventerrein Smakterheide (ten noorden van de weg de Spurkt).

Préambule

De regeling vangt aan met een préambule. Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. In de préambule wordt ook aangegeven welk hoofdstuk van het omgevingsplan het voorliggende TAM-omgevingsplan betreft.

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Met het geven van een omschrijving wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het begrip. Dit komt de uitleg van de regeling ten goede.

Artikel 2 Toepassingsbereik

Doordat een TAM-omgevingsplan er niet automatisch voor zorgt dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen, moet een toepassingsbereikbepaling in het plan worden opgenomen waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels. Deze regeling is opgenomen in het eerste lid van dit artikel.

In het tweede lid is geregeld dat de regels van de bruidsschat niet van toepassing zijn op de TAM-omgevingsplanlocatie als zij strijdig zijn met de regels van het TAM-omgevingsplan. De uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 ziet op de regels over het vergunningvrij bouwen zoals die in artikel 22.36 van het omgevingsplan zijn opgenomen. Deze blijven dus wel in stand.

Het derde lid zorgt ervoor dat de plankaart van het wijzigingsgebied deel uitmaakt van het omgevingsplan. Dit is immers niet automatisch het geval onder de Omgevingswet.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt uiteengezet hoe bij de toepassing van de regeling wordt gemeten.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Wanneer een dergelijk verbod niet is opgenomen dan betekent dit dat activiteiten zonder meer mogen worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies is namelijk onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningplichtig te maken.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel. Door de in dit artikel opgenomen regeling worden de relevante aanvraagvereisten uit de paragraaf van de bruidsschat van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan.

Verder zijn er nog algemene bepalingen in het derde, vierde en vijfde hoofdstuk.

In het derde hoofdstuk gaat het om de anti-dubbeltelregel (artikel 18), de algemene bouwregels (artikel 19), parkeergelegenheid (artikel 20), algemene gebruiksregels (artikel 21), omgevingsvergunning aanleg werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden bouwrijp- maken van de openbare ruimte en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte (artikel 22) algemene maatwerkvoorschriften (artikel 23), algemene aanduidingsregels (artikel 24), omgevingsplanactiviteiten (artikel 25) en overige regels (artikel 26).

  • Anti-dubbeltelbepaling: deze wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een omgevingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
  • Algemene bouwregels: in deze bepaling zijn bouwregels opgenomen met betrekking tot ondergrondse bouwwerken en bouwbeperkingen vanwege de funnel van luchtmachtbasis De Peel.
  • Parkeergelegenheid: in deze bepaling wordt aangegeven dat bij het bouwen van gebouwen moet worden voldaan aan de gemeentelijk parkeernorm. Hiervan kan onder voorwaarden worden afgeweken.
  • Algemene gebruiksregels: in dit artikel zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die toezien op landschappelijke inpassing en het realiseren van voldoende waterbergingscapaciteit. Ook is het tijdelijk gronddepot hier geregeld.
  • Omgevingsvergunning aanleg werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden bouwrijp- maken van de openbare ruimte en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte: in dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van de aanleg vam werken en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare orde. Dit is aan een omgevingsvergunning gekoppeld. Verder wordt verwezen naar paragraaf 8.2.2.
  • Algemene maatwerkvoorschriften: in dit artikel zijn maatwerkvoorschriften opgenomen voor de situering van een aantal aanduidingen op de verbeelding. Verder wordt verwezen naar paragraaf 8.2.2.
  • Algemene aanduidingsregels: hier zijn regelingen opgenomen die (1) toezien op de bestaande geluidszone vanwege het geluidgezoneerde industrieterrein Smakterheide, (2) geluid en geur vanwege de te realiseren bedrijven op het nieuwe bedrijventerrein en (3) externe veiligheid vanwege de activiteiten op de locatie van Benegas B.V.
  • Omgevingsplanactiviteiten: in dit artikel zijn regelingen opgenomen die kleine afwijkingen mogelijk maken ten opzichte van hoofdstuk 2 van de planregels.
  • Overige regels: in deze bepaling zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) wettelijke regelingen, en (2) de onderlinge verhouding tussen functies.

In hoofdstuk vier zijn de kostenverhaalregels (artikel 27 en 28) opgenomen. Voor een verdere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofstuk zeven van deze motivering.

In het vijfde hoofstuk is het overgangsrecht (artikel 29) opgenomen. Daarin is bepaald dat bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de planregels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven.

8.2 Functies en activiteiten

8.2.1 Functies en activiteiten

Artikel 6 Bedrijventerrein

Op de gronden gelegen binnen de functie Bedrijventerrein mogen zich diverse soorten bedrijven vestigen.

Het gaat daarbij om kennisintensieve bedrijven en instellingen en bedrijven in de regionaal ondersteunende logistiek alsmede ondergeschikte kantoorfuncties.

Geluidszoneringsplichtige of risicovolle inrichtingen zijn niet toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht. Er is een kavelgrootte voorgeschreven die minimaal 5.000 m2 bedraagt en maximaal 20.000 m2. Voor een viertal percelen geldt dat er een grotere omvang van het kavel toegestaan. Er geldt een bebouwingspercentage van 70% per bouwperceel en de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan 12 m bedragen.

Voor de bedrijven gelden ook een aantal locatie-eisen; daarvoor wordt verwezen naar paragraaf 8.2.2.

Artikel 7 Groen

De functie Groen rust op het openbare groen in het wijzigingsgebied. Dit betreft de groenstroken in en langs het bedrijventerrein, welke gelegen zijn langs de diverse bedrijventoegangswegen. In de bestemmingsomschrijving staat de groenvoorzieningsfunctie voorop, maar worden andere (ondergeschikte) functies ook mogelijk gemaakt, zoals de bescherming en de ontwikkeling van de potentiële natuur- en landschapswaarden in het gebied. Daarnaast zijn de verschillende (hemelwaterbergende) waterlopen en waterpartijen in deze functie opgenomen.

Artikel 8 Groen - waterberging

Deze functie komt overeen met de functie Groen (artikel 7). Er is gekozen voor een aparte functie met het oog op de kostenverhaalsregels. De kostenverhaalsregels hebben wel betrekking op artikel 8, maar niet op artikel 7.

Artikel 9 Natuur

De functie Natuur omsluit het bedrijventerrein aan drie zijden. Dit om zeker te stellen dat deze gronden natuurlijk worden ingericht mede met het oog op het aansluitende Loobeekdal.

Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan voor zover deze worden gebouwd in het belang van de bestemming.

Artikel 10 Natuur - waterberging

Deze functie komt overeen met de functie Natuur (artikel 9). Er is gekozen voor een aparte functie met het oog op de kostenverhaalsregels. De kostenverhaalsregels hebben wel betrekking op artikel 10, maar niet op artikel 9.

Artikel 11 Verkeer

Deze functie is toegekend aan de (toekomstige) bedrijventoegangswegen in het wijzigingsgebied. Deze bedrijventoegangswegen dienen voor de ontsluiting van de aangrenzende of nabijgelegen bedrijfspercelen. De diverse wegen zijn of worden ingericht conform de hiertoe door de gemeente Venray ontworpen wegprofielen.

Artikel 12 Water

Binnen de functie Water zijn naast water ook waterhuishoudkundige voorzieningen, oevers en oeververbindingen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 meter.

Artikel 13 Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding

Deze dubbelbestemming rust op de zakelijk recht zone rondom de bovengrondse hoogspanningsverbinding welke door het wijzigingsgebied loopt. Deze zone strekt zich uit tot 25 meter aan weerszijden van het hart van de leiding. Binnen deze functie zijn slechts bouwwerken ten dienste van hier aanwezige hoogspanningsverbinding toegestaan. Ter bescherming van de hoogspanningsverbinding is in de belemmeringzones een omgevingsvergunningstelsel van toepassing.

Artikel 14 Leiding - Ondergrondse hoogspanningsverbinding

Deze dubbelbestemming rust op de zakelijk recht zone rondom de ondergrondsgrondse hoogspanningsverbinding welke door het wijzigingsgebied loopt. Deze zone strekt zich uit tot PM meter aan weerszijden van het hart van de leiding. Binnen deze functie zijn slechts bouwwerken ten dienste van hier aanwezige hoogspanningsverbinding toegestaan. Ter bescherming van de hoogspanningsverbinding is in de belemmeringzones een omgevingsvergunningstelsel van toepassing.

Artikel 15 Waarde - Archeologie 4 en Artikel 16 Waarde - Archeologie 5

Ter verwezenlijking van de instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen (archeologische (waardevolle) terreinen) wordt gestreefd naar het voor de toekomst behouden van de archeologische waarden in de grond (in situ). Daar waar dit niet mogelijk is ten gevolge van noodzakelijke bouwactiviteiten binnen het kader van de onderliggende bestemming, zullen binnen archeologisch potentieel waardevolle terreinen, zoals weergegeven op de archeologische beleidskaart van de gemeente Venray voorafgaand aan bouwactiviteiten of grondverzet de archeologische waarden door middel van onderzoek veilig gesteld moeten worden. Elke dubbelbestemming Waarde- Archeologie correspondeert met een op de archeologische beleidskaart aangeduid gebied en de daaraan gekoppelde onderzoeksinspanningen.

Artikel 17 Waterstaat - Beschermingszone watergang

Deze dubbelbestemming ligt op de beschermingszone van de Venrayse Spurkt. Binnen deze beschermingszone geldt in principe een bouwverbod. De beschermingszone is gebaseerd op de legger van het waterschap Limburg en dient ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen die de bereikbaarheid van het secundaire water verminderen, bijvoorbeeld voor groot onderhoud. Tevens dient de beschermingszone om eventuele toekomstige herinrichtingen of verbeteringen mogelijk te houden.

8.2.2 Motivering behorende bij de regels voor de locatie-eisen
8.2.2.1 Algemeen

De wijziging van het omgevingsplan voor het Bedrijventerrein Smakterheide Noord (hierna: omgevingsplan) voorziet in de realisatie van een bedrijventerrein met een totale bruto-oppervlakte van circa 51 ha (op basis van digitale inmeting). Binnen dit gebied is voorzien in circa 22,0 ha uitgeefbaar gebied, dat bestaat uit kavels waarbinnen de bedrijfsbebouwing kan worden opgericht. Binnen het plangebied is verder voorzien in 28,3 ha aan te leggen c.q. te wijzigen openbare ruimte.

Verder is binnen het plangebied sprake van een beperkte oppervlakte van circa 0,7 ha met de functie Verkeer. Dit ziet op het inpassen van bestaande voorzieningen van openbaar nut, waar geen sprake is van aanpassingen of wijzigingen (conserverende functie).

Het te ontwikkelen gedeelte van het plangebied kent hiermee een oppervlakte van circa 50,3 ha. Dit gebied wordt in het omgevingsplan aangeduid als 'overige zone - kostenverhaalsgebied' (zie Bijlage 18).


Op 1 juli 2025 heeft de gemeente binnen het kostenverhaalsgebied een beperkte oppervlakte van circa 14,2 ha in eigendom. De eigendomssituatie per 1 juli 2025 kan als volgt worden weergegeven (de eigendommen van de gemeente zijn opgenomen onder 'eigenaar 1', zie tevens Bijlage 19).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0072.png"

Eigendommenkaart

Het kostenverhaalsgebied is onderverdeeld in uitgeefbaar gebied en openbare ruimte. Binnen het uitgeefbare gebied zijn de gronden gelegen waarop de in het omgevingsplan opgenomen mogelijkheden tot het bouwen van bedrijfsgebouwen zijn voorzien. De openbare ruimte is ingedeeld in de volgende functies:

  • a. verkeer (infrastructuur-verkeer)
  • b. groen
  • c. natuur
  • d. natuur - waterberging
  • e. groen - waterberging
  • f. water


De indeling van de openbare ruimte naar deze functies is opgenomen in de verbeelding van het omgevingsplan. Dit is weergegeven in onderstaand kaartbeeld van het ruimtegebruik (zie tevens Bijlage 32).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0073.png"

Ruimtegebruikskaart

De vergelijking tussen het kaartbeeld van het ruimtegebruik en de eigendommenkaart laat zien dat de eigendommen van derden zowel betrekking hebben op het uitgeefbaar gebied als op de verschillende functies binnen de openbare ruimte.

Door de gemeente wordt een actieve grondpolitiek gevoerd voor de gronden bestemd tot uitgeefbaar gebied respectievelijk aan te leggen openbare ruimte, die in eigendom zijn van derden. In dat kader is door de gemeente een voorkeursrecht gevestigd ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten op de eigendommen van derden. Een overzicht van de door gemeente te verwerven percelen per 1 juli 2025 is opgenomen in de kaart verwervingen (zie Bijlage 31)."


Ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp omgevingsplan was door de gemeente met geen van de particuliere eigenaren een overeenkomst gericht op zelfrealisatie, met daarin onder meer afspraken over de wijze van uitvoering van het omgevingsplan en over de toepassing van het wettelijk verplichte kostenverhaal, gesloten. Dit maakt dat voor de gemeente de wettelijke plicht is ontstaan om kostenverhaalsregels in het omgevingsplan op te nemen. Dit is vastgelegd in Hoofdstuk 4 van de regeling van het omgevingsplan.

De omvang en indeling van de eigendomspositie maakt dat er voorts noodzaak is regels te stellen over de uitvoering van de functieregeling in het omgevingsplan (zgn. locatie-eisen).

Voor zover wordt geopteerd voor zelfrealisatie door particuliere eigenaren, wil de gemeente deze sturing ook via haar publiekrechtelijke bevoegdheden uitoefenen. Daarvoor zijn in het omgevingsplan voor verschillende onderwerpen regels over locatie-eisen opgenomen. Ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp omgevingsplan heeft de gemeente de gronden van de overige eigenaren niet verworven en/of zijn er door de gemeente geen (anterieure) overeenkomsten over zelfrealisatie met deze eigenaren gesloten. Het wettelijk beginsel van zelfrealisatie brengt met zich dat particuliere eigenaren de gelegenheid krijgen de op hun gronden toegedachte functie te realiseren, mits voldaan wordt aan de door de gemeente in het kader van het publieke belang meest aangewezen vorm van uitvoering.

Er zijn regels opgenomen over de volgende onderwerpen van locatie-eisen:

  • ruimtegebruik;
  • bindende verkaveling;
  • eisen voor het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimten en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte;
  • regels voor de uitvoering van het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimten en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte;
  • regels over koppelingen tussen de uitvoering van werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte, het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen ten behoeve van het uitgeefbaar gebied.

8.2.2.2 Wettelijke basis opnemen regels over locatie-eisen in het omgevingsplan

Wet ruimtelijke ordening (regeling tot 1-1-2024)

Onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) maakten de onderwerpen kostenverhaal en locatie-eisen geen onderdeel uit van de regels van het bestemmingsplan, maar van een separaat vast te stellen exploitatieplan. Ingevolge artikel 6.12 Wro diende de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen, indien, onder meer, het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het bestemmingsplan begrepen gronden waarop aangewezen bouwplannen waren voorzien, niet anderszins was verzekerd.

Daarnaast bestond de verplichting een exploitatieplan vast te stellen, indien er een noodzaak was tot onder meer:

  • 1. het opnemen van een faseringsregeling voor de aanleg van werken en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen, zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 1 onder c sub 4 respectievelijk c sub 5 Wro, en/of
  • 2. het opnemen van een koppelingsregeling tussen aanleg van werken en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen, zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 1 onder c sub 4 respectievelijk c sub 5 Wro, en/of
  • 3. het stellen van eisen en/of opnemen van regels voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte, zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 2 onder b en/of c Wro.

Daarnaast bestond er op grond van artikel 6.13 lid 2 Wro de bevoegdheid in een exploitatieplan regels op te nemen over ruimtegebruik (waaronder regels over een bindende verkaveling).

Indien de start van de planprocedure zou hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2024, dan zou gelijktijdig met een ontwerpbestemmingsplan een ontwerpexploitatieplan in procedure zijn gebracht. In dit exploitatieplan zou dan uitvoering zijn gegeven aan de wettelijke kostenverhaalsplicht alsmede aan de noodzaak daarin regels over onderwerpen van locatie-eisen op te nemen.


Omgevingswet (vanaf 1 januari 2024)

Met de invoering van de Omgevingswet (Ow) per 1 januari 2024 zijn de in de Wro opgenomen onderwerpen van locatie-eisen, waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als onderwerpen die zien op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow). Regels over deze onderwerpen kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, indien regels hierover noodzakelijk zijn in het belang van de fysieke leefomgeving en met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (MvT Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 35 133, nr. 3, p. 184). 

8.2.2.3 Omschrijving werken geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte

Inleiding

Het kostenverhaalsgebied is onderverdeeld naar de functie openbare ruimte en uitgeefbaar gebied.
Binnen de openbare ruimte is voorzien in de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor de functies (zie ruimtegebruikskaart in Bijlage 32):

  • a. verkeer (infrastructuur-verkeer)
  • b. groen
  • c. natuur
  • d. natuur - waterberging
  • e. groen - waterberging
  • f. water


Wat betreft de uit te voeren werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kan onderscheid worden gemaakt naar de volgende groepen:

  • 1. Uitgeefbaar gebied
    • a. bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied
  • 2. Openbare ruimte
    • a. bouwrijp maken van de openbare ruimte;
    • b. gebruiksgereed maken van de openbare ruimte.


De ontwikkeling van het bedrijventerrein beslaat naar verwachting een tijdsperiode van circa 11,5 jaren (vanaf 1 juli 2025), waarbij de ontwikkeling is ingedeeld in twee fasen. In fase 1 wordt deelgebied 1 ontwikkeld. Deelgebied 2 wordt ontwikkeld in fase 2. De indeling naar de deelgebieden wordt weergegeven in onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 33).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0074.png"

Kaart deelgebieden

Het uitgeefbaar gebied in deelgebied 1 wordt, afhankelijk van de ligging:

  • a. via de nieuw aan te leggen ontsluitingslus (functieaanduiding ontsluitingslus), ontsloten naar de aan te passen weg/te wijzigen bestaande weg Spurkt (functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1);
  • b. rechtstreeks ontsloten naar de aan te passen weg/te wijzigen bestaande weg Spurkt (functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1).

Binnen de openbare ruimte in deelgebied 1 is verder voorzien in de realisatie van de functies natuur, natuur - waterberging, groen, groen - waterberging, water en verkeer (zoals fietspaden etc.).

Het uitgeefbaar gebied in deelgebied 2 wordt ontsloten naar de aan te passen weg/te wijzigen bestaande weg Spurkt (functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 2).

Binnen de openbare ruimte in deelgebied 2 is verder voorzien in de realisatie van de functies groen - waterberging, water en verkeer (zoals fietspaden etc.).

Wat betreft het 'bouwrijp maken' is er sprake van werken en werkzaamheden verbonden aan het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied en werken en werkzaamheden verbonden aan het bouwrijp maken van de openbare ruimte. Gezien de verschillende functies van de gronden in respectievelijk uitgeefbaar gebied en openbare ruimte, welke functies ook tot uitdrukking komen in de regels in het omgevingsplan, is ervoor gekozen om ook bij de beschrijving van de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken onderscheid te maken tussen het uitgeefbaar gebied en de openbare ruimte.

Het bouwrijp maken van de openbare ruimte kent naar zijn aard werken en werkzaamheden die, zonder nadere verduidelijking en toelichting, ook zouden kunnen worden getypeerd als werken en werkzaamheden voor de 'inrichting van de openbare ruimte'.

Gezien het vorenstaande wordt de beschrijving van werken en werkzaamheden voor de toepassing in dit omgevingsplan als volgt onderverdeeld:

  • a. bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied;
  • b. inrichting van de openbare ruimte, die vervolgens kan worden onderverdeeld naar:
    • 1. bouwrijp maken van de openbare ruimte;
    • 2. gebruiksgereed maken van de openbare ruimte.

De beide hoofdgroepen worden hierna nader omschreven.

Bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied

Het uitgeefbaar gebied is als zodanig aangeduid op de verbeelding.

Het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied omvat in hoofdlijnen de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:

  • a. het verwijderen van struiken, bomen, gewassen en boomstronken;
  • b. het opsporen en verwijderen van niet-gesprongen explosieven;
  • c. het uitvoeren van (nader) onderzoek c.q. het treffen van uit archeologisch oogpunt noodzakelijke maatregelen;
  • d. voor zover noodzakelijk het saneren van bodem- en/of grondwaterverontreiniging afgestemd op de bodemfunctie;
  • e. het ontgraven, ophogen en egaliseren van het terrein;
  • f. het aanbrengen van een (tijdelijk) gronddepot;
  • g. het dempen van bestaande watergangen;
  • h. het treffen van grondwaterregulerende maatregelen;
  • i. het aanbrengen van de aansluiting vanuit een kavel op de openbare DWA-riolering;
  • j. het aanbrengen van de aansluiting voor de afvoer van hemelwater vanuit een kavel naar waterbergingsvoorzieningen in de openbare ruimte.

Bouwrijp maken van de openbare ruimte

Het gaat hier in hoofdlijnen om de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:

  • a. het verwijderen van struiken, bomen, gewassen en boomstronken;
  • b. het opsporen en verwijderen van niet-gesprongen explosieven;
  • c. het uitvoeren van (nader) onderzoek c.q. het treffen van uit archeologisch oogpunt noodzakelijke maatregelen;
  • d. voor zover noodzakelijk het saneren van bodem- en/of grondwaterverontreiniging afgestemd op de bodemfunctie;
  • e. het ontgraven, ophogen en egaliseren van het terrein;
  • f. het aanbrengen van een (tijdelijk) gronddepot;
  • g. het dempen van bestaande en de aanleg van nieuwe watergangen;
  • h. de aanleg c.q. aanpassing van de A-watergang in de functieaanduiding zone water;
  • i. het treffen van grondwaterregulerende maatregelen;
  • j. de aanpassing van de weg Spurkt in de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1 in definitieve vorm;
  • k. de aanleg van de ontsluitingslus in de functieaanduiding ontsluitingslus als bouwweg;
  • l. de aanpassing van de weg Spurkt in de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 2 in definitieve vorm;
  • m. de aanleg respectievelijk aanpassing van openbare riolering (hemelwaterafvoer (HWA) en droogweerafvoer (DWA)) van het aansluitpunt van de riolering nabij de kavel naar openbaar water (hemelwaterafvoer) respectievelijk het aansluitpunt op de bestaande respectievelijk alsdan aangelegde openbare riolering (droogweerafvoer), met inbegrip van bijbehorende werken;
  • n. de aanleg van de waterbergingswerken en natuur- en groenvoorzieningen binnen de functies natuur, natuur - waterberging en groen - waterberging, met inbegrip van bijbehorende werken.


Voor de volgorde van uitvoering is van belang dat eerst, gekoppeld aan de werkzaamheden in de openbare ruimte en/of uitgeefbaar gebied, de ontwikkeling van deelgebied 1 plaatsvindt. Vervolgens kan de ontwikkeling van de deelgebied 2 plaatsvinden.

Gebruiksgereed maken van de openbare ruimte

Het betreft hier de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die zien op de verdere inrichting en afwerking van de (eerder bouwrijp gemaakte) openbare ruimte. Deze werken en werkzaamheden kunnen als volgt op hoofdlijnen worden omschreven:

  • a. de afwerking en definitieve voltooiing van de eerder als bouwweg aangelegde ontsluitingslus in de functieaanduiding ontsluitingslus, met inbegrip van bijbehorende werken;
  • b. de aanleg c.q. aanpassing van openbare fietspaden en openbare voetpaden (uitgezonderd in de functieaanduidingen Spurkt-weggedeelte 1 en Spurkt-weggedeelte 2);
  • c. het aanbrengen van bebording, bewegwijzering, bebakening en belijning (uitgezonderd in de functieaanduidingen Spurkt-weggedeelte 1 en Spurkt-weggedeelte 2);
  • d. het aanbrengen en aanleggen van openbare verlichting, straatmeubilair en voorzieningen voor openbaar vervoer (uitgezonderd in de functieaanduidingen Spurkt-weggedeelte 1 en Spurkt-weggedeelte 2);
  • e. het aanleggen van bluswatervoorzieningen, waaronder begrepen brandkranen (uitgezonderd in de functieaanduidingen Spurkt-weggedeelte 1 en Spurkt-weggedeelte 2);
  • f. de afwerking van de aanleg van de waterbergingswerken en natuur- en groenvoorzieningen binnen de functies natuur, natuur - waterberging en groen - waterberging en de aanleg van groenvoorzieningen binnen de functie groen, met inbegrip van bijbehorende werken.

8.2.2.4 Onderbouwing noodzaak regels over onderwerpen van locatie-eisen

Inleiding

Het te ontwikkelen bedrijventerrein wordt via de binnen het plangebied gelegen en aan te passen ontsluitingsweg Spurkt aangesloten op de bestaande openbare wegenstructuur van de gemeente Venray. De verdere ontsluiting is voorzien van en naar rijksweg A73 via bestaande openbare infrastructuur.

De planontwikkeling wordt gekenmerkt door een integrale ontwikkeling van een bedrijventerrein met groene en landschappelijke inpassing. De inrichtingsstructuur is afgestemd op een ontsluiting van de kavels naar de aan te passen bestaande weg Spurkt en een nieuw te realiseren ontsluitingslus.

Het uitgeefbaar gebied is ingedeeld in 15 kavels, die zijn aangeduid op de verbeelding als kavel A tot en met O. Voor een aantal van deze kavels geldt dat deze zullen worden ontsloten via een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg (functieaanduiding ontsluitingslus) naar de aan te passen ontsluitingsweg Spurkt. Voor de overige kavels geldt dat deze rechtstreeks worden ontsloten naar deze ontsluitingsweg.

Er is sprake van een bindende kavelindeling. Er is voorzien in een minimale grootte van een kavel van 5.000 m2 en van een maximale grootte van 20.000 m2, met dien verstande dat voor de kavels A, N en O in de planregels is voorzien in een hoger maximum. De bindende kavelindeling is vastgelegd op de verbeelding. De indeling van de kavels is weergegeven via onderstaand kaartbeeld (zie tevens Bijlage 34).

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.TAM24010-ON01_0075.png" Bindende verkaveling

De openbare ruimte wordt onderscheiden naar de functies conform de ruimtegebruikskaart:

  • a. verkeer (infrastructuur-verkeer)
  • b. groen
  • c. natuur
  • d. natuur - waterberging
  • e. groen - waterberging
  • f. water

Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Smakterheide Noord dient onder meer rekening te worden gehouden met de volgende uit te voeren werken, werkzaamheden en maatregelen:

  • de aanleg van natuur (compensatie) en waterberging;
  • het treffen van mitigerende maatregelen voor vleermuizen, broedvogels en de das;
  • het slopen van opstallen (onder meer woningen en bedrijfsgebouwen);
  • het dempen en herinrichten van sloten en watergangen en het aanpassen/verleggen van (ondergrondse) waterhuishoudkundige werken;
  • de aanpassing en herinrichting van de weg Spurk tin de functieaanduidingen Spurkt-weggedeelte 1 en Spurkt-weggedeelte 2;
  • de aanleg van de ontsluitingslus in de functieaanduiding ontsluitingslus;
  • de aanleg c.q. aanpassing van openbare fietspaden en openbare voetpaden;
  • de (gedeeltelijke) ophoging van de gronden voor de openbare ruimte en uitgeefbaar gebied;
  • de aanleg van waterpartijen, wadi's, hemelwater- en droogwaterriolering met in begrip van bijbehorende werken;
  • de aanleg en aanpassing van nutsvoorzieningen;
  • de aanleg van een grondwal en groenvoorzieningen;
  • het aanbrengen van bebording, bewegwijzering, bebakening en belijning;
  • het aanbrengen en aanleggen van openbare verlichting, straatmeubilair en voorzieningen voor openbaar vervoer;
  • het aanleggen van bluswatervoorzieningen, waaronder begrepen brandkranen.


De realisatie van het bedrijventerrein Smakterheide Noord is een grootschalig project, waarin sprake is van een volgtijdelijke gefaseerde uitvoering van de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte, het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte en van bebouwing (i.c. van de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen binnen het uitgeefbaar gebied).

In het omgevingsplan is het noodzakelijk eisen en regels te stellen voor de volgende onderwerpen van locatie-eisen:

  • a. koppelingen tussen de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor respectievelijk het bouwrijp maken van de openbare ruimte en/of gebruiksgereed maken van de openbare ruimte enerzijds en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen van gebouwen anderzijds;
  • b. regels over ruimtegebruik met betrekking tot het onderscheid openbare ruimte en uitgeefbaar gebied en, wat betreft het uitgeefbaar gebied, de verkaveling van dat uitgeefbaar gebied;
  • c. eisen aan de kwaliteit van de uit te voeren werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte;
  • d. regels over de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor de aanleg van nutsvoorzieningen en voor de inrichting van de openbare ruimte (omgevingsplanactiviteit).

De regels over de genoemde onderwerpen van locatie-eisen maken onderdeel uit van de vorm van planuitvoering die de gemeente in het publieke belang nodig acht.

Toelichting regels bindende verkaveling

De omvang van het uitgeefbaar gebied is aanzienlijk. Daarbij komt dat er binnen het uitgeefbaar gebied sprake is van een versnipperde eigendomspositie. Voorts geldt voor de functie 'Bedrijventerrein' ingevolge het omgevingsplan een minimale en maximale kavelgrootte. Dit brengt het risico met zich dat, als gevolg van deze min of meer toevallige eigendomsgrenzen, een willekeurig ingedeelde en niet-doelmatige verkaveling zal ontstaan. Dit is geenszins wenselijk te achten. Ook kan op deze wijze een onaanvaardbare stedenbouwkundige structuur gaan ontstaan.

Dit alles is reden om een bindende verkavelingsregeling in de regels van het omgevingsplan op te nemen. Die bindende verkavelingsregeling is opgenomen op de verbeelding.

De bindende verkavelingsstructuur voor de onderscheiden kavels in de beide deelgebieden maakt dat bij het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, het bouwrijp maken van de openbare ruimte, het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen, de kavelindeling en daarmee ook de kavelgrenzen in acht dienen te worden genomen.

Toelichting omgevingsplanactiviteit uitvoering werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden bouwrijp maken van het uitgeefbaar terrein

De ligging en kenmerken van de openbare ruimte en het uitgeefbaar gebied leiden tot de noodzaak tot het stellen van eisen aan de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die betrekking hebben op het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied.

In artikel 6.13 lid 2 Wro was een wettelijke basis vastgelegd voor het in een exploitatieplan kunnen vastleggen van eisen voor uit te voeren werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van gronden binnen een exploitatiegebied. Deze bevoegdheid zag daarmee mede op het bouwrijp maken van de gronden binnen het uitgeefbaar gebied. Met de invoering van de Ow per 1 januari 2024 zijn de in de Wro opgenomen onderwerpen van locatie-eisen, waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als onderwerpen die zien op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow).

Zo is het noodzakelijk de watergangen voor gronden waar uitgeefbaar gebied is voorzien, te dempen. Tegelijkertijd dienen deze watergangen te worden verlegd naar de toekomstige openbare ruimte.

Een belangrijk aandachtspunt vormen de uit te voeren grondwerken. Er zijn aanzienlijke hoogteverschillen in het plangebied, die noodzaken tot het gedeeltelijk ophogen van onder meer het uitgeefbaar gebied. De aanleg van de functies natuur, natuur - waterberging, groen, en groen - waterberging in de openbare ruimte brengen met zich mee dat voor die functies sprake is van af te graven gronden. Er wordt gewerkt vanuit een gesloten grondbalans, waarbij op een of meerdere plaatsen in het kostenverhaalsgebied de noodzaak zal bestaan tot het inrichten van een tijdelijk gronddepot.

De omschrijving van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die behoren tot het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied en waarvoor eisen zijn vastgesteld, is vastgelegd in Artikel 22.

De uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden inzake het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied is in de regels aangemerkt als een omgevingsplanactiviteit. Dit betekent dat het zonder omgevingsvergunning verboden is deze werken en werkzaamheden uit te voeren.

Als (specifieke ) aanvraagvereiste voor een vergunning geldt dat een bestek dat ziet op de in de aanvraag betrokken werken/werkzaamheden, dient te worden overgelegd. Gezien de kaveloverschrijdende werking van de eisen van grondwerken geldt de eis dat het bestek het schaalniveau heeft van het totale uitgeefbare gebied binnen een deelgebied.

Bij de toetsing van een vergunningaanvraag gelden de eisen, zoals deze voor het onderdeel bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied zijn opgenomen in de kwaliteitsomschrijving (Bijlage 2 bij de regels).

Dit laat onverlet dat de daadwerkelijke uitvoering van de werken en werkzaamheden van het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, op basis van een alsdan verleende omgevingsvergunning, betrekking kan hebben op niet het volledige uitgeefbare gebied van een deelgebied, maar bijvoorbeeld op een of meerdere kavels binnen een deelgebied.

In de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen over de beoordeling of de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied overeenkomstig de eisen in de kwaliteitsomschrijving is uitgevoerd. Dit op basis van een te nemen besluit omtrent het verlenen van een voltooiingsverklaring.

De voltooiingsverklaring is niet alleen relevant voor de beantwoording of de uitvoering van de werken/werkzaamheden overeenkomstig de gestelde eisen heeft plaatsgevonden, maar vormt ook de basis voor het aan een initiatiefnemer uitkeren van een vergoeding voor de uitgevoerde werken/werkzaamheden, dit overeenkomstig de in het omgevingsplan opgenomen kostenverhaalsregels (zie Hoofdstuk 4 van de regeling).


Toelichting omgevingsplanactiviteit uitvoering werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden bouwrijp maken van de openbare ruimte en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte

De ligging en kenmerken van de openbare ruimte en het uitgeefbaar gebied leiden tot de noodzaak eisen te stellen aan de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die betrekking hebben op het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte.

In artikel 6.13 lid 2 Wro was een wettelijke basis vastgelegd voor het in een exploitatieplan kunnen vastleggen van eisen voor uit te voeren werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van gronden en de inrichting van de openbare ruimte binnen een exploitatiegebied. Deze bevoegdheid zag daarmee mede op het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte. Met de invoering van de Ow per 1 januari 2024 zijn de in de Wro opgenomen onderwerpen van locatie-eisen waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als onderwerpen die zien op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow).

Een belangrijk aandachtspunt vormen de uit te voeren grondwerken. Er zijn aanzienlijke hoogteverschillen in het plangebied, die noodzaken tot het gedeeltelijk ophogen van onder meer de openbare ruimte. De aanleg van de functies natuur, natuur - waterberging, groen, en groen - waterberging in de openbare ruimte brengen met zich mee dat voor die functies sprake is van af te graven gronden. Er wordt gewerkt vanuit een gesloten grondbalans, waarbij op een of meerdere plaatsen in het kostenverhaalsgebied de noodzaak zal bestaan tot het inrichten van een tijdelijk gronddepot.

Binnen de openbare ruimte zijn er verschillende functies waarvoor bij de aanleg/wijziging het noodzakelijk is eisen te stellen. Dit betreft, zonder uitputtend te zijn, onder meer:

  • a. de aanleg van natuur, natuur - waterberging, en groen - waterberging;
  • b. de aanleg c.q. verlegging van de bestaande A-watergang (functieaanduiding zone water);
  • c. de aanpassing van de bestaande weg Spurkt vanaf de Overloonseweg naar de kruising met de Metaalweg (functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1);
  • d. de aanpassing van de bestaande weg Spurkt vanaf de kruising met de Metaalweg richting de A73 (functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 2);
  • e. de aanleg van de ontsluitingslus (functieaanduiding ontsluitingslus).

De omschrijving van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die behoren tot respectievelijk het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte en waarvoor eisen zijn vastgesteld, is vastgelegd in Artikel 22.

Kenmerk van de aan te leggen c.q. aan te passen werken en werkzaamheden binnen de openbare ruimte is dat het steeds gaat over voorzieningen van openbaar nut: voorzieningen met een openbare functie, die in eigendom en beheer bij de gemeente of een ander overheidslichaam komen.

De uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden voor het bouwrijp maken van de openbare ruimte respectievelijk het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte is in de regels aangemerkt als een omgevingsplanactiviteit. Dit betekent dat het zonder omgevingsvergunning verboden is deze werken en werkzaamheden uit te voeren.

Als (specifieke) aanvraagvereiste voor een vergunning geldt allereerst dat een bestek dat ziet op de in de aanvraag betrokken werken/werkzaamheden, dient te worden overgelegd. Gezien de gewenste uitvoering in twee fasen (i.c. deelgebied 1 en 2) geldt de eis dat het bestek het schaalniveau heeft van de totale openbare ruimte binnen een deelgebied.

Bij de toetsing van een vergunningaanvraag gelden de eisen, zoals deze voor de onderdelen bouwrijp maken van de openbare ruimte en gebruiksgereed maken van de openbare ruimte zijn opgenomen in de kwaliteitsomschrijving ((Bijlage 2 bij de regels).

In de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen over de beoordeling of de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden inzake het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte overeenkomstig de eisen in de kwaliteitsomschrijving is uitgevoerd. Dit op basis van een te nemen besluit omtrent het verlenen van een voltooiingsverklaring.

De voltooiingsverklaring is niet alleen relevant voor de beantwoording of de uitvoering van de werken/werkzaamheden overeenkomstig de gestelde eisen heeft plaatsgevonden, maar vormt ook de basis voor het aan een initiatiefnemer uitkeren van een vergoeding voor de uitgevoerde werken/werkzaamheden voor het bouwrijp maken van de openbare ruimte en/of het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, dit overeenkomstig de in het omgevingsplan opgenomen kostenverhaalsregels (zie Hoofdstuk 4 van de regeling).

Als tweede specifieke aanvraagvereiste voor de vergunning geldt dat indien de aanvrager niet geldt als een aanbestedende dienst, een aanbestedingsprotocol dat ziet op de in de aanvraag betrokken werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van de openbare ruimte en/of gebruiksgereed maken van de openbare ruimte, dient te worden overgelegd. Nu het gaat om werken en werkzaamheden inzake leveringen, diensten en werken in de openbare ruimte, dienen deze werken en werkzaamheden op een juiste wijze te worden aanbesteed. In het aanbestedingsprotocol dient een beschrijving te worden opgenomen van de voorgestelde aanbestedingsvorm en de voorgestelde wijze waarop een levering, werk of dienst inzake de inrichting van de openbare ruimte zal worden gegund.

In artikel 6.13 lid 2 onder c Wro juncto artikel 6.2.9 Besluit ruimtelijke ordening was een wettelijke basis vastgelegd voor het in een exploitatieplan kunnen opnemen van regels voor het in overeenstemming met de geldende aanbestedingsregels aanbesteden van uit te voeren werken en werkzaamheden voor de inrichting van de openbare ruimte binnen een exploitatiegebied. Met de invoering van de Ow per 1 januari 2024 is dit in de Wro opgenomen onderwerp van locatie-eisen waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als een onderwerp dat ziet op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow).


De vereiste om een aanbestedingsprotocol voor te leggen in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning is alleen van toepassing indien de aanvrager niet kwalificeert als een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf in de zin van de Aanbestedingswet 2012. Geldt de aanvrager als een aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf, dan zijn op deze instanties rechtstreeks de Europese en nationale regels over aanbestedingen van overheidsopdrachten van toepassing bij het sluiten van schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel tot het verrichten van werken, leveringen of diensten.

Voor zover de aanvrager niet kwalificeert als een aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf, wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dit onderdeel getoetst aan het aanbestedingskader, dat als Bijlage 1 bij de regels is opgenomen. Het aanbestedingskader bevat het normenkader van de gemeente Venray voor het aanbesteden van leveringen, werken en diensten betreffende respectievelijk het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte.

Op basis van het aanbestedingskader wordt de toepassing van de daarin onderscheiden aanbestedingsprocedures als volgt onderscheiden naar omvang in grootte van werk respectievelijk levering/dienst (bedragen exclusief btw), aangepast naar de situatie per 1-1-2026:

Aanbestedingsvorm   Werken
(gensbedragen)  
Leveringen
(grensbedragen)  
Diensten
(grensbedragen)  
Enkelvoudig onderhandse procedure   = € 0 < € 150.000   = € 0 < € 75.000   = € 0 < € 75.000  
Meervoudig onderhandse procedure   = € 150.000 en < € 2.000.000   = € 75.000 en < EU-drempel leveringen   = € 75.000 en < EU-drempel diensten  
Nationaal openbaar   = € 2.000.000 en < EU-drempel werken   n.v.t.   n.v.t.  
Europees openbaar   = EU-drempel werken   = EU-drempel leveringen   = EU-drempel diensten  

*) De EU-drempel wordt iedere twee jaar door de Europese Commissie opnieuw vastgesteld.

Ingevolge de Europese en nationale regels gaat het bij de EU-drempel in bovenstaande tabel om de drempelwaarden die gelden voor de sector overheidsopdrachten (decentrale overheden).

In de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen over:

  • a. uitvoeringsregels met betrekking tot de te volgen aanbestedingsprocedure, die voortvloeit uit de toepassing van het aanbestedingskader;
  • b. een door de aanvrager - voorafgaand aan de start van de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden - aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voor te leggen aanbestedingsverslag inclusief de daarin opgenomen voorgenomen beslissing tot gunning;
  • c. indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder b, de vastlegging dat de goedkeuring als bedoeld onder b wordt verleend indien uit het aanbestedingsverslag blijkt dat de doorlopen aanbestedingsprocedure en de voorgenomen beslissing tot gunning niet in strijd zijn met de verleende omgevingsvergunning.


Met de toepassing onder b wordt bereikt dat, nadat de aanbestedingsprocedure is gestart, door de vergunninghouder een verslag ter goedkeuring aan het bevoegd gezag dient te worden overgelegd, waaruit volgt dat de in de vergunning voorgeschreven aanbestedingsvorm met de daarbij behorende (procedure)voorschriften is gevolgd. Tevens bevat het aanbestedingsverslag het, op basis van de gevolgde procedure, voorgenomen besluit tot gunning. Op deze wijze kan, voordat een gunning heeft plaatsgevonden, worden getoetst of de aanbesteding heeft plaatsgevonden overeenkomstig de voorschriften in de vergunning.

Toelichting koppelingsregelingen

Algemeen

Ingevolge artikel 6.13 lid 1 onder c sub 5 Wro kon een exploitatieplan regels bevatten over aan te brengen koppelingen tussen de uitvoering van werken, werkzaamheden en maatregelen en de realisatie van bouwplannen (i.c. de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen). Met de invoering van de Ow per 1 januari 2024 is dit in de Wro opgenomen onderwerp van locatie-eisen waarvoor regels in een exploitatieplan konden worden gesteld, aangemerkt als een onderwerp dat ziet op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1 Ow).

In de onderhavige situatie doet zich de noodzaak voor tot het opnemen van regels over koppelingen die betrekking hebben op de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen van gebouwen in deelgebied 1 en 2.

Toelichting bij koppelingsregeling 1 (zie artikel 6.6.2 onder f)

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw op een kavel is vereist dat het bouwrijp maken van de openbare ruimte én het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte binnen de functie natuur en de functie natuur - waterberging overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, zijn voltooid.

Binnen het plangebied is voorzien in de ontwikkeling van de functies natuur, en natuur - waterberging. Aan de noordzijde van de kern Venray ligt het natuurgebied Smakterveld (beheer Staatsbosbeheer). Binnen dat natuurgebied ligt de Loobeek en het dal van de Loobeek. Dit beekdal vormt, gezien de bufferende werking, een belangrijke waarde in de strijd tegen de negatieve effecten van de klimaatverandering. Die bufferende werking heeft tot doel om in de lagergelegen delen grote hoeveelheden water vast te houden. Dit is in natte perioden van belang om op andere plaatsen overlast van water te voorkomen. In droge perioden is het van belang om er water aan te kunnen onttrekken als er elders tekorten ontstaan. In combinatie met deze waterbergende functie is het gebied ook van belang als leefgebied van bijzondere planten- en dierensoorten.

De natuurontwikkeling is nauw verbonden met de realisatie van het bedrijventerrein Smakterheide Noord. Het beoogde bedrijventerrein ligt op de overgang van de hogere gronden van Venray en het lagergelegen beekdal van de Loobeek. Door dit gebied als natuur in te richten kan het belangrijke functies vervullen. Naast versterking van de biodiversiteit vanwege nieuw leefgebied speelt het ook een belangrijke rol in de klimaatadaptatie, namelijk het voorkomen van wateroverlast door hevige regenbuien en het voorkomen van verdroging door het hemelwater ter plaatse op te vangen en in de bodem te laten infiltreren. Hemelwater dat op de daken van de bedrijfsgebouwen valt, wordt opgevangen in het lagergelegen natuurgebied, waar het kan infiltreren in de bodem. Als het hemelwater niet wordt opgevangen maar wordt afgevoerd, draagt het in sterke mate bij aan verdroging. Dat wordt met opvangen en infiltreren voorkomen. Daarnaast levert het opvangen van hemelwater in het natuurgebied een bijdrage aan het voorkomen van wateroverlast bij hevige buien, zowel op het bedrijventerrein als in het aangrenzende beekdal. Het natuurgebied heeft daarmee een belangrijke waterbufferende functie.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de notitie 'Natuurontwikkeling Smakterheide', die als Bijlage 2 bij de motivering is opgenomen.

Toelichting bij koppelingsregeling 2 (zie artikel 6.6.2 onder g)

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw op een kavel in deelgebied 1 is vereist dat:

  • a. het bouwrijp maken van de openbare ruimte binnen de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1 overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, is voltooid, en
  • b. de kavel beschikt over een aansluitmogelijkheid op, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, aangelegde vuilwaterriolering, welke riolering verbonden is aan het bestaande openbare rioleringsstelsel, en
  • c. de kavel beschikt over een aansluit- of afvoermogelijkheid voor hemelwaterafvoer, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, naar aangelegde afvoervoorzieningen, welke voorzieningen verbonden zijn/afwateren op de gronden binnen respectievelijk de functie natuur - waterberging en/of de functie groen - waterberging, en
  • d. voor zover de kavel grenst aan de functieaanduiding ontsluitingslus, het bouwrijp maken van de openbare ruimte binnen de fuctieaanduiding ontsluitingslus overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, is voltooid.

Onderdeel a ziet op de vereiste dat voordat de bebouwing van kavels start, eerst de aanpassing van de bestaande weg Spurkt binnen de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1 in definitieve vorm heeft plaatsgevonden. De aanpassingen zien op onder meer de aanpassing van de fundering en de breedte van het wegprofiel, dit met inbegrip van bijbehorende werken. Dit is nodig vanwege de voorziene toename van het autoverkeer door de ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein.

Onderdeel d ziet op de vereiste dat indien de kavel grenst aan de nieuw aan te leggen ontsluitingslus, eerst deze ontsluitingslus als bouwweg is gerealiseerd.

Onderdelen b en c zien op de vereiste dat bij de start van de bouw op een kavel, de kavel beschikt over:

  • een aansluitmogelijkheid op de nieuw aangelegde vuilwaterriolering, die, al dan niet via eveneens nieuw aangelegde rioleringswerken, is verbonden aan het bestaande openbare rioleringsstelsel;
  • een aansluit- of afvoermogelijkheid voor hemelwaterafvoer, waarbij de afwatering vervolgens geschiedt naar de gronden binnen respectievelijk de functie natuur - waterberging en/of de functie groen - waterberging.

Hiermee wordt bereikt dat een kavel binnen het uitgeefbaar gebied in deelgebied 1 direct bij de start van de bebouwing is voorzien van een adequate ontsluiting in de vorm van de aanpassing van de weg Spurkt in definitieve vorm binnen de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1 en, indien de kavel grenst aan de geplande ontsluitingslus, een ontsluitingslus als bouwweg en dat de kavel beschikt over een aansluitpunt op de openbare riolering voor hemelwaterafvoer en droogweerafvoer.

Toelichting bij koppelingsregeling 3 (zie artikel 6.6.2 onder h)

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw op een kavel in deelgebied 2 is vereist dat:

  • a. het bouwrijp maken van de openbare ruimte en het gebruiksgereed maken van de openbare ruimte van de gronden binnen de functieaanduiding zone water overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, is voltooid, en
  • b. het bouwrijp maken van de openbare ruimte binnen de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1 en binnen de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 2 overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, is voltooid, en
  • c. de kavel beschikt over een aansluitmogelijkheid op, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, de aangelegde vuilwaterriolering, welke riolering verbonden is aan het bestaande openbare rioleringsstelsel, en
  • d. de kavel beschikt over een aansluit- of afvoermogelijkheid voor hemelwaterafvoer, als onderdeel van het bouwrijp maken van de openbare ruimte en overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, naar aangelegde afvoervoorzieningen, welke voorzieningen verbonden zijn/afwateren op de gronden binnen respectievelijk de functie natuur - waterberging en/of de functie groen - waterberging.


Onderdeel a ziet op de vereiste dat voordat de bebouwing van kavels start in dit deelgebied, eerst de bestaande A-watergang overeenkomstig de eisen zoals opgenomen in de kwaliteitsomschrijving, is verlegd.

Onderdeel b ziet op de vereiste dat voordat de bebouwing van kavels start, eerst de aanpassing van de bestaande weg Spurkt voor zowel het gedeelte dat gelegen is binnen de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 1 als het gedeelte dat gelegen is binnen de functieaanduiding Spurkt-weggedeelte 2 in definitieve vorm plaatsgevonden. De aanpassingen zien op onder meer de aanpassing van de fundering en de breedte van het wegprofiel, inclusief bijbehorende werken. Dit is nodig vanwege de voorziene toename van het autoverkeer door de ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein.

Onderdelen c en d zien op de vereiste dat bij de start van de bouw op een kavel, de kavel beschikt over:

  • een aansluitmogelijkheid op de nieuw aangelegde vuilwaterriolering, die, al dan niet via eveneens nieuw aangelegde rioleringswerken, is verbonden aan het bestaande openbare rioleringsstelsel;
  • een aansluit- of afvoermogelijkheid voor hemelwaterafvoer, waarbij de afwatering vervolgens geschiedt naar de gronden binnen respectievelijk de functie natuur - waterberging en/of de functie groen - waterberging.

Hiermee wordt allereerst bereikt dat de A-watergang is verlegd voordat de bebouwing in deelgebied 2 plaatsvindt. Voorts wordt hiermee bereikt dat een kavel binnen het uitgeefbaar gebied in deelgebied 2 direct bij de start van de bebouwing is voorzien van een adequate ontsluiting in de vorm van de aanpassing van de weg Spurkt in definitieve vorm binnen de functieaanduidingen Spurkt-weggedeelte 1 en Spurkt-weggedeelte 2, en dat de kavel beschikt over een aansluitpunt op de openbare riolering voor hemelwaterafvoer en droogweerafvoer.

Hoofdstuk 9 Participatie

9.1 Participatie

Omgeving

Al geruime tijd wordt gewerkt aan de planvorming voor het bedrijventerrein Smakterheide Noord.

Tijdens een goed bezochte inloopbijeenkomst (22 oktober 2025) in het gemeentehuis zijn omwonenden en geïnteresseerden geïnformeerd over de ontwikkeling van bedrijventerrein Smakterheide Noord aan de hand van het landschapsplan en een concept verkavelingskaart. Het verslag is opgenomen als Bijlage 35).

Betrokken overheden en instanties

Het voornemen is voorgelegd aan de provincie Limburg, Rijkswaterstaat, de Veiligheidsregio Limburg-Noord en TenneT.

De provincie Limburg heeft op 12 mei 2025 haar reactie gedeeld met de gemeente. De provincie adviseert om in het plan nadrukkelijker in te gaan op de instructieregel Bedrijventerreinen zoals opgenomen in artikel 12.5 de provinciale omgevingsverordening. Daarnaast is sprake van stikstofdepositie waardoor het noodzakelijk is om een aanvullend ecologisch onderzoek uit te voeren waarin de mogelijke effecten van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden nader wordt beoordeeld en onderbouwd.

Op 23 april 2025 heeft Rijkswaterstaat haar reactie met de gemeente gedeeld. Uit de reactie blijkt dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein geen doorstromingsproblemen oplevert voor de A73, maar blijkt nog onvoldoende wat de gevolgen voor de doorstroming op de kruispunten van de A73 met de Maasheseweg zijn.

De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft op 21 mei 2025 haar adviesrapport gedeeld met de gemeente. De rol van de brandweer binnen de Wetgeving veiligheidsregio's houdt in dat zij het bevoegd gezag adviseren omtrent de bestrijdbaarheid van incidenten die invloed hebben op het nieuwe bedrijventerrein. In het adviesrapport worden adviezen gegeven ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid.

TenneT geeft in haar reactie van 7 oktober 2025 richting gemeente aan dat de regels voor de aanwezige hoogspanningsverbindingen goed zijn opgenomen in dit plan.

De reacties zijn, voor zover van toepassing, verwerkt in het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende onderzoeken.

9.2 Vaststellingsprocedure

De gemeente legt het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11 Awb). Vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan kan een ieder in deze periode zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling plaatsvinden.

Hoofdstuk 10 Belangenafweging en conclusie

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de uitbreiding van het bedrijventerrein Smakterheide aan de noordzijde van de weg Spurkt. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan het duurzaam economisch groeipotentieel van Venray en de omliggende regio. Door te kiezen voor de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein in plaats van het creëren van nieuwe bedrijfsruimte elders in Venray wordt bovendien aangesloten bij de voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van werklocaties geclusterd in of nabij het stedelijk gebied.

Het doel van een bedrijventerrein is het bieden van fysieke ruimte aan milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten die substantiële milieuhinder kunnen voorzaken. Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor het ondernemersklimaat in een gemeente. Ongereguleerde vestiging van bedrijven op bedrijventerreinen is echter vrijwel nergens mogelijk. De bedrijven op een bedrijventerrein moeten milieuhinder buiten het bedrijventerrein beperken, zeker wanneer nabij het bedrijventerrein (geprojecteerde) milieugevoelige functies aanwezig zijn.

Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

Voor het zuidelijke deel van het bedrijventerrein is een zone 'geluid basis' opgenomen. Voor een milieu- hinderlijke activiteit op het bedrijventerrein geldt de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Voor het overige deel van het uitgeefbare terrein van bedrijventerrein Smakterheide Noord is een zone 'geluid verruimd' toegepast.

Voor het gehele wijizigingsgebied is de zone 'geur-basis' opgenomen en gelden de basiswaarden van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 percentiel op 50 meter van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

Het wijzigingsgebied ligt buiten het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied van de basisnet wegroute en heeft het voornemen geen effecten op omgevingsveiligheid. Wat betreft Benegas B.V. heeft het voornemen effecten op omgevingsveiligheid. Binnen de PR 10-6 per jaar contour van Benegas B.V. maakt dit plan de ontwikkeling van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties, beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties echter niet mogelijk. Zowel binnen het brandaandachtsgebied van Benegas B.V. als binnen het explosieaandachtsgebied van Benegas B.V. maakt dit plan de ontwikkeling van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet mogelijk. Echter maakt dit plan wel de ontwikkeling van beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties mogelijk. Omdat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in nieuwe gebouwen op het nieuwe bedrijventerrein niet beperkt is, moeten conform artikel 5.15, tweede lid van het Bkl maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in nieuwe gebouwen. Personen op bedrijventerrein Smakterheide Noord kunnen van Benegas B.V. af vluchten richting het noordwesten en richting het zuidwesten.

Smakterheide Noord gaat uit van een landschappelijke inpassing en krijgt een nadrukkelijke relatie met het omliggende landschap, waarbij ook ruimte wordt gereserveerd voor ecologische en/of landschappelijke verbindingen. Aan de noordzijde van het wijzigingsgebied wordt een groene overgangszone gerealiseerd (natuur) naar het Loobeekdal, waarin het aanwezige hoogteverschil wordt opgevangen en ruimte aanwezig is om voor Smakterheide Noord een duurzaam watersysteem te realiseren. Door voldoende ruimte te bieden aan groen, met de ontwikkeling van 20 ha aan (natte) natuur, draagt dit omgevingsplan ook bij aan de nationale doelstellingen omtrent klimaatadaptatie en bodem en water sturend. Daarnaast brengt het ontwikkeling van groen in combinatie met het beschermen van landschappelijke kwaliteit een positieve toevoegen aan de ambitie bodem en water sturend.

Tot slot blijkt uit hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6 dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies

aan locaties.

Conclusie

Alles overwegende is de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar. De impact van de beoogde uitbreiding Smakterheide Noord op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.